Gedichten

Vijf gedichten die de aandacht trokken tussen de inzendingen in de eerste ronde van de Meander Dichtersprijs 2017.

Jeanet van Omme (1960)

Waar vader is hij mag

waar vader is hij mag toch wel eens terugkomen weet
jij waar hij is weet je dat niet zeg ik hij is dood kijkt ze
weg het lijkt of dit mijn moeder is deze vrager met haar
eeuwenoude handen maar of dat zo is weet ik niet
mevrouw met de kledingvoorschriften die haar
dromen vertelt weet jij waar hij is weet je dat niet
zangeres op de overloop en dronkelap op de wc tuinier
die in zichzelf praat hij mag toch wel eens terugkomen
meisje in Enschede en haar verzonnen vriendje onder
de krentenboom moeder van drie dochters zeg ik hij is
dood kijkt ze weg slappelachvrouw rokende lezer
rotsige ruziemaker weet jij waar vader is weet jij waar
hij is weet je dat niet zeg ik hij is dood kijkt ze weg hé
een zeilboot ruim die taart eens op leuke mensen en ze
wijst naar een foto van zichzelf en weet jij waar hij is

Kris de Lameillieure (1962)

ze zegt zoveel

met één woord. en soms nog meer
als ze zwijgt. een voor een puurt ze
de letters. verfijnen, schrapen maar
niet liquideren. in haar hoofd balanceert ze,
weegt de regels af. ze berekent verhalen,
verbeeldt de prijs.

ik raak haar kwijt als ze woordeloos
haar boek opent. gesloten hoofdstukken,
stille tussenbladen. ze blijft herwerken
op verdroogd perkament. altijd vraagt ze
of ze nieuws zal schrijven. of haar laatste
woord haar laatste is.

Rinske Kegel (1973)

Complexe botbreuk

Moet ik een vijand nemen
of iemand om op te mopperen
zomaar iemand van straat plukken
om in het gezicht te slaan, hard

de vrede bewaren, waarin dan

het zachte lapje van vroeger dat naar mij rook
is gereïncarneerd
als ik dood ga zal het een vliegend tapijt zijn

in de tijd, zeker

ik verlang naar een complexe botbreuk
die toch gelijmd kan worden.

Jill Marchant (1986)

Nachtschade

ge hebt mij mogen lenen
maar ge hebt mij niet teruggezet
wist ge niet waar
mij te leggen

waart ge vergeten
op welke plank
gij voor het eerst uw ogen brandde
in mijn flank
ik zoek een plek nu
verhuis
mij

ge zocht
naar hoe ge mij moest lezen
best ‘s nachts of overdag?
ik wachtte
tot ge het juiste blad zou aanraken
gij tot ik zou openvallen
op de pagina met waarheid in pacht

ik vroeg het mij al af
of ge mij zou uitlezen
tot aan mijn open einde – ge kunt daar niet tegen
gij met uw universum open deuren

ge hebt mij een paar keer verlengd – ge denkt altijd in het verlengde van
tegelijkertijd andere boeken
verleid – ge denkt altijd in verleiding
ze op uw nachtkast gelegd
naar mij gekeken
een ‘neen’ gezwegen
haar in uw bed gelezen

ik zal de causaliteit niet overschatten
ik zal sec zijn: de uitleentermijn is overschreden
wij zijn klaar
wie betaalt
de nachtschade
wie de boete – we stonden op uw kaart
sec: open einde – …

J.V. Neylen (1989)

vlieg

Je schaduw deed denken aan een jonge vrouw
wulps uitdagend op het bed — de levenspiek zo moeiteloos
met een been gebogen, het andere gestrekt.

Ik probeerde je er naartoe te draaien, maar je bleef
met je poten als haren gevouwen
in een hardnekkige yogarust.

En ik met al mijn vechten, al dat duwen en trekken,
wou plots dat ik, uit mijn schaduw getreden,
een dergelijke rust kon beleven.

Er straalde een esthetiek uit je groene koplampogen,
mysterieus als art-nouveau. En dan trok je weg,
zo volledig dat enkel ik nog uitgestrekt naast je lag.

Gedichten

door Annet Bremen (1986), Rinske Kegel (1973), Alex Hendrikx (1992)

Annet Bremen (1986)

Poëzie is iets ongrijpbaars, dat hoe dan ook ergens in mij grip vindt. Waar de trilling begint, een kleine revolutie.

 dat het lente was

mijn vader dacht dat het ganzen waren, mijn moeder dacht dat dat niet kon, mijn vader dacht dat het eenden waren, mijn moeder dacht dat dat niet kon, mijn vader dacht dat het een kruising van een gans en een eend was, misschien, mijn moeder dacht dat dat niet kon, stil
en leeg en ver kon je kijken, ze dachten dat het lente was

en vader dacht over verlaten, een moeder dacht dat dat niet kon, een vader dacht hij had en hield maar geluk ligt in het westen, een moeder dacht dat dat niet kon, een vader dacht de hoop niet koest, volg een gans een eend keer terug koop een huis, misschien, een moeder dacht dat dat niet kon, stil
en leeg en ver kon je kijken, ze dachten dat het lente was

 Rinske Kegel (1973)

Poëzie is voor mij een schrale troost, een parkeerplek. Ik heb er een haat-liefdeverhouding mee. Poëzie is onbetrouwbaar en trouw als een hond waar je vanaf wilt en waar je de deur voor open zet, maar die maar niet weg wil lopen.

 Vleugelloos

 Een melkblauw kleed een hoogslaper
 Dire Straits you’r so far away from me

 Toen al. Je had visioenen van hoe je
 voorouders leefden en flashbacks van
 een scootergroep in Roosendaal
 met hasj en lsd.

 Nu je mij op je rechte pad vond
 tussen de collegebanken, een mes
 nog in je rug, gaf je mij vleugelloze
 zwarte vogels om voor te zorgen.

 Steeds als je even weg ging voor sigaretten
 kwamen de vogels aan mijn voeten
 en krasten schor om een vliegtuigticket.
 Jij kwam niet terug, telkens weer niet terug.

 Alex Hendrikx (1992)

Poëzie schuurt, het snerpt, het kraakt.

 lege lucy

 wanneer lucy met rook gevulde longen
 haar gebit ontbloot, ontsnapt het bij beetjes
 uit zinvolle leegtes.

 het was de tandenfee wie op een nacht, haar wens
 in vervulling bracht. haar kamer binnengevlogen.
 haar bek met een beitel onderhanden genomen.

 voorheen had lucy steeds uit moeten leggen, niet te zijn
 om van te houden, nu hoeft ze slechts nog te lachen.