Recensie van Dit is de beste aller tijden. Een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk - Hans Plomp

Letteroefeningen van een romantische backbencher

Hans Plomp
Dit is de beste aller tijden. Een bloemlezing uit vijftig jaar dichtwerk
Uitgever: In de Knipscheer
2017
ISBN 9789062659159
€ 17,50
172 blz.

Het voor mij liggende boek, waarin niet alleen een bloemlezing te vinden is van 50 jaar dichtarbeid van Hans Plomp, maar ook een door Peter de Rijk op basis van gesprekken met de auteur geschreven levensschets, ziet er fris en zonnig uit. Op het goudgele omslag springen twee van het leven genietende naakte mensen in psychedelische kleuren elkaar in de armen tegen de achtergrond van een wereldkaart. Op de achterkant van het omslag staat een zonnige foto van een breed lachende Hans Plomp (een foto van Iris Freije) in een soort gewaad met oosterse motieven, een afbeelding van een erotische Indiase godin waaronder een krans doodkoppen hangt: eigenlijk geeft het omslag alles weer wat er in de poëzie en de levensbeschrijving te vinden is: leven, dood, liefde, erotiek, levensvreugde en oosterse mystiek. De achtergrond met de wereldkaart, in aquarelachtige tinten, sluit daarbij aan door de in de bundel opgenomen vertalingen, niet alleen uit de ‘westerse’ culturele sfeer, maar ook uit Indiase en Iraanse poëzie.

Of de levensschets nu een begeleiding is bij de poëzie of de poëzie bij de levensschets weet ik niet. Er is een grote samenhang in thematiek: wat in de schets genoemd wordt, is in de gedichten te vinden. Het is alleen jammer dat bij de gedichten geen jaartallen vermeld zijn, waardoor de op het omslag vermelde ‘terugreis in de tijd’ niet te volgen is. Ik heb allereerst de levensschets gelezen en zag wie Hans Plomp was, een alom aanwezige persoonlijkheid in de poëtische en maatschappelijk-culturele stromingen van na de Vijftigers als provo, hippie (make love not war), de neo—romantiek en de terugkeer tot een spirituele levenshouding waarbij ook een modernere visie op de dood een rol speelt. De betekenis van Hans Plomp die met Gerben Hellinga en Heere Heeresma als kunstzinnige actievoerders erin slaagden om de sloop van polderdorp Ruigoord een halt toe te roepen en de ontwikkeling van deze kunstenaarskolonie te bevorderen, ligt in ieder geval in zijn participatie aan de stromingen die het land, de kunst en de bestuurlijke cultuur veranderden. Of hij als dichter bekend zal blijven dan wel als inspirator of chroniqueur van de woelige jaren zestig en zeventig, ligt in de schoot van de tijd verborgen. Hij was in ieder geval, zeker als belangstellende backbencher, overal bij.

De poëzie van Hans Plomp is uiterst helder, zijn taalgebruik eenvoudig, zijn woordkeus alledaags, wat ook logisch is gezien zijn bijdrage aan het ’Manifest van de jaren zeventig’, waarin de uitdrukking ‘nieuwe wartaal’ voorkomt, waarmee deze groep schrijvers zich tegen de Vijftigers afzette. Zijn rijmen zijn soms aan de platvloerse kant (ik wil / niets meer willen, / inslapen / tegen jouw billen, (p.91) / (…. ) in mijn mond / telkens lieve engel / moet ik denken / aan je goddelijke kont, /neem niet kwalijk, / aan je goddelijke vonk (p. 92), maar zijn thema’s zijn duidelijk: liefde, bezinning, levensvreugde, erotiek. En zijn meest recente poëzie ene bezinning op de dood. Dat levert poëzie op die plezierig is om te lezen, zoals een eenvoudig liefdesliedje (p. 94) :

MIDDAGDUTJE

Zit ik aan de oever
van mijn stille binnenzee
komt een scheepje langs gevaren
met aan boord mijn liefste fee
roept de stralende gestalte
van de kleine boot mij aan:
loopt het tegen hoogtij, vraagt ze,
anders moet ik verder gaan.

Gooi het roer om lieve dame
vaar in godsnaam niet voorbij
ik heb hier de dood gevonden
hem net huid en haar verslonden
en mijn leven dat ben jij.

Het liedje, want dat is het, zou een negentiende-eeuwse romanticus niet misstaan.

Soms zoekt Plomp naar spiritualiteit. Een fragment uit een gedicht zonder titel (p. 70):

Doe open
er zit een engel
in mijn diepste kelder
opgesloten.

De sjamaan krimpt
in openbaringsweeën.
Tussen beide oevers
van de ondergrondse vloed
is hij de brug.

Doe open dichter.

Eenvoudige taal, simpele beeldspraken, het lijkt wat onuitgewerkt, dit gedicht. En er zijn meer van dit type, die voortkomen uit emotionele momenten.

Soms lijken regels te verwijzen naar een trip: ‘Diep, diep, zo diep ben ik nog nooit gevallen / duizenden jaren diep! / Nog nooit zo zacht geland / op een onbekend strand, / Een stralend wezen streelt mijn ballen’.

