Gedichten

Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Rik Sprenkels (1988)

Au pair

Ik draag een oneven aantal dienbladen naar buiten.
Ze druipen noodlottig
dwars door het grint.
Een regenworm boogiewoogiet
onder mijn laarzen.

Er groeien littekens in de tuin
op plaatsen waar ik ooit een steen brak,
of in het raam verdween.

Kortom, genoeg om over naar huis te schrijven.
Maar de vader vindt schrijven niks voor vrouwen.
Als ik voorbij loop, lijmt hij
enveloppen en ongepaste momenten.
Ik weet me met zijn tong geen raad.

’s Avonds verstop ik een
klavertje vier in mijn slip.
Ik wacht tot de kansen keren.

Willem Tjebbe Oostenbrink (1963)

Mama

Ik moet beter luisteren
vaak luister ik ook goed
naar een stemmetje in mijn hoofd.
Ik doe dan iets wat niet mag
dat komt omdat ik me verveel.
Knoeien is een afgeleide van verveling
dan wordt het een bende.

Papa en mama houden niet van bende
Papa houdt van grapjes.
Weet je wat het meervoud is van kan?
Kans, zegt papa.
Ik heb ook een grapje bedacht.
In Zuid-Afrika woont een mevrouw die Grapjas heet
en weet jij hoe haar voornamen zijn?
Hinke Hendrika
Ha Ha.

Mama kan andere dingen
soms maakt ze zelf zorgen
ze kan ook heel goed naaien.
Mama kan van een speld een hooiberg maken.

Mirjam van Teeseling (1964)

Interview

Wat heb ik met u te doen en
doen wij dat inderdaad?
Of zijn wij afgeleid
wat leidt ons dan en stemmen
wij daarmee in op elk
niveau van ons of is
er ergens onmin? Wie
trekt er dan (waarom wanneer)
aan het langste eind
met welke kracht, mandaat, valt dat
nog onder de vrije wil
of begint daar ontoerekeningsvatbaarheid? Bevindt
u zich in mijn blinde vlek, bent u tot mij gekomen
via mijn dode hoek en dringt u in mij door
waar ik een gebroken spiegel ben
u eindeloos weerkaatsend, kan ik mij daarom
niet van u ontdoen? Of zag ik u meteen
van aangezicht tot aangezicht maar ben ik dat daarna
weer grotendeels vergeten en raakte zo in deze
hulpeloze staat – ik weet niet wat de vragen
zijn om u te stellen
wat zou u willen
dat u wordt gevraagd?