Interview met Jolies Heij

Ik ben een observator

 

Jolies Heij (Maarn, 1964) is lerares Duits, serveerster, kok en podiumdichter met optredens tijdens poetryslams in Nederland en Duitsland. Tevens is zij columniste op de site van Pom Wolff. Zij debuteerde november 2016 met de bundel Lolita zei (uitgever Heimdall) waarvan reeds een tweede druk verscheen.
Haar alter ego Sanja Simunic, (Bijeljina Bosnië, 1989) kwam op driejarige leeftijd naar Utrecht. Zij werkt als lerares op de LOM-afdeling van de Vrije School in Zeist.

Een jaar geleden verwonderde je je, in een gesprek met mij, nog over het uitblijven van positieve reacties op je gedichten. Nu is er een tweede druk van je debuutbundel, wat is er gebeurd?
Ik zal op dat moment wel even een Slamdip gehad hebben. Korte tijd later benaderde Hub Dohmen van Heimdall mij en vroeg om mijn zes mooiste gedichten. Kennelijk waren ze mooi genoeg, want vervolgens vroeg hij me om een hele bundel samen te stellen.

Je bent gaan werken aan de vorm van je gedichten. Soms hanteer je nu de tweeregelige strofen. Wat is belangrijker, die vorm of de inhoud?
Die tweeregelige strofen schreef ik in het begin ook al. Ik ben in de loop der jaren een beetje aan het rommelen geweest met allerlei vormen. Ik ben nogal een gewoontedier, dus om alert te blijven moet ik mezelf dwingen om regelmatig te veranderen. De inhoud is voor mij het belangrijkst, de vorm is een aardig jasje. Maar nu ik dat zo zeg, doe ik misschien de vorm tekort, want ik heb wel degelijk gemerkt dat de inhoud gaat staan naar de vorm.

Je schroomt niet – en dat bewonder ik in je – fel en onverschrokken je mening te geven, hetgeen soms voor controverses zorgt. Was je werk altijd al zo vrij? Wat is de diepste drijfkracht? En heeft poëzie die maatschappelijke functie en noodzaak?
Ik merk vaak aan de reacties uit het publiek dat mensen het niets of juist erg goed vinden. Dat vind ik wel eens moeilijk, want natuurlijk wil ik dingen maken die bij iedereen in de smaak vallen. Althans, dat zou ik stiekem willen, als een soort ideaal. Een dichter zei laatst tegen mij: het ontbreekt je aan succesnummers. Ik vrees dat ik die niet kan schrijven, hoe graag ik ook zou willen.
Een tijdje terug droeg ik vaak een tekst voor over wat mannen van vrouwen willen in de liefde; sommigen vonden hem geweldig, anderen juist verschrikkelijk cliché. Daarbij is het ook vreselijk moeilijk om vakgenoten én het publiek aan te spreken. Mijn drijfkracht is ook weer nogal clichématig: ik wil mezelf onder woorden brengen, daarom schrijf ik sinds mijn veertiende een dagboek. Hoewel dat vroeger slechts een beschrijving van mijn eigen beperkte wereldje was, terwijl het tegenwoordig meer een voorstudie voor het echte werk is.
Voordat ik aan een gedicht begin schrijf ik eerst even in mijn dagboek. “Mezelf” vat ik nu op in de breedste zin van het woord: de wereld en de tijd waarin ik leef. Dan kun je je ogen niet sluiten voor maatschappelijke gebeurtenissen. Ik registreer ze, maar een maatschappelijke functie heeft dat niet, vrees ik. Ik zit bij een politiek Joegoslavië-comité, maar het enige wat ik daar doe is notuleren, teksten redigeren voor programmaboekjes en vertalen. Want actievoeren kan ik niet. Ik ben een observator.

