Recensie van Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog! - Peter Janzen en Frans Oerlemans

‘O, ’t waar zoo schoon geweest, dat Lied van ’t Leven’

Peter Janzen en Frans Oerlemans
Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog!
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043222
€ 29,50
407 blz.

Vijf jaar na In dit gevreesd gemis (2012) van Bart Slijper verschijnt er weer een biografie van Willem Kloos, nu van de historicus Peter Janzen en de neerlandicus Frans Oerlemans. De ondertitel is een wanhoopskreet van Kloos in een brief (d.d. 20 oktober 1881) van hem aan Carel Vosmaer, waarin hij schrijft dat Jacques Perk zeer ziek is en waarin hij zich afvraagt of de dichter en zijn naaste familie dat wel beseffen: ‘Ik geloof echter dat de oudelui niet geheel weten, hoe erg het is, en hy zelf vermoedt er niets van. O God, waarom schynt de zon nog!’ (p. 63). De biografie opent met ‘Bij wijze van inleiding’. In kort bestek wordt Willem Kloos als psychiatrisch patiënt, alcoholist, armoedzaaier en ruziezoeker neergezet. De mistroostige foto van Kloos op de omslag, gemaakt door zijn financiële steun en toeverlaat Willem Witsen, bevestigt dit beeld. Ondanks deze problemen had Kloos vanaf 1885 een hoog aanzien in literaire kringen. Daar beschouwde men hem als een virtuoos dichter en een scherp criticus. Na deze korte inleiding is de toon van het boek gezet.

Structuur van het boek

De auteurs hebben deze biografie een heldere opbouw gegeven, wat de leesbaarheid bevordert. Daarbij bevat ze een schat aan authentiek fotomateriaal, dat hoofdzakelijk op de linker pagina’s is afgebeeld en deze pagina’s geheel vult. De foto’s ondersteunen de tekst en zijn met zorg geselecteerd. Het boek bevat niet alleen portretten van de dichter zelf, van familieleden en literaire vrienden, maar ook foto’s van locaties waar Kloos geweest is en van opmerkelijke documenten, zoals drukproeven, boekomslagen, brieven, schoolrapporten en kattenbelletjes. De korte hoofdstukken – elk hoofdstuk omvat een klein tijdvak van een of enkele jaren – zijn onderverdeeld in korte paragrafen met titels, die de kenner van het leven van Kloos direct kan plaatsen. Meestal is zo’n bovenschrift een naam van een persoon, een locatie of de titel van een gedicht. De lezer die voor het eerst kennismaakt met deze voorman van de Tachtigers, kan stapsgewijs de wereld van Kloos veroveren. De auteurs bouwen hun biografie zo zorgvuldig op dat voorkomen wordt dat de lezer naast allerlei feiten en wetenswaardigheden verstrikt raakt in Kloos’ wispelturige standpunten en opvattingen. In de leefwereld van Kloos werden vrienden gemakkelijk vijanden of anderen die hij bekritiseerde van het ene op het andere moment personen die hij bewonderde.

Natuurlijk is dit boek, dat op authentieke brieven, dagboeken en aantekeningen gebaseerd is, niet alleen een biografie van Kloos, maar omdat de auteurs aandacht hebben voor de literaire kringen waarin hij verkeerde, is het bovendien een kleine literatuurgeschiedenis van de Beweging van Tachtig. Met name de ontwikkeling van het tijdschrift De Nieuwe Gids en alle redactionele, literaire en financiële perikelen daaromheen krijgen een prominente plaats in het boek. 

Inhoudelijke aspecten

Beide biografen zijn voorzichtig met het koppelen van feiten uit het leven van Kloos aan de inhoud van de gedichten, zeker wanneer het gaat om Kloos’ wankele verliefdheden, zijn psychische en financiële problemen, zijn levensstijl en moeilijke karakter. Daarmee nemen ze afstand van te gemakkelijke interpretaties van Kloos’ poëzie vanuit zijn levensloop. In de loop van de vorige eeuw zijn heel wat van die dubieuze denkbeelden aan het papier toevertrouwd. Toch is deze biografie niet sturend, het boek biedt de lezer een open ruimte die daar in alle vrijheid mee aan de slag kan. Dat maakt het boek geschikt voor een breed publiek. Op rustige wijze, zonder het sensationele van de gebeurtenissen uit Kloos’ leven te accentueren, geven Janzen en Oerlemans de feiten aan de hand van bronteksten weer. Enkele voorbeelden. 

