Recensie van De andere stem. Over het dialogisch dichterschap van Bernlef - Johan Reijmerink

Een nieuwe invalshoek

Johan Reijmerink
De andere stem. Over het dialogisch dichterschap van Bernlef
Uitgever: Eburon
2017
ISBN 9789463011242
€ 26
431 blz.

Johan Reijmerink heeft in zijn proefschrift De andere stem het begrip ‘dialogisch dichterschap’ geïntroduceerd. Op het eerste gezicht is dat vreemd, want er vinden voortdurend dialogen plaats, is het niet met andere dichters, dan toch wel met hun werk. Iedere dichter zal ongetwijfeld ook de innerlijke dialoog kennen. Zo zei de winnares van de C. Buddingh’-prijs Vicky Francken in de NRC van vrijdag 2 juni over haar gedichten: ‘Telkens verzon ik een tegenpartij die in mijn hoofd opsomde wat er aan ontbrak. Met deze erkenning kan ik die tegenpartij voorhouden: die twijfel is niet per se nodig. Ook als iets niet perfect is, kunnen mensen het mooi vinden.’

Dat alles hoef je Johan Reijmerink natuurlijk niet te vertellen. Hij specificeert het begrip en presenteert het als een nieuwe invalshoek voor literatuurwetenschappelijk onderzoek. Hij volgt de transnationale ontwikkeling van dichter en vertaler Bernlef (1937 – 2012) en probeert in zijn poëzie sporen te traceren die het gevolg zijn van dialogen met de Amerikaanse dichter John Ashbery en de Zweed Tomas Tranströmer en hun werk. Bernlef is voor een onderzoek als dit bij uitstek geschikt. We stuiten bij hem op een ‘intrigerend amalgaam van nieuwsgierigheid en meeschrijven, fascinatie en vertalen, geïnspireerd lezen en herscheppen’. (p. 343).

Bernlef richtte in 1958 met K. Schippers en G. Brands het tijdschrift Barbarber op, dat de programmatische ondertitel ‘tijdschrift voor teksten’ had – de mannen huldigden een anti-poëticale houding. De onvervormde realiteit, daar ging het om. Het maken van ready-mades was een van hun activiteiten. Het aardige is, dat geïsoleerde, uit hun context losgemaakte teksten een heel andere werking krijgen; bij Bernlef leidde dat gaandeweg weer tot een poëticale houding, maar hij streefde daarbij niet per se naar originaliteit of authenticiteit. Hij geloofde daar niet zo in, zeker niet bij het ontstaan van gedichten: weliswaar heeft een dichter een eigen stem – niemand is hetzelfde – maar net als ieder exemplaar van de diersoort mens put hij uit de gemeenschappelijke bron van de taal – Darwin in de poëzie.
Een andere constante in het werk van Bernlef stamt ook zijn begintijd: het besef dat wij een selectie uit de werkelijkheid maken en daarin een samenhang aanbrengen die er vaak niet is – zo werken de hersenen. Hij wilde lezers met nieuwe ogen laten kijken en stond daarin niet alleen. Overbekend is het ‘Liefdesgedicht’ van Schippers: ‘Jij heb de dingen niet nodig / om te kunnen zien // De dingen hebben jou nodig / om gezien te kunnen worden.’ Bij Bernlef ontwikkelde zich dat tot het reiken naar een ‘godloze’ metafysica, de suggestie van een voelbare, maar niet zichtbare werkelijkheid.

Toen hij toetrad tot de redactie van Raster werd zijn blik nog internationaler dan die al was. Hij vertaalde veel en dat had een ingrijpende invloed op zijn ontwikkeling als dichter, net als bij collega’s als Claus, H.C. ten Berge, C.O. Jellema en anderen. Door te vertalen kom je in nauw contact met de ambachtelijke werkwijze van collega-dichters, je identificeert je met hen – in ieder geval tijdelijk – en leert van hen. Maar, zegt Reijmerink, hij heeft meer dan zijn collega-dichters over zijn ontwikkelingsgang geschreven. ‘Bij nader inzien bleek het samenspel tussen het lezen, vertalen, dichten en essayeren bij hem meer dan vijftig jaar lang zeer vruchtbaar op de ontwikkeling van zijn dichterschap te hebben ingewerkt en sporen van poëzie van andere dichters in zijn eigen poëzie te hebben achtergelaten. Tussen deze invloed en het zelfwerkzame spel van de taal in het wordingsproces van de eigen poëzie heeft zich in Bernlef een dialogisch dichterschap weten te ontwikkelen.’ (p. 9). Voeg hierbij zijn talent om te bewonderen, open te staan voor dichters in wie hij verwantschap ontdekte of die hem juist aantrokken omdat ze hem vreemd voorkwamen en het is duidelijk dat zijn sluizen voor invloed wijd open stonden. Niet iedere criticus was daarmee ingenomen; Kees Fens constateerde eens zuinigjes dat Bernlef soms leende van andere dichters. Je zou ook kunnen zeggen dat Bernlef met hen meebewoog. Hij was niet bang voor invloed.

Dialogisch dichterschap beweegt zich dus tussen invloed en de zelfwerkzaamheid van de taal. Bij invloed zijn relaties tussen dichters in hun teksten expliciet aanwijsbaar, bij zelfwerkzaamheid van de taal niet. Als de talige context verandert, en dat gebeurt zonder ophouden, simpelweg omdat de wereld voortdurend verandert en er voortdurend nieuwe teksten verschijnen, verschuift de betekenis van een tekst. Zo kan een dichter onbedoeld het werk van een voorganger in een ander licht zetten, zelfs als hij hem helemaal niet kent; een vertaling verandert de oorspronkelijke poëzie en de kennisneming van de oorspronkelijke poëzie verandert de vertaling. En een lezer brengt zijn ervaring mee: als hij een tekst leest, doet hij dat altijd tegen de achtergrond van eerder gelezen teksten; in feite bepaalt de lezer de betekenis. Bernlef was zich hier als dichter/vertaler van bewust. Het fascineerde hem.

