Recensie van Een beeld van jou - Stefan Hertmans

Erotische beelden zonder schuttingtaal

Stefan Hertmans
Een beeld van jou
Uitgever: De Bezige Bij
2016
ISBN 9789023497370
€ 16,50
112 blz.

Stefan Hertmans is bekend geworden met zijn roman ‘Oorlog en Terpentijn’ uit 2013. In 2014 won hij hiermee de AKO literatuurprijs. In Vlaanderen werd de roman genomineerd voor de Gouden Uil. En zoals vaker gebeurt in de overvolle literaire wereld, pas ná zo’n bekroning ontdekken we dat hij al veel meer publiceerde, met name poëzie. Hiermee verdiende hij al eerder nominaties en prijzen.
http://www.debezigebij.nl/auteurs/stefan-hertmans/

Een beeld van jou is een bundel met nette en minder nette erotische gedichten zonder schuttingtaal. Daarin werden gedichten opgenomen uit eerdere bundels Muziek voor de overtocht. Verzamelde gedichten 1975-2005 (2006), uit De val van vrije dagen (2010) en enkele niet eerder gebundelde gedichten. Daarom neem ik aan dat de overkoepelende titel voor deze verzameling later is gekozen. De suggestie van een zoektocht naar het perfecte beeld van de geliefde is dus misleidend, maar voert mij wel langs verschillende beelden van het liefdesspel en de geliefde. Het titelgedicht komt op mij wat ongrijpbaar over. Is dit een beeld van de geliefde, of van de dichter zelf: ‘en toch trek je in / altijd nieuwe eenzaamheid, het / laken van de jaren / op je warme lichaam // en je lacht.’? Na eerste lezing van de bundel bleef dit beeld bij mij hangen, dat van het ooglid in:

Oktober/Het bloed

Je schrijft niet meer.
Handen die in beelden
woelden hebben je
lichaam toegedekt.

Toe, ga naar bed.
Open en warm ligt nog
een ooglid op de keukenvloer,
een vrucht die iets heeft
liefgehad,
de waanzin van de duur.

Bloed wast niet, zegt Macbeth.
Toe. Ga naar bed.

Nacht neemt me overhand
met smalle vingers
in een vuile greep.

Ik zie twee koude armen
met open aders op de trap.
Niemand omarmt een stap.
Maar wat ik ben, hier,
op die koude keukenvloer,

heeft jou nog nooit
zo panisch liefgehad.

Deze beelden schokken en schudden mij wakker. Een keer lezen is bij poëzie zelden genoeg, dus bij herlezing ga ik op zoek naar meer sterke beelden. Desdemona ligt er ‘… in een zeer scheurbaar jasje bij’ in het gedicht dat haar naam draagt. Dat is aardig gevonden. Soms blijven de beelden wat braaf en binnen het bekende. Hier wordt het zelfs wat oubollig vind ik:

Barbaars heuveltje

Dood kan niet raken aan
het plekje waar ik slaap,

al regent rode inkt
mij in de ogen,

kersen van je vingertoppen,
zwarte schaduw op je dij.

Een kleine kale god
legt er een paar uur later

nog een gouden penning bij.

Je dekt je gleufje,
steekt dan je neus op,

tegenwind.

Je ruikt de zee in mij,
warm en nabij.

Ik voel hier weinig bij, hooguit wat gêne. De associatie met Herman de Coninck dringt zich aan mij op, hij die ook dol was op verkleinwoorden in verband met lichaamsdelen en kledingstukken van beminde dames. Dit gedicht is wat mij betreft een uitschieter naar beneden, want er staan nog meer krachtige gedichten in, zoals ‘Polaroid’ en ‘Tango Saudade’. In ‘Polaroid’ is de fysieke verbeelding op zijn sterkst, in ‘Tango Saudade’ zijn de beelden rauw en ruig, zonder gebruik van schuttingtaal.

***

Hertmans schreef ook het poëziegeschenk voor 2016, Neem en lees. De thematiek van dit bundeltje is ruimer dan die van Een beeld van jou.

Recensie van Als je een meisje bent - Maartje Smits

Meisje uit de bocht

Maartje Smits
Als je een meisje bent
Uitgever: De Harmonie
2015
ISBN 9789076174679
€ 15,90
48 blz.

