Recensie van Krabbengang. Bloemlezing uit eigen werk - Stefaan van den Bremt

Te lezen voor wie graaft

Stefaan van den Bremt
Krabbengang. Bloemlezing uit eigen werk
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339195
€ 20
192 blz.

De recent verschenen bloemlezing Krabbengang (2016) van de Vlaamse dichter en vertaler Stefaan Van den Bremt biedt de lezer een overzicht van gedichten die zijn voorkeur verdienen. Uit 17 van de 20 verschenen bundels heeft hij een keuze gemaakt. Hij is niet de enige dichter die om de zoveel tijd zich geroepen voelt streng en kritisch zijn verzen te wikken en te wegen. Andere dichters zijn daarin soms wat minder streng te werk gegaan, zoals Stefan Hertmans en Leonard Nolens. Met dit selectieproces zal hij de bedoeling hebben gehad die verzen in zijn bloemlezing een plaats te geven die het sterkst zijn identiteit als dichter bepalen.
     Aan het gedicht ‘Plattegrond’ uit de bundel Voegwerk (2008) voegt hij een motto van de Spaanse dichter Antonio Machado (1875-1939) toe: ‘ga maar er is geen weg / hij wordt pas gaande weg’. Met dat adagium moet Van den Bremt indertijd als dichter op pad zijn gegaan. Daarin staat halverwege een versregel die een essentiële beweegreden voor zijn dichterschap onderstreept: ‘We jagen wie wij worden na’. Die jacht roept veel melancholie op, omdat er altijd een verschil tussen kunnen en willen zal blijven bestaan.
     Onder titel ‘Afspraak met de geschiedenis’ tekent Dirk De Geest voorafgaand aan de bundeling een vloeiend portret van deze dichter en zijn ontwikkeling. Hij prijst hem om zijn uitmuntende staalkaart en schetst hem als een scherp waarnemer met oog voor de complexe realiteit waarin wij leven. Daarbij slaat Van den Bremt het oog op wat zich in zijn directe leefomgeving aan hem voordoet, maar ook op wat er op zijn reizen door Europa en daarbuiten in zijn vizier is gekomen. Hij onderkent zijn eigen individualiteit in een onmisbaar sociaal verband. Hij zoekt de ander in zijn ontmoeting met de kunsten, de liefde, de natuur en de taal.
     Van den Bremt is niet zozeer een vernieuwer te noemen, hoewel hij in zijn Labris-periode zijn taalexperimenten heeft gekend. Na verloop van tijd zocht hij in zijn poëzie meer naar wat voor hem in de meest objectieve zin de werkelijkheid is. Het is ook de periode waarin hij zijn politiek-maatschappelijk engagement uitdraagt, zoals in het gedicht ‘Lyriek en politiek’ uit de bundel Andere gedichten (1980): ‘Het land dat u bestuurt, heren, / heeft meer emotie nodig! // Goede lyriek deed nooit onder / voor de politiek: beide / vullen een tekort met woorden.’ De heren politici bestrijden nog altijd niet de honger in Afrika, terwijl daar nog altijd ‘eetlust zonder eten’ bestaat. In dit tekort treffen politici en dichters elkaar.
     Zoals vele generatiegenoten ontdekt Van den Bremt dat we alleen door middel van de taal ons een beeld van de werkelijkheid kunnen scheppen. Hij schroomt niet om gaandeweg steeds meer zijn lyrische stem te laten klinken en de grenzen van de liefde te verkennen, zoals in het titelloze gedicht uit de bundel Het onpare paar (1981): ‘Zin op liefde, muze. / Dit zijn de woorden. // Zing van de liefde, de dichter, / zing verzin opnieuw / de oudste deun.’ Het is de enige manier om onze innerlijke leegte te verdrijven. Daarin speelt de taal voor Van den Bremt een hoofdrol. Daarbij geeft zijn melancholieke ondertoon een zekere vergeefsheid mee aan zijn verzen, zoals in het vers ‘De weg naar Saint-Cirque-Lapopie’ uit de bundel Een vlieg met gouden vleugels (1997): ‘Poëzie, zoals de liefde, is de ellende / van de lijfelijke gelukzaligheid. Ook // zij eindigt met de treurnis / van elk dier na de coïtus’.
     Aan zijn poëzie valt in vorm en inhoud de verbondenheid met de traditie af te lezen. In het bijzonder hebben de Franse en Spaanse poëzie zijn interesse. Zijn poëzie is bepaald niet eenvormig en gelijkluidend te noemen. Zijn verzen zijn wisselend van lengte, net zoals dat met de versregellengte en de typografie het geval is. Van den Bremt is van meet af aan een bouwer van grote en kleine cycli geweest, zoals de cyclus ‘Nachtmuziek over Ter Kameren” uit de bundel Een vlieg met gouden vleugels (1997), in navolging van een vergelijkbare cyclus van Octavio Paz. Als een wandeling door de herinnering opgetekend daalt het lyrisch subject bij wijze van spreken af naar wat er aan voornemens achter hem ligt: de waarheid te vinden, een nieuwe wereld te maken en het juiste woord te vinden. In dergelijke omvangrijke verzen kan hij meer spelen met sferen, klankkleuren en ritmes.
