De gedichten van de finale (2)

door Stefan Heulot (1974), Nafiss Nia (1968), Astrid Arns (1960)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Stefan Heulot

maten

we hebben geen vast ritueel, onze ontmoetingen
blijven bij hun eerste keer, om de beurt herhalen
we elkaars woorden, jij spreekt over essentie

vangt aan met ‘leuk weerzien’, glazen wijn
vertragen het einde, hoewel dat het er nooit
komt, zeg je, kijken we samen door het raam

naar de boom in de tuin, waar hij bladeren
neerlegt, intussen zien we stilte groeien
verplaatst de tijd ons afscheid
naar de volgende afspraak

een heel klein heelal

vandaar dat ze snel moet praten
haar adem is als een touw
waar steeds meer stukjes worden afgeknipt

zo vertelt ze over het leven toen
er nog licht uit kaarsen kwam
en de eetkamer als een klein
heelal de wereld bevatte

hoe men koffie uit witloof
dronk, eten door bonnetjes
in stukken werd gesneden

en over bommen die ver van nu
vielen en gebroken
glazen deden trillen

ze valt stil, enkel haar klok
tikt op hartritme, ze opent
haar mond, bijt zuurstof uit de lucht
toont wat ze denkt, ze vouwt haar handen
in elkaar, legt ze in haar schoot

ze kijkt door me heen
en weer bloeit haar hart.

Droomland

kloppen we nagels in de muren
met onze vuisten, hangen we
schilderijen scheef en vragen
voorbijgangers om te komen inwonen

onze voordeur waakt over de tuin
struiken groeien, we trimmen
het gras niet en de schommel
valt stil

we verstommen echo’s
schrapen veel te jonge voetstappen
van de traploper
recht het fotoalbum in

zodra de nacht in de gangen hangt
doven we het licht, leeg
draaien de vragen zich om

Nafiss Nia

Je komt hem op een verjaardagsfeest tegen
vraag niet wanneer hij gevlucht is of hij
heimwee heeft en zijn familie mist. Als
je hem perse in een hokje wil stoppen,
stop hem in het hokje ‘mens’, laat zijn
wereld jouw wereld worden voor
een avond. Vraag niet waarom hij
gevlucht is, want jouw nieuwsgierigheid,
die je oprechte interesse noemt, duurt even
maar neemt hem keer op keer mee naar de
zweepslagen, eenzame lichtloze dagen in
zijn isoleercel zonder groet, naar het bloedige
eelt op zijn voeten, de hartverscheurende
kreten van zijn dochter, naar een hel die
niet ophoudt en de pijn die verder graaft.
Laat hem op een verjaardagsfeest even
als jij in het heden zijn en niet het verleden.
Vraag hem gewoon hoe het nu met hem
gaat, en of hij ooit verliefd is geweest.

Ze zit in het midden van de altijd
hongerige duiven en meet de
opkomende zuchten op.
Ben ik aan het dromen of ben ik
in het droom van iemand anders?
Wat een uitputtende bezigheid
moet het zijn, hets en de’s te
overwegen in gisteren
de weervoorspelling raadplegen
de waarschijnlijkheden optellen
opnieuw leren glimlachen
de voorbijkomende illusies inlijsten
fusion food uitspugen
dromen schrappen
dromen schrappen
dromen schrappen
in een klein heelal.
 
uit welk raam ben ik gevallen?

Cadeautje

Bij aankomst kreeg ik
een geruite jurk cadeau
dat was aardig, dacht ik.
iedere ruit had een kleur en
ik verheugde me op de
regenboog die me zou omarmen

ik mocht kiezen achter
welk raam ik wilde zitten om
mijn mooiste ding te verkopen
mijn raam had drie hoeken
aan ieder hoekje hing een deel
van mijn wezen in een andere kleur

vrouw-zijn in roze
Iraans-zijn in paars
vluchteling-zijn in rood

ik begon gelijk met mezelf te
verkopen door woorden te
bedenken en beelden te verzinnen

ik kreeg staande ovaties omdat ik
mijn moeder en onze vijgenboom miste
werd getroost omdat ik om mijn verre
vader rouwde, geprezen omdat
ik moedig tegen de tirannie opstond en
aangemoedigd omdat ik mooi uit
mijn raam keek, beeldig en lachend
en vooral omdat ik dankbaar was
mijn wenkbrauwen niet fronste en
niet meer in de regenboog geloofde
Ik ben zo geliefd in mijn raam.

Astrid Arns

Kind

Je loopt op een lijn op het strand en de wind wist je uit.
Onder je jas je krimpende huid.
De tijd komt tot stilstand op de golven.

Je hurkt op het bevroren zand en wacht.
De grond verdraagt maar moeizaam je gewicht
.Je ziet  een schip dat schuim trekt in het water dat zo gulzig is.

Je proeft het zout in de vochtige lucht en denkt terug
aan het kind op je heup.
Net geen zomer en zij zingt voor zeilers en matrozen.

Ze lacht van oor tot oor terwijl jij rondvliegt als een adelaar.
Kort het geluid van sneeuw, de kleine stappen van haar voeten.

Niets is ooit voorbij of stil

Hommage

Ze loopt behaaglijk in mijn kielzog. Ik plak een glimlach op.
Het kind van mijn kind. Het huis maakt zich op voor haar.

Ze lijkt op een hond in een kegelspel. Wie brengt haar tot bedaren?
Het kind van mijn kind. Spiegelbeeld van vlees en stof.
Een klein heelal.

Ik zit voorgoed in haar donkere bloed.
In haar bewoon ik deze onbekende kamer.

Zout van de zee

In een jas zonder knopen en met tegenwind door het zout van de zee lopen,
op een zondagse oktoberdag met een steen in de maag.
We ademen maar dat wil nog niet zeggen dat we leven.

Wat zal oktober brengen nu alles onomkeerbaar lijkt?
Het huis opnieuw gevloerd. Werkmannen leggen ons het zwijgen op
en alle stof verdicht de binnenplaats.

Geen wonder dat de muren scheuren.

We breken het hoofd aan de rand van een verzonnen weide
onder de blauwste hemel ooit,
zowel kleiner als groter dan we lijken.