Er is geen moeilijk woord te vinden in de gedichten, er zijn amper dubbele bodems. Hans Plomp is overigens goed thuis is in zijn klassieken: Pluto, Venus, Orpheus komen voorbij. De laatste inspireerde Plomp tot een fraai, zij het naar mijn gevoel ritmisch wat stroef lopend gedicht, waarvan, en ook dat gebeurt regelmatig, de titel deel uitmaakt van het gedicht:

TOEN ORPHEUS STIERF

Ontwaarde hij
links naast de woning van Pluto
een bron
onder een sierlijke cipres

Drink daar niet,
het is vergetelheid
waarin je wegzinkt,

Ga op zoek
naar het meer van herinneringen
daar is nog een bron
bewaakt door wezens.

Zeg hun
dat de aarde je genoeg is,
dat je terug wilt naar de oersprong.

Zeg hun: ‘Ik ben uitgedroogd
en wil alles weten,
geef me water
uit de bron van de herinnering’.

Ze geven je te drinken
en je zal ontwaken
als een god onder de goden.

Een trip of een verzuchting? Zelfs een moeilijk stoïcijns begrip als Apokastasis levert een gedicht op (p. 32 ). Opdrachten aan Gust Gils, Simon Vinkenoog, Gerben Hellinga, Allen Ginsberg bewijzen zijn plaats in het netwerk, waarin hij als ‘dichtend backbencher’ of ‘vooraanstaand maatschappelijk actievoerder’ alles meemaakte. Op gevorderde leeftijd is hij met de dood bezig, die hij kennelijk niet vreest. Hij praat er met zijn vriend Simon Vinkenoog over die reeds de grens overging. Onder invloed van ayahuasca of soms zonder geestverruimend middel ( ayahuasca is een Zuid-Amerikaanse hallucinogene drank) communiceren beide dichters. Het biedt hoopgevende inzichten. Vele collega’s, zegt Plomp, lijden aan de tijd en proberen zich van het leven te beroven. Maar de communicaties bieden Plomp de mogelijkheid deze tijd toch te zien als ‘de beste aller tijden’, waarmee, met dank aan Simon Vinkenoog, de titel van de bloemlezing verklaard is ( p. 170).

Een deel van deze bloemlezing is gewijd aan vertalingen die Plomp maakte. Het taalgebruik van zowel de Europese als de exotische gedichten was prachtig. Ik heb een paar gedichten in de oorspronkelijke taal nagezocht en geconstateerd dat de vertalingen niet alleen mooi taalgebruik opleveren, maar ook goed zijn. Wat mij stoorde was, en ik verwees er eerder naar, het ontbreken van titels. Zo moest ik langs zoeken naar het gedicht van Marceline Desbordes – Valmore (1786 – 1859) ‘Les roses de Saadi’, maar het loonde de moeite: het is een sierlijke vertaling (p. 102). Ook zocht ik wat Engelse en Duitse teksten na: zeer de moeite waard. Vooral die van een tweetal Frans-Duitse dichters die ik niet kende, maar wel mijn aandacht hebben getrokken: Yvan en Claire Goll, beiden rond 1890 geboren, beiden rond de helft van de 20ste eeuw overleden.

De levensschets, opgeschreven door Peter de Rijk, is als een monoloog van Hans Plomp zelf. Lees eerst de levensschets. Daarna de poëzie en dan nog eens de levensschets.

Samenvattend: een zeer leesbare bundel met goed te begrijpen poëzie van een duidelijk romantisch karakter. Vandaar dat ik, en het is als compliment bedoeld voor het lid van het ‘neo-romanties genootschap’, het woord ‘Letteroefeningen’ heb gebruikt. Wel stoorde mij soms het platvloers taalgebruik; ik denk niet dat Hans Plomp dat nodig heeft. Het feit dat er geen jaartallen bij de gedichten vermeld staan ontneemt een lezer de mogelijkheid het gedicht maatschappelijk in te passen. Ik zou Hans Plomp graag chronologisch hebben gelezen, omdat zijn wereld ook de mijne was. De levensschets is verhelderend. Wie kennis wil nemen van poëtische reacties op grote maatschappelijke bewegingen, moet deze bloemlezing zeker aanschaffen en meerdere malen lezen.

***
Hans Plomp, geboren in 1944 in Amsterdam. Hij studeerde Nederlands en was enige tijd leraar. Hij ontmoette veel schrijvers. Zijn debuutroman ‘Ondertrouw’ uit 1968 vertelt over de contacten met Reve en Johan Polak. Groot gebruiker van geestverruimende middelen., werd actief in Provo en schreef met toneelschrijver Gerben Hellinga een drugshandleiding ‘Uit je bol’ . Werd vooral bekend als actievoerder die de sloop van Ruigoord tegenhield, nu een bloeiend kunstenaarsdorp. Op het festival ‘Vurige tongen’ werd de hierboven besproken bundel gepresenteerd. Als lid / stimulator van het Amsterdams ballonnengezelschap organiseert hij in Paradiso het ‘ballonnenfeest’.

