Gedichten

door Eline Crols (1994), Margot Delaet (1999), Mattijs Deraedt (1993)
Dit voorjaar organiseerde Jeugd en Poëzie poëziewedstrijd SOET, voor jongeren van 6 tot en met 30 jaar. Een onderdeel van de prijs was publicatie in Meander van de drie hoogstgeplaatste gedichten in de leeftijdcategorieën 15 t/m 17 en 18+.

Margot De Laet  (1999)
1e prijs 15 tot 17 jaar

ze heette vrede

zal een hand op de rug
van zijn hand leggen en zeggen
“mag ik naast je komen liggen?”

ooit, moest ze fluisteren zoals bomen moeten fluisteren
en haar lippen die schuurden langs zijn oor, versplinterd
door de kou, waren blaadjes
die vielen in de herfst en hoe ze op de grond lagen,
dor al

maar eens zal ze schreeuwen
haar lippen, fris als een zonsopgang

zullen op zijn mond neerstrijken en viool spelen

*

Hannah Timmermans
2e prijs 15 tot 17 jaar

Ochtendgrijs

gordijnen filteren ochtendlicht
en ik zit opgekruld
wachtend tot bloemen groeien
uit mijn ruggengraat
van merg zijn dromen gemaakt

de muren drukken
tot ik niet meer is
en tegenwoordig niet nu was
ik maakte verleden tijd tot voertaal
van gebrokenen zoals mij

en wanneer de wereld
vergeten zal zijn
dat wij mensen
tekenden met woorden
zal ik hier nog steeds zitten
wetend hoe het was om lief te hebben

*

Eva Van de Putte
3e prijs 15 tot 17 jaar

Glazenstraatje

Daar waar de ramen geen gordijnen hebben
daar waar “ze” elkaar ontmoeten, maar “zij” nog veel meer afspraken had staan.
Daar waar men borsten, billen en lippen kon passen als kledij.
Waar hij langs de etalages liep,
op zoek naar het mooiste pak.
Hij die verlicht werd door de neonlampjes en steeds hengelend werd binnen gehaald,
al wist hij wel wie er echt in bokalen zat.
Het was de plaats waar nooit iemand iets na het kopen mee naar huis nam
De plaats waar de ramenwasser het vaakst kwam
en de vissen heel breekbaar waren

*

Eline Crols (1994)
1e prijs +18 jaar

Vloeibaar

Terwijl wij elkaar ingekapseld in heet badwater beloven dat
ons verschrompeld verlangen onder dit oppervlak
telkens opnieuw wordt geboren,
strandt langs de Vlaamse vloedlijn een walviswijfje.
Ze strekt zich uit als een fata morgana,
weerspiegelt hoe week wij zijn wanneer we vervellen
als kreeften
het oude schild achter ons laten.
Ze leerde het water haar nodig te hebben,
tast haar vel af op zoek naar de pijnplek
wild vlees op een dreunende wonde na de doortocht van de vishaak.
De rest van haar leven zal ze tegen het littekenweefsel aankijken.

Wanneer het tij keert, wordt zij opnieuw meegezogen
in een golvende herinnering. Olietankers aan de horizon,
hoe we zeeslag speelden aan de rand van het zwembad,
elkaar verloren bij het treffen van het vliegdekschip.
Nazomerochtend in Oostende.
We zochten parels in tapijtschelpen,
vergisten ons wanneer we in de ruis op ons hart de zee meenden te horen.
Bij valavond vonden we happende vissen langs de kustlijn.
Hun kloppende kieuwen in de tanende septemberzon
leerden ons kwetsbaar  zijn.
De mazen van het net slechts uitstelgedrag voor wat
onontkoombaar.

Op een dag zal ons hoofd niet meer boven water komen
na de vlinderslag.
Zullen we nog slechts halfslachtig spartelen bij het vollopen van de longen.
En van alles wat ophoudt
– de terugtocht van het water,
het opdrogen van de uitgelopen mascarawangen,
het hopen op een boze droom –
van al die dingen het rimpelen pas als laatste.

