Recensie van Hoe ik een bos begon in mijn badkamer - Maartje Smits

Hoe een mens leven uitknipt

Maartje Smits
Hoe ik een bos begon in mijn badkamer
Uitgever: De Harmonie
2017
ISBN 9789463360173
€ 17,50
69 blz.

Maartje Smits studeerde ’beeld en taal’ aan de Gerrit Rietveld Academie en  voltooide eveneens een Master in Design aan het Sandberg Instituut. In 2015 debuteerde ze met Als je een meisje bent bij uitgeverij De Harmonie.  Voor deze tweede bundel ontving Maartje de debutantenbeurs van het Nederlandse Letterenfonds. Smits is docente aan de Gerrit Rietveld Academie en ArtEZ en schrijft columns voor De Groene Amsterdammer.

Hoe ik een bos begon in mijn badkamer heeft voor mij de hebbeding-factor zodra ik de cover op de sociale media voorbij zie komen. Het groen omsluit, als een bos van boven gezien, twee stopcontacten. Met het hebbeding in mijn handen zie ik dat het groen meer op koraal lijkt dan op bomen. Koraal past mooi bij het waterthema van de badkamer en stammen wij, doet het beeld mij retorisch afvragen, inclusief het groen niet allemaal uit het water? De stopcontacten suggereren dat de moderne wereld en natuur in de gedichten een fascinerende dialoog met elkaar aan zullen gaan.
Voor we naar binnen gaan in de wonderlijke wereld van Smits, nog één opmerking over de voorkant. Door de associatie van mijn partner werd ik me bewust dat de voorkant een perfect beeldrijm maakt met de hoes van de animatiefilm The secret of kells. Op de cover van de betreffende film kijken twee witte ogen door een twee ogen groot gat in het bladergroen. Hierdoor ben ik benieuwd of in de bundel Keltische symbolen of sferen aangehaald zullen worden, in de vorm van moderne natuurgedichten, wat me spannend lijkt.

Maar al snel blijkt tijdens het lezen dat ik mijn verlangen naar sprookjes en romantisering moet laten varen. (Wakker worden Laura, we leven in 2017!) Smits draagt de bundel op aan alle ecoducten die ze (stiekem) overstak en benoemt deze persoonlijk. Zo zegt ze in moderne, niet romantische taal dat ze eigenlijk een hert is, denk ik. De stijl van de gedichten grenst hier en daar aan postmodern. Ze observeren, benoemen, breken af, ontleden, spelen met betekenissystemen. Smits legt originele verbanden, niet alleen tussen de woorden maar ook tussen woord én beeld.  De zinnen (of woorden, lettergrepen) ontregelen door originele verbanden te leggen, talen (Nederlands mit bits of Duits en Engels) te mixen en herhaling als stijlfiguur in te zetten, alsof het een associatief soort muziek betreft. Ervaar als voorbeeld een fragment van het zintuigelijke ‘Hindernissen’.

(Lärm stinkt en lonkt en slalomt het speelplein over

hufterproof beton
boom
hufterproof beton
boom
hufterbroof beton
boom)

Ziedaar, ‘boom’, gaat het hier nu om een groene boom? Of is het een onomatopee voor een knal die poogt het hufterproof beton om te leggen? Het is maar net wat onze associatie ermee doet en Smits lijkt daar niet wakker van te liggen. In deze zin wordt het gedrukte gedicht overgelaten aan de verbeelding van de lezer. De speelse muzikaliteit van de taal herinnert me aan werk van Paul van Ostaijen..
Persoonlijk blijf ik achter met een leeg gevoel , wat me willekeurig doet denken aan het boeddhistische hart-sutra: leegte is vorm en vorm is leegte. Vanuit mijn streven naar zingeving (wat volgens het sutra eveneens leegte is), beweer ik dat Smits in haar creatief proces haar ego (het ik-concept) afbreekt om iets nieuws te kunnen maken. Als ik inzoom zie ik dat ze niet alleen afbreekt, maar ook weer opbouwt, zoals in het gedicht ‘Instructies om jezelf te troosten’ (fragment).

(ruik
het beeld van een net geschoren
berm
de  close-up van het houten kruid
geknipt tot waar knippert hoe hard
ze je inhalen (auto’s wezens etc.)

ga liggen tussen weiland en straat
wrijf grijze kevers schoon lak watervogels
mat en bedenk waar wagens
tegenwoordig naar vernoemd worden wacht
tot iemand je ziet zonder te kijken hoe jij jezelf on-dekt
snuif en bepaal de richting en geschiedenis van
dit ongehoorzame geluid

Vluchtheuvel op een razend weiland
prevel: van alles hier leef ik nu het meest)

