Op zoek naar een zuiver spreken

 

Joost Baars (1975) woont in Amsterdam, waar hij werkt als boekverkoper. Hij schrijft essays en recensies over poëzie voor Poëziekrant en Awater . Vertalingen van poëzie van Dorothea Lasky, Robert Creeley, Gerard Manley Hopkins, Morani Kornberg-Weiss, Kenneth Koch en Jack Spicer verschenen in Terras, Poëziekrant, blue-turns-grey, Samplekanon, Tirade en Liter. Die laatste vier publiceerden ook zijn eigen werk.
Zijn debuutbundel Binnenplaats verscheen in februari 2017 bij uitgeverij Van Oorschot en is inmiddels al aan een herdruk toe.

Gefeliciteerd met dit mooie debuut. Hoe is het om je eigen bundel te verkopen? Daarbij denk ik zowel aan de verkoop in de boekwinkel als aan de promotie van het boek op bijeenkomsten zoals ‘Verse verzen’ bij Boekhandel Over het Water in Amsterdam Noord op 19 april of ‘De avond van de poëzie’ op 17 juni in Groede.
In de winkel is het hartverwarmend: veel mensen kopen Binnenplaats blind. En raar, omdat ik hem eigenlijk niet kan verkopen. Een boek verkopen is zeggen: ik ben een lezer, net als u, en ik heb aan dit boek veel plezier beleefd. Maar ik ben niet de lezer van Binnenplaats.
Bij een voordracht vindt tussen dichter en toehoorder geen verkoop plaats, maar een gift. Het is leuk als mensen naderhand mijn bundel willen kopen, maar het voordragen zelf heeft met economische transacties niets te maken.

Op zondag 19 maart was je te gast bij Jeroen van Kan in het televisieprogramma VPRO Boeken. Je vertelde daar dat je al langer gedichten schreef, maar een jaar of zes geleden opnieuw bent begonnen.
Ik heb toen alles wat ik had weggegooid, omdat ik het gemaakt had in het verlangen dat ‘men’ het goed zou vinden. In plaats van tegen ‘men’ ging ik tegen ‘niemand’ spreken, dus zonder te impliceren dat ik iets wist over de toehoorder. Achteraf kun je misschien zeggen dat ik op zoek was naar een zuiver spreken.

Is het belangrijk wat anderen te melden hebben over je werk?
Nee en ja. Nee: wat anderen ook zeggen, ik zou niets willen veranderen aan wat ik gezegd heb, want ik heb het tegen ‘niemand’ gezegd. Ja: wat anderen zeggen is het moment waarop die niemand een iemand wordt. Wie spreekt, moet ook willen luisteren, en ik ben dus juist erg geïnteresseerd in wat er naar aanleiding van Binnenplaats gezegd wordt.

De bundel bestaat uit vier delen, voorafgegaan door het onthutsende gedicht Kosmologie van het tapijt. Het daarop volgende eerste deel Binnenplaats cirkelt om die eerste gebeurtenis heen?
Zo is het wel enigszins geworden, maar er is meer aan de hand, en het was niet de opzet. De afdeling Binnenplaats is ontstaan, ver voor de gebeurtenis waarover Kosmologie van het tapijt gaat, doordat ik tegen de binnenplaats onder mijn balkon ben gaan praten. Dat is natuurlijk een tot mislukken gedoemde conversatie. Je kunt dan twee dingen doen. Je kunt zeggen: nou, dat was dwaasheid, laat ik er maar mee ophouden en iets nuttigs gaan doen. Je kunt ook koste wat kost in de conversatie blijven. Dan komt vanzelf de gedachte dat je het eigenlijk tegen iemand of iets anders hebt. In die reeks is dat de ‘Jij’. Met hoofdletter.

Dat heeft iets mystieks, iets religieus.
Het heeft in elk geval met een ontzagwekkende waarheid te maken. Zoals de dood ontzagwekkend is in Kosmologie van het tapijt. Dus toen de gebeurtenis die achter dat gedicht zit – de hartaanval van mijn vrouw – eenmaal had plaatsgevonden, was het onvermijdelijk dat die zich ook in de binnenplaatsreeks op zou dringen. Beide zijn het ook pogingen tot spreken in totale ontreddering, en dat leidt in beide gevallen tot religieuze taal. Kosmologie begint in een soort omgekeerde Genesis, in het moment dat het leven verdwijnt in de chaos van een vormloos ‘woest en ledig’. God schept in Genesis niet als een soort beeldhouwer of timmerman, maar door te spreken. In woeste ledigheid neemt God het woord, zegt: ‘Er zij licht’. En dan is er ineens licht. Alles begint met spreken.

