Recensie van Vanwaar kom je beeld - Dimitri Casteleyn

Pan’s paradox

Dimitri Casteleyn
Vanwaar kom je beeld
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056550769
€ 19,90
64 blz.

In de Griekse mythologie verdragen diepzinnigheid en erotiek elkaar goed. De Belgische dichter Dimitri Casteleyn bevestigt dit maar weer eens in zijn bundel Vanwaar kom je beeld. Ik citeer hier het eerste gedicht uit een reeks met de naam Hooghout:

Pan

Zo onbereikbaar als jij bent voor mij,
als ik ben voor jou, zo onbereikbaar
is de lieve nimf Syrinx voor Sater Pan,
de lelijke Sater Pan.

Vluchten kan niet meer, en toch,
onkuisheid trouw veranderen water-
zusters haar in moedig moerasriet
verander jij in jezelf, ik in mezelf.

Het klagen was voor daarna, in het lenig
wuivende riet, riet dat dient om een fluit
van te maken. Niet zomaar een fluit van niets,
maar een rietfluit klagelijk zacht, met licht
frivole wijsjes op Pans fluit.

Zolang we iemand niet goed kennen kunnen we de meest fantastische ideeën over die persoon koesteren. We maken als het ware een gedroomde versie van die persoon. Maar door onze ervaring worden we genoodzaakt die droom bij te stellen. Onherroepelijk neemt wat we ‘realiteit’ noemen het over. Een realiteit die doet beseffen dat Syrinx altijd al moerasriet is geweest? Ja, misschien was Syrinx wel een droom van Pan, die uiteindelijk letterlijk naar zijn liefde kan fluiten! Pikant is dan nog dat het mannelijk geslachtsorgaan ook wel een fluit wordt genoemd en frivole wijsjes bijna als frivole meisjes klinkt.
‘Onkuisheid trouw’ is een leuke en paradoxale woordcombinatie, die een sleutelpositie inneemt in dit gedicht. Ervaring (onkuisheid) maakt ons wijzer, maar ondermijnt het droombeeld dat we hadden. De ‘gedroomde ander’ blijkt onbereikbaar en maakt plaats voor een meer ‘realistische ander’, waarvan we dus in zekere zin kunnen zeggen dat die ’in zichzelf verandert’.
Daarna is het klagen. Klagen omdat het allemaal niet is zoals we dachten. Klagen met een Panfluit, die de herinnering aan Syrinx – die vluchtige droom – levend houdt.

Is dit een plausibele interpretatie van het gedicht? Misschien. Opmerkelijk is in elk geval dat de onbereikbaarheid waarvan in de eerste regel gesproken wordt iets onvermijdelijks en definitiefs heeft. Een effect dat door de melancholieke laatste strofe nog wordt versterkt. Syrinx is zowel vóór als ná de verandering onbereikbaar voor Pan. Ervóór omdat een droombeeld nooit goed aansluit bij de werkelijkheid, erná omdat iemand, door geheel zichzelf te worden, zichzelf in feite incompatible maakt.

Dat laatste moet ik uitleggen. Contact bestaat bij de gratie van gemeenplaatsen, van iets dat we met anderen delen. Maar daarvoor betalen we een prijs. De gemeenplaats die (bijvoorbeeld) het woord is, heeft nooit betrekking op één ding en stuurt ons het bos in (één bepaalde berk staat altijd onvindbaar in een berkenbos). Ons voorstellingsvermogen geeft ons wel het gevoel dat we weten om welke boom het gaat, maar dat is bedrog (en dus een kwestie van dromen). Bij iemand die in zichzelf is veranderd hoeven we helemaal niet (meer) te dromen. Die is herkenbaar en zelfs uniek in al de facetten van zijn herkenbaarheid. Maar ook daar betalen we een prijs voor: de compleet ‘andere’ ander sluit op geen enkele manier meer bij ons aan en is daardoor al net zo onbereikbaar als zijn gedroomde counterpart! Om bij elkaar te passen en te kunnen samenleven moeten we schipperen. Contact lijkt een kwestie van balans, van een optimum zoeken in een labiele situatie.

Een parallel van dit probleem bestaat in de kwantummechanica. Daar vertellen ons de onzekerheidsrelaties dat wanneer de snelheid van een deeltje bekend is, we de plaats niet weten; dat wanneer de plaats bekend is, we de snelheid niet weten (beide uitslagen even onbevredigend). Pan lost het probleem op door van het plaatsgebonden riet een rietfluit te maken die opnieuw vluchtig doet dromen met licht frivole wijsjes.

Er lijkt overigens niets aan te doen dat iemand langzaam ‘in zichzelf verandert’, zoals de dichter dat zo cryptisch zegt. Iemand wordt noodzakelijkerwijs steeds meer zichzelf doordat hij wordt ervaren (door zichzelf en anderen) en doordat de gedroomde tijd die we de toekomst noemen steeds korter wordt. We zijn voorbestemd onszelf te worden, of we willen of niet! Een vooruitzicht dat door oude mensen beaamd lijkt te worden. Ouderen zijn immers vaak erg zichzelf (en óp zichzelf).