Bovenstaand gedicht dat ik op zichzelf in knappe taal filmisch vind, wordt overigens onderbroken door twee foto’s.  Zo staan in de bundel meermaals foto’s midden op de pagina tussen twee ‘strofes’ van een gedicht. De zin hiervan ontgaat me soms. Ik ervaar de afbeeldingen op deze manier als onderbreking, een afleiding van de tekst die me ook al regelmatig laat stoppen met lezen om na te denken over het geschrevene. Ook wordt op sommige foto’s, zoals wij op de kunstacademie in theatertaal omschreven, de rode deur rood geverfd. Dat wil zeggen dat op de foto hetzelfde staat als in de tekst. In een gedicht wordt duin genoemd, op de foto staat een duin. Zou op de foto bijvoorbeeld een berg afval te zien zijn, dan zou het woord ‘duin’ een andere lading krijgen. Desalniettemin zou ik geen enkele foto uit de bundel geschrapt willen zien, ze weten nuchter en met een knipoog tegelijk adembenemend mooi te zijn.  Toch kan ik me een vorm voorstellen, zeg fotoboek of expositie, waarin de foto’s beter tot hun recht zouden komen. Op de bladzijdes dat de foto’s het rijk voor zich alleen hebben, met een enkele zin, komen ze naar mijn mening direct veel beter tot hun recht. De foto’s van Maartje Smits zijn gedichten op zich.  

Over het algemeen gezien hebben de kortere gedichten van Smits, die op de bladzijden meer witregels krijgen, de meeste zeggingskracht. Waar in de conceptuele vormgeving ‘wild’ wordt gedaan met groene strepen die naar de naastliggende bladzijde doorlopen raak ik weer wat de weg kwijt, maar dat terzijde. Het volgende gedicht, ‘Oververhitting bij tandelozen’, is eveneens een goed voorbeeld van het ‘stopcontact temidden van het groen’, de verwrongen en gelaagde dialoog tussen natuur en civilisatie.

(traject palliatieve zorg sloeg in
ontheffing vroeg onze aandacht

het dier rustig laten sterven:
1. intravasculaire injectie
2. vuurwapen
3. explosieven

Rendac stond klaar voor vewerking
rug- (kop, flipper) staartvin

na afloop
bleek Johanna
boterzacht

het snijwerk nam twee dagen in beslag.)

De taal van civilisatie is zakelijk en hard en vormt een confronterend contrast met Johanna’s ‘boterzacht.’ Het snijwerk komt daarna extra hard aan. Zo hakt een gedicht er wel in met een engagement dat observerend aanstipt zonder te oordelen.

Het mooiste vind ik wanneer Smits emotie in haar teksten toelaat, zoals in mijn favoriete zinnen uit het titelgedicht.

(mijn plantenmix huilde onder de douche
waar ik hun weke onderlijven ontpotte en begroef
in de uitgeknipte aarde )

Hier spreekt Maartje Smits zich uit en ik weet, nee ik voel, wat haar boodschap is.
Ze vertelt van personificatie en eenheid met de natuur en schetst tegelijk een mensbeeld. De mens die het leven uitknipt dat hij wil hebben, als plaatjes uit een catalogus op een verlanglijstje en de natuur die hieronder lijdt.

Ik vermoed dat ook de gedichten die onpersoonlijker lijken meer tot leven komen als de dichteres ze voordraagt. Gelukkig kon ik op haar website direct mijn verlangen stillen en mijn vermoeden bevestigd weten. In de voordracht worden gedichten die op papier moeilijk zijn te volgen vanzelf toegankelijk. Naast haar talent voor beeld en taal is Smits namelijk ook een perform-talent en ze zal zeker, op steeds weer verrassende wijze, nog veel van zich laten horen. 

De kip is het ei

 

Merel van Slobbe (1992) won de Meander Dichtersprijs 2017.

Ha Merel, van harte gefeliciteerd met de mooie, integere gedichten die je de Meander Dichtersprijs opleverden. Ik ben één van de dertien juryleden die jou als nummer één benoemden. Net als een journalist na een heet gestreden voetbalwedstrijd wil ik uiteraard weten: wat ging er door je heen toen je hoorde dat je hebt gewonnen?
Ik was net wakker toen ik het hoorde, ik was havermoutpap aan het maken. Het nieuws kwam hierdoor extra onverwacht. Ik was natuurlijk erg blij. Het is heel leuk om de prijs te winnen, maar ook een fijn idee dat de mensen uit de jury de gedichten mooi vonden.

Hoe groot schatte je zelf je kansen in? Had je een lieveling onder de andere deelnemers?
Ik vind de andere twee dichters van de top drie, Marjon Zomer en Hester van Beers, allebei erg goed. Ik was al heel blij om met hen samen in de top drie te staan. Natuurlijk hoopte ik wel dat ik zou winnen, maar ik had er niet op gerekend.

Je studeerde zowel aan de Schrijversvakschool als ook filosofie. Wat kwam eerst, de liefde voor taal of de filosofie? Graag ook een antwoord in kip en ei metaforen.
Ik denk dat je die twee niet los van elkaar kunt zien. Taal en betekenis spelen een grote rol binnen filosofie en andersom zitten er vaak filosofische elementen in poëzie. Vanuit mijn studie ben ik veel bezig met taal, zo schrijf ik mijn scriptie over de manier waarop dichtkunst en filosofie zich tot de waarheid verhouden. Voor mij komt de liefde voor taal en de liefde voor filosofie dus een beetje op hetzelfde neer. De kip is het ei.

