Gedichten

door Alex Gentjens (1969), Tonnie Meewis (1984), Inge Boulonois (1945)
Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Alex Gentjens (1969)

Water

Waar water en zacht strand
elkaar reikhalzend raken,
elkaars vingers vouwen in het zand
en elkaars benen in de schelpen haken,

keert alles naar het oude terug.

En als de oorsprong van de dingen,
het gluren naar de tijd,
het ontluiken van seringen
de laatste kou in tweeën bijt,

komt alles in het nieuwe terug.

Tonnie Meewis (1984)

DE KAASCLUB

“Without cheese there wouldn’t be an inland empire.”
- David Lynch

We stichtten een kaasclub een mom een excuus
om de stank van ons innerlijk uit te serveren

maar wind hield mijn deur dicht ik wist het
al voor ik mijn jas van de vloer nam
mijn schoenen ontstrikte mijn sleutels weer terugvond
op de vaste plek op de vensterbank

zonder kaas zei David geen innerlijk
zonder haast zeg ik geen vervolg

maar voor en aan wie en hoelang nog
forceren de leden zich langs me
verbergen de blokjes mijn schaamte
blokkeren mijn woorden mijn tong

gestremd zal ik uitwendig zijn
gestremd zal ik verteren

in wie zonder afspraak mijn mond binnendringt
in wie mijn gerijpte gedachten waardeert
in wie zich ontvouwt en mijn keizerrijk spiegelt
in wie ik ontkom aan wat ik domineer.

Inge Boulonois (1945)

Erna

als schemer scherpe randen van schaduw
vloeibaar maakt, hoort ze het ritueel van geluiden:
het portier klapt dicht, zijn naam knerst
op het grindpad, open knarst het lipsslot

als opmaat tot de chemie van hun bestaan
ploft de tas in de hal waarna hij honderduit

steeds nét daarvoor slaat de cadens om
in doodse stilte, zijn afwezigheid snijdt
in de schrijn van haar ribbenkast

slaap is weer dun als het gebloemde beddengoed
lege armen reiken vergeefs naar zijn helft
ze gaat na hoeveel dagen geleden het al

als de ochtend harde banen op wanden trekt
stommelt ze uit bed, staart naar
de opgloeiende lichtpunt van haar sigaret

al twaalf dagen staat in de hal de tas
onuitgepakt

Gedichten

Alex Gentjens (1969)

Poëzie is mijn natuurlijke uitlaatklep, mijn manier van leven. Zonder woorden kan ik niet leven. Een dag niet geschreven, is een dag niet geleefd.

Ik heb de dagen

Ik heb de dagen aan de takken te drogen gehangen
Dat kan, nu het herfst is, wel zeven maanden duren
Ik heb, nu gij weg zijt gegaan, getafeld met uw uren
En ze zeiden dat ze zonder u nog nooit waren vervangen

En ze verslikten zich in avontuurlijke gezangen
Gij weet waarschijnlijk wel dat ik voor heter vuren
Heb gestaan, toch konden zij niet lang meer duren
Zij werden wijs van onuitputtelijk verlangen

Zo hebben wij, sinds gij weg zijt gegaan, geen reden
Om te blijven, uw dagen vallen langzaam naar beneden
Gij hebt geen een idee hoe lang mijn lid nog kan verstijven

En weet dat, wanneer gij terug zult zijn gegaan
Wij hier niet langer in het licht kunnen gaan staan
En wij van voren af aan dit gedicht zullen herschrijven

Anthony Roegiers (1992)

Voor mij is het schrijven van gedichten bijna even potsierlijk als sporten : je maakt het jezelf onnodig lastig in de hoop iets langer te leven.

SONNET

De tiener met de boog zei : “Sapristi !
Ze zit met veer en meetlat tussen ’t oor,
te mijm’ren over vierkantswortel pi.
Ja, uren afgezonderd gaat ze door,
bedolven in verfomfaaid rolpapier,
ze leest geschriften vol met rijmerij.
Maar ik verkies juweel en weeldesier,
en oefen yoga in een bergvallei.”
In zijn vingers gistt’ een lampig dampje
hetwelk hij als een stroomstootbal wegzond,
wijl hij smoesde : “boekenwurm ik stamp je.”
De Aegisdraagster tuimelt op de grond.
Haar oog van fier saffier tuurt door het stof,
hij was verdwenen met een nimbusplof.

Paul Bezembinder (1961)

Poëzie is evenwichtskunst, spel van abstractie en vermakelijkheid.

De tussenstop

Na uren doelloos dwalen in zijn Clio,
Vinex-wijken, lintbebouwing, industrie,
bedrijfsterreinen, almaar almaar Venlo,
vond hij eindelijk zijn heterotopie: een
pleisterplaats voor plas en cappuccino.

Bij de counter stond een jonge moslima
die zoveel aandacht aan zijn milkshake
schonk, dat haar reflectie in het formica
van het buffet hem als een kleine remake
van een oude meester in de ogen blonk.

Het fastfood evenwel viel tegen, smake-
loze fillers, gratis refills, friet die stonk,
een maaltijd die hem vrij liet fantaseren
over decadente franchisenemers en een
voedselketen die de clientèle leren wou

dat het leven als een straf convex was,
nooit dus lijken zou op een croissant of
bagel, nooit de wegen die van these via
antithese naar synthese leiden konden,
pace Hegel, uit zichzelf ooit nemen zou.

Martin Wijtgaard (1971)

Het zou een beetje ver voeren om aan te nemen dat wat je schrijft over honderd jaar nog gelezen wordt, maar ongeacht de vorm kan het nooit kwaad om je, als je onderwerpen, motieven, metaforen en beelden kiest af te vragen of ze het over honderd jaar nog zullen begrijpen. En, nu we toch bezig zijn, of ze je honderd jaar geleden begrepen zouden hebben.

Vanitas

Neem ruim de tijd, een inktpot, een glas wijn,
een fruitschaal en een klok om stil te zetten,
blaas kaarsen uit, strooi bloemen rond m’n schedel,
stof over je lievelingsromans.

Neem gerust de tijd, ik heb wel even:
een eeuwigheid om hangend in salons,
gerangschikt in het hart van je stilleven,
onbewogen grijnzend toe te zien

hoe om je heen de zomer implodeert,
je schutterend met kwasten en pigmenten
probeert om onherstelbaar vast te leggen
dat alles zwijgend naar de tering gaat.

Herschik een kandelaar of een chrysant,
zet er een globe of een spiegel naast,
veeg nog een keer het spinrag van mijn botten
en neem de tijd. En neem de tijd. Maak haast.

Bert Struyvé (1952)

Door gebruik van taal beklemt de droom van de werkelijkheid nog meer

Voorjaarsstappen

Ze worstelen zich uit de grond als kwetsbaar groen,
verlaten het schuilen in winterstand. Zuigen aan zon,
ontkurken scheuten voor een zomers onthaal.

Ze buigen gebogen ruggen recht, rekken opgetrokken
ledematen, ontspannen ingehouden adem. Ze praten

met dunne woorden en verdwijnen langzaam
uit het zicht: de rijen rugtassen, plastictassen en soms een plunjebaal. Ze trekken dagen en weken naamloos traag over wegen als lopende band zonder stopsignaal.

De klok tikt de dagen naar de zomer;
ze ruiken een thuis. Ze weten de naam van het land.

Maar wie luistert naar het verhaal, wie opent
het slot naar onbekende namen, wie peutert
frisse knoppen uit beschadigde schillen?

Poëzie is niet bij machte;
dit vers ontvouwt slechts cerebraal.