Gedichten

door Annette Akkerman (1962)
Annette Akkerman (Maarssen, 1962) chemicus, schrijft gedichten, haiku’s en korte verhalen sinds 2015. Ze heeft enkele prijzen gewonnen waaronder de Baarnse literatuurprijs 2015, Gorinchemse literatuurprijs 2017, Dichter op Hofwijck (2015) en Kunst van Komrij prijs (2017). Haar werk is gepubliceerd in een reeks van bloemlezingen, bundels en tijdschriften. Enkele haiku’s zijn uitgezonden door de Japanse NHK.
Haar gedichten zijn vaak een verslaglegging van de verhalen in haar hoofd in interactie met de wereld om haar heen.
 
verwachting

het is een dag dat de kraaien karkassen eisen
er verschrompelde wortels in de groentelade
van mijn verder lege koelkast liggen, de nieuwslezer
betrapt wordt op het vertellen van zijn eigen verhaal

het is een dag dat ik me verbaas over de namen
van rijnaken – Vertrouwen, Verandering en Verwisseling
alleen het schip van de gebroeders Buijs heet Verwachting
terwijl de boot toch steeds tussen eendere havens vaart

het is een dag dat mijn tandenborstel rood ziet
bloed – parodontitis – dan verwacht je toch
dat over vijf jaar de tanden uit je mond zullen vallen
misschien wel net op de dag dat ik ga trouwen

het is een dag dat ik appeltaart bak met wortels
zo droog dat ze alle zoete kaneelstroop opslurpen
ik denk aan mijn langzaam blootvallende tandwortels
en een schip dat heen en weer vaart naar nergens

zoals je adem steeds maar weer dezelfde weg zoekt
en dan zomaar op een dag stokt – je weet niet wanneer
of wat de nieuwslezer bezield heeft op deze dag
en of het nog nut heeft een tandarts te bezoeken

Met dit gedicht haalde Annette een gedeelde 3e/4e plaats in de zesde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

een scherf van de tijd

ze ziet: er is een scherf van het kopje
met de rozen, het schoteltje gesneuveld
tijdens de vaat of gewoon bij een ruzie
alles wat van waarde is lijkt breekbaar
het verschil tussen teer en teder zijn

hij zegt: je hoeft geen moeilijke zinnen
te gebruiken – en toont dat je van ver
kunt zien waar een regenbui valt
een blauwgrijs vierkant onder een wolk
ze is opgelucht als ze zijn woorden herkent

ze vraagt: doe ik het goed – hij lacht
haar uit of toe – ondanks de zon vallen
hagelstenen die nog lang blijven liggen
in de ondiepe kuiltjes van het mulle zand
cellulitis, denkt ze, en verdringt de gedachte

hij verwijt: je klemt je vast aan de boom
ze merkt dat er zich al een laagje kurk vormt
tussen het blad en de twijg – en belooft
zichzelf het korset niet langer te dragen
te verkleuren en los te laten

ze voelt: ze is de dwaasheid te ver voorbij
slagbomen zijn neergelaten en er rest
alleen nog wat gebroken is en nooit zal helen
nog steeds koestert ze het kopje met de rozen
en weet zich een scherf van de tijd