Recensie van Zingend naar huis - R.A. Basart

Lekkere poëzie met bittere nasmaak

R.A. Basart
Zingend naar huis
Uitgever: Lebowski
2017
ISBN 9789048832132
€ 17,50
80 blz.

De hier te bespreken bundel vind ik er niet mooi uitzien: een  blauw omslag, zwarte strepen, afwisselend witte en zwarte letters en behalve titel en auteur (een ondertitel is haast niet te vinden) ook nog een citaat van Adriaan van Dis: ‘Dat er nog niveau en hoop is voor ons taalgebied bewijst R.A. Basart met zijn lichtvoetige proza en poëzie, waarin een vrolijke slechtheid overheerst’. Ik vraag me af of de grafische ontwerpers , ‘Dog and Pony’, de teksten gelezen hebben en wellicht ervan uitgingen dat bij een bundel ‘light verse’  een wat licht aandoend omslag hoort. Jammer, want deze bundel is zo veel meer dan een verzameling ‘light verse’,  namelijk een bundel poëzie die met veel vakmanschap is geschreven, soms zelfs met bijna sierlijke  virtuositeit waaruit eveneens een voorname literaire eruditie blijkt met als overheersend gevoel een relativerende ironie, die in de ‘laatste gedichten’ de kracht lijkt om de melancholie meester te worden. De titel Zingend naar huis krijgt dan een diepere betekenis. Niet dat ik niet gelachen heb, soms zelf geschaterd, maar het geheel is meer dan een geheel van poëtische grappen.

De bundel bevat gedichten uit Basarts eerste veelbelovende bundel Oranjebal (1975), uit De gezonde apotheek (1977) en ook een afdeling ‘Laatste gedichten’, die, als ik het goed lees, wat ernstiger van toon zijn. Is de dichter met deze soms venijnige poëzie zingend op weg naar dat huis waar we allemaal naar op weg gaan als de eindigheid van het bestaan zich aankondigt?

Basart moet poëzie uit onze en internationale literatuur kennen en verwerken: hij geeft er ironisch commentaar op, zonder dat het direct pastiches zijn. Zo vinden we op p. 12 een gedicht ‘Dood van een heer’ (uit: Oranjebal), dat de moeite waard is om in zijn geheel te citeren:

Zoals een scheepje in een fles 
(wel op je plaats maar toch niet 
thuis) zo zit je roerloos in de 
recreatiezaal. Het late licht valt op 
de rooshof, waar d’Iraanse tuin- 
man, loten snoeiend, opschrikt 
van de bel voor ’t avondbrood.

En voor je denkt: het is zover 
staat hij er al, precies op plaats 
en tijd. Glimlachend duwt hij 
je rolstoel voort, je kunt 
net de witgeworden tuinman 
groeten; je laatste haar 
omhoog gekamd over het dorre 
schedelveld, wuift mee.

Ik denk dat P.N. van Eijck dit commentaar op ‘De tuinman en de dood’ met veel plezier zou lezen, mede door de melancholieke ondertoon van het gedicht. Dat het gedicht ‘Schuim en Asch’ naar Slauerhoff verwijst is logisch. Slauerhoff sluit zijn nostalgische gedicht ‘Het einde’ (hij heeft gevaren ‘Waar zelfs de Cunha en Sint-Heleen / Niet boren door de kimmen heen) af door over het trekken van het verlangen (het ‘onstilbaar wee’) te schrijven ‘..voel ik het trekken als een eb /naar het verre, vaste bruine land…./ Nu weet ik: nergens vind ik vree, / Op aarde niet en niet op zee, / Pas aan die laatste smalle ree / Van hout in zand.’ Tot zover onze poète maudit. Basart  moet veel van dit gedicht houden, misschien wekte het emoties bij hem op, die je dan kunt beheersen door ze te relativeren. ‘Geen verre, vaste, bruine kroeg, / Geen houten vloer met zand… // Maar nu gestopt met varen, / Trekt een onstilbaar wee / Hem als een eb naar het café / En aan die laatste smalle ree / Verzuipt hij inde klare’. 
In ‘Een nieuwe dag’ (p. 20) passeren regels van Jan Hanlo; in ‘De vreemdeling zeker’ komt Kloos voorbij met deze regels : ‘Nauw zichtbaar valt een meeuw horizontaal / mijn raam voorbij..’, terwijl een man aanbelt en met een oude schooltas in de hand vraagt of de dichter belang stelt in de bijbel. In ‘Samen oud’ op p. 43 passeert de 17e eeuwse Van Focquenbroch, de tragische dichter die zelfs met zijn ironie niet overleefde, terwijl ik bij ‘Jan kwam thuis’ (p. 64) onweerstaanbaar aan ‘Het kind en ik’ van Nijhoff moest denken, een dichter met wie Basart zijn gebruik van het gewone ‘ondichterlijke’ woord deelt. Het is een leuk intellectueel spelletje te herkennen welke dichter wordt becommentarieerd; eigenlijk zou de uitgeverij een prijs moeten uitloven voor diegene die elke verwijzing goed heeft.