De drie andere delen lijken los te staan van elkaar, vooral de vertalingen van sonnets of desolation van Gerard Manley Hopkins.
Naast hun technisch duizelingwekkende genialiteit, zijn die sonnetten van Hopkins zo mooi omdat hij erin dwars door de ervaring van totaal geloofsverlies heen gaat, zonder te stoppen met ‘ja’ zeggen tegen God. Die ‘ja’ biedt geen troost, integendeel, die maakt het alleen maar erger. Voor ons postmodernen bestaat de waarheid niet, of is hij onkenbaar, maar ik vraag me wel eens af of we dat waarheidsgebrek nog wel als een verlies ervaren, of dat het voor ons een dogma is. Juist doordat Hopkins in die totale ontreddering van waarheidsverlies zich tot die Waarheid blijft richten, maakt hij het verlies ervan als geen ander aanraakbaar. Of misschien moet je het omkeren: dat hij door zich naar zijn verloren waarheid te blijven richten kan omgaan met zijn ontreddering zonder die weg te hoeven redeneren.
Die ontreddering is in de bundel heel belangrijk. Daarin ligt de mogelijkheid tot verbintenis. De afdeling Het dal van Spoleto, waarin ik tegen vogels spreek, is geheel ondanks mijzelf geëngageerd geworden. In geëngageerde poëzie klinkt vaak een soort zekerheid door die de spreker buiten schot houdt. Ik vind het altijd moeilijk me daartoe te verhouden. Juist door me tot vogels te richten, kon ik schrijven vanuit mijn eigen tekort, mijn eigen ontreddering. Die vogels hielden me als het ware vast, waardoor er allerlei dingen aan het licht konden komen over de wereld die wij samen met vogels bewonen.

Waar liggen je fascinaties en kunnen we die terugvinden in je werk?
Voor mij komt de bundel samen in het liefdesgedicht aan het eind van de bundel, in de zin ‘mij in elke dag een ander samen/ wenden tot het onvermijdelijke/ na waaraan we beiden toebehoren/ meer dan aan elkaar’. Als ‘liefde’ staat voor verbintenis, en het ‘na’ (de dood) voor het ongrijpbare, dan heb je wel een helder beeld van wat me bezighoudt. Mystiek en religie zijn daarbij belangrijk, omdat ze gaan over verbintenissen die plaatsvinden in onmogelijkheid, in een tekort. Ik ben niet officieel religieus, maar wat me fascineert aan religies is dat het culturele systemen zijn die heel verschillend denkende mensen kunnen verenigen in een gemeenschap waarin heel veel onenigheid mogelijk is, juist omdat men zich niet alleen verhoudt tot elkaar, maar ook tot iets waarvan men gezamenlijk zegt: dat begrijpen wij niet. Ik weet wel dat religiositeit ook veel problemen veroorzaakt, maar de oplossing daarvoor ligt mijns inziens niet in minder religie, maar in betere religie. En het beste wat religie volgens mij te bieden heeft is: georganiseerde ontreddering.

Je schrijft ook essays en recensies óver poëzie. Hoe verhoudt zich dat tot elkaar?
Essayeren is al schrijvende zoeken. Dat is in poëzie niet anders voor mij. Wat dat betreft ben ik vermoedelijk niet zo’n goede recensent, omdat ik niet erg in een finaal kwaliteitsoordeel geïnteresseerd ben. Soms moet je opschrijven dat iets mislukt is, maar ik heb liever een mislukte poging tot iets groots dan een volmaakt uitgevoerde poëzie die klein is van ambitie. En bovendien weet je nooit écht wat er nu mislukt is: de poëzie zelf, jouw lezing ervan, of een combinatie van beide. Ik probeer het daarom altijd zo persoonlijk mogelijk te maken, omdat ook de mislukking van mijn eigen lezerschap iets interessants kan zeggen over de poëzie waartoe ze zich probeert te verhouden.

Wat gaan we in de toekomst nog horen en zien van Joost Baars?
Voorlopig ga ik hopelijk vooral veel voorlezen uit Binnenplaats. Ik kijk erg uit naar de avondvullende voorstelling die ik op 22 juni in de Roode Bioscoop in Amsterdam ga maken met de improgroep Boi Akih. Niels Brouwer en Monica Akihary zijn grootse muzikanten en we hebben een echte klik, zowel muzikaal als tekstueel, dus het is een genot om met hen te werken. En ik zal me vermoedelijk over niet al te lange tijd wel weer richten op nieuwe gedichten. Als het stof van Binnenplaats wat is neergedaald en ik me weer kan wenden tot mijn ‘niemand’.