Gedichten

door Kees Godefrooij (1951)

Aan de muze

Mijn god, je weet dat ik me kan vervelen
dat het me dwars zit als een scheet
dat ik je bovendien nimmer wil delen
vertel dus hoe die Fransman heet!

Je kunt de knoflook uit mijn pasta stelen
met al wat jij van dichtkunst weet
in jouw genade, vrouw, ontstaan juwelen
al eist het schrijfproces een eed

aan welke dode grootheid mag ik denken
een Mallarmé, Verlaine of die vandaal
heb geen idee, toe geef me nog wat wenken

voor alle loze woorden in mijn taal
zal ik je dan terstond vergeving schenken
aha, de dichter van Les fleurs du mal!

Kind van Eros

Je schaamte en het schuldgevoel
na onze onbezonnen daad
doen jou belanden in een poel
van droef genot en zoet verraad

ik smelt als ik je zie, zo zwoel…
alsof de zonde nog bestaat
omfloerst laat je de boel de boel
een claxon penetreert de straat

we doen het ditmaal op een stoel
die zalig in het zonlicht baadt
de stofjes zweven zonder doel

terwijl ik zachtjes met je praat
een stem zegt ‘morgen wordt het koel’
als kind van Eros golft mijn zaad

Sneuvelland

Sneuvelland is de uitgelezen bestemming om triest te zijn
en de melancholie te koesteren, om je onder te dompelen
in een roes van intens verdriet om wat de wereld je aandoet
waar je de debacles van de mensheid betreurt en rouwt
om alles wat ooit ten grave is gedragen. Ja Sneuvelland,
beste lezer, daar likt de ongelukkige zijn of haar wonden
en werkt er aan herstel

Hypnos & Thanatos

Ze rusten in de armen
van de Nacht

zo staat het te boek
zo wordt er gedacht

want Slaap
draagt zijn papaverbloem

en Dood
een grondgerichte toorts

waar Slaap
gewekt wordt door gezoem

bezwijkt zijn broer
aan hoge koorts

Recensie van Met enkelband - Herman Fierens

Vruchtbare grond

Herman Fierens
Met enkelband
Uitgever: C. de Vries-Brouwers
2012
ISBN 9789059272897
€ 14,90
88 blz.

Voor Lydie

Samen de gangen door, elk naar zijn klas,
een maandagochtend twintig over negen,
de winterjassen stinken naar de regen,
ik vraag terloops of hoe je weekend was.

Het antwoord dat ik in je ogen las
en dat ik al zo dikwijls had gekregen
als je lippen plichtsvervullend zwegen,
was de reden waarom je niet genas:

ik wist hoe diep je bitterheid al zat
maar niet dat ze je lijf had aangevreten
tot waar je koppigheid geen kans meer had
om zich nog vaak met haar te kunnen meten.

Alleen die van je hielden konden weten
dat je, koppig, altijd jezelf vergat.

Een prachtig, hartverscheurend sonnet, helemaal volgens de regels van de kunst, op een schoonheidsfoutje na in regel 7, waar een lettergreep ontbreekt. Maar hier lezen we overheen en bovendien is het makkelijk te repareren.

De poëzie van Herman Fierens prikt als het ongeschoren aangezicht van een wilde man die met zijn kaken over blanke muzenbillen wrijft. Zijn taal gaat gehuld in de sarcofaag van het verlangen. Lees de volgende regels, alle afkomstig uit verschillende gedichten in de bundel Met enkelband:
– ‘en kijken door de nutteloze ramen / hoe het morgen wordt';
– ‘zij zou de moedervorm van / een belofte kunnen zijn';
– ‘een gedicht op zoek naar inkt';
– ‘die droge Weltschmerz oproept, gekweld / door ironie, niet zo geschikt voor woorden / dus, tenzij die kleurrijk kunnen liegen.’

Het zijn stuk voor stuk fraaie vondsten. Wat kan ik er meer over zeggen? Hier wordt taal gebezigd op het scherp van de snede. Deze gedichten zijn de moeite waard omdat ze iets kostbaars onthullen, iets wat normaal gesproken onder een dikke laag stof verborgen blijft. Ze maken gewag van een vermoeden. Ik zal u, waarde lezer met nog een aantal verzen verblijden en er verder het zwijgen toedoen.

Je huivert even

Je huivert even als je
je zijn lichaam en vooral zijn mond
herinnert, die op een zondagmiddag
na de koffie. Niet eens een jaar geleden,
plots heel wijd openviel
alsof hij wou gaan zingen.