De ontmoeting van Kloos met Jacques Perk, hun reis naar de Ardennen en de hechte, maar kortdurende vriendschap die daaruit voortkomt, presenteren de auteurs aan de hand van reisbeschrijvingen en brieffragmenten. Het zijn met name de langere citaten die het boek een eigen sfeer geven. Je krijgt als lezer inzicht in de literaire wereld van de late negentiende eeuw, waar aan de ene kant tussen literatoren allerlei formele omgangsvormen gebezigd werden en aan de andere kant de kritiek van de schrijvers op elkaar niet mals was. De grens tussen het werk van een auteur en de persoon van de auteur zelf was soms flinterdun, maar bij Kloos leidde dat niet tot gewetensbezwaren om deze te overschrijden. Bijzonder blijft zijn schrijven aan Vosmaer na het condoleancebezoek aan de familie Perk d.d. 3 november 1881, waarin hij subtiel de uitgave van de gedichten van Perk naar zich toetrekt, hoewel de vriendschap met Perk verbroken was. Een fragment (p. 65):

Men spreekt erover zijn gedichten uit te geven. […] Die uitgave is altijd een van zijn pia vota geweest, die ik nu zoo gaarne als een laatste liefdesdienst, zou vervuld hebben. […] Hyzelf heeft zich over de zaak in het geheel niet geuit, maar ik weet, dat hij ze ’t liefste in mijn handen zou zien.

Uiteindelijk zijn er drie personen bij de uitgave betrokken. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: ‘De dominee [de vader van Jacques Perk. HM] meende dat hij de zaak in handen van Vosmaer had gegeven, Vosmaer wilde de uitgave samenstellen met de hulp van Kloos, maar Kloos wilde eigenlijk alles alleen doen.’ Het is een korte, maar rake typering van deze egocentrische karaktertrek van Kloos.

‘Het Boek van Kind en God. Een Passie-spel’ dat de kern vormt van 29 gedichten en dat onder andere de breuk tussen de vriendschap van Kloos met Verwey als onderwerp heeft, komt uitvoerig aan bod. Enkele sonnetten uit de reeks zijn volledig in de biografie opgenomen. Terecht, ze behoren tot de mooiste die hij geschreven heeft, zeker het openingsgedicht ‘Kind en God’ en het afsluitende, bekende sonnet ‘Van de Zee’, dat niet diepgaand geanalyseerd wordt. Integendeel, een interpreterende ontleding blijft achterwege, gelukkig maar: ze zou niet passen in deze biografie. Wel mag je als lezer meedeinen op de golven van de alexandrijnen (p. 167):

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
      De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning, 
      Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.

De vriendschap tussen Kloos en Verwey ontaardt na de breuk in een manipulerende wraakoefening van Kloos. Dat roept bij mij vraag op of Kloos wel zuiver op de graat was. Aan de ene kant is de kwestie pikant, omdat de rijke en aantrekkelijke Kitty van Vloten, de geliefde van Albert Verwey, ook bemind werd door anderen uit literaire kringen, waaronder Willem Kloos zoals Van Deyssel in een brief aan Frans Erens beweert. Dat bevorderde de vriendschap tussen Kloos en Verwey niet. Aan de andere kant is de zaak geruchtmakend, omdat Kloos wil voorkomen dat Verwey het secretariaat van De Nieuwe Gids definitief overneemt – hij is er financieel afhankelijk van! – en daarom van zijn mederedacteuren eist dat ze zich uitspreken voor Verwey of voor hem. Het merendeel van de redactie kiest om uiteenlopende redenen voor Kloos. Ondertussen blijft deze doorgaan met de strijd tegen Verwey met als dieptepunt het volledig afbranden van de uitgave van zijn Verzamelde gedichten (1889) in De Nieuwe Gids. Volgens de auteurs heeft ongetwijfeld jaloezie een rol gespeeld bij Kloos’ meedogenloze kritiek op zijn vroegere protegé, omdat zijn eigen poëzie die tot dan toe in tijdschriften was verschenen nog steeds op bundeling wachtte. In 1889 verschenen er toch weer vier sonnetten van Verwey in De Nieuwe Gids, de kou leek uit de lucht, maar Verwey had de redactie van De Nieuwe Gids verlaten.  

