Recensie van Binnenplaats - Joost Baars

Een veelbesproken debuut

Joost Baars
Binnenplaats
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261877
€ 16,99
89 blz.

Joost Baars is hoog op het schild gehesen. Met zijn debuutbundel mocht hij aanschuiven bij VPRO boeken. Piet Gerbrandy besprak Binnenplaats in De Groene. ‘Vol overdonderende regels’, liet Ellen Deckwitz zich ontvallen in NRC Handelsblad.

In het interview dat Yvonne Broekmans met hem voor Meander had, las ik een aantal uitspraken die mij direct nieuwsgierig maakten naar zijn werk. Een jaar of zes geleden gooide Baars alle gedichten die hij tot dan toe had geschreven weg, “omdat ik het gemaakt had in het verlangen dat ‘men’ het goed zou vinden. In plaats van tegen ‘men’ ging ik tegen ‘niemand’ spreken, dus zonder te impliceren dat ik iets wist over de toehoorder.” Verfrissend om te lezen, maar ook buitengewoon waar. Poëzie schrijven is in de eerste plaats een gesprek met jezelf, schrijven wat je moet schrijven. Baars biecht op, dat de eerste afdeling van de bundel ontstond, doordat hij niet zozeer tegen zichzelf, maar tegen de binnenplaats onder zijn balkon was gaan praten: “Dat is natuurlijk een tot mislukken gedoemde conversatie. Je kunt dan twee dingen doen. Je kunt zeggen: nou, dat was dwaasheid, laat ik er maar mee ophouden en iets nuttigs gaan doen. Je kunt ook koste wat kost in de conversatie blijven. Dan komt vanzelf de gedachte dat je het eigenlijk tegen iemand of iets anders hebt. In die reeks is dat de ‘Jij’. Met hoofdletter.”

het geritsel van bomen is
niet het geritsel van bomen.

het is Jouw stem. het geritsel
dat altijd hetzelfde is, is niet

altijd hetzelfde. het opent me,
dringt bij me binnen, naar de

plek waar Jij hoort, waar Jij blijkt
te ontbreken. daar hoor ik

Je vredig woedende neren, niet
het geritsel, maar het geritsel

dat het geritsel doet klinken,
uit een plek in mij die niet klinkt,

waar de taal waarmee ik dit zeg
niet bestaat, totdat Jij het zegt,

waar Jij wordt geboren in het geritsel
van het geritsel van het geruis-

loze ritselen, en mij erin maakt.

Binnenplaats is niet alleen de omsloten tuin waar de dichter vanaf zijn balkon over uitkijkt. In het woord ‘binnenplaats’ klinkt ook iets door van het innerlijk, van de diepste kern. Het geritsel in bovenstaand gedicht doet denken aan de verschijning van God aan Elia op de berg Horeb. God verschijnt daar niet in een windvlaag, niet in een aardbeving, niet in het vuur, maar in ‘het gefluister van een zachte bries’ (1 Koningen 19:12, NBV 2004). De hoofdletter van ‘Jij’ valt des te meer op, omdat de dichter verder wel interpunctie, maar geen hoofdletters gebruikt. ‘Jij’ is een paradoxale, mystieke aanwezigheid: ‘ik heb Jou gezocht en Jij hebt mij / gevonden. wat is het // dat Je in mij zoekt?’. ‘Wij kunnen Hem niet beschrijven, maar alleen aanspreken; ons leven is een existentiële dialoog met het eeuwige Jij’, schreef de befaamde joodse godsdienstfilosoof Martin Buber in Ich und Du (1923). Baars’ gesprek met de binnenplaats staat in deze traditie. Het is een naar binnen gericht gesprek, dat aanklopt op de gesloten deur van het onkenbare: ‘maar ook hoezeer ik Jou niet ken, / al geef ik Je een plaats in dit // gedicht, al geef ik Je een naam, / Je blijft een vraag waarop ik // van mijn tenen tot mijn kruin / een antwoord schuldig blijf.’ Grappig is, dat de binnenplaats tegelijkertijd ook gewoon een binnenplaats blijft met bomen, barbecueënde buren en een rondvliegende parkiet. En: ‘er loopt een katje in Je rond. / ze lijkt naar iets te zoeken, // houdt dan stil. ik haal haar aan, / maar als ze opkijkt, oogt ook zij // verloren wat ze daar niet vond.’

