Gedichten

door Joost Baars (1975)

kosmologie van het tapijt

daar opende zich onder haar in wat genoemd was het tapijt een wormgat

daar taalde de materie naar die als vanzelfsprekend haar omgaf
kamer tafel laminaat lamp boekenkast
en cel voor cel het weefsel waarin ze was vervat

ze greep zich aan de polen vast

daar in die zwaartekracht waar wat genoemd is zwaartekracht
en dat ons grondt aan wordt ontleend
als een magnetisch veld rond de planeet
dat er uiteindelijk niet tegen is bestand

daar 112’de ik de taal die ik nog had
het adres (en er was)
een ambulance (en er kwam)
het is haar hart (ze was er nog)
dat wegvalt (wormgat)

daar klonk een stem en er was tijd
genoeg voor wat zich daar voltrekken moest

daar lag ze op het vloerkleed als een pasgeboren baby’tje
dat naamloos op haar noemer wacht

ondanks wat ik van Jou
aan anderen vertel,

Jij houdt Je bij hen weg
zoals Je Je in elk gesprek

aan alle taalweerslag
onttrekt. het is verteld

dat Je een lichaam hebt gehad
dat woorden sprak

zoals ik spreek als ik
met vrienden ben. hoe moeten

wij ooit samen zijn als ieder glas
met hen ten teken staat

van een vertrek?
hoe vindt in ons – dat lege,

ondoordringbare verbond
in ieder stervend woord

dat wij elkaar toespreken –
afzonderlijk Jouw terugkeer

plaats? is dat de vraag?

er loopt een katje in Je rond.
ze lijkt naar iets te zoeken,

houdt dan stil. ik haal haar aan,
maar als ze opkijkt, oogt ook zij

verloren wat ze daar niet vond.

ach, ganzen van de flevopolder,
wat maakt het jullie uit,

dat onderscheid tussen natuur en cultuur?
jullie strijken neer waar water en ruimte is,

wanen je in het gakken onbespied door hen
die in metalen lichamen over de dijk voorbijrazen

(wat is in ganzenoren dat razen trouwens anders
dan ook een soort van gakken?)

jullie vliegen op ten zuiden van europa
waar menselijker wezens dat verboden is

en steken door de lucht het water over
waarin veel van hen ten onder gaan

jullie bereiken niet een land, maar land,
belanden niet maar landen,

jullie onbeperkte welkom komt van de aarde
en gaat ons niet aan,

wij die niet van de aarde zijn
en daarom de aarde willen bezitten.

ik ben op weg om mijn geleende metalen lichaam
aan zijn bezitter terug te geven,

met een gevulde tank
en met een lege portemonnee,

maar wat kan jullie dat schelen,
jullie economieloze wezens

met jullie grenzeloze gaan?

Uit: Joost Baars. Binnenplaats
Uitgeverij Van Oorschot. ISBN 9789028261877