Ik denk dat ‘waarheid’ uitgedrukt in taal altijd de waarheid ‘volgens’ iemand is en nooit de waarheid op zich. Wat is volgens jou dan, los van taal en filosofie, de waarheid?
Ik weet niet of er zoiets bestaat als waarheid los van taal en filosofie. Volgens veel filosofen komt waarheid pas na de taal. In één van mijn gedichten (En dat je dan opnieuw) heb ik de regel: ‘Niets is waar genoeg om uit te maken.’ Ik weet eigenlijk zelf niet of ik daar achter sta, maar Ik denk in ieder geval dat de waarheid veel verschillende gedaantes kent. Daarom vind ik het ook zo’n interessant concept om mee bezig te zijn.

De filosofische toon van je gedichten valt op, al kan ik er niet de vinger op leggen van welk filosofisch gedachtengoed je woorden doordrongen zijn. Met welke filosoof dans je als je schrijft?
In mijn gedichten refereer ik niet aan specifieke filosofen of concrete theorieën. Ik merk eerder dat ik door mijn studie meer over bepaalde thema’s, zoals tijd of waarheid, nadenk. Dit uit zich vervolgens weer bij het schrijven van gedichten, maar in een geheel andere vorm. Vanuit de filosofie ga ik rationeel en analytisch met dit soort thema’s om en vanuit de poëzie juist vrij en associatief. Ik vind het heel leuk dat ik zo op twee heel verschillende manieren naar dezelfde concepten kan kijken.

Is er een auteur wiens werk jouw bijzonder heeft geraakt en beinvloedt?
Ik ben door veel verschillende mensen (en dingen) beïnvloed, ik vind het daarom lastig om één specifieke auteur aan te wijzen. Wel zijn er op dit moment een aantal jonge dichters wiens stijl me erg aanspreekt, zoals Marieke Rijneveld, Maarten van der Graaff, Charlotte van den Broeck en Lieke Marsman. Maar ik kan ook door hele andere dingen geïnspireerd worden, bijvoorbeeld door conversaties, muziek of foto’s.

In je gedichten lijkt de kindertijd wel een wereld op zichzelf die parallel aan de tegenwoordige tijd bestaat. Zo schrijf je: ‘Ik heb je kinderfoto’s op sterk water bewaard’ en ‘op sommige dagen raak ik nog steeds in elk winkelcentrum mijn moeder kwijt’. Put je bij het schrijven uit je eigen persoonlijke herinneringen?
Ik denk dat ik bijna altijd wel uit persoonlijke herinneringen put (misschien kun je ook niet anders), maar mijn gedichten gaan meestal niet over één specifieke dag of gebeurtenis. Ik gebruik dit soort situaties meer om woorden te kunnen geven aan een bepaald algemeen gevoel.

Had je als kind ook al zulke poëtische gedachten en schreef je ze soms ook op?
Misschien heeft ieder kind wel poëtische gedachten. Ik heb altijd veel geschreven, maar vroeger scheef ik wel op een heel andere manier dan dat ik nu doe. Toen ik jonger was schreef ik bijvoorbeeld veel vaker in rijm. Ik vond laatst toevallig een gedicht van vroeger terug. Het gaat over een meisje dat Suzanne heet en dat verliefd is op een konijn dat in haar keukenkastje woont.

Wat hoop je dat je gedichten met mensen doen?
Als ik schrijf ben ik daar niet echt mee bezig. Het schrijven is voor mij een heel persoonlijk proces en als ik er me er continu bewust van ben dat mensen het gaan lezen dan lukt het niet goed. Als het gedicht eenmaal af is vind ik het wel leuk als het iets met mensen doet. Op welke manier maakt dan eigenlijk niet eens heel veel uit. Soms halen mensen heel andere dingen uit mijn gedichten dan ik, maar dat vind ik niet erg. Het leuke aan poëzie (en eigenlijk alle kunst) vind ik juist dat het een hoeveelheid aan betekenissen op kan roepen.

Wat is en doet een Nijmeegse campusdichter en hoe ben je het geworden?
Als campusdichter schrijf je gedichten voor het universiteitsblad Vox en treed je op bij evenementen van de universiteit. Er wordt ieder jaar een campusdichterverkiezing aan de Radboud Universiteit georganiseerd, via die verkiezing ben ik campusdichter geworden.

Wat zijn je poëtische ambities en heeft het winnen van de prijs deze veranderd?
Ik wil graag een dichtbundel uitgeven. Verder wil ik blijven schrijven en mezelf zoveel mogelijk ontwikkelen. Het winnen van deze prijs heeft mijn poëtische ambities niet veranderd, maar het is wel motiverend.

