Recensie van Wat het raadsel achterlaat - Guy Commerman

Spelen om te (over)leven

Guy Commerman
Wat het raadsel achterlaat
Uitgever: Kleinood & Grootzeer
2017
ISBN 9789076644820
€ 16
66 blz.

Guy Commerman is een stille dichter die hoge bergen heeft beklommen en in de vlakte steeds weer de nodige adem heeft gevonden om het woord behoedzaam los te laten. In de bundel De Himalaya uitvinden (1988) las ik de indrukwekkende reeks gedichten over 1945 – de dichter was toen zeven jaar oud – waarin hij toegaf dat zijn hart toen voor het eerst ‘stokoud’ (p. 11) werd. Maar kan een kind wel – heel even – stokoud zijn? Het kan, maar dat kind zal daarna altijd moeten spelen om te (over)leven. De dichter wilde niet op hoge bergtoppen vertroeven, hij ‘zag het licht / veel lager: / in het dal der eenvoud / de warmte omarmen.’ (p. 6) Spelen was opgaan in het existentiële zoeken naar de identiteit en de metafysische horizon aftasten, woorden zoeken en beelden scheppen: ‘Ik schrijf gedichten voor mezelf / en soms voor anderen ook: / de eerste worden gelezen, / de andere niet.’ (p. 30) In dat gedicht verwoordt het lyrische ik de angst die elke dichter overvalt: zal hij verder blijven drijven op het kalme water van de monoloog, of is er toch nog een andere ‘entartete’ dromer die het spel van de dialoog wil spelen? In het laatste gedicht typeert hij zijn spel als ‘onderweg zijn’. (p. 47) De dichter is al lang ‘onderweg’, en van zijn vele bundels heb ik alleen de Himalaya-bundel, Dan neem ik alles mee (2013), Getuigenis van zinnen (2015) en Wat het raadsel achterlaat gelezen.

Wat me tijdens de vele lezingen is opgevallen, is de evolutie in de vormgeving. De vormgeving van de gedichten is steeds belangrijker geworden, de thematiek is onveranderd gebleven. Commerman is een dichter die verwonderd in de wereld staat en wil staan, een dichter die de vanzelfsprekendheid van leven en sterven, van pijn en vreugde niet aanvaardt zonder deze aan zijn eigen ervaring te toetsen. Die toetsing leidt soms tot meer pijn, en een enkele keer ook tot beheerste vreugde. In Dan neem ik alles mee herinnert de dichter zich de onuitgesproken (h)erkenning van het samen-zijn met opa, het samenzweerderig zwijgen, maar hij weet ook dat ‘woorden kleven aan dode stenen / geheimen blijven verborgen leven / we vermoeden zelfs de tekens niet / die gedichten over de mens verwekten.’ (p. 68) Is dat spelen met woorden essentieel, en zijn het leven en de dood meer dan schijn: ‘een dode opa die nog heel even leefde  / of deed alsof en ik die deed alsof ik even dood was.’ (p. 22) Alsof is hier slechts een voegwoord, want het dood-zijn was echt, zelfs al was het geveinsd, het was een spel om te overleven en het geworpen-zijn te overwinnen. In Dan neem ik alles mee worden de beelden en gedachten steeds weergegeven in een kwatrijn, gevolgd door een terzet en een laatste versregel die het gedicht samenvat of het als antithese afrondt en nieuw spreken noodzakelijk maakt. De bundel was dan ook een inleiding tot Getuigenis van zinnen, een bundel waarin de gedichten minder gelijkvormig zijn, maar waarin assonantie en alliteratie belangrijke leestekens zijn die het ritme bepalen.

Zoals Roland Jooris laat Commerman zich soms verrassen door de natuur. In de bundel met de zintuiglijke gedichten lees ik: ‘Een gedicht leeft in een tuin, / hangt te rijmen in een kerselaar. / Soms valt het uit de toon / op aarde, gras en stilte.’ (p. 14) De tuin, de hortus conclusus, is een plaats waar de wereld zich openbaart: ‘In de tuin de wereld zien. / Niet verder willen gaan en ademen, / dronken van middaglicht. / De afstand meten naar een boterbloem.’  (p. 21) Die vorm van spel is niet alleen essentieel, dat spel is een inleiding tot het uit-de-wereld-treden en toch in-de-wereld-blijven. Guy Commerman speelt het existentiële spel soeverein en (bijna) genadeloos, ‘zoals wijsheid zich wentelt in erbarmen’. (p. 63) En dat erbarmen, vooral als leeshouding, is noodzakelijk, om met de dichter in gesprek te blijven, want hij schrijft zichzelf in de rand van het zoeken, waarin zijn stem onhoorbaar dreigt te worden. De lezer moet de oren spitsen en het spel van mee- en tegenspreken spelen, want ook lezen is een vorm van spelen om te (over)leven.

