De gedichten van de finale (1)

In de finale van de Meander Dichtersprijs 2017 doen de twaalf kanshebbers elk met drie gedichten mee. In het tweede gedicht moet de woordcombinatie ‘een klein heelal’ voorkomen. Het derde gedicht is de inzending waarmee ze de voorronde wonnen.

Onno-Sven Tromp

Weinig zijn

het was een dag van weinig zijn, dat veel
was opgeheven, onze aanwezigheid niet
op prijs werd gesteld, gras zich beklaagde
over blote voeten, lucht weerstand bood,

dat regen zich omdraaide, wind niet wilde,
horizon zich achter ons verschool, niemand
zich zijn naam herinnerde, planten onder de
modder kropen, huizen werden ontbouwd,

dachten we: alle bomen staan op één been,
grond is geduldig, we gaan wildernis voorbij,
besparen op adem en kijken naar onszelf,

wisten we: tijd is water, water is steen, tijd
slaat gaten in een muur, water verliest niet,
kiezels verrotten, geen mens wordt gedoogd

Opnieuw

waren we zwijgend met elkaar verbonden, raakten
onze neuzen elkaar, vertelden we vergeten verhalen,
over winterslaap, over toen er nog geen licht was,

mopperden we, worstelden we binnensmonds,
jonglerend met planeten, de aarde een toverbal op
de tong, waren we scheppers van een klein heelal,

wachtten we tot alles ging krimpen, lieten we
onze blikken verschrompelen, verdween de energie,
werden we ingedikt, afgescheept en over tijd verklaard,

stonden we aan zee, was het een oud moment,
waren we er niet om beroemd te zijn, wilden we
namen helen, vleugels plakken, hemelwaarts vallen,

begonnen we opnieuw, lieten we kurken knallen,
dronken we gekromde ruimte in, vulden we zwarte
gaten met vermeend genot, dijden we oneindig ver uit

Verder

ze tilde zichzelf op, dat ze kon zweven, of ik
het wilde zien, liep ze een eindje zonder de grond
te raken, het was een gebrek aan zwaartekracht

dat haar opbrak, hing ze zich als vitrage voor de
ramen, kon ik van binnen door haar heen kijken,
van buiten niet, of ik het misschien wilde zien,

ze lichtte haar hielen, zeilde ze als weesvlinder
door een wintertuin, dat ze behoefte had aan
houvast, ik wist het niet, een verdorde bloemknop

om op te zitten, had ik haar mijn hand gegund,
mijn gewicht tegen haar aan gelegd, had ik haar
uit de lucht gegrepen, riep ze me immers nog,

durfde ik niet te kijken, bang dat ze vleugels
zou breken, als bevroren papier, ze schreef hoog
haar vallende brief, was ze gevlogen, verder

Peter Vermaat

Zwartman

[omega]
Hij staat te wachten onder een lantaarn,
ondergedoken in kleurloosheid. Uren lang
passeert geen schaduw die zijn schoenen past.

Hij wacht op hem. Hij weet wie hem verwacht,
want alle brieven hebben zijn adres.
Hij is zijn broodheer, leidt zijn botervloot
en leest hem in de voorkamer de les.

Hij is het zwart dat niemand lijkt en iedereen
uiteindelijk omarmt, de loodbeslagen deur
die zonder sleutel opent en het naambordje,
waar wie het ziet zijn eigen letters leest.

Daar komt hij aan. Hij steekt zijn hand al uit
om over wat hij biedt het eens te worden.
Hij heeft hem reeds ontmoet. Loopt met hem heen.

De refreinen van Doodstil

Iedere nacht houdt het geluidstekort
- van kinderstemmen ooit – mijn voeten vast,
ligt er gemis als stof op richels
en in kieren. Plinten komen los,
kunnen op elk moment de benen nemen.

Een klein heelal, geknepen tot een bal,
deelt al je kleurensmaken op mijn tong
en hangt de dag een lappendeken om
van lichtval in dopplergedaante.