Hoe belangrijk is literatuur volgens jou uiteindelijk voor respectievelijk mens en planeet?
Voor mij verschilt dat van moment tot moment. Soms denk ik dat literatuur het fundament van de wereld vormt, op andere dagen ben ik meer bezig met het belang van lekkere havermoutpap.

Poëzie is als een sluipwesp

 

Anouk Smies (1975) publiceerde gedichten op Krakatau, de Optimist en de Contrabas. Haar tweede poëziebundel Wie heeft een middelpunt nodig verscheen bij Uitgeverij de Opwenteling en werd onlangs genomineerd voor de J.C. Bloemprijs.

Om te beginnen, het is een fascinerende titel: Wie heeft een middelpunt nodig. Zonder vraagteken lijkt het meer een constatering dan een vraag. We vinden deze titel terug in vraagvorm in het gedicht Optie .
Persoonlijk krijg ik van deze bundeling wel een ‘middelpunt’: de gedichten zijn puntig en raken me in mijn midden, of ik dat nou wil of niet.
Zou je een (jouw?) levens- en ook schrijf-filosofie zonder middelpunt kunnen omschrijven?
Ik denk dat mijn beeld bij een middelpunt vooral het ideaalbeeld is. Een punt buiten onszelf waarin we geloven dat alles samenvalt. We lijden met zijn allen aan extreem hoge verwachtingen van onszelf en van het leven. We streven onbewust naar perfectie, en dat gegeven bepaalt vanaf het begin onze menselijke vorming. Ik ervaar het concept van een middelpunt dan ook als beknellend. Doordat mijn leven tot nu toe erg grillig is verlopen, heb ik ook nooit zoveel kans gehad om te floreren als mijn eigen ideaalbeeld. Wie heeft een middelpunt nodig is in die zin een ode aan het brokstuk. Aan alles wat je overhoudt als door omstandigheden de kern een slijtageslag heeft ondergaan. In eerste instantie is het een eerbetoon aan mijn eigen fragmenten, die uiteindelijk buigbare duploblokken bleken. Maar ook aan die van anderen, aan onze maatschappelijke mislukkingen en fiasco’s. Daarnaast is middelpuntloosheid zeker niet hetzelfde als reddeloosheid. Er schuilt een orde in die chaos, die ondanks zijn beperkingen verfrissend is, taai en onverwacht. Als je in je bestaan iets kunt bereiken zonder middelpunt, met de chaos nog smeulend in je pupil, kom je uit oprechte verbazing tot een titel als: Wie heeft een middelpunt nodig.
In mijn werkproces kun je ook middelpuntloosheid zien. Ik schrijf op de meest vreemde momenten, erg vaak als er eigenlijk absoluut geen tijd voor is. Bijvoorbeeld als mijn zoontje net een pindakaaskunstwerk van de enige witte muur in het huis wil maken. In die druk, het gevoel dat het nu echt moet, komen er hele goede dingen in me omhoog. Er zit dan een soort perskracht achter mijn taal.

Hoe staat je tweede dichtbundel in verhouding tot de eerste, Citaten van een roofdier ?
In mijn eerste bundel was ik nog erg bezig om mijn persoonlijke geschiedenis naar buiten te werken. In Wie heeft een middelpunt nodig, lijkt het of ik meer ruimte heb gekregen voor de ander, het vreemde. Voor individuen in het algemeen, voor menselijke relaties en maatschappelijke thema’s. Ook is de woede in me in deze bundel meer omgezet naar verbazing en verwondering, wel met scherpe en kritische randen. Tegelijk denk ik ook dat ik compacter ben gaan schrijven, ik heb de vibraties in mijn binnenwereld iets meer in toom gekregen. Waarschijnlijk speelt het moederschap hier een rol in. Door de geboorte van mijn zoontje verschoof de nadruk op mijn eigen beleving naar die van hem, en daarmee tegelijk naar de buitenwereld. Enerzijds ben ik sinds hij bestaat instinctiever geworden, omdat er nu eenmaal een hele set aan oerangsten je leven binnensluipt vanaf het moment dat je baart, maar aan de andere kant heb ik geleerd door te observeren, meer afstand te nemen van mijzelf.
Ook was in mijn eerste bundel de moeizame (en tegenwoordig afwezige) relatie met mijn vader een belangrijk thema. In deze tweede bundel merk ik dat dat meer geïncorporeerd is, en alleen nog onderhuids meespeelt.

