Wout Waanders

 
Wout Waanders (º1989, ‘s-Hertogenbosch) studeert Bedrijfsjournalistiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Eerder rondde hij een studie Nederlandse Taal en Cultuur af. Hij is hoofdredacteur van literair tijdschrift Op Ruwe Planken en won onlangs de tweejaarlijkse poëzieprijs van de stad Oostende. Hij was al te horen op festivals als Onbederf’lijk Vers, Manuscripta, Wintertuin en De Geest Moet Waaien. En nu lees je hem in Meander.

Over taalluikjes, het recht en krokodillen

 
Hanneke van Eijken (1981) zit dagelijks achter de schrijftafel, waar ze het poëtische ambacht met het wetenschappelijke combineert. Maar niet alleen is ze aan de schrijftafel te vinden, ook kom je haar tegen in literaire tijdschriften en is ze te zien op literaire podia. Zo stond ze in 2011 nog in de finale van het NK Poetryslam. Eveneens organiseert ze iPoetry Live, een tweemaandelijkse literaire voorstelling van het Poëziecircus in Utrecht. Meander sprak met haar.

Je schreef ons dat je opgroeide ‘in een piepklein dorpje in Zeeland’. Ik dacht, ze zoekt, behalve in haar gedichten, ook in de beschrijving van zichzelf naar poëzie.
Misschien heb je gelijk. Het is in ieder geval ook een oude gewoonte, omdat vrijwel niemand het kent die niet uit de omgeving komt. Het dorp heeft inmiddels 750 inwoners, geloof ik, maar toen ik er opgroeide nog minder. Het heet Zonnemaire, genoemd naar het water dat vroeger tussen de eilanden Bommenede en Schouwen stroomde, de Sonnemare. Dat water is inmiddels verzand en de oorspronkelijke vier eilanden vormen nu het eiland Schouwen-Duiveland. Dus eerlijk gezegd vind ik die naam en zijn oorsprong veel poëtischer dan de beschrijving in mijn biografie.

Je schrijft aan een proefschrift over de constitutionele betekenis van Europees burgerschap. Vervolgens publiceer je bij ons een gedicht over Europa. Zijn je poëzie en je promotie-onderzoek zo verbonden als het aan de oppervlakte lijkt?
Ja en nee. Mijn schrijfsels als jurist zijn vaak bloedserieus, in ieder geval voor een poëtische lezer. Er zijn geen krokodillen die schuiven in mijn wetenschappelijke artikelen, laat staan dat er mannen regen komen maken. Tegelijkertijd is er natuurlijk wel een overlap.
Het gedicht ‘Op de rug van een stier’ is één van de gedichten die regelrecht uit mijn Europees-rechtelijk hart komt. Mijn proefschrift gaat over Europees burgerschap. Eén van de problemen in Europa is dat weinig burgers zich verbonden voelen met Europa. Wat helaas vaak over het hoofd wordt gezien, is welke voordelen we allemaal dagelijks hebben vanuit diezelfde Europese Unie. Die wetgeving wordt vaak voor lief genomen, net als het gemak waarmee we zelf grenzen overgaan in Europa zonder dat we bijvoorbeeld geld hoeven te wisselen of langs de paspoortcontrole moeten. We leven als godenkinderen die zijn vergeten zijn wie hun vader is. Dat onderwerp ligt me nauw aan het hart—het is dan ook terug te vinden in mijn gedichten.
Er komen ook regelmatig grenzen voorbij in mijn poëzie, waar mensen aan kleven of juist aan voorbij trekken, net als in Europa. De gedichtenreeks ‘Dit huis’ waarvan één gedicht hier is opgenomen, is daar een subtieler voorbeeld van. In de serie van zes gedichten staat centraal hoe huizen bewoners soms letterlijk laten verdwijnen in grenzen van steen. In andere gedichten wordt er juist uit de ramen en de keldervloer van het huis gebroken.