Ik hoor wat niemand spreekt. Gebrek
aan stem schrijft woorden in het grauw
van wie zich in mijn achterhoofd ontvouwt,
mijn voetspoor volgt als trouwe hond.

Hij wordt een wolf en kromt zich voor de sprong.

Hoe ruikt een woord?

Hoe ruikt dit woord? De klinkers uit
het gras, tegen de avondval, met uitgestorven
bloemen en een vreemde kever, die zo afgemeten
in de vele tinten groen loopt te verdwalen.
Eetlust blijft er ver van. Nu handen wassen
denk je, maar het kleeft, het zeurt.

Hoe smaakt jou deze zin? Opengesneden huid
tongen de tegenvoeters zich een dieptepunt
van dierlijkheid en taalbegrip. Slurp je
de glottisslag het vruchtvlees uit en laat
het zoet logeren op je tongpapillen.

Hoe kijkt de klank je luchtpijp in?
Volgt zij je adem op het ritme van je
harteklop de aders door, of er een slagorde
je lichaam in marcheert. Geen spoor
van oorlog, loog de mondmachine.

Hoe steekt een punt? Tegen je huig.

Hester van Beers

Xiphisternum

Langs mijn vingers loopt de kleur
van je donkerrode lakschoentjes aarzelend
naar beneden.

Kogels vallen door mijn bloedbaan
op je naakte ribbenkast, wringen zich
door de openingen. Ik trek mijn ogen ervan af
als een vinger van een gloeiende plaat, je hals

is zoeter dan vanillesuiker. Onze natte haren
klitten samen tot iets dat schoon
en blond is, zoals alleen kinderen schoon
en blond zijn. Mijn borstbeen is een kraterlandschap

waar we blootsvoets overheen rennen tot het splitst
in dor en vruchtbaar land.   

We staan op de dijk met onze armen hoger
dan de zee en we noemen onszelf Abraham.
Ik ontwijk de rubberen moedervlekken
die we ooit op het fietspad spuugden,

het asfalt bloedt van kinderknieën
en ik heb nooit eerder een meisje gehad
maar dit is dus oud zijn: de Melkweg
leeg zien lopen langs de muren.

groter dan

vandaag ben ik groter dan de stapelhuizen.

ik knijp mijn ogen stijf dicht en kies
een knikker uit de glazen pot.

een groene werveling zit gevangen
in het glas, een klein heelal
tussen mijn duim en wijsvinger.

ik rol het heen en weer
en broed een wereld uit.

de slager stelt de grote vragen.
hij rolt een plakje worst, knipoogt

en ik sta op mijn tenen
met mijn vingers uitgestrekt.

het vlees voelt koud en zacht
als oma’s dode wangen. kauwend loop ik weg.    

de tegels omlijsten mijn stappen.
precies voor de stoeprand blijf ik staan.

ik laat de wereld vallen.
het glas klinkt
naar botsende planeten.

Chocoladesigaretten

Het leven is een boot en ik hang kotsend over de reling.

Mijn vingers blijven het litteken vinden
op mijn knie, van toen we naar de trein renden
en ik te graag naar huis wilde om niet uit te glijden.

In je schouders woont muziek. Mijn duimen zweven
over je sleutelbeenderen die ik graag claviculae noem
omdat dat zo’n mooi woord is en er misschien nog iets
van ons terechtkomt als we zo mooi mogelijk
proberen te praten.

Ik vertel over hoe ik vroeger met mijn zusje in bad paste
en hoe eenvoudig dat was. Dat ik de handdoek om mijn schouders
sloeg om het kinderlichaam te verstoppen
dat op de badrand op het warme water wachtte.
Over hoe we in kleermakerszit
onder het klimrek zaten, chocoladesigaretten
tussen onze tanden geklemd, en opschepten
over onze vaders die koning waren.

