Recensie van De boom valt op mij - Ilse Starkenburg

De boom valt niet op mij

Ilse Starkenburg
De boom valt op mij
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 978029511780
€ 17,99
56 blz.

De nieuwe bundel De boom valt op mij van Ilse Starkenburg bevat veel herinneringen aan de jonge jaren, de studententijd, het familieleven, en in het bijzonder aan de vader. Genegenheden tussen geliefden en jeugdervaringen vormen onder meer de ingang naar dieper liggende gevoelens en inzichten. De bundel staat vol minimaal uitgewerkte ‘gedachteoefeningen’, zoals ‘gewone dagen’ die vroeger bijzondere dagen waren door een bepaalde activiteit. Ze hebben sindsdien hun bijzonderheid verloren, omdat een bepaalde activiteit niet meer op die dagen plaatsvindt. Geuren als dragers van herinneringen zijn onder meer daarbij werkzaam. Bij Starkenburg lopen werkelijkheid en droomwereld dikwijls scherp opeenvolgend door elkaar heen, zoals de ‘ik’ die de rotsen bij Santorini bekijkt. De ‘ik’ lijkt er pas bij betrokken te raken als ze zich voorstelt als ware de ‘ik’ een buitenstaander voor wie de natuur ‘een decor op een toneel’ is.
      Ik denk dat de uitspraak van Ludwig Wittgenstein ‘Das Ich, das Ich das tief Geheimnisvolle!’ een belangrijke kern aanduidt van wat Starkenburg ons in deze bundel wil zeggen. In dat spoor staat een aantal gedichten waarin ze de zoektocht naar het eigen subject tracht te volgen, zoals in het gedicht ‘Wens’:

ik wil je zien
als je alleen bent
maar dat kan niet
want dan ben je niet meer alleen

ik zou willen dat je mij zag
als ik alleen ben
maar dat kan niet
want dan ben ik niet meer alleen

      Er zijn verschillende momenten waarop het verlangen naar de ander, naar zichzelf, naar erkenning haar gedichten binnenkruipt. In het gedicht ‘Nu’ wil Starkenburg tot uitdrukking brengen dat haar ‘ik’ en zijn ‘alter ego’ het niet altijd even goed met elkaar kunnen vinden. Daarop volgen twee korte strofen: ‘terwijl vandaag zichzelf / nog bij elkaar probeert te rapen // bedelt morgen al / doe iets goeds voor mij’. Die overstap van ‘ik’ op de gepersonifieerde abstracties van ‘vandaag’ en ‘morgen’ is een nogal schielijke overgang die vaker voorkomt in deze bundel. Daarop volgt ten slotte een nieuwe en grote overstap op naar een nog grotere kosmische eenheid als ‘planeet’ en ‘zon’ die de eerdere ervaring van de innerlijke tegenstelling van de ‘ik’ daarmee zo weinig invoelbaar maakt: ‘alleen planeten, planeten alleen / verlangen niets van ons // we gaan naar de zon’. Grote stappen, snel thuis.
      Het gedicht ‘Ierse tweeling’ is een voorbeeld van een zoektocht waarin ‘mijn broer en ik’ zich voor de zoveelste keer met weer een andere camera op de foto laten zetten. Ze willen in elkaar opgaan. Hoewel ze na elkaar ter wereld zijn gekomen lijken ze op de foto als die Ierse tweeling die aan elkaar vastzaten bij de geboorte, en daarna voor een leven lang. Wat die tweeling ‘van nature’ gewoon is, namelijk om om als tweeling op de foto te komen, is deze broer en ‘ik’ niet gewoon. Ze zullen ‘het proberen: poseren’. De achterliggende gedachte lijkt te zijn: de verbondenheid die voor de Ierse tweeling ongewild gewoon is, is wat de broer en ‘ik’ zich wensen. In deze gedichten probeert Starkenburg in woorden te vangen hoezeer we niet in staat zijn onszelf en elkaar te kennen.
      Misschien heeft de blik van Starkenburg op het leven hier en daar wel wat clowneske trekken. De speelse wijze waarop ze in het gedicht ‘Clownesk’ ‘een foto van Charlie Chaplin met een meisje’ beschouwt wijst in die richting. De taal van het meisje is ‘zo kaal / als het hoofd van haar vader’. Hij verdwijnt op het laatst ‘met haar met / haar’, evenals de taal die hij sprak in zijn stomme films. De (lach)bewegingen zijn bewaard gebleven, maar de taal is verdwenen. In het gedicht ‘Money, money, money’ zingen ‘mijn zus en ik’ een lied van ABBA. Ze herkennen de betekenis niet van wat het viertal zingt. Daarom schrijft de ‘ik’ de tekst fonetisch voor haar zus uit. Nu weten ze ‘waarover / het niet zou moeten gaan’. De onbegrepen woorden geven inzicht in wat niet van belang is in het leven. De vergankelijkheid maakt niet alleen mensen en voorvallen zoek, maar ook de taal die uitgesproken wordt.
      Het op verschillende plekken in het vliegtuig gaan zitten in het gedicht ‘Samen naar New York’ is weer zo’n voorbeeld van een licht absurdistische voorstelling van zaken over het wel of niet met elkaar willen reizen en bij elkaar willen komen maar toch niet samen kunnen vallen. Dat geldt ook voor een gedicht over ‘een eenzame uitvaart’ voor een overledene die geen familie en vrienden heeft. Het betreft een aap die ‘nog nooit gestorven’  en ‘nooit geboren’ is. Het ‘weggeven van de aap’ aan degene die gestorven is, is een mooi gebaar van aandacht geven, maar krijgt in dit gedicht zo weinig zeggingskracht mee dat het geen poëzie wordt die tot de verbeelding spreekt.
      Over de bundel hangt in de zoektocht naar de ander en de ‘ik’ de nevel van de eenzaamheid. De eenzame mens, al dan niet met psychische problemen, in park, in binnenstad en café, waart rond in deze bundel, zoals in het aandoenlijke gedicht