Hoe is het om een baan waarin je dagelijks in de boeken en achter je schrijftafel zit, te combineren met poëzie?
Als ik poëzie schrijf, ben ik echt in een andere context aan het schrijven dan wanneer ik aan mijn proefschrift werk. Alsof het verschillende taalluikjes in mijn hoofd zijn. Er zijn grote verschillen in taalgebruik en doelgroep. Een groot verschil is trouwens ook de taal zelf: mijn proefschrift schrijf ik in het Engels en mijn poëzie is helemaal Nederlandstalig. Het is echter wel eens gebeurd dat ik in een hoofdstuk over rechtelijke toetsing bepaalde woorden koos vanwege het beginrijm, omdat ik de dagen ervoor veel poëzie had gelezen en geschreven. Dus de oplettende lezer zal in mijn proefschrift vast en zeker poëtische sporen kunnen vinden—al zorg ik ervoor dat alle enjambementen zorgvuldig zijn geschrapt, voordat ik het naar mijn promotor stuur! Er komen trouwens wel enkele metaforen terug in mijn proefschrift, dus zo gortdroog is het gelukkig ook weer niet.
De link tussen het recht en de taal is sterk, en zeker in het recht van de Europese Unie. Het gaat in mijn werk als jurist vaak om vragen over interpretaties van wetteksten die in verschillende taalversies te vinden zijn en de toepassing daarvan in nationale rechtssystemen. Het belangrijkste hulpmiddel voor mijn onderzoek is dus taal en interpretatie van formuleringen in wetteksten en vooral in rechtspraak.
Bij poëzie gaat het ook om interpretatie, maar in omgekeerde volgorde. In poëzie mag bewust ruimte zijn voor eigen invulling en beelden. In het recht blijft natuurlijk ook ruimte voor interpretatie, maar idealiter is die interpretatie uniform, zodat bijvoorbeeld de rechtszekerheid gewaarborgd is.
In het recht heeft taal de functie om ordening aan te brengen, terwijl poëzie juist de werkelijkheid naar hartenlust kan vervormen. Die verschillende manieren om met taal om te gaan versterken elkaar vaak in mijn geval. Soms mengen de taalluikjes met elkaar, maar dat levert dan in ieder geval interessante zinnen op.

In je gedichten combineer je beelden die zeer alledaags zijn met beelden die regelrecht uit de fantasie lijken te komen, zoals, in ‘Weerman’, de observaties over schepijs en kaplaarzen naast adem die ‘metershoge krokodillen op een hoop’ schuift. Hoe vind je je balans tussen die soorten beelden?
Ik weet niet of dat wel zulke verschillende beelden zijn voor mij. Het is eerder een continuüm. Wat ik interessant vind, is waar de werkelijkheid gaat schuren tegen het vreemde, tegen vreemde beelden die we allemaal wel kennen. Wie droomde er niet als kind van krokodillen onder het bed of enorme reuzen die je zouden ontvoeren? Of wie heeft als kind niet gedacht dat je de wind of de zee moest geruststellen? Het is allemaal onderdeel van ons brein, dat we steeds meer onder controle hebben gekregen naarmate we ouder werden, maar die beelden zijn er nog steeds—laten we zeggen, in ieder geval bij mij.

Je bent vaak te zien op verschillende podia in het hele land. Wat was je leukste optreden?
Afgelopen september trad ik op tijdens de museumnacht op de Domtoren. Dat was een magisch optreden: op 70 meter hoogte midden in de nacht met Utrecht aan onze voeten. Als het publiek naar beneden ging zaten we met de dichters en een fles kruidenbitter te wachten op de volgende groep. Ook het optreden op Lowlands afgelopen zomer was fantastisch! Toch te gek om na je optreden nog even bij Skunk Anansie te gaan kijken, dat gebeurt niet elke dag.

Naast bekendheid in het podiumcircuit ben je ook op papier en online te vinden, zoals in Plebs, Krakatau en Tzum. Tijd voor een volgende stap, een bundel bijvoorbeeld?
Ah, de bundelvraag! Ik ben bezig met het samenstellen van mijn debuutmanuscript. Er sneuvelen heel wat gedichten deze dagen. Het voordeel is: er komen er ook nieuwe bij tijdens dit proces.
Het zou wel grappig zijn als er uiteindelijk een package deal zou komen: een debuutbundel en proefschrift die dan samen voor een mooie prijs kunnen worden aangeschaft. Dan mogen de Europese juristen allemaal mijn debuutbundel lezen en krijgen de poëzieliefhebbers er een juridisch proefschrift over Europees burgerschap bij cadeau.
De olifantenzwangerschap van Amber-Helena Reisig

Het hoofd te groot, de stad te klein

 

Amber-Helena Reisig gaat als een speer. De dichteres, te schilderen met grote ogen, rood gestifte lippen en een sigaret in de hand, heeft hier en daar wel iets gemeen met de zingende YouTube-fenomenen van de laatste jaren: jong, bomvol talent en zeer actief in de blogosfeer. Ze werd opgemerkt door andere bloggers en is inmiddels ook ver buiten die sfeer bekend. Onlangs nog stond ze als jongste in de categorie ‘Creatief’ van de Viva 400, een lijst met succesvolle Nederlandse vrouwen. Meander sprak met haar.