Je zegt dat ik nog altijd te klein ben
om warmte vast te houden,
dat mijn binnenkant te dicht onder de huid zit.
Ik zeg dat ik naar het licht groei
en alleen ‘s nachts mijn ogen open kan houden.

Gedichten

door Hester van Beers (1995)

Hester van Beers (1995) studeert Medical Engineering. Ze vangt het leven graag in woorden. Haar debuutbundel Het einde van de roltrap verschijnt binnenkort. Poëzie van Hester werd eerder gepubliceerd in Meander Magazine, Tijdschrift Ei, Avier en in de bundel Toch, nachtegaal, zing voort van de Turing Gedichtenwedstrijd.

De bundel verschijnt op 11 maart en wordt uitgegeven door Lipari. De rode draad in de gedichten is de overgang naar de volwassenheid en daarmee het verlies van de kinderlijke zorgeloosheid. Wat kom je tegen op de reis na het einde van de roltrap, wanneer je zelf moet gaan klimmen?

 

Vaatvernauwing

Onze straat krimpt als een vaatvernauwing, iedere ochtend
wonen we dichter bij elkaar. Vonkjes vallen
op het asfalt, je hand een sigaret uit het raam. In iedere hoek

een vreemdeling; als je te veel spijkers in de muur slaat,
passen de foto’s niet meer. Mijn moeder durft
de telefoon niet op te hangen, bang

dat de stilte wortel schiet. De maan tekent gebouwen
op het fietspad. De bedden verstoppen verbrande dromen
over glimmende glijbanen in nieuwbouwwijken.

Onkruid

We weten dat je alleen op tijd komt
omdat niemand op je wacht. Jij weet
dat je te vaak de verkeerde kant
van de soldeerbout hebt beetgepakt.

Je bloedt op het papier en noemt het poëzie
om de wereld te verzachten. Je brein speelt krampachtig
de muziek van een unoxreclame;
als je je ogen dichtknijpt, zie je bijna
de stamppot op tafel, soms zelfs een schort en een moeder.

’s Avonds zoemt je elektrische tandenborstel
als je van kwadrant mag wisselen, je gehoorzaamt
fietspadknopjes en zebrastrepen. Alleen voor onkruid kniel je
nog, je gebeden zijn verstild tot het vermoeide kraken
van je zolen op het tuinpad.

Uit: Hester van Beers. Het einde van de roltrap
Uitgeverij Lipari. ISBN 9789082058802

Uitgeverij Lipari vraagt voor het omslagontwerp van door haar uitgegeven dichtbundels telkens een jonge (onbekende) kunstenaar. Sommige bundels zijn hierdoor ook in een museum te bekijken. Voor de bundel van Hester vroegen ze Katja Fred.
Katja is in 2005 afgestudeerd als illustrator aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht. Toch is ze meer dan alleen een illustrator: ze beschikt over meerdere kunstdisciplines. Haar persoonlijke illustratiewerk is gefocust op filosofie en ze zet haar kunsten graag in voor maatschappelijke kwesties.
 

Winnende gedichten

door Hester van Beers (1995), Onno-Sven Tromp (1967)

Met deze gedichten wonnen Hester van Beers en Onno-Sven Tromp de vijfde ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Hester van Beers (1995)

Chocoladesigaretten

Het leven is een boot en ik hang kotsend over de reling.

Mijn vingers blijven het litteken vinden
op mijn knie, van toen we naar de trein renden
en ik te graag naar huis wilde om niet uit te glijden.

In je schouders woont muziek. Mijn duimen zweven
over je sleutelbeenderen die ik graag claviculae noem
omdat dat zo’n mooi woord is en er misschien nog iets
van ons terechtkomt als we zo mooi mogelijk
proberen te praten.

Ik vertel over hoe ik vroeger met mijn zusje in bad paste
en hoe eenvoudig dat was. Dat ik de handdoek om mijn schouders
sloeg om het kinderlichaam te verstoppen
dat op de badrand op het warme water wachtte.
Over hoe we in kleermakerszit
onder het klimrek zaten, chocoladesigaretten
tussen onze tanden geklemd, en opschepten
over onze vaders die koning waren.

