Recensie van de tuimelaar - Harry M.P. van de Vijfeijke

De dichter als chroniqueur van zijn eigen private leven

Harry M.P. van de Vijfeijke
de tuimelaar
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411211
€ 15,00
88 blz.

Er lopen honderden dichters in Nederland rond die verdienstelijk hun vak verstaan, maar nooit echt zijn doorgebroken. Harry M.P. van de Vijfeijke is een van hen. Zijn eerste bundels (1986, 1996) bracht hij in eigen beheer uit. de tuimelaar is zijn zevende bundel, en zijn derde bundel bij uitgeverij Kontrast.
De eerste afdeling, ‘Gewricht’, gaat zeer nadrukkelijk over het dichten. In acht van de twintig gedichten komt het woord ‘gedicht’ zelfs letterlijk voor. De dichter bevindt zich in de natuur, doet wat observaties op een terras, en dan ‘het gedicht een vlakte van stilte en fluweelplezier’, ‘laat het uitzicht over / aan de draai van het gedicht’. En in de andere gedichten is het ‘wachten op wat woorden’, ‘tekent grimmig wat aan’ tot een slotregel als ‘Zijn eigen woorden staren hem zigzaggend aan.’ Een strengere redacteur had hem hiervoor kunnen behoeden. Nu stelt de dichter zelf: ‘Het is daarom dat ik mij onttrek, / het teveel aan bet- en best- en beterweters, / op zoek naar het vrijwarende vertrek.’ Maar ondertussen werd wel een recensie-exemplaar verstuurd. De titel van de bundel vinden we terug in ‘Kleine dichter, grote tuimelaar, / in de woede van verstrijken en heelal.’ De dichter als een poppetje dat na elke val vanzelf weer rechtop gaat staan. De titel van de bundel wordt daarbij nadrukkelijk zonder hoofdletter geschreven.
In ‘Genadeslag’ zijn gedichten over wonen en leven in Nijmegen en andere steden bijeengebracht. Herinneringen aan de Stevenstoren, Café de Kersenboom, Mariken en aan de Waagh: ‘Ik schrijf mij nog altijd / uit mijn evenwicht, nu op het Waaghterras, / in goeden doen, maar voor een klein gehoor / en goeddeels uitverteld.’
‘Bekkendans’ handelt over liefde en familie. Incidenteel treffen we een verwijzing naar ander werk aan: ‘Magnolia, wat bloeit mij aan, ik barst / bij het zien van zoveel borsten, billen uit elkaar.’ Een ander liefdesgedicht eindigt nogal woordspelig: ‘De dennen sparren met elkaar, ze geuren zacht. / Het zijn dagen dat een leven glimt en lacht. / Tij, herverwacht.’
‘Melkverzen’ bevat veel jeugdherinneringen, waarin de vader een belangrijke rol speelt. Het is de meest geslaagde afdeling van de bundel. ‘Aan de schoft van koe en paard / mijn vaders hand, was aan de lijn / geblokt, geruit, droog waaiend / naar mijn moeders mand.’ Daarnaast kijkt hij terug op zijn leven: ‘Nu wijs ik laat en droef en geestig naar het oude lijf.’ De dichter lijkt hier zowel op zijn overleden vader te doelen, als op zichzelf, op een leeftijd waarin hij in zichzelf steeds meer zijn vader herkent: ‘De wijsgeer heeft gelijk, mijn dode vader / leeft. Zijn stekelhaar staat eeuwig overeind, / manchester bolt ter hoogte van zijn knieën.’
Op de flaptekst van Het heeft verband (2001) schreef Victor Vroomkoning: ‘De dichter is de chroniqueur van zijn eigen private leven in een klein gehouden wereld.’ Deze kenschets is onverkort van toepassing op de huidige bundel.