     Stijlfiguren als herhaling, parallellisme, imperatief, tegenstelling, paradox en retorische vraag komen veelvuldig voor en onderstrepen zijn ambivalente levensgevoel. In het gedicht ‘Drempeldicht’ uit de bundel Verbeelde boedel (1995) brengt hij dat heel precies onder woorden. Hij wenst maker van ‘dubbelzinnige gedichten’ te blijven. De ‘kunst der wankele evenwichten’ hoopt hij meester te worden. Hij onderkent de leugenachtigheid van onze waarneming, en zeker als wat wij hebben waargenomen is gefotografeerd, zoals in het gedicht ‘De duivel als fotograaf’ uit de bundel Verbeelde boedel (1995): ‘Herinner je. Eén ogenblik mag je / weer meisje zijn. Het is geen vrouw gegund / zo mooi te blijven dan als souvenir.’ De vaststelling van een fotomoment is een hoogtepunt, maar is tevens een moment van herinneringsverfraaiing.
     Iets van de poète maudit leeft in deze dichter. Hij beschouwt zich als de kleinst mogelijke cirkel met een omtrek en middelpunt. Hij worstelt met het zoeken naar een krachtige eigen stem. Was hij eerder de dichter die met een retorische vraag zich afvroeg of hij wel de aangewezen persoon was om over het menselijk tekort te spreken, gaandeweg heeft hij die positie veroverd en het zelfvertrouwen zich eigen gemaakt. Hij formuleert dat treffend in het gedicht ‘Waakvlam’ uit de bundel Met ogen vol vergetelheid (1989) als volgt: ‘Alleen waar vuur heerst, heilig vuur, ontwaakt / de ware schrijfaandrift. Dat vuur volmaakt / het handwerk van het schrijven, een gedreven / aaneenrijgen van letters die gaan leven’.
     Van den Bremt formuleert voorzichtig, detailleert subtiel en heeft oog voor wat veelal over het hoofd wordt gezien, zoals in het ‘Een landslied’ uit de bundel Taalgetijden (1999) : ‘Nog liever is het me waar licht op weg is / naar een plooi die met geen windvlaag glad / te wrijven is’. Hij personifieert graag zijn natuurlijke objecten, zoals de ‘zingende bomen’. Zijn poëzie laat zich in eerste instantie gemakkelijk lezen, maar bezit bij nader inzien een gelaagdheid die mede haar aantrekkelijkheid uitmaakt. Soms verrast hij ons met een archaïsme, dan weer gebruikt hij een woord van alledag. Meestal is zijn woordkeuze terughoudend en behoedzaam. Hij wil toch vooral een dichter van weinig welgekozen woorden zijn. Soms neigt hij naar het aforistische, dan weer waagt hij zich aan een breed uitgesponnen cyclus. Het blijft spannend om zijn poëtische krabbengang te volgen.
     In de bundel Valkuil in de wolken (1971) staat het gedicht ‘Bodemonderzoek’. Daarin verwoordt Van den Bremt wat hij als dichter voorstaat: ‘Geologie is allerminst lichtzinnig. / eerst na maandenlange terreinprospectie en dito stalen- / onderzoek duidt men op de kaart die punten aan / die voor diepere boring in aanmerking zullen komen, / waarna nog blijkt dat één succes noodzakelijkerwijze / opweegt tegen tientallen mislukkingen.’ Het is deze behoedzame werkwijze die hem eigen is. Hij gaat niet over een nacht ijs, en zeker niet op aanraden van anderen. Hij vaart zijn eigen koers. Hij is zijn eigen projectontwikkelaar in het gelijknamige gedicht uit de bundel Lente in Vorst (1976): ‘ Eén voor één wik ik / mijn woorden, omzichtig, / en maak ze even doorzichtig / als vensterglas.’ En toch blijft het vinden van de juiste woorden iets hebben van het zoeken naar sluipwegen en het gaan door onaardse gangen om de Montségur te bestijgen: ‘Het arendsnest blijft onneembaar. / De volmaakten zijn niet van deze / wereld, / en waar is de andere?’ Hoe graag had hij niet de ‘volmaakte’ dichter willen zijn? Het is als het ervaren van de nabijheid van de verte ‘in een niet uit te roeien taal / van ketterse visioenen in azuren / tonen ver boven de hoogste trans’. In deze regels spannen de transcenderende bewegingen in het dichterschap van Van den Bremt samen met de dichter die in veel van wat hij waarneemt en ervaart, de opwindende lokroep hoort van sirenen die hem naar de woorden zullen leiden die hem door de dag en de droom zullen voeren die leven heet. Het eedverbond der woorden is edel, ‘maar al wat edel lijkt / is [nu eenmaal] ijdel’.
     Hoezeer Van den Bremt de behoefte voelt zichzelf op te tekenen blijkt onder meer uit het gedicht ‘Lijflied’ uit de bundel In een mum van taal (2002). In de verte klinkt Nijhoff mee. Van den Bremts poëzie is te lezen voor wie bereid is te graven in zichzelf. Van den Bremt helpt je erbij de eerste spade in de eigen grond te steken:

Lijflied

Het is van mijn leven nog niet geschreven,
nog nooit van m’n leven.
Het staat om de dood nog niet te boek,
om de dooie dood niet.

Het voelt nog zo iel aan,
of het mijn tong nog niet kan roeren;
ik voel me beroerd. Hoor hoe
het zou willen schreien.

Ik wil het ooit nog eens op
kunnen schrijven, al is het te weinig
om van te leven, het is om dood te gaan
te veel.

Een wijs is het, een onbepaalde
ruimte die nog niet weet van tijd.
Een mond waarin bestorven ligt
wat nog geboren moet worden.

Van den Bremt heeft ons met deze bloemlezing een interessante inkijk gegeven in zijn dichterlijk universum.