Je zegt dat ik nog altijd te klein ben
om warmte vast te houden,
dat mijn binnenkant te dicht onder de huid zit.
Ik zeg dat ik naar het licht groei
en alleen ‘s nachts mijn ogen open kan houden.

Onno-Sven Tromp (1967)

Verder

ze tilde zichzelf op, dat ze kon zweven, of ik
het wilde zien, liep ze een eindje zonder de grond
te raken, het was een gebrek aan zwaartekracht

dat haar opbrak, hing ze zich als vitrage voor de
ramen, kon ik van binnen door haar heen kijken,
van buiten niet, of ik het misschien wilde zien,

ze lichtte haar hielen, zeilde ze als weesvlinder
door een wintertuin, dat ze behoefte had aan
houvast, ik wist het niet, een verdorde bloemknop

om op te zitten, had ik haar mijn hand gegund,
mijn gewicht tegen haar aan gelegd, had ik haar
uit de lucht gegrepen, riep ze me immers nog,

durfde ik niet te kijken, bang dat ze vleugels
zou breken, als bevroren papier, ze schreef hoog
haar vallende brief, was ze gevlogen, verder

Gedichten

Een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Bert Huisman (1950)

Drie minuten

zomaar ineens
om drie minuten voor twaalf
een zaterdagavond
terwijl het
buiten regent
en het zich
niet laat verklaren

daarvoor is iets
anders nodig
een andere taal
met zuivere tekens
desnoods een woord
voor meerdere dagen

Anne Cockaerts (1962)

het uur waarop een tuin moe wordt maar de slaap niet komt
we een woord zoeken om de dag op te vouwen

in een kast te gooien zodat de deur eindelijk dicht kan
ik tel elke vleugel van dichtbij

hou toch maar afstand fluister je
want vrienden sluiten deuren houden anderen uit het licht
dat zoet smaakt net voor de herfst

onze kat bladert in de struiken jij doet de gordijnen dicht
bijna vanzelfsprekend

Jolande van Lith (1966)

De perzik en de tirade

Als een roofdier in roze tule krimpt het Mariabeeld lege weemoed.
Dut maar dichterbij.
Vlij je postnatale mimiek maar tegen deze zieke hond.
Toeristen van ridderlijkheid schreeuwen kansloos griezelig de prooi als raad.
Proef dit motief van beklemming.

Loensend ontelbaar als wolk uit je kindertijd.
Loop altijd door op het trottoir en verraad de maan.
Geen tij laat zich vertrekken.
Dankbaar. Dansvloer. Full swing.

De perzik en de tirade,
zonderling te koop in een ongepubliceerde zucht.
Het raamkozijn vermoordt het gifgroene uitzicht,
terwijl de resolutie wordt opgehangen aan het ongelovig behang.

Hester van Beers (1995)

Zusje, bedek je ogen
met je vingerloze handschoentjes.
Onze geboortegrond is een hellend vlak

geworden, in onze straat
wordt doodslag gepleegd
en de lichten haperen

met krimpende tussenpozen.
Ik heb het muntje in het winkelwagentje
gelaten en ben naar huis

maar niet op tijd gekomen. Mijn dode hoek
is gegroeid tot blindheid waarin beweging
niet bestaat

Gedichten

door Bert Struyvé (1952), Nico Pot (1928), Robin Wim Hutse (1993), Irene Schoenmacker (1988), Hester van Beers (1995)
Nog vijf gedichten die de aandacht trokken tussen de inzendingen in de eerste ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Bert Struyvé (1952)