Als je een meisje bent is het debuut van Maartje Smits (1986). Ze studeerde onder andere Beeld en Taal aan de Gerrit Rietveld Academie en maakt naast poëzie ook video’s. Op haar website staan voorbeelden van gedichten en beeldend werk. In de bundel omhelst Smits het meisje en neemt er tegelijkertijd afscheid van, aldus de tekst op de achterkant. Ik ben benieuwd hoe ze dat doet.
In het gedicht ‘Een moeder een meisje’ somt ze op wat de verschillen zijn tussen een moeder en een meisje. ‘//een moeder maakt zich zorgen / een meisje moet trakteren / een moeder vermaakt / een meisje versiert’ … etc. Dit is aardig gevonden.
Iets verderop in de bundel verschijnen de borsten, die niet helemaal welkom zijn, gezien het ‘borsten wegbidden’. Het meisje is nog slechts een halfmeisje. ‘Stil schaduw schip’ is een letterlijk kantelpunt. Het meisje zweeft in een ‘schip’, een soort schommel, in een pretpark. ‘//Vlak voor alles kantelt, staat het / stil.’ Dit vind ik mooi, een invoelbaar moment verbeeld. Zulke gedichten lees ik graag.
Ik word geraakt door de zin ‘/ mijn vader condoleert een vriend via Wordfeud /’, te vinden in het gedicht ‘Zondaggebied’, dat afstandelijk een gezin beschrijft dat gewoontegetrouw recreëert. Vanaf ‘Afwegen’ lijkt een aantal gedichten anorexia of boelimia tot onderwerp te hebben. Eten of niet eten, dat is de kwestie.

Schifting

de dag was een werkdag
ik fiets een tussendoortje dat uit de hand liep
dit doelloos verplaatsen schendt mijn rugzak
de dag eist trappen tot we weer stilstaan
waar we begonnen waar ik slikte zonder te schiften

ik wil een ondoorzichtige
lunchbox luchtbuks

ongezien blijven
als ik eet

In ‘lusteloos gras’ wordt de ik-figuur ‘//… wakker en ik haat / iedereen die mager is // (ook dieren)//’

In de tweede helft van de bundel vliegt het meisje uit de bocht en heb ik steeds meer moeite haar te volgen. De gedichten worden warriger en Smits gooit verschillende talen door elkaar. Dit levert soms aardige klankovereenkomsten op, maar ik heb moeite contact te maken met bijvoorbeeld:

Keri South Beach Overloper

open:
http://12.132.45.200:4000/view/viewer_index.shtml?id=171
tijdens kantooruren
open:
keri south beach
drop down Gemälde
daalt in op je
browser loads
water en land
in een Welle
dat vergezicht
valt
folds
schokt in op je

over
stop over
ver vaal falls
valt neder
skrieuw helder und gris
shuffles in
over
in over in
live viewer wie wohnt da
wer schoffelt daar
zand tot vloedlijn
Sie kust shows

een update
onder ein ander

keri’s south beach
en een zeevrouw
die wacht hoe licht het
rechtsaf gaat
weilen macht
zij when die
shoals schellen
lêcher and reload:
eine Seezunge frißt de letzte pixels
des Tages die nog restende
data stream schaut sie
het wreten worden die Welt

Dit zand is me te los. Misschien is het meisje in de loop van de bundel meer en meer in verwarring geraakt en zoekt nog naar een nieuwe, eigen vorm om poëzie te bedrijven. Wat mij betreft gaat die vorm wat meer terug naar het begin. Opdat het meisje een volwassen dichter wordt, die het meisje omhelst en de verwarring achter zich laat.

Recensie van Luceberts Zoekend Oog - H.U. Jesserun d´Oliveira

Aardige essays van een tijdgenoot van Lucebert

H.U. Jesserun d´Oliveira
Luceberts Zoekend Oog
Uitgever: Prometheus
2015
ISBN 9789044629934
€ 24,95
192 blz.

In Luceberts Zoekend Oog zijn essays bij elkaar gebracht die H.U. Jessurun d’Oliveira schreef tussen 1959 en 2014. Volgens de inleiding, of gebruiksaanwijzing zoals hij deze zelf noemt, gaat hij hierbij uit van het ergocentrische principe, ook gehanteerd in het literaire tijdschrift Merlijn, dat tussen 1962 en 1966 verscheen. Logisch, want Jesserun d´Oliveira maakte deel uit van de redactie van dat tijdschrift. Sommige van de hier gebundelde essays zijn afkomstig uit Merlijn.

´Ergocentrisch’ wil zeggen dat het werk van de dichter centraal staat in de bespreking, en niet de persoon. Dit uitgangspunt wordt uitvoerig toegelicht door de auteur, waarbij hij uitgebreid uitlegt wanneer en waarom hij ervan afwijkt. Iets te uitvoerig naar mijn smaak. Het komt wat verontschuldigend en krampachtig over, wat een gevolg kan zijn van het hanteren van een streng principe. Interessant hierbij is dat het eerste stuk in het boek een interview is met Lucebert, de persoon zelf, afgenomen in 1959 en eerder gepubliceerd in Tirade en in Scheppen riep hij gaat van Au.