Terug naar Dimitri Casteleyn. Leunend op de mythen boeit hij, maar vormtechnisch vind ik het geciteerde gedicht niet zo sterk. Vorm is m.i. meer dan het afbakenen van een alinea met lege regels. Casteleyn doet wat zoveel dichters vandaag de dag doen: gewoon de regels afbreken waar het hem uitkomt. Misschien is het in dit verband aardig om eens te vertellen hoe een vriend van mij gedichten leest. Hij plakt alle regels achter elkaar tot ze de volle breedte van een pagina vullen als een prozatekst en begint dan pas met lezen. Heel veel neppoëzie valt zo door de mand (zegt hij). Heeft hij een punt? Ik moet erbij zeggen dat diezelfde vriend ook regelmatig tv kijkt en dan het geluid uit zet.

Op zoek naar nieuwe invalshoeken is dit gedicht uit de reeks Dozijn wellicht informatief:

11

De maanden zijn donker, de zeden zacht
buiten zegt de natuur koud

nat, drassig, kaal
vallen, sterven, plaats maken

onze blikken ontmoeten mekaar
in de cocon van ons gezin

jij licht op, veert op, verzet je,
bent op zoek naar wie je bent
meer dan naar wie je wordt

De dichter houdt er blijkbaar van om in reeksen te schrijven. Mij spreekt dat niet zo aan. Ik bekijk ieder gedicht liever op zichzelf. Apart aan deze reeks van twaalf is dan weer wel dat de reeks met gedicht nummer 9 begint en met gedicht nummer 8 ophoudt (om het cyclische van ons bestaan te benadrukken?). Wat me in dit gedicht vooral intrigeert is de laatste strofe, die misschien het credo van deze hele bundel weergeeft. Na wat regels die het pessimisme van het eerder geciteerde gedicht Pan weer oppakken door het overduidelijk te maken dat wie je wordt ook niet alles is (met dat ‘vallen, sterven, plaats maken’), lijkt het zeker niet onzinnig om méér op zoek te zijn naar wie je bent dan naar wie je wordt. Maar levert deze logica geen schijnvoordeel op? Ik bedoel: kan je erachter komen wie je bent zonder te veranderen in iemand anders (iemand anders die dan natuurlijk is wie je wordt)? Uit de kwantummechanica is bekend dat de waarneming van iets dat iets beïnvloedt. Beïnvloedt de waarneming van onszelf ons ook? Het lijkt erop. We weten pas wie we zijn als we het niet meer zijn en iemand anders zijn geworden! Men zou zelfs staande kunnen houden dat ‘leven’ precies dát is: erachter komen wie je bent (letterlijk: in de tijd áchter wie je bent komen).

Die klemtoon op wie je bent (op je zichtbare, aanwezige ‘zijn’) komt vaker voor in deze bundel. Een voorbeeld is de laatste strofe van het gedicht Bevrijding (ook eentje uit een reeks):

De taoïste moet opgemerkt hebben
dat het me zichtbaar plezier deed
en lachte naar mij.

Ik had, terwijl ik dit las, de neiging om ‘zichtbaar’ te schrappen. De taoïste kan toch niet iets opmerken dat niet zichtbaar is, dus waarom dat nog extra zeggen? Het plezier, dat hier ‘twee keer’ benadrukt wordt, geeft me (vanuit een esthetisch oogpunt) geen dubbel plezier. Maar bij nader inzien twijfel ik toch. De klemtoon op het bewuste ogenblik wordt er wel door versterkt. Met andere woorden: Casteleyn benadrukt weer het ‘zijn’. Leuk is dan ook nog dat van de grootste taoïst van allemaal, Lao Tse, de volgende spreuk bekend is: zij die weten spreken niet; en zij die spreken weten niet (wat een analogie is van de onzekerheidsrelaties).
In één gedicht weet Casteleyn de balans tussen zijn en worden (bijna) perfect te vangen. Ik vind dit gedicht het mooiste van de bundel en het staat niet eens in een reeks:

Zondags trio

Een zondagse fietser,
een kind spelend met een rups
en de man van één straat verder.

De fietser blijft fietsen,
het kind spelen met de vlinder
de man de man.
Maar altijd verder weg
altijd minder zondag.

De zondagse fietser blijft een fietser, maar steeds minder zondags. Het kind speelt met een rups die ook een vlinder is. We blijven onszelf en tegelijk ook niet onszelf: de grote paradox van ons bestaan.

***
Dimitri Casteleyn (1966) is schrijver, dichter, televisiemaker en theaterdirecteur. Zijn eerste bundel, Omgekeerd, verscheen in 2005. Daarnaast schreef hij twee romans en een verhalenbundel.