Ik herken toch in deze bundel een diepe melancholie die angsten verhult door ironie en relativering en dat op een zeer subtiele manier. Lees dit gedichtje eens

Omne animal

Wat meer beangstigt dan: 
ik zal er niet meer zijn, is 
de gedachte: alles gaat dood- 
gewoon door, zei zij, droogde 
haar navel, gaapte, wond 
de wekker op.

Er is sprake van een gedachte die ‘beangstigt’;  door een enjambement te gebruiken bij dood-gewoon, krijgt het woord ‘dood’ weliswaar een klein accent, maar wordt het toch niet benadrukt. In het ‘triviale’ slot wordt de tijd weer verlengd, maar de boodschap is duidelijk. 
In het gedicht ‘De kamer’ op p. 63 is dat gevoel nog explicieter: ‘De vrienden buigen zich. / U ziet uw vrienden over u // gebogen. U sluit uw ogen voor de / dood in hun ogen /.’  Ook hier werkt het enjambement. Er zijn talloze voorbeelden van dit soort zuchten.

Ik heb geprobeerd de gedichten van Dante Alighieri,  Guido Mainardi en Guido Cavalcanti op te zoeken om een oordeel over de vertalingen te kunnen geven, maar had te weinig aanwijzingen. Daar Basart onder zijn vertalingen aangeeft dat ze ‘naar’ een auteur zijn,  vermoed ik dat deze teksten niet een getrouwe vertaling bieden, maar dat  het ook hier om commentaar op de inhoud  zou kunnen gaan.

Samenvattend: gedichten die op ‘light verse’ lijken maar voortkomen uit een relativerende levenshouding en getuigen van een perfect meesterschap over de taal. De dichter geeft blijk van een gevoel voor ironie dat wellicht angsten verkleint. Het is een erudiete bundel waaraan ook veel intellectueel plezier te beleven valt. Het zijn ‘Snikken en grimlachjes’ als bij de 19e eeuwse met zijn romantisch gevoel worstelende Piet Paaltjens.  
Ik hoop dat Basart geen ‘worgengel’ heeft (zie de studie van Rob Nieuwenhuijs over de angsten van Francois Haverschmidt = Piet Paaltjens), maar dat hij nog veel van deze verrukkelijke poëzie mag schrijven.

***
R.A. Basart  werd geboren in 1946. Hij schreef dichtbundels en prozawerken. Voor zijn eerste bundel, Oranjebal (1975), kreeg hij een aanmoedigingsprijs. De jury zag een grote belofte in hem, maar hij wilde zijn leraarschap (Basart was leraar Nederlands) niet opgeven. Verder verschenen de bundels De gezonde apotheek (1977) en Zingend naar huis. Voorts werden twee romans van hem gepubliceerd: ‘De laatste lach’ uit 1997 en ‘De verzoening’ uit 2016 die door L.H. Wiener werd gepresenteerd met een mooie, analyserende toespraak.

Recensie van Wat we achterlieten / What we left behind - Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.

Weemoed en bezinning verbeeld en verwoord

Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems e.a.
Wat we achterlieten / What we left behind
Uitgever: De zwarte els
2017
ISBN 9789080442122
€ 17,50
103 blz.

Voor mij is een mooi boek belangrijk: als de inhoud op een fraaie manier wordt vormgegeven vind ik het product in zijn geheel mooier. Toen ik pas leraar was, een jong gezin had, kocht ik wel eens Bulkboeken, literaire producten als krant vormgegeven. Ze kostten weinig. Weliswaar werden boeken en gedichten zeer toegankelijk, maar schoonheid in de vorm van een krant van papier dat snel geel wordt en scheurt, wordt voor mij minder kostbaar. Hoewel de Bulkboeken nog steeds op een stapel ergens op een plank liggen, kijk ik ze nog nauwelijks in.

De tweetalige, op foto’s gebaseerde dichtbundel Wat we achterlieten / What we left behind is een buitengewoon mooi boek. Ik sla het vaak open, kijk naar de afbeeldingen, lees een gedicht en geniet elke keer. De foto’s en het omslag van dichter/fotograaf Mariet Lems zijn mooi en melancholiek (en druktechnisch prachtig). Gemaakt in Ierland zijn ze, lijkt het, gemaakt in verlaten huizen: er staat een paraplu tegen een door vocht uitgeslagen muur, er hangt een jas, een heiligenprent, er staat een paar roeispanen, een boot drijft in het water. Het zijn deze foto’s die voor de uit vijf dichters bestaande groep Divers de aanleiding zijn geweest de gedichten te schrijven die dit boek vullen en door Wim Tigges in het Engels vertaald zijn.
Ik ben geen anglist, maar weet wel iets van het vertalen van Nederlandse teksten. Zelf heb ik een door mij geschreven gedichtencyclus over de getijden in Umbrië in het Italiaans vertaald, waarbij ik behoefte kreeg aan een moedertaalspreker. Ik heb de indruk dat mede door de samenwerking met een Italiaanse filoloog/filosoof mijn vertaalde gedichten het in Italië beter doen dan in Nederland vanwege de sociaal-linguïstische context. Deze vertaler heeft het alleen gedaan. Ik hoop dat zijn Engelstalige teksten in Ierland met even veel waardering worden ontvangen als de mijne hier in het zuiden: het is, hoe dan ook, een knappe prestatie. Ik verwacht het wel, het beeld wordt verwoord en draagt eraan bij dat de Ieren ervan kunnen genieten. Ik gun het hun en de dichters.
Peter van de Kamp heeft een Engelstalige inleiding geschreven, waarin hij onder meer van elk van de dichters een gedicht behandelt. Ook dat verhoogt de aantrekkelijkheid, net als het feit dat Mariet Lems veel in Ierland komt: ze kreeg zelfs een Ierse boer aan de poëzie.