Het interview begint intrigerend, ietwat provocerend met de mededeling dat de interviewer het bed deelt met de dichter.

`Ik hang in het duister op een tweepersoonsbed met een blauwe deken die als overtrek dient, en luister naar de muziek die uit een voortreffelijke versterker komt. Ik deel dit bed met Lucebert die van mij afgekeerd zit te luisteren met een zelfgerolde sigaret in de hand, de versterker is van een zoon van minister-president dr. J.E. de Quay die er tijdens zijn eerste oefening voor de militaire dienst toch niet over kan beschikken, de muziek is van Sonny Rollins en zijn groep, die momenteel `Sonnymoon for two´ spelen. Dit is een vreemde positie voor een interviewer. Ik kijk naar de nek van Lucebert, waarin de tijd net zoveel groeven heeft gelooid als hij kinderen heeft. Voor de statistici zijn dat er vijf. Maar verder is hij voor zijn vijfendertig jaar mooi geconserveerd.´

Tot zover het ergocentrisme. Op het bed spreken de letterkundige en de dichter over voorkeuren en invloeden. Het gesprek verloopt stroef , beide sprekers zijn dan ook ´binnenvetters´, aldus Lucebert. Op dat moment zou Lucebert voor de schilderkunst kiezen, als hij zou worden gedwongen een keuze te maken tussen pen en penseel. Hij dicht in die periode soms omdat hij het leuk vindt om te spelen, maar niet zelden slaat dat spel om in bittere ernst. ´Dan heb ik het gevoel dat ik met wat ik schrijf, mezelf iets aandoe. Poëzie wordt dan een vorm van emotionele zelfkritiek. Daarom wil ik mezelf in mijn werk graag vermommen, ik laat narren, keizers, mandarijnen en dergelijke figuren voor mij spreken en zodoende objectiveer ik mezelf een beetje´. Dat is een aardig kijkje in het hoofd van de dichter.

Dit werpt een verhelderend licht op bijvoorbeeld het gedicht ´tiran in ruste´, dat de essayist analyseert in ´Het gedicht als wereld´, een opstel dat verscheen in de tweede jaargang van Merlyn (1962-63). We kunnen het niet met zekerheid weten, maar de kans is groot dat de tiran een vermomming van de dichter is, die zichzelf de ´allesverguldende slaapbol´ gunt en met deze strofe eindigt:

ondanks alles kan ik mij nergens in vermeien
wreedheid is geen kwelgeest slechts een worm of made
geen wonder dat ik rade- en moede-
loos rondsluip rond het verloren ding ook in dit gedicht

Het is wel prettig om door een deskundig exegeet bij de hand te worden genomen om Luceberts weinig toegankelijke gedichten te openen. En het blijft altijd gevaarlijk omdat interpretaties niet los gezien kunnen worden van degene die interpreteert. Jessurun d´Oliveira is de eerste om in alle toonaarden op dit gevaar te wijzen. Een aardig werkje voor in de boekenkast van elke Lucebertliefhebber.

***

´Interview met Lucebert´ is voor het eerst verschenen in Tirade nr. 30, juni 1959, p.181-186, en later opgenomen in Scheppen riep hij gaat van Au (Polak & Van Gennep, 1965, herdrukt met een voorwoord van Thomas Vaessens, in de reeks Athenaeum Boekhandel Canon, Athenaeum Boekhandel en Amsterdam University Press, 2009).

Recensie van In de spiegel - Guus Luijters

Een polaroidopname op elke pagina

Guus Luijters
In de spiegel
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2015
ISBN 9789046819371

blz.

Op welke pagina je Guus Luijers’ bundel In de spiegel ook maar openslaat, er staat een momentopname van rond 1959, het jaar waarin de auteur zestien werd. Ik moet daarbij aan verkleurde polaroidfoto’s denken, maar er zit zoveel beweging in de gedichten dat een vergelijking met 8mm-film beter op zijn plaats is. Het zijn jeugdherinneringen, geplaatst in een breder kader, waardoor iedereen die in deze periode opgroeide, deze momenten zal herkennen.