De tweede afdeling, ‘Meer dan aan elkaar’, bevat een aantal losse gedichten, waarin evenals in de eerste afdeling eens sterk filosofische inslag aanwezig is. Een aantal gedichten draagt de naam van bekende schrijvers of kunstenaars: ‘Tom Waits’ (hilarisch), ‘Karl Marx’ (mij ontgaat het verband) en ‘Emily Dickinson’ (surrealistisch). Door de bundel heen loopt een thema dat in elk interview en elke recensie aan bod komt, en dat ik daarom hier slechts kort aanstip: de hartaanval die zijn vrouw bijna fataal werd (zie afbeelding voorkant). De bundel opent met een weergave van deze gebeurtenis in ‘Kosmologie van het tapijt’. In het gedicht ‘Werner Herzog’ beschrijft de dichter hoe alleen hij van het ziekenhuis naar huis loopt. Het ziekenhuis zelf komt in het volgende gedicht aan bod:

de slaap, zegt remco
is een ontroering
jij weet beter
de slaap is ontglippen
doodstil verzinken
in een matras
je adem
de tik
de piep van de hartmonitor
steeds verder buiten gehoor
dat is de slaap

in de nacht
als je hem roept
doet hij een po
onder je billen
haalt hem weer weg
doet hem eronder
haalt hem weer weg
geduldig
spreken zijn handen
hun tactiele tekst
op je huid

ont-roer, beroert remco

zo kan het dat
je ontslaapt
uit het niets
uit het niets
je ontwaakt
terug
aan de huid
van het leven
dat zich schaamt
en verder gaat
en zich soms schaamt

Dit gedicht is een verhaal apart. Uitgever en schrijver kennen het een belangrijke plaats toe: de eerste strofe staat afgedrukt in de webwinkel van Van Oorschot. Het gedicht begint verrassend: ‘de slaap, zegt remco / is een ontroering’. Verbazing. Campert dichtte immers: ‘De dood is een ontroering’, de slotregel van zijn beroemde gedicht ‘Poëzie is een daad…’ Waarom zou Remco zichzelf verkeerd citeren? Ik bedacht me dat het misschien een woordspeling was, dat er op de afdeling waar de vrouw van Baars na haar hartaanval verpleegd werd een verpleegkundige was die Remco heette. De aantekeningen achterin de bundel bevestigen dit, maar melden ook dat het gedicht van Baars geschreven is naar een gedicht van Bert Schierbeek. Wanneer we dit gedicht eindelijk gevonden hebben (uit: De deur, 1972), begrijpen we ook ‘het leven / dat zich schaamt’ uit de laatste strofe. Schierbeek schrijft ‘zo is het / dat ik me schaam / dat ik nog leef / en mij schaam / en verder leef / en mij soms schaam’. Schierbeek schrijft in dit gedicht over de dood van zijn vrouw bij een auto-ongeluk. De schaamte van de achterblijver. Baars echter liet weten, dat zijn vrouw haar hartaanval overleefd heeft. Hoe meer ik me in zijn gedicht verdiep, hoe geforceerder het aandoet. Wat wordt bedoeld met ‘de slaap (…) / is een ontroering’? En wat moeten we met ‘het leven / dat zich schaamt / en verder gaat’? Baars schreef een variatie op een gedicht van Schierbeek, dat op zijn beurt weer sterk schatplichtig is aan een gedicht van Campert. Baars draagt het gedicht op ‘aan Remco en zijn collega-verpleegkundigen op de hartbewaking van het OLVG in Amsterdam’. Misschien had hij het beter daarbij kunnen laten.

Ik kon me er nauwelijks toe zetten de derde afdeling te lezen. Het betreft vertalingen van de negentiende-eeuwse dichter Gerard Manley Hopkins. We krijgen het Engelse origineel niet te lezen, en dat is jammer, want nu valt moeilijk te beoordelen wat van Hopkins is, en wat Baars hieraan heeft toegevoegd. De gedichten vertonen taal- en vormtechnisch een forse stijlbreuk ten opzichte van de rest van de bundel. Heel anders dan bijvoorbeeld bij Jean Pierre Rawie, bij wie zijn vertalingen veelal als vingeroefeningen voor zijn eigen werk gelezen kunnen worden.

De laatste afdeling heet ‘Dal van Spoleto’. Dankzij het boek van Hélène Nolthenius begon bij mij direct het belletje van Franciscus van Assisi te rinkelen. Baars schetst in deze afdeling een aantal vogelportretten. Soms spreekt hij, net als de heilige, de vogels toe. Op andere momenten spreken de vogels juist tegen de beschouwer. De eerste gedichten zijn licht van toon, maar de vogels worden steeds meer aanleiding voor cultuurkritische beschouwingen (‘of kunnen wij samen vervliegen, / wij drijvende stadsrekwisieten, // op ander soort habitat aan?’).

Binnenplaats is een geweldig en omvangrijk debuut. De onderzoekingen uit de eerste afdeling zijn spannend en intiem, en nodigen uit tot herlezen en herkauwen. Met de vele motto’s en verwijzingen toont Baars nadrukkelijk zijn belezenheid. Vaak geheel overbodig. Zo zou het bijvoorbeeld veel subtieler zijn geweest om de laatste afdeling gewoon ‘Binnenplaats 2’ te noemen. De vogels komen immers aanvankelijk gewoon zijn binnenplaats op vliegen. En dat er vanuit deze waarnemingen gaandeweg iets anders ontstaat, mag de lezer toch ook wel zelf bedenken?