Is er, met andere woorden, vanuit die drift en gedrevenheid behoefte ons iets te leren? Uit te leggen?
Ja, die is er zeker wel. Ik wil mensen graag iets bijbrengen, dat is toch mijn didactische achtergrond. Maar het is vooral ook omdat ik het zelf zo fijn vind om van anderen te leren. De Duitse dichter en schrijver Erich Kästner, die in het beroepsleven onderwijzer was, zei ooit dat hij daarvoor niet geschikt was omdat hij liever leerde dan onderwees. Dat heb ik ook, daarom is mijn onderwijscarrière nooit van de grond gekomen. Verschrikkelijk dat ik die kinderen dingen zou moeten bijbrengen, die voor mij allang passé zijn. Sterker nog, dat ik me hun leefwereld eigen moet maken, die ikzelf allang achter me heb gelaten. Ik sta op Duitse Slampodia en dan moet ik ze het verschil tussen de derde en de vierde naamval gaan uitleggen? Dan geef ik ze liever een Slamdemonstratie.
Ik heb wel poëzieworkshops aan psychiatrisch patiënten gegeven. Dat was erg leuk, maar dan stimuleer je mensen meer, dan dat je ze gaat vertellen hoe het moet. Ik vind kennisoverdracht door middel van verhalen vertellen ook iets heel anders dan wat er op die scholen gebeurt. Ik had vroeger een leraar geschiedenis, die over de Grieken en de Romeinen vertelde. Dat was echt geweldig, maar dat gebeurt tegenwoordig helemaal niet meer. Nu moeten ze het maar googelen.

Hoe is het dichten ontstaan voor je? Ben je opgegroeid met poëzie?
Een oom van mij schreef gedichten en stuurde wel eens een bloemlezing naar mijn moeder op. We hadden thuis de dikke Komrij staan, maar mij werd geen poëzie voorgelezen of zo. Toen ik tijdens mijn studie met de Duitse expressionisten in aanraking kwam, ben ik af en toe een gedicht gaan schrijven. Ik vond het mooi dat je in één gedicht een wereld aan beelden en indrukken kunt oproepen, zoals Gottfried Benn dat in ‘Untergrundbahn’ doet. Dáárvoor – en eigenlijk als kind al – schreef ik proza, dus verhalen en in een dagboek.

Je staat met grote regelmaat op allerlei podia. Wat krijg je daarvoor terug of liever gezegd, is die interactie voor je noodzakelijk?
Het is noodzakelijk in die zin dat ik de deur uitkom. Optreden dwingt me om regelmatig nieuwe dingen te schrijven. Contacten met dichters stimuleren me en ik raak geïnspireerd als ik anderen hoor voordragen. Dan blijf ik in een prettige flow, waarin schrijven en voordragen worden afgewisseld. Ik schrijf tegenwoordig veel meer dan toen ik nog op mijn zolderkamertje zat. Je hebt het gevoel dat je het ergens voor doet als je het meteen voor publiek ten gehore kunt brengen. Dat heeft wel tot gevolg gehad dat ik tegenwoordig veel meer poëzie dan proza schrijf. Proza schrijf ik hoofdzakelijk nog als columns en feuilletons, de stukken die ik wekelijks moet schrijven. Dat geeft een fijne discipline.

Houd je rekening met je publiek? Schrijf je naar de lezer toe?
Ik wil geen rekening met het publiek houden. Dat klinkt misschien cru, maar ik ben van mezelf veel te veel geneigd om mijn oren naar anderen te laten hangen. Vanuit een drang om te behagen, vrees ik. Het is een ergerlijk automatisme, waarvoor ik mezelf zo veel mogelijk in bescherming wil nemen. Daarom wilde ik nooit naar de schrijversvakschool, want ik wist dat ik dan als een modelleerling van de lopende band zou rollen, zonder iets eigens. In het begin van mijn Slamcarrière had ik dat ook, ging ik zo veel mogelijk “gewenst” schrijven om te winnen, om jury’s tevreden te stellen. Wat natuurlijk voor geen meter lukte, want dan is het niet authentiek. Bovendien zijn jury’s meestal ook maar subjectief. Ik werd ook wel een tijdlang door vakgenoten een bepaalde richting ingeduwd waardoor ik mezelf een bepaald imago aanmat waar ik me niet echt gelukkig bij voelde. Toen ben ik in een zomervakantie een tijdlang alleen maar voor mezelf gaan schrijven zonder rekening te houden met de smaken van het publiek en jury-oordelen en dat werkte. Een aantal van die gedichten is in Lolita zei… terechtgekomen.

Waarom zijn er twee versies van jou die – naar goed gebruik – uiterst verschillend zijn. Wanneer kies je voor de tweede? (Jolies Heij versus Sanja Simunic.)
Ik kan niet voor Sanja spreken. Zij is een zelfstandig persoon die op haar eigen manier schrijft. Zij windt zich ook veel meer op over maatschappelijke misstanden, die ze dan in een stream of consciousness over het hoofd van de lezer uitstort. Dat is het Slavische aan haar. Zij gebruikt gerust woorden als “hart” en “ziel”, die ze in dermate bloemrijke taal inbedt én wreed laat zijn dat het uiteindelijk niet meer clichématig is.