Terug

hij veegt met zijn ogen door haar huis, ziet
het behang weer ˂zilverberken in herfst˃ hij veegt
zijn voeten niet, nog steeds riskant op het tegeltapijt
hij leunt wel op enerzijds anderzijds in de lege kamers
zijn leven is daar in omdenken getild

iets van een weg toonde zich, toch loste daarmee
de ochtendspits in zijn hoofd niet op, een weg groeit
alleen door te gaan wist Franz K al

hij maait stappen van gisteren uit het opgeschoten gras
kruipt omhoog tegen een blinde muur
om tot handstand te komen, in zijn ogen draait de aarde
maar even Google Earth 3D

hij onderneemt geen stappen voor verjaardagen meer
die verjaren immers vanzelf
als je nooit op een kalender kijkt

morgen waait een nieuwe kronkelweg van woorden aan
het begin van de weg is van hem, de woorden van haar
het is de bladzijde die vaak wordt bezocht
met rechtsboven een omvouw

Nico W. Pot (1928)

De jaren vijftig herlezen

De glinsterende regels van weleer
krijg ik niet langer zomaar aangewaaid.
‘k Herken de buitelingen der epitheta,
de lust en laakbaarheid van het bestaan
in jonge dagen, de levensvragen die ik
met veel aplomb in vrije versvorm goot.

Ach jee, die tomeloosheid, ingesnoerd
in rijke regels zonder kapitalen.
En interpunctie? It was not done.
Ik schreef gepassioneerd maar niet ontroerd,
stuurde de stroomloosheid van het verbale
en ging voor niets en niemand on the run.

Maar nu mijn jaren zijn vermenigvuldigd
met factor vier, de drift bedaard
en ik een vlootschouw van mijn daden laat passeren
acht ik de wereld weinig dank verschuldigd
voor wat ik dobberen liet in trage vaart.

Ik werd een heer temidden van de heren.
Soms nog een oprisping van kunst en literatuur
omdat ik mij daaraan heb overeten.
Het goede smaakt alleen maar mondjesmaat.
Zo ook de liefde. Smeulend vuur,
waarbij de blaasbalg werd vergeten.
En zie, mijn regels rijmen nu in regelmaat.

Robin Wim Hutse (1993)

voyager I

het moet eruit zeg ik

die jacht van valken onder mijn tong, de aften van mijn vlees
ik hou niet van het trage gerollebol van een studieronde
of van het lezen op de kilometerteller hoeveel meter
ik al verwijderd ben van mijn beslissing en hoe
snel ik dat doe. Het moet eruit. Begin.
Ik hoor het lage gekrioel van een
essentie ergens in het donker
het gomt mijn handen uit je
nek, het strijkt je afdruk
in mijn bed glad, op
een dag vaalt je
huid ik zal het
niet zien of
weten

maar begin

Irene Schoenmacker (1988)

Afgunst

In de stad is het gemakkelijker afgunst verzamelen
waar je een mens van kunt bouwen voor op het voeteneind van je bed.
Het bestaat uit lege bierblikjes, gebruikte condooms,
een afgebroken hak van een meisje dat giechelend de nacht uitvalt.

In de ochtend is de mens het meest aanwezig. Het volgt je naar de supermarkt,
kijkt zwijgend naar de twee slavinken in hun verpakking op het aanrecht.
Doet nooit gezellig mee met bordspelletjes in de kroeg maar loert rond,
houdt anderen angstvallig in de gaten.

Zit permanent op dat krukje in je hoofd; past weinig anders naast.
Een arm wellicht. Die je om je heen kan slaan wanneer je terug fietst
en de stad is donker en de zon die opkomt
lijkt vanaf je zadel op een niet te blussen brand.

Hester van Beers (1995)

Alle plastic zakken leeggedronken en nog steeds moet je kussen
je angstsnikken dragen, iedere ochtend meer opgezwollen.

De modder is zwart als de schoenen die mijn vader naar begrafenissen draagt.
Hoeveel dood zou de modder hebben gezien,
vraag je.
Ik zeg dat dood niet telbaar is,
niet in porties te koop. Toch tel ik die avond
de rotte plekken in het behang.

Boven de vloer vol strooizout beeft de bank je lichaam.
Soms vind ik een schelp die voelt als de kromming
van je rug.