Recensie van Zonder is het licht niet zacht genoeg - Sven Cooremans

Dat moeders van oudsher de hoeders van de feiten zijn

Sven Cooremans
Zonder is het licht niet zacht genoeg
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339294
€ 16,00
48 blz.

Geen poëziebundel meer uitnodigend dan deze: een intrigerende titel, een met die titel corresponderende geheimzinnige omslag  en dit openingsgedicht:

Voornemen

In een kamer met bladgrond
en takjes die zorgen voor klimgelegenheid

zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen

en na weken van uitharden en op kleur komen
zal ik mijn vleugels ontvouwen

vleugels die ik nodig heb

om mezelf, ik noem maar iets
uit te drukken in het voornemen

om u te woord te staan

Goed, het opvallende en prachtige synoniem ‘bladgrond’ ( van ‘teelaarde’), naar mijn weten door Gust Gils bedacht en tevens de titel van de laatste bundel van Roland Jooris, kan een beetje pikkerig overkomen, maar daar staat tegenover: ‘zal ik mijn tijd en twee stoelen nemen // (…) om mezelf, ik noem maar iets / uit te drukken in het voornemen // om u te woord te staan’.
Subtiele zelfspot en veelbelovend.

De Vlaamse schrijver ervan, Sven Cooremans (1970), is psycholoog en leadzanger van de rockband Ludo. Verhalen en gedichten van hem verschenen in onder andere De Brakke Hond en Deus ex Machina en in 2003 debuteerde hij met Myeline, welke bundel hier eerder werd besproken door Yves Joris.
Hij is als bestuurslid van PEN Vlaanderen verantwoordelijk voor het ‘Writers in Prison Committee’.

Gaan wij verder met het gedicht ‘Sisyphus’, waarmee hij in 2014 de tweede prijs won in de prestigieuze Turing Gedichtenwedstrijd.
Het is geschreven naar de uitzichtloosheid van de arbeid van Sisyphus in de gelijknamige mythe waar vele dichters zich door lieten en laten inspireren. Het verplicht verrichten van deze arbeid als straf voor het tarten van de goden; alsof de mens met zijn handelen de wereld zou kunnen bestieren, de hoogmoed! De wereld gaat aan vlijt ten onder, we weten het, maar het lukt maar niet daarnaar te leven; de vrije wil, wat is dat, bestaat er wel zoiets als een vrije wil?
Cooremans  speelt het klaar in enkele regels over blauwzwarte mestkevers die zich op de sterren verlaten en via zijn winkelwagentje met koppige wieltjes duidelijk te maken dat deze vraag ‘berust in de aard van de beperkingen’. Knap.

Wordt dit niveau voortgezet in de bundel? Ik vind van niet, vooral in een aantal gedichten direct hierna is het aanzienlijk minder. Het derde gedicht, een cyclus met de titel ‘Een moeilijke oefening’ maakt die titel meer dan waar; er staan regels in die niet alleen hoogdravend zijn maar ook eerder strompelen dan lopen: ‘(…) zitten we met opgerolde handdoeken / onder de hielen van onze rusteloosheid (…)’ en ‘(…) vertwijfeld  liggen ze op het malste gras van matten / onze oren in de stilte van het zachte verhemelte / te luisteren te leggen’.
En zo gaat het nog een gedicht of zeven door. Cooremans  wil hierin in vaak losse regels te veel zeggen, regels die te weinig samenhang hebben waardoor het geheel loszanderig en cryptisch wordt: ‘uiteindelijk duurt niets en slaap is belangrijk // ook de mooie dagen noch de stem bij vorst van moeder niet: // ze verzwijgt ons het voordeel dat niet opweegt – sneeuwgericht / zou zonder plastic minder op onze winterharde zieltjes drukken (…)’ uit ‘Voorleesuur voor wintergroenten’. En uit ‘Hoe gordijnen hangen’: ‘hoe gordijnen hangen: rakelings, zo // dat het bijna raakt // hoe de gele hoogklank, hoe de buitenwereld: // op veilige afstand van onze binnenzee // drijft de middagzon onze kamer (de ogen geloken) // voorbij, schuiven lijven als gemoederen / naar de oude binnenstad (…)’.

Na deze inzinking stuit ik in de tweede deel van de bundel op afwisselend boeiende en minder geslaagde  gedichten, de eerste vaak met  verrassende wendingen en geestige regels als ‘(…) ook voor watergebruikers die kranten lezen / is water een bestaansvoorwaarde // en in iedere krant zit wel een kikker’. ( Uit: ‘De kikker in kwestie’).

Tot slot een vers dat door eenvoud en balans de vergelijking met de twee eerstgenoemde gedichten in deze recensie  kan doorstaan:

Logisch positivisme

denken aan niets dan waarneembare geiten

en jerrycans: ritmisch klotsend
vullen ze zich met het ondergrondse

en moeders: ritmisch zingend over het geloof
in de vooruitgang van de mensheid

tot de drinkbak van modder water bevat
en ze met hun ruige ruggen staan te drinken

en weten dat moeders van oudsher
de hoeders van de feiten zijn

Al met al een bundel met pareltjes, mindere gedichten en te ambitieuze verzen die ik respectievelijk met bewondering, fronsend en hoofdschuddend  heb gelezen.
Het leek het leven zelf wel.