Al schrijvend verzin ik mijn eigen horizon

 

Kim Pauwels (1983) studeerde Romaanse filologie en cultuurmanagement. Op het Groenendaalcollege te Merksem geeft zij dagelijks haar passie voor taal en tekst door aan haar leerlingen tijdens lessen Frans en Esthetica. In februari verscheen haar debuutbundel Tweelingstrijd bij Uitgeverij Vrijdag.

Jouw naam is een frisse verschijning in de dichtwereld. Waar komt je innerlijke dichteres vandaan?
Ik ben altijd een fantasierijk kind geweest. Toen mijn één jaar oudere zus op school zat, leerde ze me hoe ik letters moest vormen en uitspreken. Er ging een hele nieuwe wereld voor mij open. Overal ontdekte ik teksten en zinnen die begrepen moesten worden.
Mijn zus en ik hadden de gewoonte om op vroege weekendochtenden, als onze ouders nog sliepen, zelf avonturenboeken te maken vol fantastische verhalen. Ik verzon en schreef de tekst en mijn zus maakte mooie illustraties. 
Ik verslond bibliotheekboeken. Al die verschillende personages intrigeerden en inspireerden me enorm. Ik besloot dat ik zelf het personage van mijn eigen leven wilde zijn en dus begon ik dagboeken te schrijven. Heel mijn kindertijd en jeugd staan opgetekend in verschillende dagboeken die ik nog altijd in een doos thuis bewaar. Omdat mijn nieuwsgierige zus er telkens in slaagde mijn dagboeken te vinden en te lezen (en ik dat heel goed wist omdat ze daarna haar mond niet kon houden over wat ze ontdekt had), probeerde ik al van jongs af om de meest banale, dagdagelijkse beslommeringen zo mooi en treffend mogelijk te verwoorden, want ik wist dat ze gelezen gingen worden. In mijn dagboeken schreef ik mijn eerste gedichtjes, toen nog in rijm. Dat was ook de periode dat ik op school een clubje begon tegen het verschrikkelijke versje “tip tap top de datum is verstopt”, omdat dat niet rijmt. Jammer genoeg bleef ik wel het enige lid van mijn eigen initiatief. 

Waarom koos je voor Romaanse Filologie en Cultuurmanagement?
In het vijfde middelbaar kregen we Nederlands van een heel bevlogen leraar, die erg gepassioneerd over literatuur kon praten. We moesten toen een creatief werk maken rond poëzie. Ik diende een paar zelfgeschreven stukjes in en hij moedigde me aan om ermee verder te gaan. Die erkenning voelde motiverend, maar toch verliep het schrijven daarna moeizaam met veel ups en downs. 
Lezen bleef mijn grote liefde. Ik wist dan ook onmiddellijk dat ik literatuur wilde gaan studeren, liefst nog in een taal die niet mijn moedertaal was, omdat ik dan meer teksten in hun originele versie kon lezen. Ik heb mijn studie Romaanse talen met interesse en gretigheid voltooid, maar in zekere zin was het ook niet goed dat ik talen en literatuur ging studeren, want het lezen van al die grote meesters en klassiekers verpletterde en verlamde mij. Ik wist dat ik nooit zo goed zou kunnen schrijven.

Maar nu ligt hier dan toch je debuut Tweelingstrijd voor ons. Hoe is deze bundel ontstaan?
Ik bleef toch altijd een drang voelen om te schrijven. Het is voor mij als een tweede natuur, een uitlaatklep. Sommige periodes schreef ik heel veel, bijvoorbeeld in mijn thesisjaar. Toen verdiepte ik me in de gedichten van  René Char waarin hij verlangt naar een vrouw die afwezig blijft. In een periode dat ik zelf hevig verliefd was op een man die ik niet kon beminnen, schreef ik opgejaagd en rusteloos. Het was alsof ik mijn gedachten niet meer kon uitschakelen en ik krabbelde op alles wat ik maar kon vinden: buskaartjes, wc-papier, achterkanten van boodschappenlijstjes, servetten, papieren zakdoeken… Maar altijd belandde wat ik geschreven had in een lade van mijn bureau. 
Tot ik twee zomers geleden moest verhuizen en al die bekrabbelde briefjes tegenkwam. Ik besloot alles te ordenen en te proberen een geheel te vormen van wat ik geschreven had. Ik liet het aan enkele vriendinnen lezen en zij spoorden me aan om het naar een uitgeverij te sturen. En kijk, enkele maanden later lag Tweelingstrijd in de winkel. 
Maar ik denk dat ik nog altijd niet durf te zeggen dat mijn schrijfsels poëzie zijn. Ik vind poëzie zo’n woord als liefde. Je mag dat niet te vaak in de mond nemen, want dan verliest het aan kracht en betekenis. Alleen wat echt is, mag zo benoemd worden. 

