Recensie van Tweelingstrijd - Kim Pauwels

Breekbare, energieke poëzie

Kim Pauwels
Tweelingstrijd
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015229
€ 19,95
72 blz.

Niet dat ik de bundel van Tim Hofman op mijn nachtkastje heb liggen. Ik ken ook maar een paar fragmenten uit zijn poëtische bestseller. En toch moet ik direct aan hem denken bij de korte, woordspelige gedichtjes die ik aan het begin van elk hoofdstuk in Tweelingstrijd aantref. Gevat, geestig, maar vaak net te kort om echt iets voor te stellen. Misschien soms eerder een amuse, waarin de dichter in miniatuurformaat laat zien wat zij in huis heeft: ‘Ik ben alleen / als / ik schrijf’. Met daaronder in zwart-wit een kleine aquarel. Een zoveelste variatie op ‘cogito ergo sum’ van Descartes, maar met de mooie dubbele laag dat de dichter alleen, misschien zelfs eenzaam is wanneer zij schrijft.
De bundel is zorgvuldig geconstrueerd. De elf korte hoofdstukjes worden veelal met één enkel woord aangeduid. En al die woorden achter elkaar vormen een klein gedichtje, dat zich als een credo lezen laat: ‘Ik ben waterverf kleine donkere bergen breekbaar als een rusteloze kim’. Daarmee is niet gezegd, dat er in de bundel sprake is van een duidelijke verhaallijn. De hoofdstukjes verschillen sterk van elkaar, zowel in thematiek als stijl.
In het eerste hoofdstuk draait alles om identiteit:

EEN SNAAR

Een snaar ben ik
klaagt zij eentonig.

Streel mij
ruisloos wakker.

Stem mij
in driekwart hartslagmaat.

Strijk mijn klanken glad.
Plooi een melodie uit mij in jou.

Zing mij zinderend
langs de sleutel
een gebogen weg

naar buiten.

In zijn bespreking van het gedicht ‘Noodlading’, dat ook in deze bundel staat, lanceerde Jeroen van den Heuvel het woord ‘associatie-estafette’. Ook hier is deze techniek duidelijk zichtbaar. De enkele snaar ervaart zichzelf als ‘eentonig’, hetgeen elke snaar natuurlijk is, tot het moment dat zij door het indrukken met een vinger verkort wordt. En vooral in de vierde strofe, waarin vanuit het aanstrijken van de snaar de tegenstelling ‘gladstrijken – plooien’ ontstaat. De derde strofe wringt: een driekwartsmaat is zeer geschikt voor romantische melodieën, maar kan geen richtlijn zijn om een snaar te stemmen. (Wel kunnen we bijvoorbeeld kiezen voor een moderne of juist oude stemming, en –zeker bij een viool– voor een reine of juist gelijkzwevende stemming. Maar ja, maak daar maar eens poëzie van.) Passender zou zijn: ‘Bespeel mij / in driekwart hartslagmaat.’ Als geheel beluister ik in dit gedicht –door alle associaties heen– bovenal een verlangen, een verlangen van de eentonige, eenzame snaar om aangeraakt te worden.

WIJSMAKEN


Wij smaken
naar meer.

In omgang
zit omweg.
In voorbij
nabij zelfs dichtbij.

Neem een hamer
een houten plank
enkele vijzen.

Tracht een schap te plaatsen
onder mijn staat.

Vrijgezel
schap
is toch minder eenzaam.

Vooral met een boek
of twee
erop.