Als je terugkijkt op je zich ontwikkelende schrijverscarrière, wat zijn dan de belangrijkste momenten geweest?
Kijk, ik denk niet dat er zozeer sprake is geweest van belangrijkste momenten. Schrijven is een proces en de weg naar het schrijverschap ook. Toch heb ik zelf steeds gedacht: als ik dit en dat bereik, is dat een mijlpaal, een daad of toekenning die mijn vorderingen zal markeren. Maar steeds als ik iets bereik, lijkt deze mijlpaal zich verder te verplaatsen. Als een soort tantaluskwelling. Op dit moment lijkt dat het verschijnen van mijn debuutroman te zijn. Wellicht denk ik dan weer: ik mag mijzelf pas schrijver noemen wanneer ik een prijs van een zekere aard heb gewonnen of iets dergelijks. In die zin houdt die zogenaamde kwelling me wel alert. Het is soms zo verleidelijk om op je lauweren te rusten. Maar ik besef terdege dat ik er nog lang niet ben.

Je gedichten, en ook je verhalen, geven een persoonlijke indruk, alsof ze dicht bij het schrijvershart lagen. Put je veel inspiratie uit je eigen belevenissen?
Ja, natuurlijk. En ik denk dat iedereen die zegt dat niet te doen, liegt. Het is natuurlijk waar dat je vanuit een ander perspectief kunt schrijven, maar dan is dit altijd gekleurd door de eigen waarneming. Misschien is mijn werk in die zin wel persoonlijker dan dat van anderen. Het fijne aan je blootgeven in je teksten is dat het verlichting biedt en ook een zekere controle. Je kunt er van alles uitflappen, dronken op vrijdagavond. In mijn werk mag ik mij gecontroleerd blootgeven. Bij alles wat ik beleef hoor ik de romancier of dichter in mijn hoofd denken: ‘Als je dit nu eens hier en daar aan verbindt en het zo verwoordt, dan…’ Iets dat soms wel vervelend is voor de mensen in mijn omgeving. Ik buit ze uit.

Als geboren Limburgse, afkomstig uit Heerlen, woon je sinds kort in Amsterdam. Hoe heb je de overgang ervaren?
Ik denk dat ik in wezen nooit een Limburgse ben geweest. Niet dat ik mij schaam voor mijn afkomst – zoals vele zuiderlingen doen. Zodra zij in de Randstad wonen, proberen ze hun accent te verdoezelen. Neen, ik vind Limburg een prachtige enclave en hoe langer ik in Amsterdam woon, hoe meer ik verlang naar de eenvoud en misschien juist wel de complexiteit van het wonen in een stad als Heerlen. Er komt een bepaald punt waarop je hoofd te groot wordt, de stad te klein. En toch blijf ik verlangen naar de herkenning. Ben ik een dag in Heerlen dan zijn er nog steeds mensen die mij niet vergeten zijn.

Hoe verhoudt die hang naar eenvoud zich met het grotere literaire aanbod in Amsterdam?
Sinds ik in Amsterdam woon, merk ik dat mijn wereld misschien juist nog kleiner is geworden. Ik begeef mij graag iedere dag op dezelfde wegen, in dezelfde wijk, langs dezelfde winkels en cafés. Ik ben geen mens voor te veel mogelijkheden. Nooit geweest ook. Ik heb een klein territorium nodig dat ik kan bewaken. Soms denk ik dat ik meer naar buiten zou moeten gaan, nieuwe plekken ontdekken, maar die plekken blijken altijd in mijn hoofd te zitten in plaats van daarbuiten. Ik kan niet goed tegen verandering, daarvoor is er al te veel chaos in mij. Ik beloof mijzelf iedere week weer naar meer optredens te gaan kijken. Maar het komt er niet van. Er is te veel.