Ik las dat je in het dagelijks leven tekstschrijver bent. Aan wat voor teksten mag jij je dagen wijden?
Ik ben een allround tekstschrijver, hoe plastic dat woord ook klinkt. Het liefst werk ik aan creatieve opdrachten, omdat die het sterkste aan mijn hart appelleren. Zo heb ik bijvoorbeeld het afgelopen jaar een roman voor een opdrachtgever als ghostwriter geschreven. Maar ook begeleid ik mensen die worstelen met een manuscript en redigeer ik creatieve teksten. Omdat er veel vraag naar is schrijf ik ook zakelijke teksten. Productteksten vermijd ik, maar ik werk wel aan interviews, artikelen, webteksten en blogs. Afwisseling is als brandstof: het houdt me wakker en ik leer veel over het schijfproces. In die zin kijk ik ook niet neer op een bepaalde tekstvorm. Elke letter waar ik me voor inzet laat me doordringen in een bepaald aspect van de realiteit, ook als ik me daar totaal niet thuis voel. Raar genoeg vind ik juist die aspecten later weer in mijn gedichten terug. Alles wat stinkt en onaangenaam is trekt me aan. Als ik een gedicht over eerlijkheid wil schrijven, is onoprechtheid de perfecte basis. Die bereik je niet als je je daar voor afsluit. Je moet als dichter in al die wereldjes afdalen als een mijnwerker met een kanarie aan zijn borst gekneld.

Je poëzie wordt als cryptisch en onnavolgbaar omschreven en je schrijfstijl associatief, vanuit de taal. Heb je bij het schrijven een bepaald effect op je lezers in gedachten?
Ik denk het eigenlijk wel. Ooit vroeg iemand me welke dichters me geïnspireerd hebben; in basis zijn dat Oosterse dichters zijn als Hafiz en Rumi. Niet zozeer door hun stijl, maar doordat ik hun werk ervaarde als een directe klap in mijn gezicht. Er werd getornd aan mijn beeld van de realiteit, niet zachtzinnig, ondanks de lyriek. Iemand trok een bodem onder me uit, er werd iets onthuld over de wereld achter de schijn. De dichters deden op mij als lezer een beroep dat ik niet precies kon ontcijferen. Dat maakte me onzeker, maar tegelijkertijd ontstond een honger naar meer. Die werking vond ik fantastisch, en ik denk dat ik dat effect op hedendaagse wijze nastreef in mijn poëzie. Ik wil lezers laten wankelen, kleine explosies veroorzaken in hun causale vooroordelen. Mijn wens is het menselijk tekort bloot te leggen onder al onze pogingen iets voor te stellen. De echte mens beschrijven die hopeloos is en tegelijk onverwacht mooi. In het normale sociale leven is zo een streven absoluut onwenselijk, maar poëzie is als een sluipwesp. Enerzijds doordat het element esthetiek is toegevoegd, anderzijds doordat gedichten multi-interpretabel zijn. Ik hoor vaak dat mijn werk niet echt te begrijpen is, en voel me dan opgelucht. Mijn poëzie is niet bedoeld om volledig te vatten, maar wijst op een wereld achter de ratio. Je moet je eraan overgeven om er iets aan te hebben.

Ik vind dat er veel ‘puntige’ emotie in de gedichten zit, alsof je jezelf door een heftige emotionele strijd van binnen moet ellebogen. Brengt het schrijven je een gevoel van catharsis? Is na de daad (het schrijven) de lucht geklaard?
Ja, maar bijzonder kort. Voor ik het weet voel ik me weer als een doofstomme in cellofaan gewikkeld door de concepten om me heen. In die zin ben ik dus nooit lang tevreden of bevrijd. Die chronische drang om om te zetten is een soort productieve kwelling. Ik denk ook dat dit komt doordat ik veel prikkels in me opzuig en vaak met een enorm surplus aan binnenwereld kamp. Je kunt me op een wc opsluiten, zonder een boek of een telefoon, en ik zou dagenlang kunnen schrijven. Simpelweg omdat ik ergens diep in mijn onderbuik een collectie ongewenste indrukken heb opgeslagen, dingen die ik niet kon zeggen, vloeken die ik relativeerde, irritaties die ik screende. Maar ook schoonheid, absurdisme, liefde en verwondering.

Je omschrijft kunst in een van je gedichten met ‘schoonheid als resultaat van lelijkheid’, met als voorbeeld de film Avatar. In een ander gedicht is kunst ‘pijn die gezellig is gemaakt’. Waar, in welk kunstwerk, zie jij dat pijn gezellig is gemaakt en wat is volgens jou de functie hiervan?
Als ik zeg: ‘Pijn die gezellig is gemaakt’ bedoel ik niet dat er gezellige kunst uitkomt, maar meer dat de kunst zelf een soort verfraaiing is die pijn vormgeeft. Denk bijvoorbeeld aan het geniale schilderij De geslachte os van Rembrand. De ellende, de verschrikking springt je tegemoet, maar tegelijk zie je een uitgekiende compositie. Penseelgebruik waardoor de afgestroopte huid bijna tot leven komt. Kunst zie ik als vormgegeven pijn. Niets kan pijn zo onbarmhartig vangen als schoonheid. Door de techniek kunnen we de pijn aan, kunnen we die aanvaarden. We zouden in een echt slachthuis niet bewonderend kijken maar gechoqueerd weglopen. De walging zou overheersen. Kunst maakt lelijkheid betreedbaar.