Je bent lerares en in je biografie staat dat je jouw liefde voor taal op je leerlingen over wilt brengen. Hoe doe je dit?
Die liefde voor taal en literatuur probeer ik inderdaad, als leerkracht Frans en esthetica, aan mijn leerlingen door te geven. Ik weet niet of dat altijd lukt. De meeste leerlingen lezen niet zo graag, omdat het veel tijd vraagt en tegenwoordig moet alles snel gaan. Maar leerlingen, hoe kritisch ook, houden wel van authenticiteit. Ik denk dat ze wel merken dat ik, als ik les geef over poëzie of als we samen een boek lezen, niet gewoon een lesje sta af te dreunen, maar dat ik echt wil dat ze de wijsheden daarvan begrijpen. Leerlingen voelen die bevlogenheid en dat kunnen ze meestal wel appreciëren. Toen ik onlangs, na een les over Baudelaire in het kader van gedichtendag, de leerlingen bedankte omdat ze zo goed hadden opgelet in de klas, zei een leerling bij het naar buiten gaan: “Mevrouw, wij waren eerlijk gezegd zo stil, niet omdat het ons echt interesseerde, maar omdat we zagen dat u het gedicht zo geweldig vond. We wilden u daarin niet kwetsen.” Geweldig, toch, Spleen als middeltje tegen Spleen. 

Als je de tussentitels van je bundel achter elkaar zet, leest dit als een intrigerende zin.
Ik ben water verf kleine donkere bergen breekbaar als een rusteloze kim, waar je, neem ik aan speelt met de dubbele betekenis van het woord kim, jouw naam én de horizon. Het voorlaatste gedicht heet: Kim verzon de horizon. Kun je iets vertellen over hoe je tot deze indeling bent gekomen?  En tot de titel Tweelingstrijd?
 Ik ben geen fan van mijn eigen naam, niet van de klank en ook niet van de betekenis. De kim als einder, als einde, als begrenzing van wat je kunt zien. Dat past totaal niet bij mij en al zeker niet in een vlak gebied als ons land. Als ik in de bergen zou wonen, waar de kim grillig en onvoorspelbaar is, dan zou ik er nog mee kunnen leven. Al schrijvend verzin ik mijn eigen horizon, kan ik uitvinden wat er achter die streep ligt, die dan eerder een brug is.
Die zoektocht, daar gaat Tweelingstrijd over. In een tweestrijd vecht je met het tegengestelde van jezelf. Dan gaat het volgens mij meer over haakse gevoelens of twijfels. Het ene óf het andere. Een tweelingstrijd is een strijd met jezelf, met je evenbeeld, je spiegelbeeld, het ene dat ook het andere is, dat deel van je uitmaakt, maar toch niet steeds standvastig blijft. Of zoals Descartes het zei: “je est un autre”. Vandaar ook de structuur van de dichtbundel, die uit losse woorden bestaat, maar toch ook een zin vormt. Ik denk dat ik al die dingen apart ben, maar uiteindelijk toch ook een geheel vorm. Ik hoor soms wel eens mensen zeggen “ik ben een man/vrouw uit één blok, één stuk.” Ik dus niet. Ik zie me eerder als een modulair systeem. Elk stukje van mij is iets, alles tezamen ben ik mezelf, maar je kunt er steeds aan blijven bouwen. 

Je schrijft in de bundel meermaals met veel liefde voor de beeldende kunst, bijvoorbeeld in het gedicht MARTHE (geïnspireerd door kunstenaar: Pierre Bonnard).  
Ook schrijf je over Agnes Martin, schilderes van abstract werk en Thom Puckey, beeldhouwer. 
Hoe wordt bij jou uit beeld poëzie geboren? 
Als ik in een museum of een galerij kom, dan wandel ik niet, dan schrijd ik. Voor mij is het dan alsof ik op heilige grond kom. Ik kan ook moeilijk een vast parcours volgen tijdens een tentoonstelling. Een beeld kan me heel erg raken. Vaak kan ik dat op geen andere manier verwerken dan erover te schrijven. Poëzie is voor mij ook een beeld. De schikking van de woorden op een blad enerzijds, maar ook de betekenis, wat het oproept anderzijds. Met weinig veel doen. Ik denk dat het dat ook is wat me in beeldend werk zo kan raken. Die frivoliteit. 

Je bundel heeft zwart-witte illustraties. Hoe en waarom koos je de illustrator voor Tweelingstrijd?
De illustrator is Anthony, mijn vriend. We kennen elkaar nog niet lang. Het woord kwam eerst, maar ik wilde wel graag bij elke tussentitel een illustratie. Omdat we elkaar zo door en door kennen en begrijpen, kon ik goed verwoorden welke beelden ik voor de tussentitels en de cover ongeveer in mijn hoofd had en voelde hij dat feilloos aan.
Ik vind de illustraties die hij gemaakt heeft heel erg mooi en passend bij de inhoud. Omdat het eerder schetsen dan duidelijk afgelijnde tekeningen zijn, houden ze ook een zekere zoektocht in zich vervat, zijn het geen beëindigde werken, zoals de kim er ook geen is. Ik vind dat Anthony de gave heeft om met enkele rake lijnen een heel sterk beeld op te roepen. Dat is waar ik in mijn gedichten ook naar streef.

Elk openingsgedicht van een sectie lijkt een filosofische aantekening. Er zijn ook een aantal gedichten over de taal en het schrijven zelf, alsof je in de taal letterlijk een nieuwe Kim hebt gevonden. Welke Kim is dit? 
Als filosofie nadenken over is, dan ben ik er constant mee bezig. Voor mij is het heel moeilijk om mijn gedachten uit te schakelen of zelfs gewoon één idee per keer in mijn hoofd binnen te laten. Schrijven helpt dan om even stil te staan, als op een vluchtheuvel in de dagelijkse onophoudelijke stroom van denkbeelden.
Ik denk niet dat ik in de taal, via het schrijven een nieuwe Kim heb gevonden, maar wel eindelijk de Kim die ik altijd al was. Dat ik mezelf heb gevonden.