Recensie van Voor de verre prinses - Chrétien Breukers

Nestwarmte

Chrétien Breukers
Voor de verre prinses
Uitgever: Prominent
2017
ISBN 9789492395139
€ 14,95
81 blz.

Het bespreken van literatuur in brieven is niet nieuw: ik heb heel goede herinneringen aan de vakantiebriefwisseling van dr. H.G. Bachrach, Naar het hem leek, waarin hij met een ‘amice’ Shakespeare bespreekt, maar het koppelen van liefdesbrieven aan poëzie, nee, sterker nog, poëzie die overloopt in liefdesbrieven, lijkt me tamelijk uniek. Chrétien Breukers deed het in het mooie boekje Voor de verre prinses, dat behalve een ‘brievenboek’ ook nog een bloemlezing is, een poëtica en een handleiding in lezen. Ik heb het tweemaal achter elkaar gelezen en dat doe ik niet snel.

De ontstaansgeschiedenis is niet uniek. Twee mensen die van poëzie houden worden verliefd en zoeken naar uitdrukkingsmogelijkheden van hun gevoelens in gedichten. Zij zoekt in Dante Alighieri’s Divina Commedia naar op hen slaande passages, hij belooft haar eens te schrijven over zijn ‘lievelingsgedichten in het Nederlands’. Hij wil het ‘groots aanpakken’ en besluit ‘een boek te schrijven’. Het resultaat is een aantal brieven rondom één of meerdere gedichten (bijna allemaal liefdesgedichten), waarin hij vanuit het gevoel van nestwarmte, zoals hij die ervoer in misschien het allereerste gedichtje uit onze literatuur ‘Hebban olla uogala…’, tot zijn keuze komt.

Chrétien Breukers is niet alleen tot aan zijn oren verliefd op de ‘blooskoningin’, de ‘maandagaangekleedste’, ‘de adembenemende ogenvijver’ (een paar van de vele poëtische aansprekingen van zijn geliefde), maar ook op de poëzie. Die liefde tot de poëzie ontstond bij hem toen hij in een bus van school naar huis reed, van ‘Weert naar Leveroy’ en een gedicht van Roland Holst las. Het was liefde op het eerste gezicht. Het wierp bij mij de vraag op wanneer mijn liefde voor poëzie ontstond: dat was in 1948, toen mijn vader tijdens de Boekenweek een gedichtenbundeltje meebracht: ’De muze en het ambacht’. Elk jaar zag ik naar die fraaie bundels uit, ook typografisch prachtig verzorgd, die je voor een kleine vergoeding kon kopen. Ze bestaan helaas niet meer, maar het moment dat ik met mijn vader samen las over ‘de chimpansee die ziek is van zee’ is voor mij het begin geweest.

De eerste Middelnederlandse regels staan aan het begin van het boek. Als hij dan zijn toekomstige geliefde een boekwinkel binnen ziet lopen, waar ‘een gemeenschappelijke vriend moest voorlezen’, denkt hij aan takken, aan het bouwen van een nest, het is een grote, vurige liefde op het eerste gezicht. En aangezien Chrétien elke menselijke ervaring die hij ondergaat koppelt aan een gedicht, levert ook deze ontmoeting poëzie op. Hij besluit tot dit boek.

In de brieven aan zijn ‘Bezitster van het Mooiste Sleutelbeen ter Wereld’ begint hij met de behandeling van een liefdeslied van Anneke Brassinga, waarbij hij verklaart waarom hij niet chronologisch te werk gaat, maar van de hak op de tak springt. Het gedicht ‘Code’ van Gerrit Achterberg leidt hem tot een bespiegeling over de kracht van de poëzie: woorden die ‘onder spanning’ staan. Aan zijn ‘Allerliefste trapoploopster’ licht hij, mede vanuit een aantal persoonlijke ontmoetingen met de dichter H.H. ter Balkt, een gedicht van hem toe over Wilhelmina die een glas water de trap opdraagt. De brief hierover geeft blijk van heel erg goede ‘close reading’: het staat er allemaal, maar je moet het lezen. Paul Snoek passeert de revue (‘Een zwemmer is een ruiter’), waarbij en passant een gedicht van Van Bastelaere wordt meegenomen. Sebastiene Postma komt langs met pijn in haar voeten. De beschouwing over het gedicht van Jan Kostwinder geeft Chrétien aanleiding wat anekdotisch materiaal over deze mij onbekende dichter toe te voegen, wat mij een grote nieuwsgierigheid oplevert naar ander werk van hem. Frans Budé en Herman De Coninck komen langs, terwijl aan de lieve ‘Veelbladige Kropsla’ Luuk Gruwez wordt gepresenteerd. Het meest geboeid was ik door zijn beschouwingen over Paul van Ostaijen, Lucebert en Hans Faverey. Deze laatste – door sommigen als mystiek hermetisch dichter gezien – wordt door Chrétien Breukers verrassend toegankelijk. Dat brengt mij er toe nog eens werk van Hans Faverey te gaan lezen; lezen dan zoals Chrétien, wat er echt staat. Met een mooi hoofdstuk naar aanleiding van het gedicht ‘Willen’ van Jan G. Elburg eindigt dit leesboekje.

Ik zou elke poëzieliefhebber die oprecht geïnteresseerd is in het beter leren lezen, aanraden dit boek te kopen. Het is ook typisch zo’n boekje dat je cadeau kunt geven aan bijvoorbeeld je geliefde. Het kan ook voor leraren die de poëzie aan het hart gaat, fungeren als een blaasbalg waarmee de liefde tot de poëzie weer tot vlammen wordt aangeblazen. Het is ook een ontdekkingstocht. Zeer aanbevolen.

***
Chrétien Breukers (1965) is schrijver en redacteur. Hij debuteerde in 2014 met Een zoon van Limburg, een veelgeprezen debuut. Hij stelde, soms samen (met o.a. Dieuwertje Mertens), soms alleen bloemlezingen samen. Hij was tussen 2005 en 2015 redacteur van de weblog De Contrabas, waarover vooral Gerrit Komrij nogal enthousiast was.