En schoonheid vanuit schoonheid? Je bent moeder… Op facebook schrijf je bij een foto van je zoontje : ‘Krullen. Bermguerilla’s die je hart omsingelen.’
De schoonheid vanuit schoonheid ervaar ik heel direct met de mensen die mij het meest lief zijn. Toch kan ik daar minder goed over schrijven. Ondanks deze ene zin dan, waar ik overigens direct weer iets agressiefs in gebruik. Als iets omvattend is, zoals het vertrouwen van mijn kind, een natuurlandschap waarin functie volledig met schoonheid vermengt, sta ik perplex. Dan valt er niets meer te noteren. Ik gedij als schrijver veel beter op contrasten.

Wat betekent de nominatie voor de J.C. Bloemprijs voor je?
De nominatie voor de J.C. Bloemprijs maakt me dankbaar, het betekent erg veel voor me. Misschien juist omdat ik me er nooit zo op gericht heb om zichtbaar te worden voor een groter publiek. Ik ervaar het als een beloning voor de bokkigheid en trouw aan mijzelf al die jaren. J.C. Bloem inspireerde me ooit enorm met de zin: ‘Alles is veel voor wie niet veel verwacht’, uit het gedicht De Dapperstraat. Hij vond in een asgrauwe stadstraat blijkbaar onverwacht geluk en verheffing. Die schone lelijkheid zie ik als de motor achter mijn schrijven. Met deze nominatie kruip ik een stukje dichter op zijn indrukwekkende, dode schoot en glimlach.

Al schrijvend verzin ik mijn eigen horizon

 

Kim Pauwels (1983) studeerde Romaanse filologie en cultuurmanagement. Op het Groenendaalcollege te Merksem geeft zij dagelijks haar passie voor taal en tekst door aan haar leerlingen tijdens lessen Frans en Esthetica. In februari verscheen haar debuutbundel Tweelingstrijd bij Uitgeverij Vrijdag.

Jouw naam is een frisse verschijning in de dichtwereld. Waar komt je innerlijke dichteres vandaan?
Ik ben altijd een fantasierijk kind geweest. Toen mijn één jaar oudere zus op school zat, leerde ze me hoe ik letters moest vormen en uitspreken. Er ging een hele nieuwe wereld voor mij open. Overal ontdekte ik teksten en zinnen die begrepen moesten worden.
Mijn zus en ik hadden de gewoonte om op vroege weekendochtenden, als onze ouders nog sliepen, zelf avonturenboeken te maken vol fantastische verhalen. Ik verzon en schreef de tekst en mijn zus maakte mooie illustraties. 
Ik verslond bibliotheekboeken. Al die verschillende personages intrigeerden en inspireerden me enorm. Ik besloot dat ik zelf het personage van mijn eigen leven wilde zijn en dus begon ik dagboeken te schrijven. Heel mijn kindertijd en jeugd staan opgetekend in verschillende dagboeken die ik nog altijd in een doos thuis bewaar. Omdat mijn nieuwsgierige zus er telkens in slaagde mijn dagboeken te vinden en te lezen (en ik dat heel goed wist omdat ze daarna haar mond niet kon houden over wat ze ontdekt had), probeerde ik al van jongs af om de meest banale, dagdagelijkse beslommeringen zo mooi en treffend mogelijk te verwoorden, want ik wist dat ze gelezen gingen worden. In mijn dagboeken schreef ik mijn eerste gedichtjes, toen nog in rijm. Dat was ook de periode dat ik op school een clubje begon tegen het verschrikkelijke versje “tip tap top de datum is verstopt”, omdat dat niet rijmt. Jammer genoeg bleef ik wel het enige lid van mijn eigen initiatief. 

Waarom koos je voor Romaanse Filologie en Cultuurmanagement?
In het vijfde middelbaar kregen we Nederlands van een heel bevlogen leraar, die erg gepassioneerd over literatuur kon praten. We moesten toen een creatief werk maken rond poëzie. Ik diende een paar zelfgeschreven stukjes in en hij moedigde me aan om ermee verder te gaan. Die erkenning voelde motiverend, maar toch verliep het schrijven daarna moeizaam met veel ups en downs. 
Lezen bleef mijn grote liefde. Ik wist dan ook onmiddellijk dat ik literatuur wilde gaan studeren, liefst nog in een taal die niet mijn moedertaal was, omdat ik dan meer teksten in hun originele versie kon lezen. Ik heb mijn studie Romaanse talen met interesse en gretigheid voltooid, maar in zekere zin was het ook niet goed dat ik talen en literatuur ging studeren, want het lezen van al die grote meesters en klassiekers verpletterde en verlamde mij. Ik wist dat ik nooit zo goed zou kunnen schrijven.