Je zegt, er is te veel. Maar je doet zelf ook erg veel: je drukt je uit in meerdere genres en, zoals je zelf zegt, in alles wat ertussen valt. Je debuutroman komt eind 2012 uit bij een grote landelijke uitgeverij. Je organiseert evenementen en je bent redacteur bij De Optimist. Hoe houd je al die ballen in de lucht? Valt het jongleren je zwaar?
Ja, ontzettend. Ik ben typisch een geval van iemand die te veel hooi op zijn vork neemt. Ik vind alles leuk, zeg op alles ja. Maar dingen zijn me al snel te veel. Ik ben nu wel op een punt gekomen waarop ik besef dat ik me maar op één ding volledig moet richten, dat de rest ballast is. De tijd is gekomen voor het enige schrijven. Het ambachtelijke schrijven. Ik zou iemand willen zijn die dagelijks volle kantooruren achter zijn schrijfmachine kruipt en werkt. De tijd is gekomen om me te bewijzen. En dan mag ik weer leuk doen tijdens optredens. Het is nu alleen de kunst om alle huidige projecten tot een goed einde te brengen en dan nergens meer ja op te zeggen.

Is dat waar je het meeste naar uitkijkt dit net begonnen jaar?
Op dit moment werk ik aan mijn roman. Het is net een zwangerschap. Een olifantenzwangerschap, welteverstaan. Ik zie dit jaar als het jaar waarin alles bij elkaar zal komen. Alle ideeën die zo lang ingevroren hebben gezeten. Iemand vertelde mij ooit dat hij een soort imaginaire vriescel had waar hij al zijn ideeën een tijdje invroor en dat er een dag zou komen waarop hij ze zou ontdooien. Ik denk dat het nu tijd is om alles te ontdooien.

Amber-Helena Reisigs debuutroman, onder de werktitel Het Sterfhuis, verschijnt eind oktober bij uitgeverij Prometheus. Begin 2013 verschijnt bij diezelfde uitgeverij haar debuutbundel.

Drie gedichten van Sasha Popowycz

 

De betekenis van poëzie valt voor Sasha Popowycz (1981) moeilijk in woorden te vatten. Toch kan hij er wel iets over zeggen: ‘In poëzie duikt de taal op in haar gedaante van saboteur: ze stuurt het verloop van de tijd in de war’. En daardoor ontstaan onvoorziene mogelijkheden voor de stem, het hoofd en de waarneming.

Eerder publiceerde deze in Brussel gevestigde dichter al in Het Liegend Konijn, De Poëziekrant en De Brakke Hond. Hij treedt regelmatig op bij De Sprekende Ezels, een bekend open podium voor muziek en poëzie in Brussel. Daarnaast schrijft hij ultrakorte verhalen en vertaalt hij poëzie, zowel zelfstandig als met het Gentse Collectief van Poëzievertalers. 

Poëzie als steun in de rug

 
 Myrte Leffring (1973) is gezien haar opleiding en haar huidige professie gegrepen door uiteenlopende facetten van taal: ze studeerde vertaalwetenschap en is tegenwoordig actief als dichter en redacteur. Daarnaast geeft zij poëzieworkshops en treedt zij op in een eigen literair en muzikaal programma. Meander sprak met haar.

Myrte, jouw bibliografie start niet met de minste publicatie. In april 2008 verschenen enkele van jouw gedichten in Het Liegend Konijn. Is dat een daadwerkelijke of vooral een symbolisch uitgekozen geboorte van jouw dichterschap?
Mijn eerste contact met Jozef Deleu (de redacteur van Het Liegend Konijn, nvdr) was in oktober 2007 in Gent, waar ik hem trof op een borrel van het dichtersfestival Dichter aan Huis. Hij stelde zich aan mij voor toen de ober langskwam met een flûte champagne, vroeg of ik schreef. Jawel. Poëzie? Eh, ja. En toen bracht hij een toost uit op mij en een vriendin van me. Vervolgens gaf hij mij zijn visitekaartje om werk in te sturen. ‘Ik ben altijd op zoek naar nieuw talent’, zei hij. Ik heb de volgende dag meteen een mail aan hem gestuurd, waarin ik refereerde aan die toost.
Ik schreef hem ook dat ik dezelfde week nog naast Remco Campert zou staan, op de Nijmeegse editie van Onbederf’lijk Vers. Ik voegde elf gedichten bij. Zes werden er geplaatst.