Wanneer de warmte uit ons trekt,
we kleur en spierspanning verliezen,
voorgoed verstijven in herinnering,
loopt de keukenwekker af in een huis
dat geurt naar schepsnoep en waterverf.
Schuift moeder de diepvrieslasagne op gretige kleuterborden.
Goede raad komt hier voorverpakt en in laagjes,
zoals moeder handdoek, zwempak en badmuts opstapelt in een rugzak.
Vanavond is er zwemles om alvast te leren drijven.

*

Mattijs Deraedt
2e prijs +18 jaar

de stad huilt elektronische tranen
die van haar straatlantaarns druipen
terwijl ik deze woorden vorm
letter voor letter, duimen op de toetsen
ze vindt zichzelf wel mooi, de stad
ze zou zich willen aanraken
haar satijnen nachtkleed
van haar schouders laten glijden
een gin tonic met kruidnagel
tussen de geparfumeerde vingers
zich opensperren voor het panoramische raam
van een penthouse en zich glinsterend wit
laten likken door de skyline
(ze zou zo graag nog eens zo genomen worden
dat het niet meer duidelijk is wie wie
of wat wat precies aan het nemen is)
de stad voelt woorden opborrelen
uit haar meest behaarde achterbuurt
ze probeert ze te vangen voor ze wegglippen
en door de smogrijke straten zweven
ver voorbij de handen van haar Somalische vuilnismannen
de stad voelt zich zo lyrisch
als een Coca-Colareclamebord
een tempel van vlees
een wild zwijn dat met zijn snuit in de modder wroet
op zoek naar koperen truffels
ze verbergt Aziatische geesten
in de ruiten van haar treinwagons
ze geurt naar amandel en lokt oude wollen vrouwtjes
de bus en vervolgens een steegje in
soms denkt ze terug aan de tijd waarin ze alles voor het eerst zag
hoe de stroom van autolichten ’s nachts aan de horizon verdween
alsof de wereld daar ophield
ze zou nog één keer een verzameling roze bloesems
willen zijn, ergens in april, achterin een boomgaard
een wasdraad met dampende kleren en veelkleurige spelden
ze zou nog één keer alleen willen zijn
en staren naar haar eigen witte bossen
achter vensters van licht
hoe dan een vrouw bijna onzichtbaar uit het raam klautert
zich gewichtloos van de regenpijp laat glijden
en door de straten dartelt alsof het nooit anders
maar de stad is nog steeds stad
ze geeft geen sleutels weg maar rolt
als een rivier van Leonard Cohen
ze laat de ronkende tongen van duizend kraanvogels
zich volledig over en uit woelen
de stad is het zoutwezen dat wriemelt tussen de kasseien
ze wil zich nog één keer verbazen
zich onherkenbaar terugvinden onder de lakens
met vol gekraste poten en diamanten ringen
ze wil geluiden horen, beelden zien, zinnen dicteren
die ze nooit dacht te dragen
zich verliezen in de opsomming
niet kauwen op lauwe flitsen
maar zichzelf de twaalf blauwe bancontactogen uitsteken
en zich leeg zingen als een karamellenwijf
in het romige licht van een jazzkroeg
maar ze blijft een raadsel
van alles wat je weet

*

Dorien Couton
3e prijs +18 jaar

Het waarom van Bingo

Doordeweekse dagen in het huis
met honderd ramen. Er is niemand hier

die het waarom van bingo weet. De franken rinkelen
in hun zakken en hun stemmen

kruipen de muren in. Ik luistervink de gangen door.
Voor haar kamer hou ik halt, vuur haar

vorig leven aan. Het moet,
we delen bloed.

Na thee zonder zakje klinkt de bel. De illusie van
een eigen inkom. Ik beloof dat ik terugkom.

Ze vraagt of ik verliefd ben. Haar nagels
laten maantjes in mijn vel.