Het gedicht opent hoopvol: ‘Wij smaken / naar meer.’ Maar al snel blijkt, dat de hoofdpersoon (de niet nader genoemde ‘ik’) zichzelf iets probeert wijs te maken. ‘Omgang’ doet denken aan omgangsregeling, zeker met het ‘voorbij’ twee regels verderop. De dichter probeert nog via de associatie ‘voor – na’ dit in het tegendeel te laten verkeren. Maar onmiskenbaar is de nieuwe staat die van de vrijgezel. Met het mij onbekende ‘vijs’ wordt door onze zuiderburen een schroef aangeduid. Of onze zuiderburen deze schroeven ook met een hamer de muur in rammen is mij niet bekend. De hoofdpersoon heeft in ieder geval een doel voor ogen: in de vijfde strofe is het schap letterlijk onder ‘Vrijgezel’ geplaatst, waardoor gezelschap wordt opgeroepen. En met een paar boeken op die plank is het helemaal gezellig geworden. Al denk ik, dat de hoofdpersoon zich met de titel van het gedicht ook realiseert in feite een bord voor de kop te hebben. Het gedicht staat niet voor niets in de afdeling ‘Als’: ‘Ik wals / als een pletwals / over mijn dromen en beloftes’. In deze korte frase (de titelgedichtjes kennen geen interpunctie, als om te benadrukken dat ze geen volledig uitgewerkt gedicht zijn) neig ik ertoe ‘als’ ook als een zelfstandig naamwoord te lezen. Een mooie, grimmige variatie op de volkswijsheden ‘Als m’n oma wielen had was ze een fiets’ en ‘As is verbrande turf’.
Het hoofdstukje ‘Verf’ opent met een raadselachtige tekst: ‘Verf is geen druk inkt / onder stroom’. Ondanks de spatie lezen we: drukinkt. Maar ook: ‘inkt onder stroom’. Is wat geschilderd is niet te vangen in woorden, altijd in beweging? De vier langere gedichten hebben in ieder geval het proces van het schilderen tot onderwerp. Zoals de manier waarop Pierre Bonnard zijn geliefde Marthe schildert: ‘Haar lichaam stroomt verf / zoals fonteinen water.’ Of het abstracte werk van Agnes Martin: ‘Hoewel evenwijdige zielen elkaar altijd zien / maar nooit raken in hun naderingen / treft u me daar / als in een raster even aan.’
Het thema van evenwijdige lijnen, raaklijnen (en ook: rake lijnen) duikt herhaaldelijk op in deze bundel. Het gedichtje op de achterflap filosofeert hierover: ‘Hoe verzoenen wij voorzijde met achterkant / als ook een tweeloop gelijktijdig vuurt / en de banen wel hun doel, maar nooit elkaar raken, // zonder tweelingstrijd?’ In de laatste twee gedichten lezen we ‘Kim / verzon de horizon.’ en ‘Grenzend aan de eigen eindstreep / huilt ze toch dezelfde tranen nat.’ In het interview met Laura Demelza Bosma in Meander zegt de dichter hierover: ‘Ik ben geen fan van mijn eigen naam, niet van de klank en ook niet van de betekenis. De kim als einder, als einde, als begrenzing van wat je kunt zien.’ Vandaar de titel Tweelingstrijd: ‘een strijd met jezelf, met je evenbeeld, je spiegelbeeld, het ene dat ook het andere is, dat deel van je uitmaakt, maar toch niet steeds standvastig blijft.’
Tweelingstrijd is zoals gezegd een zorgvuldig geconstrueerde bundel. De vormgeving is bijzonder mooi, met kleine aquarellen en donker gekleurde bladzijden die de afdelingen afbakenen. De thematiek wordt geen keurslijf. Twee gedichten springen eruit. Het barokke ‘Oh Ewaldus’, met duidelijke verwijzingen naar ‘Vera Janacopoulos’: ‘Oh, Ewaldus mijn / wat drijft mij rust’loos aan / dit omlijste raamkozijn?’ En het ontroerende ‘Zusje’, dat we al eerder in Meander konden lezen, met de indringende opening ‘De kleine kist maakt het verdriet groter.’ Ik ben geneigd dit gedicht als een sleutelgedicht op te vatten, als motor van de zoektocht naar een eigen identiteit die in de hele bundel wordt verwoord. Waarbij de dichter in dit gedicht niet spreekt van evenwijdige lijnen, maar van ‘verweefde vlechten’. Alsof door ‘Nog één keer onze lokken / te vervlechten’ de eenzaamheid van de parallelle lijnen wordt doorbroken.