En je optreden op Onbederf’lijk Vers in Nijmegen?
Dat optreden naast Remco Campert in Nijmegen was ook een debuut. Ik had als dichter niet eerder voorgedragen. En al ging het misschien niet vlekkeloos, ik dacht wel: dit is wat ik wil, hier gaat het om. Dat je direct contact hebt met publiek.

Wat deden dat optreden en die publicatie met jou?
Ik had al eens overwogen werk in te sturen naar een tijdschrift, maar nu het me gevraagd werd, maakte dat de stap wat gemakkelijker. En die stap heeft veel voor me betekend: januari 2008 kon ik plotseling niet meer lopen vanwege een hernia. Dat was nogal confronterend. Ik kon alleen praten en denken. Niet bewegen. Zelfs schrijven ging niet – al heb ik toch dichtregels overgehouden aan die tijd. In april van dat jaar verscheen Het Liegend Konijn. Ik kon inmiddels zonder looprek. Toen ik het bewijsexemplaar per post ontving, was dat een heel letterlijke steun in de rug.

Jouw gedichten, ook de gedichten die bij dit interview horen, kennen vaak een parlando-achtige toon. Kun je je vinden in die omschrijving?
Parlando-achtig… ‘Knijf’ is dat zeker. En de rest van mijn gedichten, soms. Het wisselt nogal. Erg vormvast ben ik in elk geval niet. Ik kies geen toon, de toon kiest mij. Dat begint heel verschillend.
Ik stuit op een uitspraak van iemand, vang een beeld op uit een film. Of een regel uit een roman blijft hangen en nestelt zich hardnekkig in mijn hoofd om later uit te barsten in een dichtregel, een strofe of in één keer een gedicht. Dat is meestal een gedicht dat niet meteen af is, en soms ook nooit afraakt. Een enkele keer is het een gedicht dat gaaf is, waar ik eigenlijk weinig omkijken meer naar heb. Dat is magisch.

Je geeft ook workshops poëzie schrijven. Wat is de beste tip die je te geven hebt aan je cursisten?
Voor de Poem Express maak ik gedichtenposters met kinderen op Rotterdamse basisscholen. Wat ik hen graag meegeef, is dat alles kan in een gedicht. Gebruik je verbeeldingskracht. Laat het rijm los. Wees onvoorspelbaar. Denk in beelden, verlies je niet in flauwe woordspelingen, hoe verleidelijk ook. Je hoort het best of een gedicht ‘loopt’ als je het hardop leest. Als je over de woorden struikelt, is er vaak iets mis met de tekst. Aan volwassenen vertel ik eigenlijk hetzelfde. Rijmen doe ik zelf ook af en toe, maar alleen als het mij goed uitkomt, niet als ‘t het gedicht goed uitkomt. Ik wil wel de baas blijven over de woorden.
Ik leer overigens veel van mijn cursisten: ik leer van hun goede dichtregels, en ook van de mindere. Waar zit het ‘m in, waarom werkt het ene beeld heel sterk en waarom slaat het andere volkomen dood? Het is mooi om daar gezamenlijk de vinger op te leggen, precies aan te wijzen wat er gebeurt in een tekst, nuances aan te brengen. Kinderen voelen de sfeer van een tekst vaak heel goed aan, net zo goed als volwassenen. Of soms zelfs beter.

Viermaal per jaar organiseer je de salon Dichter aan de vleugel. Wat is je belangrijkste drijfveer daarvoor?
Dichter aan de vleugel is in 2009 ontstaan. Het is een programma met poëzie en muziek dat ik uitvoer met muzikant Marijn van de Ven. Hij zingt gedichten. Ik draag gedichten voor, terwijl hij speelt.
Poëzie is de taal van het hart. Net als muziek. Daarom passen die twee ook zo mooi bij elkaar. Net een relatie. Maar dan één zonder sleur: de muziek tilt de gedichten op, en soms verwoorden de gedichten het gevoel dat de muziek in zich draagt. Fijn is dat, als publiek daarin mee kan gaan, als het de ogen sluit en weg is uit de ruimte waar de vleugel staat, waar de dichter leest. Als er alleen nog woorden en noten in beelden zijn. Ik vind het mooi dat een voordracht iets kan toevoegen aan een gedicht. Als iemand zegt: ik werd geraakt. Zoals je dat ook kunt zijn door een goed muziekstuk. Poëzie is een vorm van muziek, denk ik. Uiteindelijk is dat wat een goed gedicht doet: je aanraken.