Recensie van Ik is niet 1 - Jan Baeke e.a. (samenstelling en redactie)

Ik dacht mijzelf te zijn

Jan Baeke e.a. (samenstelling en redactie)
Ik is niet 1
Uitgever: Stichting Poetry International
2017
ISBN 9789072546357
€ 9,50
91 blz.

Het ‘ik’, het centrale thema van Poetry international, wordt nader uitgewerkt in Ik is niet 1, een boeiende bundel met korte essays, gedichten en beeldende kunst. De bundel is samengesteld door Jan Baeke, Bas Kwakman, Katja Nootenboom, Feline Streekstra en Nina Swaep. De titel van de bundel verwijst naar het gedicht van Marianne Morris (Canada / Verenigd Koninkrijk, 1981), vertaald door Evi Hoste. Ze laat zien dat een onveranderlijk ‘ik’ niet bestaat: ‘Ik is wat vaststaat en voortdurend wordt ontkracht.’ Het is een constructie: ‘Ik is wat ik kende, wat ik tot een verhaal vervlocht, dat waarop / ik grondde’. Heel mooi is dat ze deze uitspraak direct weer op losse  schroeven zet, door hem in de ik-vorm te schrijven. En heel raak is de volgende: ‘Ik is een kudde die golvend voortbeweegt, zacht gegrom uit / duizend kelen, richtingwijzers, doelmatige groepsactiviteiten.’ De paradox van het en masse najagen van persoonlijke uniciteit, waarvan op die manier niets overblijft; of het verschijnsel van de ambitieuze manager die alle creativiteit binnen zijn organisatie effectief de kop indrukt door op hardhandige wijze ‘alle neuzen dezelfde kant op’ te dwingen, op weg naar ‘een punt op de horizon’. Enfin, vul de rest zelf maar in.

Bas Kwakman gaat in zijn inleidende essay ‘Socle du monde’ in op het vermogen van poëzie ‘om de boel te kantelen’. Dat is onder andere van belang omdat we gewend zijn vanuit een veilig ik te denken, onszelf te zien als het middelpunt van de wereld. Hij geeft een vermakelijk voorbeeld: ‘Niet de feiten, zelfs niet de alternatieve feiten, maar de ego-feiten tellen. De Gooise zanger Joling memoreerde bij de dood van Prince: ‘ik weet nog heel goed hoe hij een keer bij een concert van mij kwam kijken.” Jan Baeke stelt aan het eind van zijn essay ‘We are such stuff as dreams are made on’ twee vragen: de eerste is actueel, prangend: ‘Is het ik dan uiteindelijk toch in essentie een paspoort tot de sociale structuur waar we ons bij thuis voelen?’ Je zou het wel zeggen als je naar Facebook of Instagram kijkt: het maken van een passend ik is een gangbare praktijk. De tweede vraag is minstens zo boeiend: ‘En is het ik verder een vergankelijk zelfbeeld waarmee we de illusie van onszelf gestalte geven?’ Shakespeare had daar al een antwoord op. Baeke citeert Act 4, scène 1 uit The Tempest, eindigend met die prachtige, overbekende regels: ‘We are such stuff / As dreams are made on; and our little life / Is rounded with a sleep.’

Alle dichters behandelen het ik op hun eigen wijze en datzelfde geldt voor de beeldend kunstenaars C. A. Wertheim, Jan van Munster, Toine Horvers, Wouter Venema en Georg Bohle. Voor dichter Mischa Andriessen lijkt poëzie een manier om het ik  te reduceren. Zijn gedicht ‘Daena’ heeft een citaat van Georgio Agamben als motto: ‘ Men schrijft om onpersoonlijk te worden’; voor Mae Yway (Myanmar, 1991) is poëzie juist een manier om haar ik te realiseren: ‘Door hen ben ik hier … die regels!’

In haar humoristische en scherpzinnige essay ‘Het ik in het vertaalproces’ pleit Anneke Brassinga voor ‘ikloos vertalen’, wat niet betekent dat een vertaler zijn ervaring moet uitschakelen. Wel moet hij plaats maken voor het ik van de tekst: ‘De tekst moet hém overweldigen, hém kunnen binnendringen, zijn ik – tijdelijk – teniet doend.’ Hij staat niet in dienst van de lezer, het ‘ikkigste ik ter wereld’, die met de tekst kan doen wat hij wil, maar ‘vervult een eredienst aan de voleindiging van een taal die ooit bij de bouw van de toren van Babel uiteenviel, en ooit hersteld moet worden, in een onophoudelijk proces van synthese tussen bijvoorbeeld de woorden ‘Brot’ en ‘pain’: dat wat wij dagelijks eten en waarvoor in talloze talen woorden zijn ontstaan.’

Ik wil nog even stilstaan bij Antoinette Sisto . Zij vertaalde ‘Io credevo di essere io’ (‘Ik dacht mijzelf te zijn’) van Roberto Amato (Italië, 1953), een gedicht waarin ik haar eigen poëzie hoor klinken. Mogelijk was dit haar laatste vertaling: zij overleed op 3 juli jongstleden. Ik hoop dat zij deze bundel nog heeft gezien. Ik citeer zowel het oorspronkelijke gedicht als haar vertaling:

Io credevo di essere io
quando la notte mi dormivo accanto
(sul fianco destro par dare le spalle al mondo).
Mia madre non era ancora me
e neanche mio padre aveva mai pensato
che io potessi essere lui
(o viceversa).

Come vede dottore
la mia testa si è persa in questi limpidi
ragionamenti
ma anche la sua non la trovo nel bianco del colletto.
Forse la tiene sotto il camice
per paura che io possa prenderla per il naso
e magari scuoterla
e magari farla impazzire con un festoso
tintinnio di pensieri.

Ik dacht mijzelf te zijn
toen ik ’s nachts naast mij lag
(op mijn rechterzij keerde ik de wereld de rug toe).
Mijn moeder was mij nog niet
en zelfs mijn vader had er nog nooit aan gedacht
dat ik hem zou kunnen zijn
(of omgekeerd).

Ziet u, dokter
mijn hoofd duizelt van deze heldere
redeneringen
maar ook dat van u zie ik nergens tussen het wit van uw kraag.
Misschien houdt u hem verborgen onder uw doktersjas
uit angst dat ik hem bij de neus kan grijpen
en misschien heen en weer schudt
en misschien wel dol laat draaien met een feestelijk
klingelen van gedachten.

Antoinette was een talent- en gewetensvol vertaler die de volgende uitspraak van collega Bernlef ongetwijfeld onderschreef: ‘Het is als met een partituur. Je mag, moet zelfs, interpreteren, maar waar wordt interpretatie een eigen versie waarbij het origineel in het gedrang komt?’ (ik las hem bij Johan Reijmerink ).

Ik is niet 1 is de eerste uitgave van Poetry International, hopelijk het begin van een reeks.