Gedichten

Konstantínos Petros Kaváfis (1863-1933)
Vertaling: Hero Hokwerda

Τrojanen

Ons pogen is, van wie voor rampspoed is geboren;
ons pogen is zoals van de Trojanen.
Iets krijgen wij wel voor elkaar, iets komen
wij er wel bovenop, en voelen dan
hoe er begin van moed en goede hoop is.

Maar altijd duikt er wel iets op en stopt ons af.
Achilles bij de gracht verschijnt voor onze
ogen en jaagt ons met zijn luide kreten angst aan.–

Ons pogen is zoals van de Trojanen.
Wij menen dat we, moedig, vastbesloten,
de neergang nog wel zullen keren van ons lot,
en staan daarbuiten pal en gaan de strijd aan.

Maar als de grote crisis eenmaal daar is,
gaan onze moed en vastbeslotenheid teloor;
en overstuur raakt onze ziel, verlamt dan,
en rondomheen de muren rennen wij

om zo ons leven nog te redden door de vlucht.

Maar, onze val staat vast. Boven is, op de muren,
begonnen reeds de jammerklacht. Van onze
dagen herinneringen en gevoelens wenen er.
Bitter om ons weent Priamos met Hekabe.

Antonius door de god verlaten

Als plotseling, om middernacht, de echo klinkt
van een onzichtbaar langstrekkende stoet
met heerlijke muziek en met gezang –
ga dan je lot dat je begeeft, je levenswerk
dat is mislukt, de plannen voor je leven
waarvan niet één geen dwaling bleek, niet nutteloos bewenen.
Groet dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,
ten afscheid haar, de stad Alexandrië die daar heengaat.
Maak bovenal jezelf niets wijs, zeg niet: het zal wel
een droom geweest zijn, of: mijn oren hebben mij bedrogen –
verlaag je niet tot dat soort vruchteloze hoop.
Stap dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,
zoals betaamt aan wie een dergelijke stad vergund was,
met vaste schreden nader tot het vensterraam,
en luister — met ontroering wel, maar niet
met het gesoebat en gejammer der lafhartigen –
in nog een laatst genieten naar de klanken,
naar ‘t heerlijk instrumentenspel van de mystieke stoet,
en groet haar dan, de stad Alexandrië die je kwijtraakt.

Ver weg

Graag had ik die herinnering verteld…
Maar zo vervaagd is zij allengs… haast niets is ervan over –
want ver weg, in mijn vroegste jongenstijd is zij gelegen.

Een huid die wel gemaakt leek van jasmijn…
In die augustusmaand — was het augustus? — op een avond…
Amper weet ik de ogen nog; waren ze niet diepblauw…?
Ach ja: diepblauw, als een saffier zo blauw.

Kikí Dimoulá (1931)
Vertaling: Hero Hokwerda

OF JE GEKOZEN HEBT

Vrijdag is het vandaag ik ga naar de straatmarkt
om een wandeling te maken in de onthoofde tuinen
om de geur van de oregano te zien
geknecht in bosjes.

Ik ga tegen de middag wanneer de prijzen van de eisen zakken
je vindt het groen maar gemakkelijk
van boontjes courgettes kaasjeskruid en lelietjes.
Ik hoor daar hoe vrijmoedig de bomen zich uiten
met de afgesneden tong van de vruchten
stapels redenaars de sinaasappels en appels
en er begint een beetje herstel te blozen
op de vaalgele wangen
van een inwendige stomheid.

Zelden koop ik iets. Want daar zeggen ze kies maar.
Is dat gemak of een probleem? Je kiest, en dan
hoe til je dat op, het loodzwaar gewicht
van je keuze.
Terwijl dat het kwam zo uit, net een veertje. In het begin.
Want later bezwijk je onder de consequenties.
Al even loodzwaar.
In feite is het of je gekozen hebt.

Hoogstens koop ik wat aarde. Niet voor bloemen.
Om vertrouwd te raken.
Daar is er geen kies maar. Daar met de ogen dicht.

FOTO 1948

Ik houd een bloem in de hand lijkt het.
Vreemd.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit tuin geweest.

In de andere hand
houd ik een steen.
Charmant en hooghartig.
Zonder enig vermoeden
dat ik gewaarschuwd word voor bederf,
afweermechanismen voorproef.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit onwetendheid geweest.

Ik glimlach.
De curve van de glimlach,
de holte van deze stemming,
lijkt op een goed gespannen boog,
in gereedheid.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit doelwit geweest.
En gepredisponeerdheid voor overwinning.

De blik verzonken
in de erfzonde,
de verboden vrucht
smakend van de verwachting.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit geloof geweest.

Mijn schaduw, speelgoed alleen van de zon.
Met een uniform van aarzeling aan.
Nog niet eraan toegekomen
mijn kameraad te zijn of verklikker.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit toereikendheid geweest.

Jij bent niet te zien.
Maar dat er afgrond in het landschap is,
dat ik aan de rand ervan ben gaan staan
met een bloem in de hand
en glimlach om de lippen,
wil zeggen dat je elk ogenblik komen kunt.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit leven geweest.