Poëzie Kort 2017 / 2

Saskia Stehouwer, Vrije uitloop

(Door Lennert Ras)

Vrije uitloop is de tweede bundel van Saskia Stehouwer (1975). Met haar debuutbundel Wachtkamers won ze de C. Buddingh’- prijs 2015.

Was Wachtkamers misschien wat verstikkend, met familiaire perikelen en verwijzingen naar zelfdoding, Vrije uitloop is pittiger, meer sambal, scherper. Een dolk. Vrije uitloop laat je dingen zien, zoals je ze soms in de krant ziet, op internet of op het NOS journaal .. dingen die je eigenlijk helemaal niet wil zien. Vrije uitloop verwijst ook meer naar de wereld en naar de media dan Wachtkamers. Zo wordt het vluchtelingenprobleem aangestipt, inclusief terrorisme (‘Een keel werd doorgesneden’, p. 7). ‘Ook mensen hebben een bepaalde hoeveelheid bewegingsruimte, afhankelijk van waar hun wieg stond, hun opleiding, middelen en talenten’, lees je op de omslag. Dit tipt naar mijn gevoel direct het vluchtelingenprobleem aan. Meer verwijzingen dus naar de wereld dan in Wachtkamers. Zo wordt er verwezen naar de Tweede Wereldoorlog (in ‘Schutting’, p. 54). Ook ‘Document’ (p. 35) lijkt naar de oorlog te verwijzen.

Ook in Vrije uitloop komen familiaire verbanden aan de orde, maar minder pregnant dan in Wachtkamers. De bundel is agressiever, gewelddadiger, de verwijzing naar zelfmoord in Wachtkamers wijst nu meer naar moord: ‘We staken een duif de ogen uit’ (p.7), alhoewel zelfmoord niet helemaal weg is: ‘soms vertrekt het halve volk / om aan een boom te gaan hangen / kauwend op de keuze / tussen werk en dood’ (p. 51). En er worden schoten gelost op p. 25.

Op de omslag van Vrije uitloop lees je dat de bundel een pleidooi is voor een open en minder arrogante houding ten opzichte van andere mensen en de natuur. Eerlijk gezegd haal ik dat er niet zo uit. De bundel zou, zoals ik hem lees, net zo goed een verheerlijking van geweld in zich kunnen hebben, als een veroordeling ervan. ‘Hij stelt zich een reiziger voor // via het geluid van een zaag die zijn hoofd aansnijdt.’ (p. 9). Ook tanden van een gans lijken te worden weggezaagd. De dood is nooit ver weg.

***
Saskia Stehouwer (2016). Vrije uitloop. Uitgeverij Marmer, 60 blz. € 15,00

 

Hanz Mirck, Drie steden twee ogen

(Door Hans Puper)

Hanz Mirck (1970) schreef in opdracht stadsgedichten over Arnhem, werd in 2007 stadsdichter van Zutphen en in 2014 van Apeldoorn. In Drie steden twee ogen heeft hij zijn beste gedichten geselecteerd.
In zijn bundel kun je niet alleen zien wat een dichter doet met een stad, maar ook wat een stad doet met een dichter. De steden blijken hun eigen eisen te stellen, al is in dit geval enige relativering op zijn plaats: de bundel bestrijkt een periode van twaalf jaar en het dichterschap van Mirck is natuurlijk niet hetzelfde gebleven.
Het meest verschillen de gedichten over Zutphen en Apeldoorn: de Hanzestad aan de IJssel met een rijk en gevarieerd verleden tegenover het bescheidener, lang dorps gebleven Apeldoorn. Enigszins overdreven gesteld kun je de buitenwereld verbinden aan de Zutphense gedichten en de binnenwereld aan de Apeldoornse. Zo beschrijft hij de Zutphense bokbierdag vanuit de ogen van de historische alcoholist ‘Droge Nap’, naar wie een van de vijf torens is genoemd; één gedicht gaat over de ronde van Zutphen en zeven gedichten beginnen met: ‘Een stad is …’. In een aantal Apeldoornse gedichten daarentegen valt de verstilling op. In ‘Veluws eiland’ schrijft hij bijvoorbeeld: ‘de tijd is hier anders, niet trager / maar in een vriendelijker licht // en het licht is hier / waar niet alles knippert en schreeuwt / geduldiger: zoals jij nietsvermoedend / in dit gedicht bent gelopen’. Mooie regels. We zien hier ook een constante: de beleving van de tijd. Het historische kan actueel worden, er is verval en soms een paradijselijke stilstand – die overigens zal worden opgeheven door ambitieuze wethouders en bouwers.

