Poëzie Kort 2017 / 6

 

Jan M. Meier, Engelenspoor

(Door Lennert Ras)

Engelenspoor leest als een liedtekst en is uitermate zangerig. Komt dat omdat het jambisch geschreven is? Maar dat is niet zo. Er is gemis. Gemis van een zoon. Alhoewel de engel ergens ook vrouwelijke vormen krijgt. De bundel begint zacht mijmerend. Zeer poëtisch. Het verdriet over de heengegane. Dan krijgt de dood hardere vormen. Een geraamte. Stinkend rottend vlees. Karkas. Zelfs het woord dood, toch een zeer groot woord, dat eigenlijk niet in poëzie thuis hoort, wordt verschillende keren gebruikt, zonder dat het storend is. Er is een gang tussen bed en bank, een zwijgen, groot lijden, en een alsmaar sigaretten roken, wat doet denken aan het leven van een psychiatrisch patiënt. Maar dat wordt nergens benoemd. De slotafdeling ‘Engelenspoor’, die voor de titel zorg droeg, is een kakofonie van engelen. Bolle wangen van cherubijntjes, reuzenbaby’s. Er is zelfs sprake van een bouwpakket-engel. Hetgeen een dissonant is, maar ook weer een prachtige vondst. De dood is de spil en het grote thema. De bundel eindigt met: ‘de winter komt altijd / te zacht en te laat.’ Zo is het timbre en ritme van de bundel. Zacht. Een megazwaar onderwerp. Dood, verlies. Maar o zo zacht neergeschreven. Waarom te laat? Had de achtergeblevene minder lijden gewenst voor de geliefde dode .. een eerdere dood gewild? ‘De laatste adem ingebed / tussen zang en zucht’. Dat typeert de hele bundel. Zang en zucht. Van een zeer bekorende schoonheid. De schoonheid van het verlies en de grillige dood van ‘een engel zo / waar.’  ‘inleverdatum onbekend / draag ik de dood in / een doosje in mijn hoofd / tot het tijd wordt om / in de doos te verdwijnen.’

(contrapunt) onthande handleiding

dingen bedwingen
de duivel temmen
engelen ontstoffelijken
de slager slachten

dat alles en meer gevat
in het vlak van een rechthoek
het podium van een tafel
een hakblok van lieflijk lijden

de haak als wrede kapstok
uithangbord
van karkas tot worst
lichaam tot lijk

vorstelijk verpakt in kaalheid

***
Jan M. Meier (2017). Engelenspoor. Uitgeverij P, 72 blz. € 17,00

 

Jack Weijkamp & Lucy Legeland, Nieuwkijken   

(Door Hans Puper)

Het aantal stads-, dorps- en streekdichters is zo langzamerhand niet meer te tellen. De Achterhoek heeft ook een: ‘De dichter des Achterhoeks’, een functie die in 2013 het leven geroepen is door de regioredactie van het dagblad De Gelderlander. Helaas staat de dichter met die oubollige titel meteen op achterstand. ‘Des Achterhoeks’: het klinkt niet. ‘Dichter des vaderlands’ wel, omdat het een allusie is op ‘Vader des vaderlands’, de eretitel van Willem van Oranje. Maar stel dat je zou zeggen: ‘Dichter des Nederlands’. Dat is grammaticaal correct, net als ‘des Achterhoeks’, maar serieus kun je zulke nieuwbakken archaïsmen niet nemen – ik niet, in ieder geval. Waarom niet gewoon ‘Dichter van de Achterhoek’?  Dat past ook beter bij de manier waarop veel Achterhoekers zich profileren: ‘Doe normaal’.

Het huidige Achterhoekse dichterschap is tweekoppig: Jack Weijkamp en Lucy Legeland. Een weerslag van hun werk vinden we in de bundel Nieuwkijken. Gelukkig schrijven zij geen gelegenheidsgedichten over jubilea van fanfares, de honderdste verjaardag van oma Klein Heuvelink of de fluisterbootjes in Zutphen. ‘Hoezo geruzie in gemeenteraden of verbreding van de Twenteroute?’ schrijft Gerco Mons van De Gelderlander. ‘Niet interessant, laten we het over het leven hebben.’ Hij werd niet teleurgesteld: ‘Een gang door dit boekje vol kunstwerkjes is […] een feest der herkenning geworden.’ De robuuste derde strofe uit ‘Afspraak is afspraak’ gaat over een oud, maar nog springlevend Achterhoeks gebruik:

niets deed vermoeden
dat vandaag
donderdag 13 december
exact om 13.00 uur
ik aanbel
zwijgzaam meeloop
naar de waskamer
om jou daar
resoluut achterlangs
lief te hebben
met jouw neus
zoals afgesproken
in de schone was

