Recensie van Misschien moet alles eerst op tekening hersteld - Alja Spaan

In één adem geschreven

Alja Spaan
Misschien moet alles eerst op tekening hersteld
Uitgever: Watervis
2017
ISBN 9789490035075
€ 17,50
76 blz.

In Olijven moet je leren lezen schrijft Ellen Deckwitz: ‘Gemiddeld schrijft een dichter vijftig versies van één gedicht!’ Nu houdt Ellen ervan om een beetje te overdrijven, en geeft zij in de verste verte niet aan waar dit getal op gebaseerd is. Punt is wel, dat het niet vaak gebeurt dat een gedicht in één keer af is. Na een nachtje slapen verbleken heel wat regels die ‘s avonds nog zo diep doorvoeld en geniaal leken. ‘Tien procent inspiratie, negentig procent transpiratie’, placht mijn leraar Nederlands te zeggen. Soms is zelfs het werken aan de interpunctie essentieel. Rutger Kopland in gesprek met filosoof Theo de Boer over het gedicht ’Ga nu maar liggen liefste in de tuin’: “Ik herinner me nog heel goed dat ik die komma in de laatste regel zette.”
Dat zal je Alja Spaan niet snel horen zeggen. Zij schrijft haar gedichten in één keer op, en laat de tekst daarna ongewijzigd. Elke dag begint ze met schrijven, als ik het goed begrijp nog voor het ontbijten en douchen. Soms zijn er nog droombeelden die in het schrijven doorsijpelen, in ieder geval is de waakzame oordelende geest nog niet helemaal wakker. Alle ruimte dus voor het creatieve, associatieve brein.

HET VOLUMEKNOPJE

De beesten komen naar binnen en nestelen
zich, steeds groter naarmate

de temperatuur daalt, ze buitelen door het
open raam naar binnen of

hupsen door een deurspleet en verstoppen
zich schrander. Mijn

beweging trager, zwarte vlekken voor mijn
ogen alsof de doden nog

huishouden, de eerste poes spint, mijn grootvader
zwaait met zijn blinkende arm,

de kippen rennen nog even zonder kop, dan
valt het bloed gelijk met de

veren. Het kikkersprookje is niet echt, een
hond slaat aan, buiten

wordt het leger, de stoelen staan in een kring
met hun poten hoog.

Wanneer ik niet helemaal vat krijg op een gedicht kijk ik vaak naar de titel. Biedt de titel misschien aanknopingspunten over hoe het gedicht te lezen? Bij het lezen van het werk van Alja Spaan is dit geen succesvolle strategie. In een interview vertelt zij hoe zij elke ochtend, nadat zij een gedicht geschreven heeft en op haar blog heeft geplaatst, een woord of woordgroep uit het gedicht kiest om de volgende dag als titel te gebruiken. Dit ongeacht of het gedicht de volgende dag nog bij deze titel aansluit.
Bovenstaand gedicht werd geschreven op 9 september 2014. De titel vinden we terug in het gedicht van de vorige dag: ‘ze draaide aan / het volumeknopje, Dylan // was niet haar keus’. Het gedicht zelf begint met een mooie natuurwaarneming, waarbij in ‘hupsen’ ook een beetje de rupsen doorklinken die zich waarschijnlijk ook onder de indringers bevinden. En dan opeens spint ‘de eerste poes’. Flashback. Zoals de hele bundel gevoed wordt door opkomende jeugdherinneringen. Het spel tussen heden en verleden is betoverend, zoals omgekeerd een kikker gewoon een kikker is, en geen betoverde prins. Als het ‘buiten’ leger wordt is niet meer duidelijk of dit bij de oude herinnering van het kippen slachten hoort, of dat juist het heden waarin het gedicht geschreven wordt als zoveel leger ervaren wordt.

Misschien moet je gedichten die in één adem geschreven zijn ook in één adem lezen. Ik dompel mij onder in de vierde en laatste afdeling: ‘Ze is altijd nog bereikbaar’. We lezen over de tegenstelling tussen stad en dorp. Alja schreef deze gedichten in de tijd dat zij min of meer gedwongen twee jaar in haar geboortedorp woonde. Voelt zij zich weer thuis bij de ‘zangerige gesprekken bij de vrijdagse / viskar’? Het platteland biedt ruimte: ‘Van alle kanten ben ik daar vrij: rechts reiken de / duinen, op onze tenen; links // vertakt de weg zich en draait om de stad heen.’ De stad is blijkbaar geografisch niet ver weg, maar het voelt als een andere wereld: ‘Hoe kan ik me ooit weer voegen onder / de bellende geluiden van de stad, // wegspringen voor de gebruiker’. Het tempo in het dorp is wezenlijk anders. Hier geen weggebruikers die je van je sokken rijden, ‘nu hier die ene lange weg aardbeien verkoopt, / helderrood tegen // het kartonnen bord waarop in kinderlijke letters / de prijs, graag in het soepbord ernaast.’