De Nieuwe Gids heeft een bredere opzet dan alleen een literair tijdschrift. Er is bijvoorbeeld aandacht voor binnenlandse politieke ontwikkelingen. Frank van der Goes was betrokken bij socialistische beweging. Hij leverde geregeld politieke teksten voor het tijdschrift. Progressief-liberale standpunten als kiesrechtuitbreiding, de schoolstrijd en de grondwetsherziening waren actuele onderwerpen in de jaren 1885-1888. Het hoofdstuk ‘Politiek en literair rumoer 1890-1892’ laat zien dat deze biografie ook een tijdsbeeld geeft van de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw.

Het twaalfde hoofdstuk gaat over Kloos’ drankverslaving en de analyse van dr. Jelgersma, zijn voortdurende geldtekorten, zijn zelfmoordpoging, zijn opnames in het Wilhelmina gasthuis en later in een Utrechtse kliniek, waar hij elektrotherapie onderging. Tijdens zijn verblijf correspondeerde hij met auteur-arts-psychiater Frederik van Eeden, die hem bezocht en later in zijn huis in Bussum opnam. Het laatste gedeelte van de biografie gaat in zijn verliefdheid op de jonge Lucie Broedelet, zijn Haagse jaren (1898-1900) en de moeizame instandhouding van De Nieuwe Gids in de periode 1900-1938. Bij de ontvangst van een hoge Belgische onderscheiding, had hij blijkbaar de behoefte het beeld dat velen van hem hadden in zijn dankwoord bij te stellen (p. 330-331):

‘Mijn heele leven heb ik moeten hooren dat ik niet werk en dat ik altijd maar wat deed, in plaats van mijn best te doen. En toch staan de feiten zóó […]: ik heb meer geschreven, en zelfs meer boeken in het licht gezonden dan allen, die zoo spraken of schreven. Maar toch zei men vroeger maar aldoor dat ik luierde, en mijn genoegen op andere wijze zocht.’

Het zestiende en laatste hoofdstuk ‘God-op-aard’ geeft een overzicht met boeiende citaten van de blijken van waardering en de kritiek die Kloos aan het einde van zijn leven ontving. Zijn zeventigste verjaardag in 1929 staat daarin centraal. Met de paragraaf ‘De laatste dag van maart’ – 31 maart 1938 is zijn sterfdag – eindigt deze levensbeschrijving van Willem Kloos.

Tot slot

In het ‘Nawoord’ wijzen de auteurs erop dat men op grond van allerlei bronnen gemakkelijk verleid kan worden ‘tot smakelijke uitspraken over zijn exuberante gedrag’. Ze vermelden dat Kloos door zijn generatiegenoten gezien werd als ‘de grootste dichter van zijn tijd’. Dit ‘Nawoord’ is een fraaie samenvatting van zijn gecompliceerde persoonlijkheid en zijn stroeve omgang met vrienden en schrijvers. De auteurs benoemen zijn problematiek op moderne wijze: het ‘borderlinesyndroom’. In het tweede gedeelte van het ‘Nawoord’ gaan zij in op Kloos’ seksuele geaardheid, zijn moeizame relaties met zijn ‘verloofdes’ en zijn ‘vermeende ongelukkige jeugd’. Als lezer kun je ook goed eerst dit nawoord lezen en dan vooraan in het boek beginnen, het ‘Nawoord’ fungeert dan als leidraad. Willem Kloos [1859-1938] O God, waarom schynt de zon nog! is een rijke, geslaagde biografie van een dichter-criticus, die een bewogen leven leed, richting gaf aan de ontwikkeling van de letteren, een aantal prachtige gedichten schreef en uiteindelijk aan het eind van zijn leven alom gewaardeerd werd. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: hij werd ‘als een ‘dichter des vaderlands’ avant la lettre op het schild gehesen en met ridderorders omhangen. Zijn status was legendarisch.’ (p. 344)

***
De auteurs Peter Janzen (historicus ) en Frans Oerlemans (neerlandicus) zijn in 2013 beiden bij Marita Mathijsen (UvA) gepromoveerd op het proefschrift De Amsterdamse jaren van Willem Kloos. Beiden hebben een deel van het leven en werk van Kloos onderzocht, Peter Janzen de jaren 1859-1888, Frans Oerlemans de periode 1888-1900. In de vorm van artikelen is veel van het onderzoeksmateriaal vanaf 1998 gepubliceerd in het tijdschrift De Parelduiker. Janzen en Frans Oerlemans schreven ook het nawoord bij de heruitgave van Kloos’ Verzen (Uitgeverij Vantilt 2017), die gelijktijdig met deze biografie verscheen.