Recensie van Warhoofds gekkenwerk - Alain Delmotte

Also sprach Wirrkopf

Alain Delmotte
Warhoofds gekkenwerk
Uitgever: Uitgeverij Stanza
2017
ISBN 9789490401344
€ 15
66 blz.

Warhoofds gekkenwerk verschilt van alles wat ik de laatste jaren aan poëzie heb gelezen. Alleen daarom al vind ik de bundel verfrissend, maar dat is niet het enige: hij is ook goed. Al bij het eerste gedicht schoot ik in de lach, maar een light verse-bundel is het niet, integendeel. En ik zeg ‘gedicht’, maar klopt dat eigenlijk wel? Dat is nog maar de vraag. Onder de titel van de bundel staat wat je kunt verwachten: ‘Prozastukken, prozagedichten, schetsen, notities, improvisaties, clowneske ingrepen, satire, hyperbolen.’ En of dat allemaal klopt, is ook nog maar de vraag. Ik kom daar nog op terug, maar houd nu in ieder geval de bladspiegel van de bundel aan. Het eerste gedicht uit de eerste afdeling, waarin Warhoofd zijn zelfportret schetst:

1

Hij is bedreven in het nooit au sérieux worden genomen. Dat er met
hem geen rekening wordt gehouden, hij smeekt erom, het is zijn
zegen.

Van opzij worden geschoven maakt hij een zaak. Plichtsgetrouw
behoort zich te laten bedotten tot zijn dagelijkse taken.

Koste wat kost kickt hij op zich uitgerangeerd voelen.

Kunstzinnig en deskundig in gekkenwerk trekt hij weloverwogen
meestal aan het kortste eind.

Dat hij vandaag alweer geen gehoor kan vinden, maakt zijn dag
goed. Maakt zijn dag af.

Warhoofd houdt ons een lachspiegel voor – Buster Keaton is een van de personen die voorafgaand aan de bundel worden bedankt- , maar het is wel een ongemakkelijke spiegel. Door zijn omkering maakt hij de onzekerheid duidelijk van iedereen die ook maar enigszins ambitieus is.
Warhoofd wordt grimmig in de tweede afdeling: ‘Zeg eens wonden’, met als ondertitel ‘Warhoofds vragen voor een interview met de wonden.’ Gedicht 4: ‘Beschikken jullie over een wil of voeren jullie, op bevel van een zelf / verzonnen hogerhand, in het wilde weg uit? // Hopen jullie ook op roem en op een eeuwig leven? Is blijvend smeulen jullie hoger doel?’
Na allerlei vermakelijk leed eindigt hij uiteindelijk in de hel, die verdacht veel op onze wereld lijkt. Dat heeft wel iets van een ironische Umwertung aller Wirte, net als veel gedichten uit andere afdelingen. Het laatste gedicht van deze afdeling vind ik hilarisch:

10

Om te concluderen.

Eerlijkheidshalve: de hel valt minder ‘kinky’ uit dan je had verwacht.

Redelijkerwijs: de hel geeft minder blijk van boosaardigheid dan
waarop een mens had kunnen rekenen.

Daarom, dierbaren, stelt ook de hel teleur: ze stemt hoopvol.

Of is dat nu net haar venijnigste kwaad?

We zijn er nog niet. Een van de meest intrigerende zinnen uit Warhoofds gekkenwerk staat in de verantwoording: ‘Elke feitelijk bewezen gelijkenis met bestaande personen is een risico dat te wijten zou kunnen zijn aan de moeder van alle toeval: het misverstand.’ Als er zou staan: ‘elke gelijkenis’ zou ik de zin beschouwen als een wat plagerige disclaimer. Maar dat staat er niet. Er staat: elke feitelijk bewezen gelijkenis en de schrijver houdt ook nog eens een slag om de arm: een risico dat te wijten zou kunnen zijn aan het misverstand. Maar hoe zit het dan wel? Misschien zo: de woorden ‘bestaande personen’ staan voor dichters in het algemeen. Het kan natuurlijk zijn dat individuele dichters zo goed aan dat beeld voldoen dat ze daarmee samenvallen; dat kun je natuurlijk bewijzen, maar het is desondanks een misverstand te denken dat hij of zij dat werkelijk is.
Misschien moet je het beeld zelfs ruimer opvatten dan dichters in het algemeen. Weliswaar komt het dichterschap in enkele afdelingen expliciet ter sprake (‘Uitverkoop van dichterlijke werken. // Woorden. Grote woorden, grote hopen woorden, hopeloos holle / woorden, hun prijs niet waard – // ’), maar in afdelingen als ‘Funeral sentences’ en ‘Posthuum’ kan het ook gaan om een beeld van iedereen, van ‘Elckerlyc’. (NB: let op dat ‘Posthuum’, met ‘h’. Moet je lezen: ‘posthumaan’ i.p.v. ‘na de dood’? Een grappig verschil in nuance.)

Maar zeker is dit allemaal niet. Delmotte laat doorschemeren dat wat wij voor de werkelijkheid aanzien niet meer is dan een beeld van die werkelijkheid. De warhoofdigheid krijgt daarmee een filosofische lading: wij lijden daar allemaal aan, het is een onderdeel van de menselijke staat. De werkelijkheid is onkenbaar.
De wijze waarop Delmotte de bundel karakteriseert – zie het begin van deze recensie – kan daar ook op wijzen. Als die toelichting er niet had gestaan, had ik voetstoots aangenomen dat het om gedichten gaat: er zijn acht afdelingen van ongeveer gelijke lengte, met teksten zoals boven geciteerd. De afdelingen worden gevolgd door een langere tekst, die in eerste instantie aandoet als proza, ook door de mooie ondertitel: ‘Warhoofd improviseert een toespraak en heft zonder morsen het glas’. (De titel zelf luidt: ‘Vandaag doet ons dat nog geen kwaad’).
Maar kun je de gedichten beschouwen als prozagedichten in plaats van gedichten? Ik denk het wel: de bladspiegel is helemaal gevuld. Of als notities? Ook. Schetsen? Ja. Het is maar net hoe je het bekijkt en dat is precies de bedoeling, denk ik. Een prachtbundel.

***
Dichter, criticus, essayist en redacteur Alain Delmotte (Kortrijk, 1957) publiceerde onder meer Warhoofd (2002), Lieve Wislawa – Onderschrift 2 (2003), Verstekelingen – Onderschrift 3 (2006), Existential figures (bij tekeningen van Ine Lammers, 2008), Voorstander zijn (2008) en Uit de lucht gegrepen (2013).