De groep Divers, bestaande uit Edith de Gilde, Frida Domacassé, Mariet Lems, Wim Hartog en Wout Joling, komt eens in de zes weken bij elkaar. Zij bespreken dan een nieuw gedicht over een van te voren afgesproken thema, waarvan de tekst bekend is. Het gedicht wordt dan volgens een vast stramien besproken. Eerst leest degene die links naast de schrijver van het aan de orde zijnde gedicht zit de tekst voor; dit kan onduidelijkheden aan het licht brengen. Dan leest de maker het voor. Vervolgens gaat men rechtsom en mogen er opmerkingen worden gemaakt die over de wezenlijke zaken gaan. Naar eigen inzicht verwerkt de ‘maker’, de poëet (dat komt van poietes, wat maker betekent), deze opmerkingen. Dan wordt het gedicht nogmaals aan de groep voorgelegd.

Dit boek is ontstaan naar aanleiding van gedichten waarbij de foto’s aanleiding tot dichten waren: men was vrij om te reageren zoals men reageerde.
Het boek kent  vier afdelingen: ‘Binnen’, ‘Buiten’, ‘Landschap’, ‘Water’. Elke dichter reageerde op de beelden die deze thema’s illustreren. Opmerkelijk is de grote variëteit van de gedichten. Het eerste gedicht van Edith de Gilde is een inleidingsgedicht. Het heet ‘Scheppers’. Een citaat: ‘Op een dag hadden we er genoeg van. / We gingen na wat we zeker wisten / en pakten het in een rugzak. // Die was niet zwaar. We sjorden hem om / en verlieten het huis. Dat we opnieuw / ballast zouden vergaren was op dit ogenblik // van geen belang…’.
Het is onmogelijk om zoveel te citeren als ik zou willen. Elke dichter zou aan zijn of haar trekken moeten komen, maar omdat dit het werk is van een groep, neem ik aan dat men zich ook kan identificeren met een gedicht dat in de groep is behandeld.
In het onderdeel ‘Landschap’ schrijft Mariet Lems bij een wonderlijk mooie serene foto: ‘Wie er woonde heeft misschien toch wel / het nakijken. Dat ik vastleg wat / los wil, meeneem wat vergaat / opteken wat gezegd wilde / Hoe ik de gastvrijheid ontvlucht / omkijk, de deur sluit, een braam pluk / groet…..’. De sfeer is melancholiek, de vorm van het gedicht is mooi, er klinkt een resignatie in de taalmuziek. Ook Wim Hartog reflecteert over een foto op zijn manier, waarin hij verwijst naar het orthodox-katholicisme, dat grote gezinnen stimuleerde. Dan moest ‘het geslacht / wel eerst met wijwater gewassen. / Er kwamen goddelijke kinderen.’ Ook hij eindigt in een soort resignatie: ‘Nachtdiep zicht verliest / de witte sluiter aan zalige prikkels.’
In de afdeling  ‘Water’ werd ik gecharmeerd door het gedicht ‘Rustgebied’ van Wout Joling:

Ik wacht niet tot het laatste
woord is verouderd
zoals het meer in een poel
en de lucht
van grijze lei

Het paard
dat niet meer galoppeert
van wie alleen het malend
grazen aan de stilte
van het beemdgras schurkt

De bomen onveranderlijk
groen door de seizoenen
herfst blijft zomer
in winters smelt niets
dat van natuur is

Snor en rietgors
verwijlen in het onderriet
waar nergens nog
een woord verschrikt
van plek verschiet

Kortom, voor wie van fraaie, milde en melancholieke poëzie houdt, gebaseerd op mooie foto’s, fraai vormgegeven, is dit boek een aanrader. Edith de Gilde en Mariet Lems speelden de belangrijkste rol bij de totstandkoming ervan. Het is ook een mooi cadeau. Dat de Ierlandkenner Ruud Hisgen de fraaie Nederlandstalige inleiding schreef, waarbij hij deze poëzie verbindt met de hartenkreten van een middeleeuwse monnik, draagt bij aan de ongelooflijk hoge kwaliteit.  Het boek roept bij mij een soort heimwee-achtig verlangen op om eens naar het groene Ierland toe te gaan, wat ook bij  lezers het geval zal zijn.

