Recensie van Ik was een hond - Thomas Möhlmann

Wij en ik

Thomas Möhlmann
Ik was een hond
Uitgever: Prometheus
2017
ISBN 9789044633139
€ 19,99
72 blz.

Ik was een hond, de vierde bundel van Thomas Möhlmann, bestaat uit twee afdelingen: ‘Spaar ze allemaal’ en ‘Alle vogels die hun vleugels uitslaan.’ Het proza-achtige titelgedicht van tweeënhalve bladzijde lang gaat daaraan vooraf. Qua vorm past het bij de eerste afdeling, die een minder strakke indruk maakt dan de tweede: het zijn gedichten van verschillende lengte, al dan niet strofisch en met soms een schijnbaar willekeurige regelafbreking.
In zekere zin zou je dit eerste gedicht een samenvatting van de bundel kunnen noemen: het is een vogelvlucht over de wereld waarin het lyrisch ‘ik’, dat tussendoor kan overgaan in een onbestemd ‘wij’, voortdurend verandert: in een dar, in jagers, hun vrouwen, in vaders, dochters et cetera en die beelden komen terug in afzonderlijke gedichten. De veranderingen getuigen van inlevingsvermogen; een kenmerkende passage uit het titelgedicht in dit verband is: ‘[we vlogen] de horizon tegemoet, we vlogen geestdriftig / tot het onderscheid tussen ons en de horizon / verdween, we werden één met alles wat zich netjes / buiten het blikveld bevond ( … )’.
Het gebruik van ‘wij’ in de bundel kan verwarrend zijn. Je weet niet altijd wat je daaronder kunt verstaan: de dichter en een ander, de dichter en een kleine groep mensen of iedereen.

We zien een dichter die midden in de wereld staat: hij schrijft niet alleen over zichzelf en de mensen om hem heen, maar ook over de buitenwereld waarvan hij deel uitmaakt: zijn woonwijk, de aarde die door opwarming wordt bedreigd, waar oorlog heerst en die tallozen dwingt te vluchten. Hoe sta je daar tegenover? Wat doet het met je? Wat de buitenwereld betreft: we zien sarcasme, angst, machteloze woede, maar ook mededogen en hoop op een betere wereld, want alles verandert voortdurend en dat kan ook ten goede zijn. De laatste regels van het titelgedicht luiden: ‘We leven nog, alles wat je denkt, alles wat / je wilt, kunnen we wat mij betreft nu nog worden.’ Of is ‘wat mij betreft’ een addertje onder het gras? Dat hangt af van de context waarin je zoiets schrijft of zegt.
Sterk vind ik het gedicht ‘Kate Middleton looks radiant after birth’. Daarin lijkt een persoon aan het woord te zijn die hardnekkig in sprookjes wil geloven – in dit geval dat van de stralende jonge moeder, getrouwd met William, de droomprins die ooit een gevierd koning van het Britse rijk zal zijn. Deze persoon lijkt zich te verdedigen tegen zwartkijkers die hem de storende werkelijkheid door de strot willen duwen. Hij is niet bang dat zijn sprookjesachtige wereldbeeld aangetast kan worden – of juist wel? Dat zou kunnen blijken uit de gevarieerde herhalingen van ‘Kom dan’ die dan het karakter van een bezwering hebben:

Kate Middleton looks radiant after birth

Kom dan, als je het zo graag zo wilt spelen
kom op dan met je stijgende zeespiegel
je middellandse hoopdoden, je water-
tekort in Nepal, Syrië overal eigenlijk
schijnt haar glimlach ons tegemoet

kom en breng je promotieteam mee
schuif je kanonnen naar voren, leg ons
nog eens overtuigend de gevaren die we
niet kennen kunnen uit, de ongekende
onbekenden zien haar stralen net als wij

kom dan op je befaamde kousenvoeten
kom met je spleetjes van ogen, als de minst
mislukte versie, de meest vredelievende van
alle mogelijke vertegenwoordigingsvormen

ze lacht en straalt en legt iedereen het zwijgen op
dus kom vergiftig ons water, leg onze verkeersaders
lam, sla vlotten terug het open water op, kom met
je eeuwige gelijk en talloze gebreken, kom maar op.