Je glimlach tast de grond af
binnen de rechthoek
tussen het genummerde houten kruis
en de chrysanten aan je voeten.

Misschien heeft soms een wandelaar
dit lief, dit beetje gras.

 
7 (fetisj)

Kom, verklaar me de wereld
met je lichaam,
verklaar mij met jezelf,
bezondig je, zonder woordverlies,
aan mij
versier me met de ogen
waarin nog niemand heeft gekeken,
jij kent het klappen van de zweep.

Kom, ik mors ons toe
om voor wat onafwendbaar is
vruchtbare grond te worden.

Met Enkelband telt 63 vrije verzen en een sonnet, en is na twee inleidende gedichten onderverdeeld in drie afdelingen.

***
Herman Fierens (Lokeren 1941) publiceerde eerder Brumaire (1969), De weg door het binnenland (2002) en Zwemmers in het tegenlicht (2007).

Recensie van Zoals de wind in maart graven beroert - Wouter van Heiningen

In het wangslijm

Wouter van Heiningen
Zoals de wind in maart graven beroert
Uitgever: De Brouwerij ,De Brouwerij ,De Brouwerij
2012
ISBN 9789078905455
€ 14,50
84 blz.

Uitgeverij de Brouwerij meldt op haar site dat Wouter van Heiningens bundel Zoals de wind in maart graven beroert is voortgekomen uit ‘verwondering en bewondering’.
Dat zou dan iets moeten beloven. Maar niets, werkelijk niets prikkelt in deze bundel de zinnen. De ene saaie regel volgt de andere op in één lange monotone brom. Niets springt eruit.
Een paar willekeurige voorbeelden:

Uit ‘Verontrustend rustgevend’: Je zinnen prikkelen / de woordenman in mij / dat wat je schrijft / komt immers aan / in veilige haven.
Uit ‘Paradijsvogel’: Het manifest van je unieke leven.
Uit ‘Penelope’: nu schijnt daar altijd nog de zon / achter de wolken voor wie het wil / zien, […].
Uit ‘Berglandschap’: In het wangslijm van / de dampkring / kauwt de aarde / de brokken binnenste / naar buiten.

Het wordt ronduit pijnlijk als Van Heiningen zich aan het rijm waagt, zoals in ‘Zeemansgraf’: Verlaten en in zijn daden verweesd / trad hij horizon en water tegemoet / alsof er nooit sprake van / een evolutie was geweest.

Voor welk publiek van poëzielezers is dit geschreven? Zoveel uitgekauwde overbodigheid tussen twee kaften ben ik nog niet eerder tegengekomen. Was er niemand ter uitgeverij die Van Heiningen tegen zichzelf kon beschermen? En was er niemand die de Brouwerij voor deze uitgave kon behoeden?

Er is geen moment sprake van enige uitdaging, nooit is een gedicht intrigerend, of wordt de taal op een interessante manier gebruikt. Dooddoeners, infantiele vondsten en kromtaal, dat is wat je aantreft en ook als zodanig moet benoemen, als je de poëzie serieus neemt. Dan is er maar één maatstaf: de hoogste.
Leg je die niet aan, wordt alles anders en mag je wat slechts de schijn van poëzie heeft, toch dichtkunst noemen. Ik ga daar niet in mee.

De bundel telt vier afdelingen van elk vijftien gedichten: ‘De dagen dat ik je zocht’, ‘Niemand zit mooier dan zij’, ‘Altijd in beweging’, ‘Wie er moet zijn is aanwezig’.

***
Wouter van Heiningen (1963) is directeur van de bibliotheek Maassluis | Midden-Delfland en betrokken bij de stichting Ongehoord! en het Nationaal Documentatiecentrum Maarten ‘t Hart. Eerder publiceerde hij een eerder in Meander besproken bundel gedichten bij foto’s van Ruben Philipsen (Zichtbaar alleen, 2008) en samen met Alja Spaan schreef hij Je hebt me gemaakt met je kus (2010).

Recensie van Dit verblijf - Eric Vandenwyngaerden

Of ik nog even blijf

Eric Vandenwyngaerden
Dit verblijf
Uitgever: Berghmans Uitgevers ,Berghmans Uitgevers ,Berghmans Uitgevers
2012
ISBN 9789070959913
€ 15,00
64 blz.

Veel gedichten van Eric Vandenwyngaerden komen maar moeizaam los van het papier, ze zijn vlak en komen nauwelijks tot leven. Neem het volgende fragment uit ‘Traag’:

naar schaarser het grasland
dichter de wolken, de eeuwige
bergtop witter dan wit.