De gedichten hebben allemaal vijftien regels met nooit meer dan negen lettergrepen. Door het ontbreken van titels lezen de opeenvolgende gedichten als een verhaal. Er zijn wel drie ‘hoofdstukken': De Amsterdamse school, In de spiegel en Salt Peanuts. Ze geven zonder duidelijke markeringen de middelbare schooltijd weer, vakanties, de muziek en jeugdcultuur van die tijd en natuurlijk vroege verliefdheden. Het zijn tijdsbeelden die soms tijdloos zijn, zoals het gedicht over de pont over het IJ, die nog steeds vaart:

En ‘s avonds namen we de pont
over het IJ en keken naar
de sterren in het water
naar de schepen in de nacht
met hun kajuit van licht waar
gezongen werd misschien een psalm
we voeren heen en weer van onze
naar de overkant waar wij
niet wilden zijn het IJ gleed
ons voorbij een schip gelijk
maar als van donker glas met
huiverende rimpelingen
zou het vanzelf weer ochtend
worden en waren wij erbij
voor een morgen aan het IJ

In het deel ‘Salt peanuts’ gaat de vakantiereis naar Frankrijk, met het gezin in de auto.

Mijn vader rijdt en leest de kaart
we rijden naar het zuiden mijn
moeder deelt de boterhammen
uit die ze gisteren heeft staan
smeren stoppen doen we om te
tanken het pompstation heet
Esso Caltex Shell de bergen
blijken wolken en altijd gaat de
weg naar Toutes directions
waar dat dorp ook liggen mag
ha daar heb je de platanen
zie ons met een rotvaart gaan
zeker zestig in het uur want
we zijn bijna in het zuiden
met mijn vader aan het stuur

Persoonlijk stel ik me de auto hier voor als een DAF. Hollandser kan het niet. Maar iedere lezer kan hier rustig zijn eigen automerk bij denken, van een model uit die tijd. Het kneuterige zit hem in die tijd op de grens van de jaren vijftig en zestig. De schone, zo goed als interpunctieloze gedichten hebben een meeslepend ritme en tempo. Hier is duidelijk een ervaren dichter aan het woord, die zijn vorm gevonden heeft. Er staan dan ook al heel wat publicaties achter zijn naam.

Luijters neemt afscheid van dit hoofdstuk van zijn leven met alweer een tocht, deze keer per fiets, door een deel van Amsterdam:

Ik stak de snelweg over
en ben door de tuinen naar
de Nieuwe Meer gegaan het was
een zondagmorgen in november
ik was zestien jaar ik reed van
Sluis naar IJsbaanpad en daar
waar eens het treintje reed kruisten
wij elkaar je had mij al gezien
ik jou maar niet van zo nabij
we stopten zeiden onze naam
en vervolgden onze weg
maar wisten allebei dat wij
voorgoed verbonden waren
ik fietste zingend in de zon
en zong zo luid ik kon Salt
Peanuts! Zong ik Salt Peanuts!

Luijters beschreef de periode voorafgaand aan deze in zijn autobiografie ‘Lege stad – Verzamelde herinneringen 1943 – 1950. Nu ben ik benieuwd in welke vorm hij zijn herinneringen van na 1960 zal schrijven. Hoe verging het deze zestienjarige zingende fietser verder, en welke rol speelde de poëzie daarin?

***

Sinds 1972 is Guus Luijters is dichter en prozaschrijver. In 2012 verschenenIn Memoriam. De gedeporteerde en vermoorde Joodse, Roma en Sinti kinderen 1942-1945 en Lege stad – Verzamelde herinneringen 1943 -1950. Als dichter publiceerde hij onder andere De Amsterdamse gedichten (2007). Daarnaast publiceerde hij de bloemlezingen De moderne Franse poëzie, Amsterdam. De stad in gedichten (beide 2001) en Het Grote Dieren Gedichten Boek (2007).

Recensie van Mijn lief mijn leed - Clyde Roël Lo A Njoe

De operette van de poëzie

Clyde Roël Lo A Njoe
Mijn lief mijn leed
Uitgever: In de Knipscheer
2015
ISBN 9789062658770
€ 15,-
blz.

Soms valt het niet mee een dichtbundel eerlijk te recenseren. Ik ken niet alle dichters en weet niet altijd wat voor recensie-exemplaar ik in de bus krijg. De Meanderredactie stuurde mij Mijn lief mijn leed van Clyde R. Lo A Njoe, een op Aruba geboren Surinaamse dichter die al eerder publiceerde en daarbij ook beeldend kunstenaar is. Ik hoopte op iets eigens, iets exotisch misschien, zoals ik bij elke dichter op zoek ga naar de eigen stem. Eerlijk gezegd werd ik hierin teleurgesteld. Ik geef een voorbeeld: 

De lokzang
 
Evenals Heinrich Heine zal ik tot mijn laatste ademtocht
de woorden zoeken en vinden, waarmee oprecht en waar
mijn verzen uit de donkerste krochten worden gewrocht
en zich verder plooien naar het licht als een levenslied.
Lijk jij weer op Lorelei en tart ik in nevels het gevaar.
Deint op golfslag jouw lied, vol smart en verdriet.
 