Na het voltooien van deze korte bespreking, las ik min of meer bij toeval de toespraak die Victor Vroomkoning hield bij de presentatie van ‘de tuimelaar’. Vroomkoning was heel wat minder kritisch dan ondergetekende in bovenstaand relaas. Dat laat nog maar eens zien, dat er veel verschillende manieren zijn om naar poëzie te kijken, zelfs wanneer het om dezelfde gedichten gaat. U zult misschien zeggen: nogal logisch dat Vroomkoning zoveel positiever is, gezien de gelegenheid waarbij hij sprak. Interessant is echter, dat hij een aantal eendere voorbeelden aanhaalt, om tot een geheel andere interpretatie te komen. Ik geef deze hier onverkort weer:

“De gedichten in de eerste afdeling (‘Gewricht’) laten zien hoe de dichter werkt, hoe hij verlangt naar het proces, hoe hij toebereidselen treft, zoals een schilder voor zijn ezel waarop het lege doek prijkt. We bevinden ons in de smidse van de dichter, de plaats waar zijn poëzie tot stand komt, en dat is ín het gedicht zelf, het is zowel een handleiding tot het maken van gedichten als het tot stand komen daarvan. ‘Kijk, lezer; lees, kijker, zo gaat dat bij mij er aan toe’, laat de dichter vermoeden. De gedichten zijn in hun opbouw bijna zonder uitzondering aan elkaar gelijk: ze beginnen met de bedoeling een vers te maken en eindigen met regels die het gedicht opleveren, létterlijk. Het gedicht is dan afgerond. Van de Vijfeijke is –hij noemt het zelf ook zo– verzenmelker; hij trekt de stad in, het land in, de polder, de natuur en wacht tot het gedicht komt, en het er staat. Ik laat u een aantal van de slotregels horen: 
- en dan/ het langverwachte openslaan van het gelaagd papier (…), het gedicht een vlakte van stilte en fluweelplezier.– De oefening, de opdracht,/ en in het wringen het gedicht.– leve het gedicht. — Na een dag van wachten op wat woorden / klinkt er een gedicht,– En elk kladvel schrijf ik tot / de boorden vol.– laat het uitzicht over / aan de draai van het gedicht.– gedichten als krullen van verslag — Het redden voorbij, de poëzie zal je leren.”

“In de tweede afdeling van de bundel, ‘Genadeslag’, vinden we Van de Vijfeijke terug als chroniqueur van het leven, in het bijzonder dat van de mens, lees: de dichter, lees hemzelf in Nijmegen en verre omgeving. Café De Kersenboom, de Stevenstoren, de Waagh, Mariken , de Hezel en de Lange Hezel passeren maar ook wat buiten de stad ligt.  
Je ziet hem zitten achter transparante gevels: kijk, daar zit een dichter, hij ziet ons, en weet dat men hem ziet en gaat er dan eens goed voor zitten. Begrijp me niet verkeerd: deze dichter is oprecht in wat hij nastreeft: een dichter te zijn met de blik op het eindige. Ik mocht laatst een paar uur met hem verkeren, en het is frappant hoeveel cafés hij van binnen kent en welke uitzichten vanuit dat café. ‘Je kunt daar goed zitten’, zegt hij’, ‘daar aan het raam’; hij bedoelt met zitten: schrijven of wachten op het moment dat hij, Harry Van de Vijfeijke, transformeert tot Harry M. P. van de Vijfeijke, van burgerman tot dichter.”

“In de afdeling ‘Bekkendans’ is Van de Vijfeijke lyrischer, ook zachter, lichter, milder dan in de andere afdelingen maar toch weer ingehouden. (…) Hij tipt aan in mooie metaforen, bijvoorbeeld dat bomen het met elkaar doen: ‘De dennen sparren met elkaar, ze geuren zacht’. Of twee katten: ‘de vrouw spinnend als een voorjaarskat. / Hij kater, goedgevlekt, de sprong zijn habitat.’“

Wie er gelijk heeft, of de waarheid in het midden ligt, of er in dit geval überhaupt zoiets als waarheid bestaat: ik laat het graag aan de lezer over.