Als een saffier zo blauw

 

Op 20 april aanstaande vindt er in Podium Mozaïek Theater te Amsterdam een toneelvoorstelling plaats van gedichten van Kaváfis, met als titel Wateren van Cyprus, Syrië en Egypte.
Sander de Vaan spr@k met vertaler Hero Hokwerda over Kaváfis én als toetje over Kikí Dimoulá, alom beschouwd als de grootste, nog levende Griekse dichter.

Hero, hoe zou je Wateren van Cyprus, Syrië en Egypte beschrijven?
Het is een toneelmatige voorstelling, met spel, voordracht, zang en koor, van de 32 meest ‘toneelmatige’ gedichten van Kaváfis.

Is dit een primeur voor Nederland?
Wat de Kaváfis-voorstelling betreft wel, maar najaar 2008 heeft Thepak (Theaterwerkplaats van de Universiteit van Cyprus) al een keer in Amsterdam opgetreden (in Crea toen) met de Erotókritos, een toneelbewerking (ook weer door Michalis Piërís) van het befaamde Kretenzische liefdesepos uit de tijd rond 1600.

Voor de leken onder ons: wat maakt Kaváfis zo’n bijzondere dichter?
Kaváfis kan voor verschillende mensen een bijzondere dichter zijn om verschillende redenen: om zijn moderne levenshouding (vanuit een ironisch, heroïsch-pessimistisch levensgevoel) vooral in zijn ‘historische’ en ‘filosofische’ gedichten, en/of om zijn liefdesgedichten over de (in zijn geval homoseksuele) lichamelijke begeerte, waar hij gaandeweg steeds openlijker voor uitkomt, ook trouwens in zijn ‘historische’ gedichten (de verschillende categorieën, door de dichter zelf al onderscheiden, zijn lang niet altijd zo duidelijk van elkaar gescheiden).

Zou je hier een aantal van je favoriete verzen van hem willen citeren?
Je moet me maar vergeven dat ik de voorkeur aan mijn eigen vertalingen geef… Ik kies voor deze gelegenheid de volgende gedichten: Trojanen, Antonius door de god verlaten en Ver weg.

Zie de gedichten bij dit interview.

Je hebt zelf de vertaling van deze gedichten bezorgd. Hoe moeilijk is het vertalen van Kavafis’ poëzie?
Voor de duidelijkheid: bij de voorstelling gebruiken we grotendeels vertalingen van Blanken en Warren/Molegraaf, en een paar van mijzelf.
Kaváfis’ poëzie is aan de ene kant ‘gemakkelijk’, wat het eerste begrip betreft (geen lyrische vervoering, geen metaforenvloed, geen associatieve overgangen), en dat heeft wel tot de constatering geleid dat de stem van Kaváfis in welke vertaling dan ook altijd wel tot op zekere hoogte herkenbaar blijft.
Aan de andere kant is ze moeilijk te vertalen omdat het subtiele spel met de taal en de ironische lading een goed begrip van zijn taal en zijn taalspel vereisen om de stem van Kaváfis in haar werkelijke rijkdom (van nuances dus, en niet van overdaad) over te brengen. En bij dat taalspel hoort in elk geval ook zijn subtiele spel met aan de ene kant gedragen en hoog verheven taal en aan de andere kant idiomatische spreektaal, die een diepe én brede kennis van het Grieks vereisen.

Zijn er nog meer Griekstalige dichters die je de lezers van Meander kunt aanbevelen?
Op dit ogenblik ben ik (met een vertraging van jaren) bezig met de afronding van de vertaling van gedichten van Kikí Dimoulá, die algemeen geldt als de grootste nog levende Griekse dichter: een keuze van circa 80 gedichten uit haar vijftien bundels. In De Tweede Ronde 4, winter 1999 ([4e] Grieks nummer) hebben al een keer zes gedichten van haar gestaan in mijn vertaling; in meer of minder bewerkte vorm komen die vertalingen ook in de nieuwe uitgave te staan.

Zie de gedichten bij dit interview.

Wateren van Cyprus, Syrië en Egypte.
Datum/tijd: donderdagavond 20 april, om 20.00 uur (zaal open 19.00 uur).
Plaats: Podium Mozaïek Theater, Bos en Lommerweg 191, Amsterdam
Entree: € 15,00 (studenten/cjp/stadspas/65+: € 10,00)
Kaartverkoop: http://bit.do/kavafis-podiummozaiek