Maar nu ligt hier dan toch je debuut Tweelingstrijd voor ons. Hoe is deze bundel ontstaan?
Ik bleef toch altijd een drang voelen om te schrijven. Het is voor mij als een tweede natuur, een uitlaatklep. Sommige periodes schreef ik heel veel, bijvoorbeeld in mijn thesisjaar. Toen verdiepte ik me in de gedichten van  René Char waarin hij verlangt naar een vrouw die afwezig blijft. In een periode dat ik zelf hevig verliefd was op een man die ik niet kon beminnen, schreef ik opgejaagd en rusteloos. Het was alsof ik mijn gedachten niet meer kon uitschakelen en ik krabbelde op alles wat ik maar kon vinden: buskaartjes, wc-papier, achterkanten van boodschappenlijstjes, servetten, papieren zakdoeken… Maar altijd belandde wat ik geschreven had in een lade van mijn bureau. 
Tot ik twee zomers geleden moest verhuizen en al die bekrabbelde briefjes tegenkwam. Ik besloot alles te ordenen en te proberen een geheel te vormen van wat ik geschreven had. Ik liet het aan enkele vriendinnen lezen en zij spoorden me aan om het naar een uitgeverij te sturen. En kijk, enkele maanden later lag Tweelingstrijd in de winkel. 
Maar ik denk dat ik nog altijd niet durf te zeggen dat mijn schrijfsels poëzie zijn. Ik vind poëzie zo’n woord als liefde. Je mag dat niet te vaak in de mond nemen, want dan verliest het aan kracht en betekenis. Alleen wat echt is, mag zo benoemd worden. 

Je bent lerares en in je biografie staat dat je jouw liefde voor taal op je leerlingen over wilt brengen. Hoe doe je dit?
Die liefde voor taal en literatuur probeer ik inderdaad, als leerkracht Frans en esthetica, aan mijn leerlingen door te geven. Ik weet niet of dat altijd lukt. De meeste leerlingen lezen niet zo graag, omdat het veel tijd vraagt en tegenwoordig moet alles snel gaan. Maar leerlingen, hoe kritisch ook, houden wel van authenticiteit. Ik denk dat ze wel merken dat ik, als ik les geef over poëzie of als we samen een boek lezen, niet gewoon een lesje sta af te dreunen, maar dat ik echt wil dat ze de wijsheden daarvan begrijpen. Leerlingen voelen die bevlogenheid en dat kunnen ze meestal wel appreciëren. Toen ik onlangs, na een les over Baudelaire in het kader van gedichtendag, de leerlingen bedankte omdat ze zo goed hadden opgelet in de klas, zei een leerling bij het naar buiten gaan: “Mevrouw, wij waren eerlijk gezegd zo stil, niet omdat het ons echt interesseerde, maar omdat we zagen dat u het gedicht zo geweldig vond. We wilden u daarin niet kwetsen.” Geweldig, toch, Spleen als middeltje tegen Spleen. 

Als je de tussentitels van je bundel achter elkaar zet, leest dit als een intrigerende zin.
Ik ben water verf kleine donkere bergen breekbaar als een rusteloze kim, waar je, neem ik aan speelt met de dubbele betekenis van het woord kim, jouw naam én de horizon. Het voorlaatste gedicht heet: Kim verzon de horizon. Kun je iets vertellen over hoe je tot deze indeling bent gekomen?  En tot de titel Tweelingstrijd?
 Ik ben geen fan van mijn eigen naam, niet van de klank en ook niet van de betekenis. De kim als einder, als einde, als begrenzing van wat je kunt zien. Dat past totaal niet bij mij en al zeker niet in een vlak gebied als ons land. Als ik in de bergen zou wonen, waar de kim grillig en onvoorspelbaar is, dan zou ik er nog mee kunnen leven. Al schrijvend verzin ik mijn eigen horizon, kan ik uitvinden wat er achter die streep ligt, die dan eerder een brug is.
Die zoektocht, daar gaat Tweelingstrijd over. In een tweestrijd vecht je met het tegengestelde van jezelf. Dan gaat het volgens mij meer over haakse gevoelens of twijfels. Het ene óf het andere. Een tweelingstrijd is een strijd met jezelf, met je evenbeeld, je spiegelbeeld, het ene dat ook het andere is, dat deel van je uitmaakt, maar toch niet steeds standvastig blijft. Of zoals Descartes het zei: “je est un autre”. Vandaar ook de structuur van de dichtbundel, die uit losse woorden bestaat, maar toch ook een zin vormt. Ik denk dat ik al die dingen apart ben, maar uiteindelijk toch ook een geheel vorm. Ik hoor soms wel eens mensen zeggen “ik ben een man/vrouw uit één blok, één stuk.” Ik dus niet. Ik zie me eerder als een modulair systeem. Elk stukje van mij is iets, alles tezamen ben ik mezelf, maar je kunt er steeds aan blijven bouwen. 