Het is intrigerend om te zien hoever Möhlmann met die herhalingen kan gaan. Het gedicht ‘We zullen’ heeft er een opzwepend ritme door gekregen dat de gretigheid van de verteller ondersteunt:

Zeker, mijn liefste, ze zullen, maar wij zullen meer, ze
zullen zullen, maar met speels gemak zullen we meer

wat ze ook zullen: ze maken geen enkele kans want wij
zullen meer, we leven allemaal niet meer dan gemiddeld

tachtig jaar, zij niet en wij niet maar zie maar mijn liefste
wat wij uit die zeg veertig jaar nog kunnen peuren terwijl

zij, ach ze zullen maar en zullen, geef ze honderd jaar voor
mijn part en nog zullen ze niet meer dan wat ze zelf zullen

alle vogels die hun vleugels uitslaan, tegelijk, niet om te willen
vliegen maar uit pure schrik, ze zullen net als wij mijn lief

maar voor het zover is, zullen we, zullen wij, wat we zouden
in die hele rij van gezegende jaren die we nog hebben, zullen we.

‘We zullen’ is het laatste gedicht van de tweede afdeling, die een aanmerkelijk strakkere vorm heeft dan de eerste. Het gaat om zesentwintig gedichten, ieder van zes disticha. Zonder uitzondering bestaan de titels uit een onderwerp en persoonsvorm: ‘We ademen’, ‘We blijven’, ‘We citeren’ ( … ); dat ‘we’ in de titel impliceert uiteraard een ik-verteller, die in veel gedichten ook expliciet aanwezig is. Möhlmann ging met zijn werkwoorden het hele alfabet langs. Hij heeft daar wel een beetje mee gesmokkeld: de ypsilon heeft hij vervangen door ‘ij’. Begrijpelijk; in Het Groene Boekje (2007) stond maar één werkwoord dat begint met een ‘y’: yellen.
Ieder gedicht is geschreven voor of dankzij een dichter, singer-songwriter, musicus en, in het eerste en laatste gedicht van de afdeling, de geliefde van de dichter. Met die opdrachten is iets eigenaardigs aan de hand: Möhlmann heeft de namen niet bij de gedichten zelf vermeld, maar in de aantekeningen. Dat zou kunnen betekenen dat een lezer niet per se hoeft te weten aan wie het gedicht is opgedragen om het te snappen. Wie die ‘wij’ zijn, bepaal je per gedicht; zoals gezegd is dat soms lastig.
Zou er per gedicht echter wel hebben gestaan aan wie het is opgedragen, dan was de lezing waarschijnlijk anders, specifieker: je identificeert die ‘wij’ dan mogelijk als de dichter en de genoemde persoon. En echt grappig wordt het als je mensen het aan hen opgedragen gedicht op YouTube ziet voorlezen: de ‘wij’ blijven hetzelfde, maar je identificeert de ‘ik’ nu niet met de dichter als het gedicht daartoe uitnodigt, maar met degene die voorleest.

Ik was een hond is een goede bundel. Sommige gedichten geven zich moeizaam prijs, maar een geduldige, aandachtige lezer wordt ruimschoots beloond. Het eerste gedeelte vind ik boeiender dan het tweede, omdat de variabele lengte en losse vorm goed passen bij de soms als heftig ervaren tegenstelling tussen de veiligheid van de kleine, vertrouwde omgeving en het dreigend onheil in de buitenwereld. Gedichten uit het tweede deel komen door het keurslijf soms wat geforceerd over – maar dat is betrekkelijk: zie het geciteerde gedicht.