***
De uit vijf dichters bestaande groep Divers, met de klemtoon op de tweede lettergreep, komt regelmatig bij elkaar. De dichters zijn bijna allen zeventigers. Doordat ze in een groep werken, ontstaat er zeer zorgvuldige poëzie. Edith de Gilde is bestuurslid van Meander en evenals Mariet Lems werkend lid van de Haagse Kunstkring.
De bundels zijn te bestellen bij De zwarte els (de.zwarte.els@outlook.com)

Recensie van Voor de verre prinses - Chrétien Breukers

Nestwarmte

Chrétien Breukers
Voor de verre prinses
Uitgever: Prominent
2017
ISBN 9789492395139
€ 14,95
81 blz.

Het bespreken van literatuur in brieven is niet nieuw: ik heb heel goede herinneringen aan de vakantiebriefwisseling van dr. H.G. Bachrach, Naar het hem leek, waarin hij met een ‘amice’ Shakespeare bespreekt, maar het koppelen van liefdesbrieven aan poëzie, nee, sterker nog, poëzie die overloopt in liefdesbrieven, lijkt me tamelijk uniek. Chrétien Breukers deed het in het mooie boekje Voor de verre prinses, dat behalve een ‘brievenboek’ ook nog een bloemlezing is, een poëtica en een handleiding in lezen. Ik heb het tweemaal achter elkaar gelezen en dat doe ik niet snel.

De ontstaansgeschiedenis is niet uniek. Twee mensen die van poëzie houden worden verliefd en zoeken naar uitdrukkingsmogelijkheden van hun gevoelens in gedichten. Zij zoekt in Dante Alighieri’s Divina Commedia naar op hen slaande passages, hij belooft haar eens te schrijven over zijn ‘lievelingsgedichten in het Nederlands’. Hij wil het ‘groots aanpakken’ en besluit ‘een boek te schrijven’. Het resultaat is een aantal brieven rondom één of meerdere gedichten (bijna allemaal liefdesgedichten), waarin hij vanuit het gevoel van nestwarmte, zoals hij die ervoer in misschien het allereerste gedichtje uit onze literatuur ‘Hebban olla uogala…’, tot zijn keuze komt.

Chrétien Breukers is niet alleen tot aan zijn oren verliefd op de ‘blooskoningin’, de ‘maandagaangekleedste’, ‘de adembenemende ogenvijver’ (een paar van de vele poëtische aansprekingen van zijn geliefde), maar ook op de poëzie. Die liefde tot de poëzie ontstond bij hem toen hij in een bus van school naar huis reed, van ‘Weert naar Leveroy’ en een gedicht van Roland Holst las. Het was liefde op het eerste gezicht. Het wierp bij mij de vraag op wanneer mijn liefde voor poëzie ontstond: dat was in 1948, toen mijn vader tijdens de Boekenweek een gedichtenbundeltje meebracht: ’De muze en het ambacht’. Elk jaar zag ik naar die fraaie bundels uit, ook typografisch prachtig verzorgd, die je voor een kleine vergoeding kon kopen. Ze bestaan helaas niet meer, maar het moment dat ik met mijn vader samen las over ‘de chimpansee die ziek is van zee’ is voor mij het begin geweest.

De eerste Middelnederlandse regels staan aan het begin van het boek. Als hij dan zijn toekomstige geliefde een boekwinkel binnen ziet lopen, waar ‘een gemeenschappelijke vriend moest voorlezen’, denkt hij aan takken, aan het bouwen van een nest, het is een grote, vurige liefde op het eerste gezicht. En aangezien Chrétien elke menselijke ervaring die hij ondergaat koppelt aan een gedicht, levert ook deze ontmoeting poëzie op. Hij besluit tot dit boek.

In de brieven aan zijn ‘Bezitster van het Mooiste Sleutelbeen ter Wereld’ begint hij met de behandeling van een liefdeslied van Anneke Brassinga, waarbij hij verklaart waarom hij niet chronologisch te werk gaat, maar van de hak op de tak springt. Het gedicht ‘Code’ van Gerrit Achterberg leidt hem tot een bespiegeling over de kracht van de poëzie: woorden die ‘onder spanning’ staan. Aan zijn ‘Allerliefste trapoploopster’ licht hij, mede vanuit een aantal persoonlijke ontmoetingen met de dichter H.H. ter Balkt, een gedicht van hem toe over Wilhelmina die een glas water de trap opdraagt. De brief hierover geeft blijk van heel erg goede ‘close reading’: het staat er allemaal, maar je moet het lezen. Paul Snoek passeert de revue (‘Een zwemmer is een ruiter’), waarbij en passant een gedicht van Van Bastelaere wordt meegenomen. Sebastiene Postma komt langs met pijn in haar voeten. De beschouwing over het gedicht van Jan Kostwinder geeft Chrétien aanleiding wat anekdotisch materiaal over deze mij onbekende dichter toe te voegen, wat mij een grote nieuwsgierigheid oplevert naar ander werk van hem. Frans Budé en Herman De Coninck komen langs, terwijl aan de lieve ‘Veelbladige Kropsla’ Luuk Gruwez wordt gepresenteerd. Het meest geboeid was ik door zijn beschouwingen over Paul van Ostaijen, Lucebert en Hans Faverey. Deze laatste – door sommigen als mystiek hermetisch dichter gezien – wordt door Chrétien Breukers verrassend toegankelijk. Dat brengt mij er toe nog eens werk van Hans Faverey te gaan lezen; lezen dan zoals Chrétien, wat er echt staat. Met een mooi hoofdstuk naar aanleiding van het gedicht ‘Willen’ van Jan G. Elburg eindigt dit leesboekje.