In cymbia navitam mille
Angores feri tenent
Non videt scopulos ille
Ocli non si sursum vident …
 

Het gedicht is langer, maar ik denk dat dit fragment genoeg is om een indruk te krijgen van de stijl van Lo A Njoe. De dichter is gek op gezwollen taal en gebruikt veel clichés. Bij het fragment in het Latijn wordt in de bronvermelding verwezen naar Die Lorelei, Richard Tauber. Met de volgende link is de tekst van het lied in drie talen te vinden: http://ingeb.org/Lieder/ichweiss.html

 Mild wil ik zijn, over elke dichter die zijn woorden aan de drukpers toevertrouwt. Dus ik zoek naar sterke punten, naar dat eigene, exotische misschien. Zou het een kwestie van smaak zijn dat deze gedichten mij niet aanstaan? Ik houd niet van operette en dit lijkt wel de operette van de poëzie. De zwarte rozen op de voorkant van de bundel hadden een waarschuwing moeten zijn.

De dichter verwerkt in letterlijk elk gedicht een gedeelte van een liedtekst, van Neil Diamond tot Barbara Streisand, van Pink Floyd tot Very Lynn [sic]. Wat mij betreft mag een dichter best jatten of verwijzen, maar hele coupletten overschrijven vind ik niet erg creatief. Een gedicht over Aruba dan maar: 

De rots
 
Het leek op het kloppen op een zware poort.
Omringd door zomerse kleuren en geuren
ijlden mijn gedachten almaar voort
opende mijn geheugen haast vergeten deuren
waarachter ik beelden vond uit mijn kindertijd.
 
Het kwam als vanzelf door het zinderende licht.
Ik werd nog altijd door het kloppen afgeleid.
Ineens wist ik dat het ging om dat ene gedicht.
Nu speelt een wals, verstomt prompt het geklop
maar niet het klotsen van het Caraïbische zeesop.
 
Aruba, patria aprécia,
nos cuna venerà.
Chikitu y simpel bo por ta,
pero si respetà.
 
Mijn lief, mijn leed, ik weet weer waar ik ben beland.
Het zijn niet zozeer de kadushi en het romige strand
eerder zuivere onschuld en de mensen om me heen.
Baadt alles in zonnepret en is dit kind nooit alleen.
Op die harde goudgele rots wordt intens geleefd
ademt de wind, die licht en lach met elkaar verweeft.
 
Oh, Aruba, dushi tera,
nos baranc tan stimà.
Nos amor pa bo t’asina grandi,
c’un tin nada pa kibr’é.
 
Het refrein walst door de achterkamers van mijn brein
ontstijgt die kleine rots, mijn rots, waar ik geboren ben.
Nergens anders onderga ik, wat ik hier meteen erken:
het besef, dat ik alleen op deze rots echt thuis kan zijn.

De cursieve stukken zijn gedeelten van het Arubaanse volkslied. Lo Njoe geeft de Nederlandse vertaling niet, Wikipedia wel: https://nl.wikipedia.org/wiki/Aruba_Dushi_Tera. Kadushi zijn zuilvormige cactussen. De woorden ‘mijn lief mijn leed’ komen in bijna elk gedicht terug, samen of los van elkaar.

Ach, ik begrijp die sentimenten wel, al word ik er zelf niet warm of koud van. Clyde R. Lo A Njoe zou zo maar een volksdichter kunnen zijn, een lieve oude man, van wie veel van zijn landgenoten houden. Zoals er in Nederland volkszangers zijn met heel veel fans, die graag de teksten meezingen, met een glaasje en een traantje erbij. Van mij mogen ze. Maar ik houd meer van echt creatief taalgebruik.

***
Clyde Roël Lo A Njoe (in 1948 op Aruba geboren uit Surinaamse ouders) debuteerde in 1982 als dichter met de bundel Dansen / Baliamentu, twee jaar later gevolgd door gedichten in Doodverf. Zijn derde poëziepublicatie Echolood dateert van 1989.
Via de QR-code op het omslag van Mijn lief mijn leed zijn alle citaten uit de liedteksten in beeld en geluid op te roepen.