Roos is de vrouw
die elke ochtend bij
alle buren aanbelt

ze is haar hoofd
verloren  de zachte
blaadjes dwarrelen

alle kanten op
met de wind mee en
zij is toch zo’n mooi

meisje en op haar
was toch geen boom
terecht gekomen

de wijkagent noemt het geen
noodgeval , de GOD eist eerst
een rechterlijke machtiging

nu doe ik maar of het
god is die mij attent
elke ochtend wakker belt

      Deze Roos dwaalt rond in haar eigen leven. Op haar is ‘geen boom terecht gekomen’. Letterlijk en/of figuurlijk? Is dit haar redding of haar noodlot? Haar privacy wordt geduld tot er vanwege aanhoudende klachten uit haar leefomgeving een rechterlijke machtiging afkomt. Zo ontsteelt deze vrouw zoals een ieder aan het leven een dag. Ook die echtparen die na een uurtje zwemmen elkaar vluchtig kussen en daarna elk ‘een eigen leven in gaan’ uit het gedicht ‘De beste van alle voordeuren’ dragen die eenzaamheid in zich. Eenzaamheid, vergankelijkheid en het zichzelf en elkaar niet kennen keren telkens weer in samenhang met elkaar terug.
      Het titelgedicht ‘De boom valt op mij’ geeft een goede indruk van hoe Starkenburg veelal te werk gaat. Harde opeenvolging van het concrete en het abstracte. De ‘ik’ lijkt op een groene boom, omdat zij zich hult in een groene jurk als ware zij een ‘wandelende tak’. Of op het einde de kreet ‘van de gevallen kruin’ voorkomt uit het feit dat aan alle bladeren de kleur is ontnomen door het wit makende blauwsel, of dat er sprake is van een zachte kreet van ‘groen’ protest tegen de ontbossing vanwege de fabricage van kleurstoffen, het gedicht mist de scherpte van een treffende metaforiek en laat ons op het laatst in het duister ronddolen. Het gedicht blijft hangen in een alledaagse observatie uit de jeugd, zonder dat het naar een verder strekkende gelaagdheid leidt die haar vervolg vindt in de bundel.
      Starkenburg bedient zich nauwelijks van gelaagdheden die meerdere betekenissen tegelijk aanduiden. Een dergelijke gelaagdheid maakt ons ervan bewust dat een dichter zich niet zomaar opzettelijk in moeilijk verstaanbare bewoordingen uitspreekt. Het is hem nu eenmaal eigen te stuiten op observaties en ervaringen die zich moeilijk in woorden laten uitdrukken. De dichter heeft metaforen nodig om zich daartegen te verweren.
      Bij herhaalde lezing miste ik die gelaagdheid. Starkenburg schrijft in parlando, wat er in haar geval niet bepaald toe bijdraagt dat haar poëzie de nodige spanning meekrijgt. Poëzie kan in haar eenvoud opzienbarend zijn, maar de hare is eerder nogal bleek en flets te noemen: -Ben jij weleens bang ’s nachts? / – Nee, niet speciaal ’s nachts’. Aan het einde van haar gedichten voorziet ze die dikwijls van een omkering of een open einde, maar het merendeel van de gedichten geeft de indruk van een nog niet voldoende doordachte afhechting van het gedachte-experiment. De notatie zonder leestekens is daaraan misschien ook enigszins debet.
      Al met al is de lezing van deze nieuwe bundel voor mij niet een inspirerende kennismaking geweest met het werk van Ilse Starkenburg. Zoals een schilder niet de meest treffende kleurnuances op het doek weet te brengen, zo mis ik bij haar het pakkend arrangement van woorden en beelden. Wat ze aan thematiek wil overbrengen is wel interessant, maar ze weet daarvoor niet voor mij de meest aansprekende weg in de taal te vinden. Daarom valt deze keer de boom niet op mij.

***
Ilse Starkenburg (1963) is dichter en schrijver. Ze debuteerde in 1987 met vier gedichten in het tijdschrift Maatstaf. Sindsdien verschenen bij De Arbeiderspers vijf bundels en een verhalenboek. Haar werk is in talrijke bloemlezingen opgenomen waaronder in de De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer.