Recensie van Wildcamera - Martin Reints

Voorspellingen voor een onsterfelijke

Martin Reints
Wildcamera
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023454694
€ 18,99
64 blz.

Het gebeurt mij niet vaak dat een dichtbundel mij zo fascineert dat ik hem wel uit het hoofd zou willen leren. Ik schrijf met nadruk leren, omdat hij zoveel gezichtspunten biedt die je aan de gedichten zelf kunt toetsen. Wildcamera van Martin Reints gaat hoofdzakelijk over waarneming, en over de manier waarop wij waarnemen, of juist niet. Er zijn zoveel gedichten en wat hij beschouwingen noemt die over waarnemen gaan, dat het de manier waarop je de gedichten leest, ook als ze er niet met name over gaan, beïnvloedt. Het geheel is meer dan de som der delen. Maar die delen mogen er zijn! Mocht ik de suggestie hebben gewekt dat het een rond het thema waarneming geconstrueerde bundel is, dan wil ik dat hierbij weerleggen. Het lijkt een bijna vanzelfsprekende manier van bestaan die vorm heeft gekregen in deze bundel; het heeft meer te maken, lijkt mij, met een levenswijze, dan met een gekozen thema. Hier is iemand aan het woord die ‘open’ in het leven staat, met aandacht voor zowel buiten- als binnenwereld. Het blijft, hoewel de meeste gedichten over alledaagse zaken gaan, of misschien wel juist daardoor, betoverende poëzie. Ook de prozastukken, of ze nou over het ‘Iepenloftspul’, ‘IJsberen’, of over ‘Ons apenbrein’ gaan. Dat laatste, dat je, evenals de andere ‘verhalen’, misschien beter een essay kunt noemen, is niet alleen verhelderend wat betreft de poëzie van Martin Reints, maar maakt ook helder hoe, in zijn optiek, anderen de werkelijkheid in kijken.

Is het mogelijk om een complete dichtbundel aan de hand van één enkel gedicht te recenseren, zonder de dichter (en de uitgever) tekort te doen? Dat was wat ik wilde proberen, omdat Martin Reints daartoe een fascinerende mogelijkheid bood. Dat komt door de omslag. Zodra ik de bundel Wildcamera in handen had was ik daar door gefascineerd. Ik bleef het boek om- en omkeren, en nooit eerder vond ik de barcode op de achterkant meer misplaatst dan hier. Dat de titel en de naam van de dichter op de zijkant zijn afgedrukt, stoort niet alleen, maar maakt een deel van de foto ‘moeilijk leesbaar’. Gelukkig is de voorkant redelijk intact gebleven, die lees je door naam en titel heen, en zelfs door het onderschrift: gedichten en beschouwingen. De indruk van de foto, die in zijn geheel op de omslag is afgedrukt, was zo sterk, dat ik mij er gedurende de lezing van welk gedicht in deze bundel dan ook, niet van los kon maken. Het bleef maar door mijn hoofd spoken wat de band was met de teksten. Totdat ik het gedicht ‘De grootmoeders van Miwa Yanagi’ las:

Een oude vrouw, onderuit op een luie stoel
die haar vermoeide hoofd ondersteunt met een hand
die een vergrootglas vasthoudt.

De sieraden en de soepele kleding wijzen op oude rijkdom.
Zijde.

En een jong meisje, dat haar arm uitstrekt
en haar hand in de hand van de oude vrouw legt.

De vrouw kijkt het meisje in de ogen,
het meisje kijkt naar haar hand.
Met haar vrije hand houdt zij een plooi van haar rok vast.

Op de achtergrond een viskom.
Een papegaai in een grote bamboekooi.
Een plank aan de muur waarop een blauw plastic skelet
dat de dood voorstelt.

In en buiten het vertrek de vriendinnetjes:
zitten, staan, hurken, kijken naar het meisje en de oude vrouw
of in de verte.

De scène is geënsceneerd door Miwa Yanagi.

De oude waarzegster is zelf ook een jong meisje,
maar ze is opgemaakt en gefotoshopt:
de ouderdom is onecht en de pose geposeerd.

Ze heet Ai
en dit is de toekomst die ze zich voorstelt.

Het bijschrift is een monoloog:

Achter mijn rug wordt geroddeld
dat ik de kinderen bedrieg met mijn waarzeggerij.
Het gaat me niet om hun zakgeld. Zo wanhopig of verveeld ben ik niet.
Ik zit alleen maar op een bepaalde klant te wachten – mijn opvolgster.
Omdat zij niet hecht aan het verleden of angst heeft voor de toekomst,
denk ik dat ze op een dag binnenkomt door de vervallen deur.
Als ze mijn plaats heeft ingenomen vind ik rust, verlost van hoop en spijt.

Hoeveel saaie levens moet ik nog voorspellen?
Ik heb te doen met deze onschuldige meisjes.
Hun levens zullen net zo lopen als die van hun moeders.
Eentonige verveling onderbroken door teleurstelling en ontgoocheling.
Niet te geloven dat ze hier komen om dat te laten bevestigen. Ik heb genoeg
van hun meisjesgeheimen, hun vluchtige verwachtingen en goedkope dromen.
Nog vijf klanten vandaag, dan hou ik op.
O, dit meisje begint bijna te huilen.
Kindje er is geen reden voor tranen.