Ik blader terug naar het begin van de bundel: ‘De stilte is hier oorverdovend’. Terugkeer, inkeer, retraite. ‘Deze omgeving zal veranderen: ik zal mezelf / omhoogbrengen tot vergezichten en // horizonnen die inzichten brengen waar ik vroeger / niet bij kon, rekkend naar altijd meer.’ Er staat niet: Deze omgeving zal mij veranderen. En toch wordt ook dat gezegd. En wie hoort niet de echo van Vasalis in de vergezichten? In een volgend gedicht lezen we: ‘Nu de bomen voller worden, wordt het hart leger. / Het gebaar waarmee mist.’ Mooie meerduidigheid. Een gebaar dat er net naast zit, een gebaar dat verlies uitdrukt, of toch mist als uitdrukking van weersgesteldheid? Het gedicht vervolgt immers met ‘Alleen in de lucht daarachter spelen wolken met / zichzelf’. Waarbij je met ‘alleen’ ook weer verschillende kanten op kunt. Juist in de stilte kunnen ervaringen aan intensiteit winnen: ‘Er zijn foto’s waarbij ik de ogen sluit. Alles / wat ik waarneem, is van dezelfde grootte als / toen ik als kind lag in hetzelfde gras.’

De tweede afdeling heet ‘Alle portretten zijn leven geworden’. Hierin vooral veel jeugdherinneringen, die waarschijnlijk door het verblijf in het dorp naar boven borrelen. Sommige typeringen en voorvallen komen in verschillende gedichten in dezelfde woorden terug. De moeder met haar schort vol appels, haar witte klompjes, de vader met zijn gewoonte om op vakantie bovenop een heuvel het gaspedaal los te laten en met uitgeschakelde motor naar beneden te suizen. Herinneringen die tegelijkertijd zowel uiterst persoonlijk als universeel zijn. De kleur van de herinneringen zit in kleine details. Zo komt de moeder zorgzaam maar afstandelijk over, haar liefde verdelend over de kinderen die elkaar opvolgden ‘zoals de gangen van de maaltijd’. De klassieke vader met zijn vaste grappen, waar het kind een rotsvast vertrouwen in heeft. De herinneringen stellen de dichter ook voor de onmogelijke opgave een balans op te maken, zichzelf te verbinden met haar oude zelf met ‘mijn haar opzijgeschoven met een speldje’. Dat mislukt vaak, net als wanneer je ‘het slijpsel van je potloden // op een ongebruikt velletje papier tracht / te schuiven’ en toch zwarte vingers krijgt (‘Dat venster’). Dat leidt tot de verzuchting: ‘Misschien moet alles / eerst op tekening hersteld. Een strook groen, / wat krokussen, een kat.’

‘Of het dorp weerslag vindt in mijn werk, vraagt / de een, of de rust mij goed doet’ lezen we in een gedicht uit de derde afdeling, die de uitdagende titel ‘Kokette neigingen’ draagt. Ik denk dat de lezer het antwoord inmiddels al weet. En voor de twijfelaar, voor de zwevende lezer volgt hier tenslotte nog een overtuigend gedicht uit de derde afdeling:

BEREIKBAAR

Wat voorhanden ligt, blijft daar: de maan net
om de hoek van het huis, hangend

tussen natte takken, zwarte reikhalzende armen;
het zingend kind van wie de echo

in het lege huis tot in mijn bestemming dringt;
mijn vakantievierende zelf, het

ontdekken van alles wat onder het gras geschoven
opnieuw ging leven; rust die

mijn handelingen zangerig maakte alsof ikzelf
van grote hoogte toekeek, zag dat

het goed was. Misschien is er alleen dat laatste
nog: toekijken maar nooit zeker weten of

iets naar behoren is, er in ieder geval naartoe
schrijven, tot zwaaiend toe.

***
Alja Spaan schrijft altijd. Ze hield zich ook bezig met film-, kunst-, en radioprojecten en concentreert zich de laatste jaren op poëzie. Ze publiceerde in diverse verzamelbundels en literaire tijdschriften en organiseert al ruim tien jaar een literair podium in haar woonplaats Alkmaar, nu onder de noemer Reuring. Misschien moet alles eerst op tekening hersteld is haar vierde bundel. Ze maakte naam bij de Turing Gedichtenwedstrijd en werkt sinds eind 2015 mee aan Meander. Op haar blog verschijnt dagelijks een nieuw gedicht.