Poëzie is als een sluipwesp

 

Anouk Smies (1975) publiceerde gedichten op Krakatau, de Optimist en de Contrabas. Haar tweede poëziebundel Wie heeft een middelpunt nodig verscheen bij Uitgeverij de Opwenteling en werd onlangs genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.

Om te beginnen, het is een fascinerende titel: Wie heeft een middelpunt nodig. Zonder vraagteken lijkt het meer een constatering dan een vraag. We vinden deze titel terug in vraagvorm in het gedicht Optie .
Persoonlijk krijg ik van deze bundeling wel een ‘middelpunt’: de gedichten zijn puntig en raken me in mijn midden, of ik dat nou wil of niet.
Zou je een (jouw?) levens- en ook schrijf-filosofie zonder middelpunt kunnen omschrijven?
Ik denk dat mijn beeld bij een middelpunt vooral het ideaalbeeld is. Een punt buiten onszelf waarin we geloven dat alles samenvalt. We lijden met zijn allen aan extreem hoge verwachtingen van onszelf en van het leven. We streven onbewust naar perfectie, en dat gegeven bepaalt vanaf het begin onze menselijke vorming. Ik ervaar het concept van een middelpunt dan ook als beknellend. Doordat mijn leven tot nu toe erg grillig is verlopen, heb ik ook nooit zoveel kans gehad om te floreren als mijn eigen ideaalbeeld. Wie heeft een middelpunt nodig is in die zin een ode aan het brokstuk. Aan alles wat je overhoudt als door omstandigheden de kern een slijtageslag heeft ondergaan. In eerste instantie is het een eerbetoon aan mijn eigen fragmenten, die uiteindelijk buigbare duploblokken bleken. Maar ook aan die van anderen, aan onze maatschappelijke mislukkingen en fiasco’s. Daarnaast is middelpuntloosheid zeker niet hetzelfde als reddeloosheid. Er schuilt een orde in die chaos, die ondanks zijn beperkingen verfrissend is, taai en onverwacht. Als je in je bestaan iets kunt bereiken zonder middelpunt, met de chaos nog smeulend in je pupil, kom je uit oprechte verbazing tot een titel als: Wie heeft een middelpunt nodig.
In mijn werkproces kun je ook middelpuntloosheid zien. Ik schrijf op de meest vreemde momenten, erg vaak als er eigenlijk absoluut geen tijd voor is. Bijvoorbeeld als mijn zoontje net een pindakaaskunstwerk van de enige witte muur in het huis wil maken. In die druk, het gevoel dat het nu echt moet, komen er hele goede dingen in me omhoog. Er zit dan een soort perskracht achter mijn taal.

Hoe staat je tweede dichtbundel in verhouding tot de eerste, Citaten van een roofdier ?
In mijn eerste bundel was ik nog erg bezig om mijn persoonlijke geschiedenis naar buiten te werken. In Wie heeft een middelpunt nodig, lijkt het of ik meer ruimte heb gekregen voor de ander, het vreemde. Voor individuen in het algemeen, voor menselijke relaties en maatschappelijke thema’s. Ook is de woede in me in deze bundel meer omgezet naar verbazing en verwondering, wel met scherpe en kritische randen. Tegelijk denk ik ook dat ik compacter ben gaan schrijven, ik heb de vibraties in mijn binnenwereld iets meer in toom gekregen. Waarschijnlijk speelt het moederschap hier een rol in. Door de geboorte van mijn zoontje verschoof de nadruk op mijn eigen beleving naar die van hem, en daarmee tegelijk naar de buitenwereld. Enerzijds ben ik sinds hij bestaat instinctiever geworden, omdat er nu eenmaal een hele set aan oerangsten je leven binnensluipt vanaf het moment dat je baart, maar aan de andere kant heb ik geleerd door te observeren, meer afstand te nemen van mijzelf.
Ook was in mijn eerste bundel de moeizame (en tegenwoordig afwezige) relatie met mijn vader een belangrijk thema. In deze tweede bundel merk ik dat dat meer geïncorporeerd is, en alleen nog onderhuids meespeelt.

Ik las dat je in het dagelijks leven tekstschrijver bent. Aan wat voor teksten mag jij je dagen wijden?
Ik ben een allround tekstschrijver, hoe plastic dat woord ook klinkt. Het liefst werk ik aan creatieve opdrachten, omdat die het sterkste aan mijn hart appelleren. Zo heb ik bijvoorbeeld het afgelopen jaar een roman voor een opdrachtgever als ghostwriter geschreven. Maar ook begeleid ik mensen die worstelen met een manuscript en redigeer ik creatieve teksten. Omdat er veel vraag naar is schrijf ik ook zakelijke teksten. Productteksten vermijd ik, maar ik werk wel aan interviews, artikelen, webteksten en blogs. Afwisseling is als brandstof: het houdt me wakker en ik leer veel over het schijfproces. In die zin kijk ik ook niet neer op een bepaalde tekstvorm. Elke letter waar ik me voor inzet laat me doordringen in een bepaald aspect van de realiteit, ook als ik me daar totaal niet thuis voel. Raar genoeg vind ik juist die aspecten later weer in mijn gedichten terug. Alles wat stinkt en onaangenaam is trekt me aan. Als ik een gedicht over eerlijkheid wil schrijven, is onoprechtheid de perfecte basis. Die bereik je niet als je je daar voor afsluit. Je moet als dichter in al die wereldjes afdalen als een mijnwerker met een kanarie aan zijn borst gekneld.