Je schrijft in de bundel meermaals met veel liefde voor de beeldende kunst, bijvoorbeeld in het gedicht MARTHE (geïnspireerd door kunstenaar: Pierre Bonnard).  
Ook schrijf je over Agnes Martin, schilderes van abstract werk en Thom Puckey, beeldhouwer. 
Hoe wordt bij jou uit beeld poëzie geboren? 
Als ik in een museum of een galerij kom, dan wandel ik niet, dan schrijd ik. Voor mij is het dan alsof ik op heilige grond kom. Ik kan ook moeilijk een vast parcours volgen tijdens een tentoonstelling. Een beeld kan me heel erg raken. Vaak kan ik dat op geen andere manier verwerken dan erover te schrijven. Poëzie is voor mij ook een beeld. De schikking van de woorden op een blad enerzijds, maar ook de betekenis, wat het oproept anderzijds. Met weinig veel doen. Ik denk dat het dat ook is wat me in beeldend werk zo kan raken. Die frivoliteit. 

Je bundel heeft zwart-witte illustraties. Hoe en waarom koos je de illustrator voor Tweelingstrijd?
De illustrator is Anthony, mijn vriend. We kennen elkaar nog niet lang. Het woord kwam eerst, maar ik wilde wel graag bij elke tussentitel een illustratie. Omdat we elkaar zo door en door kennen en begrijpen, kon ik goed verwoorden welke beelden ik voor de tussentitels en de cover ongeveer in mijn hoofd had en voelde hij dat feilloos aan.
Ik vind de illustraties die hij gemaakt heeft heel erg mooi en passend bij de inhoud. Omdat het eerder schetsen dan duidelijk afgelijnde tekeningen zijn, houden ze ook een zekere zoektocht in zich vervat, zijn het geen beëindigde werken, zoals de kim er ook geen is. Ik vind dat Anthony de gave heeft om met enkele rake lijnen een heel sterk beeld op te roepen. Dat is waar ik in mijn gedichten ook naar streef.

Elk openingsgedicht van een sectie lijkt een filosofische aantekening. Er zijn ook een aantal gedichten over de taal en het schrijven zelf, alsof je in de taal letterlijk een nieuwe Kim hebt gevonden. Welke Kim is dit? 
Als filosofie nadenken over is, dan ben ik er constant mee bezig. Voor mij is het heel moeilijk om mijn gedachten uit te schakelen of zelfs gewoon één idee per keer in mijn hoofd binnen te laten. Schrijven helpt dan om even stil te staan, als op een vluchtheuvel in de dagelijkse onophoudelijke stroom van denkbeelden.
Ik denk niet dat ik in de taal, via het schrijven een nieuwe Kim heb gevonden, maar wel eindelijk de Kim die ik altijd al was. Dat ik mezelf heb gevonden. 

Gedichten

Lies Jo Vandenhende (1988)

Poëzie is woord-toveren,
 en niemand moet eerst zien om te geloven.

Reisverslag

We dartelen
door een vreemde
stad als verloren vee
gehoed door de honger
naar meer van elkaar en

als een zuignap wil ik zijn
aan je hals laat ik geen
lucht meer zijn kans grijpen
en altijd sporen
keel na
keel dichtknijpen op vraag van

verliezen
we onze adem bij het zoeken
naar de auto en ik loop
energie te verspillen op de trappen
zodat je straks minder last van me hebt

Welke vorm zouden
de wolken aannemen
misschien die
van koppels die we betrapten
op dansen
en dan zij ons

Draai me rond de vangst
van de eerste regen-
druppels op mijn hand
voor ze deze avond tot op
het einde doorspoelen
Til me op als
was ik luchtig

We zijn goudvissen in een bokaal
zo dolgedraaid
dat we niet beter weten dan
in ons eigen vuil te zwemmen
en elkaar daar
ook nog lief te hebben

Laura Demelza Bosma (1986)

Poëzie is een manier om compleet mezelf, een ander, een dier en een ding en niks te zijn. Schrijnend, in haar poging alles te omvatten door dieper in de woorden door te dringen. Een nachtmerrie die me fascineert, waardoor ik wel moet blijven kijken terwijl ik leef en terwijl ik schrijf.

Baba Jaga vloeit

Vriendinnen zijn als de dood. Ik vat
de hoorn niet in mijn handen. Toeter
niet precies dat wat hoort. Ben er
helemaal of niks niet.

Verstoor gezever door te wijzen
als een kind naar wat niemand
zien wil. Jij heks, jij wond, jij.

Gedichten met uitgemergelde
gezichten van luister naar mij met
alle ogen dicht, ook het derde dat alles
blijft zien tegen weten in. Blijft een gat
in de vorm van de neushoorn.

Ik vat geen vriendin maar vrouwen
die moeten bevallen huren me in.
Ik zing iets dat leven goed doet
voor. Een kind staat op
uit oeroude handen.

Ver voor mond op mond. Ik sta hier
en weet precies wat ik niet
moet zeggen en doe het.

Taco van Peijpe (1946)

Poëzie is voor mij een taalspel en een binnenweg naar het gevoel

Hebriden

lichtgeweven nevel dekt het riet
een roerdomp met geheven snavel
bidt om stilte tekent het begin
de wind zet luchtig in en langs de oever
gonzen contrabas en bombardon

een rimpel in het dunne water
brengt de stilte in herinnering