De jonge Ai verbeeldt zich dat ze
vijftig jaar ouder en na een leven vol hoop en spijt,
aan kinderen hun onbeduidende en treurige levens moet voorspellen.
Een melancholieke en cynische droom,
maar met het visioen dat haar opvolgster haar komt bevrijden.

De grootmoeders van Yanagi: meisjes die spelen dat zij oud zijn,
en wat ze spelen zijn ze zelf.

Yuka,
een oude grootmoeder met roodgeverfd haar,
gillend van plezier in de zijspan van een motor
die wordt bestuurd door een snelle jongen met een zonnebril:
Mijn tanden? Een aandenken aan de jackpot die ik vorig jaar in Las Vegas won.

Mika,
in een lang wit gewaad op een rotseiland omspoeld door de zee,
met pootjebadende jonge vrouwen om zich heen:
Er zijn al tien jaar verstreken sinds jullie, mijn vroegere studenten
en ik op dit eiland aankwamen.
Is dit de laatste plaats op aarde?
Zijn er geen andere overlevenden?

Ayumi,
op een bed in een opgeruimde kamer, onder een rood laken,
haar ogen gesloten:
“Naast haar liggen terwijl zij slaapt lijkt mij mooi,
maar kan ik haar eens ontmoeten als zij wakker is?”
“Ze kan niet wakker worden, meneer.
Want Grootmoeder is de Schone Slaapster.”

Beelden van de toekomst, maar beelden van het heden.

Het gedicht zelf maakt de foto op de omslag compleet zichtbaar, en net zoals je naar de foto kunt blijven kijken, zonder dat het je verveelt, kun je het gedicht van Reints blijven lezen, zonder dat je precies kunt duiden wat er nou zo fascinerend aan is. De beschrijving van een kunstwerk van Miwa Yanagi, dat is alles. Maar als je veel gedichten gelezen hebt die aan de hand van kunstwerken of foto’s zijn gemaakt, dan besef je hoe moeilijk dat blijkbaar is, en hoe vaak gedoemd om te mislukken. Met het beschrijven van wat je ziet, kom je er niet. Dat is meteen het fascinerende van de poëzie van Reints: ze is helder, er staat geen vreemd woord in, de taal zelf is geen doelwit, maar ze neemt je wel mee naar ‘elders’. Had het woord ‘vervoering’ niet zo’n zware lading, dan zou ik dat voor de werking van deze poëzie gebruiken, want dat is wat zij doet: ze voert je ergens heen waar je niet eerder was. Dat is wat alle echte kunst doet. In de eenvoud toont zich de meester.

In de gedichten en beschouwingen die afzonderlijke en autonome delen zijn, vind je telkens verwijzingen naar gedichten of beschouwingen die je al gelezen hebt of nog lezen gaat. De bundel Wildcamera is een complete en vrij complexe handleiding, niet alleen tot het lezen van de poëzie van Martin Reints, maar tot het lezen van kunst in het algemeen. Niet voor niets gaan veel teksten over kunstenaars. In ‘Ons apenbrein’ verwees hij naar de schilderijen van Peter B. van Houten, aan wie hij later het gedicht wijdt: ‘Het langzame kijken van Peter B. van Houten'; hij stapt ‘Aan boord bij Emo Verkerk’, is opnieuw ‘Aan boord met de Sineese fersen van Obe Postma’, wat voor de verandering een dichter is, één van de grootste Friese dichters (1868 – 1963). Alles wat Reints aanhaalt getuigt van zijn grote fascinatie met het kijken naar de werkelijkheid, gaat over wat wij waarnemen, ervaren; en wat er aan onze persoonlijke werkelijkheid ontsnapt. Impliciet maakt Reints iets duidelijk over de functie van kunst: het scheppen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, één die we nog niet kenden, al was hij er altijd al.

Futiliteiten zijn in deze gedichten geen futiliteiten meer, maar zeggen iets over een groter geheel, of over de menselijke conditie. Het gedicht ‘Twee regisseurs zijn op bezoek bij een dramaturg’ begint zo: ‘De dramaturg opent het gesprek. / Met welke vraag in gedachten begin je een tekst te lezen? // Dan gaat hij een kurkentrekker zoeken/’. De rest van het gedicht gaat alleen daar over. Hij blijft hem kwijt, de kurkentrekker. Het is een humoristisch gedicht, het is uiterst herkenbaar, het vertelt iets over de menselijke staat, en het confronteert mij persoonlijk met de vraag, met welke verwachting(en) ik de bundel Wildcamera begon te lezen. Geen idee meer. De gedichten en beschouwingen zijn ervoor in de plaats gekomen. Ik heb antwoorden gekregen die ik niet zocht, maar misschien nog wel meer vragen: wat anders is de reden dat ik de gedichten kan blijven lezen, als ligt er buiten de regels iets dat ik niet kan vatten? Maar misschien is het juist dat ongrijpbare dat Martin Reints in herinnering brengt, dat mij een gevoel van tevredenheid geeft, van voldoening zelfs. Veel zogenaamde poëzie laat je met een leeg gevoel achter, maar deze bundel ervaar ik als voedend.  Ik heb er, dat mag duidelijk zijn, van gesmuld.