Reijmerink wilde onderzoeken ‘in hoeverre er in de poëzie van Bernlef sporen zijn terug te vinden van de poëzie van twee generatie- en tijdgenoten: de Amerikaanse dichter John Ashbery en de Zweedse dichter Tranströmer.’ Hij heeft het zich daarmee niet gemakkelijk gemaakt, want het gaat om thema’s die bij Bernlef vanaf het begin al in essentie aanwezig waren en die hij herkende bij Ashbery en Tranströmer: hij voelde een sterke verwantschap. Net als Ashbery had Bernlef een grote belangstelling voor wat er zich in de hersenen van de dichter afspeelt voordat hij woorden of beelden heeft voor zijn gedicht; met Tranströmer een niet-religieus mysticisme: het formuleren van vermoedens over het levensmysterie die naar voren komen in dromen.
Die verwantschap toont Reijmerink met goede voorbeelden aan, maar bij de zichtbaarheid van sporen ligt het veel lastiger – bij die van Ashbery tenminste; de sporen van Tranströmer zijn duidelijker. Dat komt doordat hij zich in dit geval beperkt tot de vergelijking van Ashbery’s gedicht ‘Mixed Feelings ’ uit de bundel Selfportrait in a Convex Mirror van 1975 met Bernlefs ‘Glossy – het meisje’, een cyclus van veertien gedichten uit de in 2016 postuum verschenen bundel Reflecties . In ‘Mixed Feelings’ reflecteert een lyrisch ik op veranderingen die zich in hem hebben plaatsgevonden; de aanleiding vormt een foto uit waarschijnlijk 1942 van een paar meisjes bij een vliegtuig. ‘Glossy – het meisje’ bevat een innerlijke monoloog die de gedachtenontwikkeling van een fotomodel weergeeft.
Mijns inziens heb je meer vergelijkingsmateriaal nodig, ook als je heel uitgebreid op de gedichten ingaat. Overeenkomsten die Reijmerink noemt, overtuigen nu niet. Er kan sprake zijn van sporen, maar het hoeft niet, temeer omdat de gedichten in tijd zo ver uit elkaar liggen en sporen niet uit citaten hoeven te bestaan.
Een voorbeeld. Zowel bij Ashbery als Bernlef zouden ‘platitudes’ voorkomen. Bij Ashbery klopt dat wel. Twee regels: ‘Wat zijn jullie hobbies, meisjes? Nou, nerts / Zou een van hen kunnen zeggen, die goser is werkelijk te dol.’ (Vertaling Bernlef). Het gedicht ‘Light’ gebruikt Reijmerink om te wijzen op vergelijkbaar taalgebruik bij Bernlef: ‘hij laat het meisje allerlei platitudes zeggen of denken die we de man in de straat kunnen horen zeggen’ (p. 252):

Ze zei: je moet een light versie worden van jezelf
even plooibaar als je rok
wie de schoen past loopt door tot aan de ingang
wordt daar neergeslagen of gaat winkelen

Zeeën van tijd voor je verdrinkt
maar omdat je zo licht bent
blijf je toch heel lang drijven

Kijk daar gaat het meisje van de week
naakt maar toch decent gekleed
zoals de baas het in zijn stoutste dromen wenst
zo licht dat niets aan haar beklijft.

Eén zinsgedeelte laat zich herleiden tot een platitude: ‘het meisje van de week’ is een allusie op ‘het snoepje van de week’, het wekelijkse zoete kinderlokkertje van de reeds tientallen jaren verdwenen supermarkt De Gruyter. Meer platitudes zie ik niet, tenzij je ze opvat als banale opmerkingen. Dan is er meer overeenkomst met ‘Mixed Feelings’, maar het is me allemaal te weinig. Ik had graag meer vergelijkingsmateriaal gezien.

Reijmerink heeft een eerste poging gedaan ‘dialogisch dichterschap’ te hanteren als invalshoek voor literatuurwetenschappelijk onderzoek. Het is een goede methode om te laten zien hoe dichters zich ontwikkelen in een steeds internationaler wordende wereld.
Verhelderend vond ik het betoog over de bedreiging die wereldtalen kunnen vormen voor kleine talen en culturen. Zorgvuldige, goed gefundeerde vertalingen kunnen die bedreiging tegengaan. Dat sommige woorden en constructies onvertaalbaar zijn, moet je daarbij accepteren. Goede vertalers zijn consciëntieus, verdiepen zich zorgvuldig in de identiteit van de dichter en zijn werk, en natuurlijk ook in de culturele context waarin hij zich beweegt. Bernlef was zo’n vertaler. Hij had een groot respect voor de vertaalde dichter, wilde niet eigengereid te werk gaan. In een van zijn essays stelde Bernlef zich daarover een gewetensvolle vraag: ‘Het is als met een partituur. Je mag, moet zelfs, interpreteren, maar waar wordt interpretatie een eigen versie waarbij het origineel in het gedrang komt?’ (Reijmerink, p. 203).

***
Johan Reijmerink (1945) schrijft recensies in Meander en de Poëziekrant. In 2007 publiceerde hij een bundel met essays over poëzie onder de titel Honger naar het absolute. Beschouwingen over dichters als grensganger. Een studie over de poëticale gedichten van Martinus Nijhoff verscheen in 2011: Vluchtige verschijningen in de poëzie van Martinus Nijhoff.