In zijn inleiding stelt Ingmar Heytze dat je al dichter moet zijn voor je stadsdichter wordt: ‘Alleen een echte dichter is het waard om stadsdichter te zijn, want alleen echte dichters schrijven stadsgedichten die hun directe aanleiding en zelfs hun stad overstijgen.’ In Mircks meeste gedichten is dat inderdaad het geval, al moet je een enkele keer googelen om het plaatselijke algemeen te kunnen maken.
Het stadsdichterschap stelt bijzondere eisen. Mirck formuleert ze in ‘Bouwen in het stiltegebied’, aan het begin van zijn Apeldoornse periode, waarin hij een romantisch onderscheid maakt tussen de poëzie die zich aandient en de persoon van de dichter:

Hier heeft u mijn stem, als ik mezelf hoor
lijkt het altijd iemand anders die zulke dingen zegt
Ik heb mezelf vaak gelukkig geprezen
met een instrument om trillend onrecht
te uiten, zachtjes dankbaarheid, schreeuwend
recht, fluisterend wat beschamend was
Soms brak hij tussen koopzondagen op het Raadhuisplein
Vaak heeft hij nog eerder een antwoord dan ik

Hij groeide met me mee; werd lager
toen ik hoger werd, ik nam mezelf te serieus
Want ik hoor mezelf te graag praten,
zingen met mijn hele lijf, terwijl ik van de stad
nog veel te weinig weet. Hier heeft u mijn stem,
laat hem iets verstandigs zeggen. Alstublieft

Een mooi gedicht, niet in het minst door de vorm: een onopvallend gebruik van halfrijm bijvoorbeeld, en ‘zachtjes’ tegenover ‘schreeuwend’, dat bijna hoorbaar wordt door het sterke enjambement. En dat de dichter inderdaad zingt met zijn hele lijf, kunt u ervaren door het gedicht hardop te lezen.

***
Hanz Mirck (2017). Drie steden twee ogen. Uitgeverij Kontrast, 64 blz. € 15,00


Susan Smit,
Die aarde is ’n eierblou ark

(Door Yolandi de Beer)

Die omslag van Die aarde is ’n eierblou ark is goed gekies. Dorre droe aarde herinner aan die enorme droogte en tekort aan lewe gewend water. Veral in Afrika. Ek smag na ’n bietjie Afrikaans en my verwagting is dat die gedigte, wat ook handel oor ’n onderwerp wat my na aan die hart le, soos ’n koel stroom oor my sal vloei.

Maar vanaf gedig een is dit duidelik dat hierdie hard kou en moeilik sluk gaan wees. Die mens verwyderd van die Moeder. Blind vir die effek van ons omgang met ons voeder. Blindvir wat wag. Die aarde lank geen ark meer wat ons gaan help wanneer dit alles ineenstort.

Nou eerder ’n uitgeholde eier met ’n bros droe dop.

Moedverloor se vlaktes. Veel minder van die redding wat die oorspronklike bybelse ark bring en veel meer van Moses wat die Isrealiete steeds blindelings die woestyn in ly. Die ritme van die gedigte herinner swaar aan ’n NG Kerk dominee se preek. Waar is die liefde? Waar is die verbintenis, die teerheid wat nodig is om as aangewese heerser die natuur te bewaar?

Susan Smit het ’n gawe om natuurwesens en verskynsels te beskryf met woorde. Met haar gedig ‘Saad’ verbind sy die mens en die natuur op ’n biologiese vlak met dna. Die gedig vertel van goed en kwaad, teenstelling en ’n onvermoe om uit ons foute te leer. Oppervlakkigheid, persoonlike geskiedenis, lesse…diep in ons verweef. Van die gedig kan ek byna liries raak. Hier vaar jy wel met die digteres se woorde deur haar eie persoonlike groei mee.

Dit word egter nie vir my beter nie. Alleen moeiliker om te lees. Ook in ‘Die Alfabet van water’ benadruk sy dit:

wat nodig is
is ’n dubbelreis
van jou luisterende self
na die glip van water
oor klip waarin jy
medeklinker is

Daar sit ’n stukkie sinneloosheid in en benadruk die onnodigheid van die mens. Hoe erg ons die aarde faal. Ons is gemerk as die medeklinker, bywoner, sondebok.

In opsomming kan ek alleen met lof van die bundel praat. Letterkundig gesien fantasties. Ek ruik en proe die gedigte. Maar dit lees vir my moeilik omdat dit so emostioneelen familiar is. Tog die moeite werd en aktueel van belang. Ek voel aangespoor om ook van die skryfster se ander werk te lees.

***
Susan Smit (2016). Die aarde is ’n eierblou ark. Protea Boekhuis , 96 blz. € 11,70