Ik zou elke poëzieliefhebber die oprecht geïnteresseerd is in het beter leren lezen, aanraden dit boek te kopen. Het is ook typisch zo’n boekje dat je cadeau kunt geven aan bijvoorbeeld je geliefde. Het kan ook voor leraren die de poëzie aan het hart gaat, fungeren als een blaasbalg waarmee de liefde tot de poëzie weer tot vlammen wordt aangeblazen. Het is ook een ontdekkingstocht. Zeer aanbevolen.

***
Chrétien Breukers (1965) is schrijver en redacteur. Hij debuteerde in 2014 met Een zoon van Limburg, een veelgeprezen debuut. Hij stelde, soms samen (met o.a. Dieuwertje Mertens), soms alleen bloemlezingen samen. Hij was tussen 2005 en 2015 redacteur van de weblog De Contrabas, waarover vooral Gerrit Komrij nogal enthousiast was.

Recensie van Blijven en weggaan - Ineke Holzhaus

Het nu van het gedicht

Ineke Holzhaus
Blijven en weggaan
Uitgever: Azul Press
2016
ISBN 9789492401090
€ 15
56 blz.

Met de bundel Blijven en weggaan verzilverde Ineke Holzhaus de Hofvijverpoëzieprijs van de stichting ‘Vrienden van de Hofvijver’, die om de twee jaar wordt uitgereikt. Zij won hem in 2015. Aan de hand van een opgegeven thema werd gevraagd een gedichtencyclus van minstens vijf gedichten in te sturen. Het werk van de prijswinnaar werd dan in een bundel gepubliceerd. Het thema van 2015 was: ‘Op het duin’. Ineke Holzhaus won met haar cyclus ‘De tuin van Nolde’.
Ze las de gedichten voor in het Europahuis in Den Haag aan de Hofvijver. Ik was er bij. Sommige gedichten lenen zich goed voor een auditieve beoordeling, sommige ook niet. Ik had, al luisterend, wat moeite een relatie te leggen tussen het duin en de tuin. Ondanks mijn hoop op nader begrip als ik over de tekst zou beschikken, is dat bij lezing toch ook niet gelukt. Het is overigens wel een mooie cyclus, waarbij de dichteres zich inleeft in het leven van de Duitse expressionistische schilder die in de jaren dertig van de vorige eeuw klem zat in de in Duitsland aanstormende ‘Nieuwe Tijd’. Ineke zal zich ook niet gerealiseerd hebben, dat zij de laatste winnares van de prijs was. Het bestuur van de stichting stopt namelijk met de poëziewedstrijd, waarmee dit sympathieke initiatief, waarbij het om een gedichtencyclus ging, een, zover ik weet unieke prijsvraag in ons taalgebied, bijgeschreven kan worden in de literatuurgeschiedenis.
De bundel heeft vijf onderdelen: ‘Blijven en weggaan’, ‘Op het Duin’ (waarin een viertal Haagse gedichten deze Haagse recensent verblijdden), ‘De tuin van Nolde’ (de bekroonde cyclus), ‘Je bent los’, ‘Meer tuinen’ en tenslotte ‘Blauw plastic zakje’.
De poëzie van Ineke Holzhaus is zeer zintuiglijk. Ze neemt scherp waar en legt die waarneming vast in het gedicht, waardoor haar gedichten worden tot een persoonlijk hier en nu. Haar taalgebruik is eenvoudig, vol kleur en soms is er een ritmische muzikaliteit die het lezen aangenaam maakt. Dit viel mij op in het eerste gedicht van de bundel: ‘Wandeling’:

Alleen als je vroeg opstaat kun je de stad
in haar tederste staat begroeten, tingrijs
violet bijna, stil water als ijs, voor de lichtzinnige

draaikont zich verkleedt tot kleverig lunapark
kakelbont feest, bezopen en onbeschaamd naakt…

Mensen en herinneringen zijn belangrijk voor haar, evenals verwijzingen naar beeldende kunstenaars en dichters. In een van de Haagse gedichten, ‘Aan de haven’, stelt zij de lezer op de proef door te verwijzen naar een drietal dichters die ze met initialen aangeeft: ‘Je kunt nog niet in een tram zitten naar zee/ zonder aan eerdere ritten te denken en aan R.C. / die ze triest en traag heeft genoemd, de gele // wagens naar de haven …’ En even verderop: ‘en denk hoe M.N. voor dag en dauw een tram / door zijn sonnetten stuurde…’
Uiteraard probeer je de namen van de dichters te raden. Ik werd verderop op het verkeerde been gezet doordat ze ook nog verwees naar ‘versregels van de schrijver B.B. die zich / de vorm van de wolken beter herinnerde / dan het gezicht van zijn geliefde.’
Gelukkig geeft ze de ‘oplossing’ in de bladzijde ‘aantekeningen’.