Bij dat leven horen ook wandelingen, herinneringen, het ophalen van historische gebeurtenissen en bezorgdheid over de leegloop van de Achterhoek, met als voor de hand liggende remedie de liefde: ‘kruip in bed / om de krimp te weren’. Of dat helpt is de vraag. In de derde strofe van het liefdevolle ‘In memoriam Wim Brands’ schrijven zij: ‘jij begreep het Oosten / daarom ben je er weggegaan / omdat je van haar hield / keerde je er vaak terug.’ Wim Brands kwam overigens uit Brummen en dat ligt aan de verkeerde kant van de IJssel. Geeft niet, de dichters zijn ruimhartig: zij rekenen ook De Liemers tot de Achterhoek.

***
Jack Weijkamp en Lucy Legeland (2017). Nieuwkijken. Uitgeverij Fagus, 63 blz. € 12,50

 

Lianne Maring, Op de rand van mijn gedachten      

(Door Hans Puper)

Op de rand van mijn gedachten is het debuut van Lianne Maring (1996). Ze lijkt nog zoekende te zijn naar de vorm: ze experimenteert met herhalingen, parallellieën, rijm en, opmerkelijk, de taal: een derde van de gedichten schreef ze in het Engels. Het sterkst vind ik haar in spreektaal, die ze als stijlmiddel gebruikt: ‘Hij dacht misschien dat hij het was vergeten / hoe het was, of nee: hoe het voelde / of nee: hoe het moest.’ Het woordje ‘het’ in de eerste regel versterkt de indruk van spreektaal (in schrijftaal zou je het waarschijnlijk weglaten, omdat het overbodig is) en datzelfde geldt voor de zelfcorrecties, ingeleid door ‘of nee’. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat het om gestileerde spreektaal gaat. In ‘Naar huis’, dat in mijn ogen het beste gedicht van de bundel is, zie je dat heel goed. Met dit middel bereikt Lianne Maring een maximaal effect.

Heb je het een beetje kunnen verliezen, de weg
bedoel ik,
dat is nog een hele uitdaging, is het niet
De weg vinden, dat is niet zo moeilijk, je klampt
als een anemoon
een voorbijganger aan
en zegt: pardon, excuus, ik ben de weg verloren
en ze wijzen je met vriendelijke vingers tot je hem
weer vindt

Maar de weg verliezen. Dat is me toch wat.
De weg zo hartgrondig, hartstochtelijk verliezen
alsof je met je ogen dicht hebt gelopen, en dan nog
ergens staan en zeggen: mooi. Ik ben ‘m kwijt.
Daar zijn we vanaf.
Alle wegen leiden immers naar huis, juist
als je daar niet wilt zijn.

Door de luchtige conversatietoon komen de laatste twee regels onverwacht hard aan.

Het merendeel van de gedichten gaat over voorbije of onbereikbare liefdes; bestaande relaties verlopen moeizaam. Niet alle gedichten zijn even goed gelukt; soms ligt de Weltschmerz er wel erg dik bovenop en is de vorm weinig aantrekkelijk. Dat geldt niet voor het Engelse gedicht ‘Old Flame’, alleen al door de humoristische titel, de licht ironische toon en de schijnbaar laconieke wending na de eerste strofe:

The sky’s on fire and it does nothing for me, dear
Not when you’re so far away from here,
from me, and I miss you so desperately,
wondering who got your new years kiss; it
should’ve been me,
but then again, why should we-

-nevermind. There’s colours falling down as I’m
drowning in champagne
and required happiness and dreams, it rains,

It rains and rains in sparks and rainbows and in pain.

Ik hoop meer van Lianne Maring te lezen.

***
Lianne Maring (2017). Op de rand van mijn gedachten. Eigenzinnig, 40 blz. € 14,99