Op een ogenblik dat de wetenschap het essentiële en existentiële spreken overschreeuwt, durft Commerman het aan om over een raadsel te spreken. Dat veronderstelt moed en levenswijsheid, want onderzoekers houden ons het ontraadselen van het allerlaatste raadsel voor. Wat de mens is en waarom de mens is wat hij is, lijken vragen te zijn die heel binnenkort niet meer gesteld zullen worden. Maar is dat zo? Waarom kan de mens als redelijk wezen toch door emotie overmand worden en waarom speelt de mens het spel van de kunst? Waarom is de taal meer dan een middel om alledaagse gesprekken te voeren? Het antwoord zal niet uit een verdere ontrafeling van het DNA afgeleid worden. Waarom is de mens meer dan de spreekwoordelijke som van zijn samenstellende delen? Ook die vraag zal niet in laboratoria beantwoord worden. Het gedicht waarin de versregels in een kerselaar hangen te rijmen, kreeg in Getuigenis van zinnen de titel ‘Voorwaar een gedicht’, en krijgt in Wat het raadsel achterlaat de titel ‘Afgrond’. Hetzelfde gedicht krijgt op die manier een heel andere betekenis. Betekenis is niet statisch, betekenis is een gebeuren dat zich in ons voltrekt en zich ook aan ons opdringt zonder een actieve bemoeienis.

In het gedicht ‘Bestaan’ verwoordt Guy Commerman op een verfijnde manier wat betekenis betekent:

Ik weet niet wat woedt in mijn huis
welke suikers zoeten, welke bitterte
het galgenmaal voedt, welke weelde
wild om zich heen waaiert.

Het is zoiets als de oudheid vrezen, het heden
grijnzend, maar vertwijfeld omwikkelen.

Het is de adel van rust en aaien verlangen,
in een zonnestraal een knipoog  van god
herkennen, niet geloven in zijn bestaan
en toch de schepping begrijpen.

(p. 15)

De eerste versregel beklemtoont dat de dichter niet weet wat hem drijft – wat woedt – en versterkt de boodschap door de tegenstelling tussen de zoete suikers en de bitterte van het galgenmaal – het naderende einde? De alliteraties hebben eveneens een versterkend effect: weelde die weelderig waaiert, is sterker dan het zijn dat de dichter probeert te overschouwen.
De oudheid – de hoge ouderdom ? – vrezen en nog even grijnzen alvorens het stil(le) zijn te aanvaarden en naar een streling te verlangen vatten het niet-weten samen, en precies wanneer die rust intreedt, stijgt de dichter boven de existentie uit en ervaart hij zijn individuele metafysische be-leving, of zingeving. Lees samen met mij hoe hij een rebel portretteert: ‘Bescheiden vriend, die het onbekende / van hemel en aarde aanvaardt, / die ware woorden weet te kiezen, / die elke handpalm inpalmt. // Je spreekt zuinig, je oordeel is nooit hoger / dan het zomergras, elke rode pioen is een visioen. // Kom bange rebel, slinger van slaap naar hoop,  / verpak je verbazing, versnijd de lianen, zoek, / ontmoet jezelf en zeg me waar je woont.’ (p. 48) Met dat portret nodigt hij de lezer uit om uit de schaduw te treden en het gesprek aan te gaan. Het is geen gemakkelijk gesprek, wan het is een spel dat de diepte peilt en de breedte verbreedt, of zoals hij in Getuigenis van zinnen schreef: ‘Tussen bevallen bladeren zoeken / naar verloren zinnen. // Vindingrijk overleven.’ (p. 64) Merk op hoe spelenderwijs gevallen bevallen wordt en de geboorte de zingeving herbevestigt – de zingevende zinnen waren immers verloren. Zo wordt spelend het vindingrijke overleven ingeleid. De nieuwe bundel vertoont een grote samenhang met de vorige bundels door de verwijzing naar het licht, de bestendigheid van de seizoenen, het verlangen dat overal en altijd aanwezig is, de zoektocht naar de betekenis en het belang van het moment, of zoals Guy Commerman schreef: ‘Waarom zou ik verzen schrijven op sneeuw / die smelt, op aarde die droogstoppelig verzandt?’ (p. 59) Ik houd van woorden op of in de sneeuw, precies omdat het moment belangrijk is. Christian Dotremont heeft dat zo mooi aangetoond met zijn logoneiges, tekens in de sneeuw. De sneeuw mag smelten, ook de droogstoppelige aarde maakt deel uit van onze condition humaine , en dat weet Guy Commerman ook. Maar niet elk moment van creatief zijn wordt als zinvol ervaren op het ogenblik dat de hand registreert wat geest en lichaam tot een eenheid maakt. Wat het raadsel achterlaat is een intrigerende bundel, die het best tot zijn recht komt wanneer men ook Getuigenis van zinnen heeft gelezen. Wie het raadsel ontraadselbaar acht, sluit onbezonnen de weg naar betekenis af.