Gedichten

door Robin Veen (1953)

Robin Veen schreef elf jaar geleden zijn eerste gedicht. Vervolgens bewoog hij zich in de wereld van de poetryslam. Daar viel hij twintig keer in de prijzen. In 2015 stond hij in de halve finale van het NK poetryslam. Een mooi moment om zijn slamcarrière af te sluiten, vond hij.
Mede door zijn jarenlange podium ervaring wordt hij tegenwoordig regelmatig uitgenodigd om zijn gedichten op diverse podia ten gehore te brengen. Ook in gedrukte vorm vinden zijn gedichten steeds vaker een weg naar een geïnteresseerd publiek. In 2016 was Robin genomineerd voor de VUmc poëzieprijs en de Ongehoord Gedichtenwedstrijd.
Bij de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd deed hij het ook goed: in 2009 stond hij in de top 10, hij stond tweemaal in de top 100 en achttien keer in de top 1000. In diverse bloemlezingen zijn gedichten van hem terug te vinden. In eigen beheer gaf hij de bundels Ga hier aan land (2013) en 36 sonnetten (2016) uit.

 

BINNENWERELD

De deur sloeg met een klap achter me dicht. Omdat ik
door het raam geen kamer zie, woon ik sindsdien op het balkon.

Er zeilen meeuwen door mijn huis. Ik nam wel duizend keer
de deurklink in m’n hand, maar drukte nooit de twijfel neer.

Ver onder me zie ik het mierenvolk dat nijver gevels bouwt
waarachter iedereen de vloer belegt met laminaat,

zich warmt aan de moederhaard, zich aan een beeldscherm
heeft  gehecht dat hen de wereld toont en vrienden maakt.

Ik vraag me af:  wie hing de wolken in m’n huis?
En is er iemand thuis die op me wacht?

Er is geen vloer meer, geen plafond. Dit zou de hemel kunnen zijn.
De zon schijnt op m’n rug. Binnen valt mijn schaduw naar beneden.

DIT IS EEN MUUR

Hij praat zijn eigen zinnen na,
duidt zo de wereld voor zichzelf.
Dit is een muur, zegt hij, dit is een muur.
Vier letters zekerheid,
zorgvuldig in zijn hoofd gemetseld.

Tot iemand er een deur in opent.

Een overdaad aan taal verwart zijn kamer.
Wanhopig maait hij woorden van zich af.
Dit is een muur, herhaalt hij, dit is een muur.

AAN DE OEVER

De laatste pont trekt sporen in het goud
dat even later stolt tot duisternis.
Een vleermuis kruist de hemel af. Het is
nog niet voorbij, maar alles welbeschouwd

weet ik dat geen rivier haar tegenhoudt.
Het water fluistert de betekenis
van wat ooit was en wat ik nu al mis.
Ik raak haar even aan. Haar huid is koud.

Ze is al bijna aan de overkant.
Ik luister naar de krekels. Op de rand
van elke nacht vertellen zij elkaar

wie of ze zijn. Wij zwijgen als het graf.
De pont meert aan de overzijde af.
Pas morgenochtend komt hij weer voor haar.