Daar aangekomen, kijken we op
en ademen onze ziel uit.
Traag valt de nacht.

Heerlijke woorden zijn het en ook grote woorden, ‘eeuwig’ en ‘ziel’. Het schept echter verplichtingen om deze woorden in de mond te nemen en op schrift te stellen, het zijn niet de eerste de beste woorden, ze hebben gefigureerd in de poëzie van de groten der aarde, je dient ze eer aan te doen en dat gebeurt hier niet. Ze verflauwen tot clichés zodra mindere goden er mee aan de slag gaan. Het zijn duidelijk begrippen die boven de macht van deze dichter gaan.

Toch zijn er hier en daar fraaie zaken te bespeuren. Bijvoorbeeld deze regel, die te vinden is in ‘Dit alles’ en als volgt luidt:

Koel tikt de ijsregen door deze nacht,

Waarom is dit een mooie regel? Omdat hij uit tien lettergrepen bestaat, een mooi metrum kent en weggelopen lijkt te zijn uit een sonnet? Dat weet ik niet, maar koel tikt de ijsregen door deze nacht.

Zo nu en dan fonkelt het in de bundel, bijvoorbeeld bij het afscheid van de vader in deel 3 van ‘In en uit’, waar de ingesleten non-verbale (non)communicatie en de angst voor emoties voor de miljoenste keer zegevieren in de stervende resten van een verkrampt gezinsleven uit de jaren vijftig:

3
Achter elk raam een oud gezicht
een bed, een zetel, stoel en kast;
en boeken voor wat tijdverdrijf.

Hij zegt uiteindelijk: ga nu maar.
Als ik de deur achter me sluit
weet ik: hij denkt, maar vraagt me niet
of ik nog even blijf.

Ook in deel 4 continueert Vandenwyngaerden dit hoogstandje van de welhaast tastbare verkramptheid als er achter de rug van het lyrisch ik gelachen wordt en hij niet weet waarom, om in deel 5 te besluiten met: Straks trekken thuis de taken / ongeduldig aan mijn mouw.

Een wonderlijke omkering vindt plaats in ‘Weerloos’, waar de regels 6 en 7 gelezen kunnen worden als pleisters die wonden veroorzaken, wat mij doet denken aan het spreekwoord van de zachte heelmeesters, hoewel ik niet inzie hoe dat met de rest van het gedicht te rijmen valt, zodat wellicht de meest voor de hand liggende lezing volstaat.
Het was af geweest als het semantisch veld ‘verband’, pleisters’ en ‘wonden’ in de tweede strofe tot in de vierde regel was voortgezet. Het is niet gebeurd en dat is een gemiste kans:

Weerloos

Weer heeft het water van zich
laten horen: wat we na een etmaal lezen,
na een nacht zwoegen en zweten
– hier, onder de ingepakte maan.

We kennen de woorden en hun verband,
weten de plaatsen van de pleisters,
vanwaar alle wonden komen,
prijzen onze vluchtige slaap.

Dit is wat het leven ons nooit beloofde:
dit zijn de hellingen van de dampende aarde
waarop we onwennig strompelen,
waarvan we weerloos glijden

Tot slot een fraai gedicht, afkomstig uit de reeks ‘Psyche, gesprekken met de meester’ waarin veelvuldig sprake is van een u. Naast ‘Niet’ en enkele ander gedichten vormt dit het hoogtepunt van de bundel. In ‘Boek’ heeft de dichter de juiste toon te pakken, de in tweeën gesneden rustplaats en het er overheen rollen zijn goede vondsten, terwijl in de laatste twee regels de werkelijkheid wordt ervaren via de literatuur:

Boek

U merkt het, het is stil
geworden in de kamer

Boven is de rustplaats
in tweeën gesneden.
Soms laat u zich overhalen,
rolt u eroverheen. Steeds

kijkt u te vluchtig in de spiegels
waarin iedereen zich uitkleedt –
niets is zo vernederend
als lichaamstaal.

Nu buiten het onweer
met al zijn donderwolken
weggetrokken is, luistert u
naar het natikken van de regen,
leest u in een openliggend boek
dat het stil geworden is.

Het zijn veelal losse flarden die boven het maaiveld uitsteken, plus een aantal teksten die zeker de moeite waard zijn. Is dat voldoende om een bundel te dragen? Er is nogal wat verschil in kwaliteit, maar men dient een dichter te beoordelen op zijn beste gedichten en goede poëzie is zeker in deze bundel te vinden.