Het is niet alleen om de nieuwsgierigheid te bevredigen, dat ik aanraad de bundel aan te schaffen. Wat mij ook opvalt is dat de bundel liefdevol is. De personen die in de diverse onderdelen voorkomen worden scherp, maar liefdevol getekend. Zo schrijft ze over haar opa een paar prachtige regels: ‘Klompen, schrale ochtend, corduroy / vouwen in zijn knieholten gesleten, hij is / je naam niet vergeten uit de vele op weg / naar zijn Eden, schepping tussen vaart en sloten…’
Zo kijkt ze ook naar haar oma, naar haar moeder, naar kunstenaars als Rothko en Giovanna Garzoni, ze kijkt ze naar landschappen waar ze zich mee verbonden voelt, naar geliefden, naar gebeurtenissen. Ze creëert met haar kleurrijke taal een poëtische, maar ook menselijke werkelijkheid, waarin ze haar eigen plaats weergeeft ten opzichte van datgene wat ze beschrijft in het hier en nu van het gedicht.

Een enkel woord nog over de cyclus, waarmee ze de wedstrijd won en die in feite de basis van deze bundel vormt. Volgens de flaptekst gaat het om de cyclus ‘Als op een duin’. In de bundel heet de verzameling ‘De tuin van Nolte’. Alles wat hiervoor gezegd is over de kwaliteiten van haar poëzie geldt voor deze vijf gedichten. De aandacht, de liefdevolle benadering, de kleurrijke taal: ze zijn allemaal aanwezig.

De dichteres bezoekt Seebüll, vlakbij de Deense grens, waar het huis ligt waar de schilder Emil Nolde en zijn vrouw woonden. ‘Het is nog stil, de bussen komen later’, zegt een vrouwenstem: ‘u hebt het goede jaargetijde uitgekozen’. De vrouw blijkt de vrouw van Nolde te zijn, met wie de dichter een fictieve dialoog aangaat. Ze wijst op: ‘de krakend blauwe luchten / noordelijke stapelwolken, cumuli / daar hield hij van vanwege het contrast / hoewel ook de storm hem dierbaar was-‘. Ze tekent de harde streek: ‘er wordt een zekere hardheid van ons / verwacht, van planten, vogels, de bewoners.’

Ze deed de tuin, zegt ze. Die tuin moet een feest van kleur en vorm geweest zijn. Ik citeer het hele gedicht.

Ik wiedde grassen, netels, klaver
juffertjes in ’t groen waren hem te bleek
hoewel zijn ogenblauw – kijk maar binnen
naar zijn zelfportret – het bloemblauw
in haar venushaar benaderde; zijn blik
geschrokken ijs. Ik doe de tuin, nou ja ik deed.

Ik koos de irissen en dubbele violen, dahlia’s
in tinten die hem naar het zuiverst rood
deden grijpen of blauw, hij kneep het Pruisisch
zo de tube uit – hier is de zee zei hij en hier
de gele lucht die wegdreef als hij ernaar keek
maar die hij razend schilderend achterhaalde.

Van zeer nabij beschrijft zij de politieke verwarring die zich van de schilder en ook van haar meester maakt in de stad: ‘Ze sloegen het roet af van de stad / de losgeslagene, waar in de danslokalen / geamputeerde soldaten hun ijzeren kruis / schudden, de loopgraven wegdronken-‘.

Het contact met het nieuwe regime wordt weergegeven in een niet rijmend sonnet, waarin eerst de keuze wordt gemaakt voor ‘het zuivere licht, het noorden, het onvermengde blonde volk…’, maar uiteindelijk ontzegt ‘de vereerde leider met geheven hand’ hem ‘linnen, verf, papier, vernis’. Na dit strakke vers komt het laatste van de vijf gedichten uit de cyclus waarin duidelijk wordt dat het een fictieve dialoog is: haar stem klinkt ‘ijler nu, verdwenen bijna’. De verwarring slaat ook in de vorm toe. Noldes vrouw vraagt de dichteres: ‘weet u nog wat u ziet wanneer u / straks verward zijn atelier ingaat?’ om daarna te concluderen ‘schoonheid verslaat goed en kwaad.’ Dan is ze weg. De cyclus eindigt met het beeld dat aansluit op het begin als ‘een buslading vrouwen met Noorse / wandelstok en drie verloren heren..’ haar tegemoet komt. De laatste regels geven stof tot nadenken: ‘ik verwissel mijn zonnebril voor de gewone / om naar zijn werk te kijken door ongetint glas’.

Misschien was een geïllustreerde uitgave van alleen deze cyclus erg mooi geweest, tekst en fraaie illustraties zouden zeker volstaan hebben. Dan hadden we wel dit buitengewoon fraaie boekje met de mooie overige gedichten gemist.

***
Ineke Holzhaus (1951) is dichter, schrijver, theatermaker en poëziedocent. Ze publiceerde bundels als Waar je was (2011) en Bovengronds (2014). In 2015 won zij de HofvijverPoëzieprijs. Ze woont een groot deel van het jaar in het mooie oude Berry in Frankrijk, waar ze ongetwijfeld ‘zeer rijke uren’ beleeft.