Je poëzie wordt als cryptisch en onnavolgbaar omschreven en je schrijfstijl associatief, vanuit de taal. Heb je bij het schrijven een bepaald effect op je lezers in gedachten?
Ik denk het eigenlijk wel. Ooit vroeg iemand me welke dichters me geïnspireerd hebben; in basis zijn dat Oosterse dichters zijn als Hafiz en Rumi. Niet zozeer door hun stijl, maar doordat ik hun werk ervaarde als een directe klap in mijn gezicht. Er werd getornd aan mijn beeld van de realiteit, niet zachtzinnig, ondanks de lyriek. Iemand trok een bodem onder me uit, er werd iets onthuld over de wereld achter de schijn. De dichters deden op mij als lezer een beroep dat ik niet precies kon ontcijferen. Dat maakte me onzeker, maar tegelijkertijd ontstond een honger naar meer. Die werking vond ik fantastisch, en ik denk dat ik dat effect op hedendaagse wijze nastreef in mijn poëzie. Ik wil lezers laten wankelen, kleine explosies veroorzaken in hun causale vooroordelen. Mijn wens is het menselijk tekort bloot te leggen onder al onze pogingen iets voor te stellen. De echte mens beschrijven die hopeloos is en tegelijk onverwacht mooi. In het normale sociale leven is zo een streven absoluut onwenselijk, maar poëzie is als een sluipwesp. Enerzijds doordat het element esthetiek is toegevoegd, anderzijds doordat gedichten multi-interpretabel zijn. Ik hoor vaak dat mijn werk niet echt te begrijpen is, en voel me dan opgelucht. Mijn poëzie is niet bedoeld om volledig te vatten, maar wijst op een wereld achter de ratio. Je moet je eraan overgeven om er iets aan te hebben.

Ik vind dat er veel ‘puntige’ emotie in de gedichten zit, alsof je jezelf door een heftige emotionele strijd van binnen moet ellebogen. Brengt het schrijven je een gevoel van catharsis? Is na de daad (het schrijven) de lucht geklaard?
Ja, maar bijzonder kort. Voor ik het weet voel ik me weer als een doofstomme in cellofaan gewikkeld door de concepten om me heen. In die zin ben ik dus nooit lang tevreden of bevrijd. Die chronische drang om om te zetten is een soort productieve kwelling. Ik denk ook dat dit komt doordat ik veel prikkels in me opzuig en vaak met een enorm surplus aan binnenwereld kamp. Je kunt me op een wc opsluiten, zonder een boek of een telefoon, en ik zou dagenlang kunnen schrijven. Simpelweg omdat ik ergens diep in mijn onderbuik een collectie ongewenste indrukken heb opgeslagen, dingen die ik niet kon zeggen, vloeken die ik relativeerde, irritaties die ik screende. Maar ook schoonheid, absurdisme, liefde en verwondering.

Je omschrijft kunst in een van je gedichten met ‘schoonheid als resultaat van lelijkheid’, met als voorbeeld de film Avatar. In een ander gedicht is kunst ‘pijn die gezellig is gemaakt’. Waar, in welk kunstwerk, zie jij dat pijn gezellig is gemaakt en wat is volgens jou de functie hiervan?
Als ik zeg: ‘Pijn die gezellig is gemaakt’ bedoel ik niet dat er gezellige kunst uitkomt, maar meer dat de kunst zelf een soort verfraaiing is die pijn vormgeeft. Denk bijvoorbeeld aan het geniale schilderij De geslachte os van Rembrand. De ellende, de verschrikking springt je tegemoet, maar tegelijk zie je een uitgekiende compositie. Penseelgebruik waardoor de afgestroopte huid bijna tot leven komt. Kunst zie ik als vormgegeven pijn. Niets kan pijn zo onbarmhartig vangen als schoonheid. Door de techniek kunnen we de pijn aan, kunnen we die aanvaarden. We zouden in een echt slachthuis niet bewonderend kijken maar gechoqueerd weglopen. De walging zou overheersen. Kunst maakt lelijkheid betreedbaar.

En schoonheid vanuit schoonheid? Je bent moeder… Op facebook schrijf je bij een foto van je zoontje : ‘Krullen. Bermguerilla’s die je hart omsingelen.’
De schoonheid vanuit schoonheid ervaar ik heel direct met de mensen die mij het meest lief zijn. Toch kan ik daar minder goed over schrijven. Ondanks deze ene zin dan, waar ik overigens direct weer iets agressiefs in gebruik. Als iets omvattend is, zoals het vertrouwen van mijn kind, een natuurlandschap waarin functie volledig met schoonheid vermengt, sta ik perplex. Dan valt er niets meer te noteren. Ik gedij als schrijver veel beter op contrasten.

Wat betekent de nominatie voor de J.C. Bloemprijs voor je?
De nominatie voor de J.C. Bloemprijs maakt me dankbaar, het betekent erg veel voor me. Misschien juist omdat ik me er nooit zo op gericht heb om zichtbaar te worden voor een groter publiek. Ik ervaar het als een beloning voor de bokkigheid en trouw aan mijzelf al die jaren. J.C. Bloem inspireerde me ooit enorm met de zin: ‘Alles is veel voor wie niet veel verwacht’, uit het gedicht De Dapperstraat. Hij vond in een asgrauwe stadstraat blijkbaar onverwacht geluk en verheffing. Die schone lelijkheid zie ik als de motor achter mijn schrijven. Met deze nominatie kruip ik een stukje dichter op zijn indrukwekkende, dode schoot en glimlach.