Dit verblijf kent vier afdelingen en telt 42 gedichten in de vrije vorm.

***
Eric Vandenwyngaerden (1955) studeerde lichamelijke opvoeding aan de K.U. Leuven. Na twee bundels in eigen beheer, Onder de Roos (2003) en Achter de hoek (2004) verscheen in 2005 bij uitgeverij Kramat Het licht stelt de wet. In 2010 werd hij voor twee jaar aangesteld als stadsdichter van Diest, waar hij werkt in het secundair onderwijs.

Recensie van De Kleinmansuite - Martin Carrette

Als een aderlating

Martin Carrette
De Kleinmansuite
Uitgever: Berghmans Uitgevers ,Berghmans Uitgevers
2011
ISBN 9789070959906
€ 15,00
48 blz.

De bundel De Kleinmansuite van Martin Carrette bekoort mij met mate, omdat fraaie vondsten teniet worden gedaan door dooddoeners en mooie gedichten aan charme verliezen vanwege misplaatste beeldspraak.

Morgenstimmung

zo was het, zo rakelings als schouders
in een menigte, een bries over laken of zijde,
vreemde ogen die zich in andere haken.

continent in continent. zo, als de tijd die hapert
aan tijd, een wereld aan een wereld, een deur
die langzaam dichtdraait, opengaat.

er is iemand, zo was het, nacht, droom,
vervagend, als een stervend scherm, nagloei.
en de dag snijdt aan, haperend. het was

zo, de nacht mooier dan de dag, misschien,
een letterlijk ogenblik, bestonden ze naast elkaar.
zekerheid, als twee geliefden zo kortstondig.

Regel drie is prachtig, je voelt de verlegenheid die je overvalt bij de vreemde priemende blikken van het onbewaakte ogenblik, het flukse wegkijken. Het gedicht voltrekt zich vervolgens op gepaste wijze naast deze fraaie vondst, om dan bij de laatste regel met een plof in te zakken. Hier komt de uitleg om de hoek kijken, hier moet er zo nodig aan referentie gedaan worden. Gelieve dus lezer – als u mij toestaat, heer Dichter – de laatste regel weg te halen, opdat er een puik werkje overblijft.

Het derde gedicht in de reeks van ‘Kleinmans geboorte’ gaat aldus:

III
klein ziet hij hoe treinen vruchteloos leegbloeden, zich
ontlasten, hoe de stad onmerkbaar zich vol zuigt,
als een aderlating, middeleeuws,
hoe de nacht dan valt over huizen en pleinen, torens
trekken vierkante vliezen over hun ogen

maar nooit slaapt de stad, hij hoort de ratten roffelen,
ze doen zich te goed. dan is er weer het komen
en gaan, de vuilnisman groet de cocotte

Wederom een gedicht met fraaie metaforen, hoewel ik op de plaats van ‘aderlating’, zo pal na de zich volzuigende stad, eerder een vampier verwacht. Edoch, het is het goed recht van de dichter om de lezer op het verkeerde been te zetten, maar vandaag is dat het verkeerde been waarmee ik ben opgestaan, dus nee.

Na ‘Intimaties’ komen de volgende afdelingen aan bod: ‘Kleinmans geboorte’, ‘Kleinmans angsten’, ‘De paradox van Kleinman’ en ‘Kleinmans dronkenschap’. Ondanks deze indeling lijkt Martin Carrette in de bundel nergens naar toe te werken; zoals een goed dichter betaamt, zou ik haast willen zeggen.

Men zette zijn schreden onvervaard richting de laatste afdeling, alwaar het doek valt. Een gedicht waarin de dronken Faun hunkert naar de bedwelming en de Nymphen van weleer, naar het broerzijn met de broer, kortom, naar een mythisch verleden.

V
vooral, denkt hij, was er maar weer de bedwelming,
de roes, de vervoering, de dronken weg naar
vergeten, de onbewoonbare vlakte,
het glas een diep, bodemloos vat. de nuchterheid
van het weten, daar hebben we god voor.

en de liefde vooral, de extase, het blauw van de twijfel
tussen jacht en de aarde, soms is hij buitenstaander,
hij noemt zich soms Jakob, soms Esau.

Ondanks de genoemde tekortkomingen is dit een lezenswaardige bundel.
De Kleinmansuite kent geen inhoudsopgave, geen hoofdletters, bestaat uit vijf afdelingen en telt 36 vrije verzen. Het is de derde bundel van Martin Carrette (1951), die sinds 2010 stadsdichter is van Deinze en verschillende prijzen heeft gekregen voor zijn gedichten.