Recensie van Waar leg ik mijn hart - Wendela de Vos

Geen gewoon liefdesverhaal

Wendela de Vos
Waar leg ik mijn hart
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411235
€ 15
72 blz.

De kleuren van de debuutbundel van Wendela de Vos zijn verrassend sober. Een zacht groengrijs, met op de achterkant een diep blauwgroen. Niet de kleuren die je verwacht bij een ‘liefdesverhaal in gedichten’. En ook in het lettermozaïek dat de voorkant siert ontbreekt de kleur rood nadrukkelijk. Waar leg ik mijn hart  is dan ook geen gewoon liefdesverhaal. In de opbouw klinkt de theaterachtergrond van de auteur duidelijk door. De verschillende gedichten zijn als losse scènes in een toneelstuk, het is aan de lezer om hier een verhaallijn doorheen te weven. En dat verhaal is alles behalve een zoet vissersromannetje, geen Zout op mijn huid in verzen.
Het scenische karakter wordt versterkt doordat elk gedicht op zichzelf staat, tegenover een lege linkerbladzijde. De witte ruimte wordt deels gevuld met grote letters, die één woord uit de tekst (niet per se de titel) eruit lichten. Het losse karakter van deze grafische illustraties, van de hand van Frans Lieshout, brengen een speels element in de af en toe zware tekst.
Het openingsgedicht zet de toon:

Liefde baart altijd wel iets
kunstig geborduurde muilen een roos van hout
haast honger slordigheid
kussen natter dan water
zou het uitmaken welke hand
boven ligt in gebed

De toon is sober. Weinig interpunctie – ik kom hier later op terug. De vraag van de laatste twee regels klinkt onheilspellend. Dat wordt versterkt doordat de eerste twee woorden vetgedrukt zijn: Liefde baart. Naast ‘geboorte’ klinkt vanzelf de vaste combinatie: ‘dat baart mij zorgen’ mee. Het woord ‘muilen’, dat hier de linkerpagina siert, voert ons terug in de tijd. Het ‘kunstig geborduurde’ wijst op het oude handwerk in lange, donkere winters. We krijgen een beeld van een traditionele protestantse gemeenschap. De confrontatie met het hogere neemt -als in een variant op Job- in de bundel een belangrijke plaats in.
In de volgende gedichten maken we kennis met de zee en het zand, en met de vele generaties (‘waar achter mannen droomden van / mijn moeders moeder in het maanlicht’) die hier geworteld zijn. Dan ontspint zich een idylle: ‘Wacht / nog niet weggaan // nog een keer / ruiken / je vettige vest / strelen / je raspende wang / proeven / je bittere mond’. De stem van een vrouw, die haar geliefde niet wil laten gaan. Het volgende gedicht is in dialoogvorm geschreven. De stem van een man, die zegt ‘Ik wil je niet’, maar de achterblijfster ook aanspoort niet ongerust te worden als het weer omslaat en slechte tijdingen binnendruppelen. Misschien wil hij de vrouw wel beschermen voor verdriet, door haar nog niet aan zich te binden. De vrouw antwoordt met één van de mooiste gedichten uit de bundel:

Wilt mijn lief bewaren
voor sterloze nachten
voor ondiepe geulen
voor masthoge golven
voor mist en voor ijs

wilt mijn lief bewaren
voor striemende regens
voor snijdende winden
voor losslaande ankers
voor uitwaaiend vuur

wilt mijn lief bewaren
voor brekende touwen
voor scheurende zeilen
voor splinters en nagels
voor rotting en koorts

wilt mijn lief bewaren
voor roepende stemmen
voor lokkende vingers
voor zingende rotsen

wilt mijn lief bewaren

heer

voor mij

De zee is immers vol gevaren. Maar ook vreemde havens kunnen de liefde bedreigen, evenals de ‘zingende rotsen’ waarin we de Lorelei herkennen. De werkwoordsvorm ‘wilt’ is statig, passend bij de aanroep van de heer, die hier -anders dan God en de Grote Storm verderop in de bundel- geen hoofdletter krijgt.
In sterk afwisselende gedichten ontvouwt zich een geschiedenis van liefde, verlies, wanhoop en rouw. Om het een beetje spannend te houden zal ik het verdere verloop, zo dit al eenduidig is, niet uit de doeken doen. In de aantekeningen vertelt de auteur, dat de dichtbundel geïnspireerd is op de geschiedenis van Den Tilsandede Kirke in Denemarken. Deze 13e-eeuwse Deense kerk raakte vanaf 1775 meer en meer onder het duinzand bedolven. Aanvankelijk lukte het de gelovigen nog om na elke storm de kerk weer uit te graven, maar na een laatste grote storm gaven zij het in 1795 op. Nu steekt alleen nog een deel van de witte toren boven het zand uit.
De Vos weet met rake details de barre omstandigheden van het vissersleven in voorbije tijden op te roepen: ‘planken een dekzeil / spaanders turf kisten / strobalen houtskool (…) het raast het vlerkt / stuitert tolt grauwt / slaat zichzelf stuk’. Veel zintuiglijke indrukken, stank, kou en pijn. En overal zand. De illusie van een maagdelijk strand, waar je als eerste je voeten op zet. Zand dat nieuw land vormt. Maar ook de verpletterende kracht van ‘korrel boven korrel’. En tenslotte: ‘Als alles verloren / dan nog altijd het bed van zand’.
Zoals gezegd is er een grote variatie in stijl in de gedichten. Meer dan van klank maakt de dichter gebruik van parallellie en opsommingen. Vaak smalle gedichten, met regels van hooguit drie woorden. Vrijwel geen interpunctie en alleen aan het begin van het gedicht een hoofdletter. Een uitzondering vormt het gedicht ‘Zijn storm’, waarin de korte, schuingedrukte regels staccato op de lezer inbeuken. De eerste regel van elk gedicht is, bij wijze van titel, vet gedrukt. Alleen in de eerste twee gedichten is slechts een gedeelte van de regel vet, terwijl de titel in de inhoudsopgave toch uit de hele eerste regel bestaat.
De uiteenlopende scènes leveren geen pasklaar verhaal. De lezer wordt uitgenodigd de verschillende fragmenten verder in te vullen, en misschien zelfs te verbinden met eigen ervaringen. Want hoewel Waar leg ik mijn hart is ingekleurd met historische details, is het bovenal een tijdloos verhaal waarin universele menselijke vragen en verlangens de hoofdrol spelen.

***
Wendela de Vos (1947) volgde een opleiding aan de Theaterschool en was tot 2006 werkzaam bij diverse grote en kleine theatergroepen. Waar leg ik mijn hart is haar eerste dichtbundel. Zij schreef het libretto voor het oratorium ‘Nova Zembla’ en onder de naam Tupla M. literaire thrillers. Haar oeuvre strekt zich uit van kort verhaal tot kinderpoëzie, van column tot toneeltekst.

 

 

Waar leg ik mijn hart is de negende uitgave in de reeks OPEN van uitgever Kontrast.

 

Recensie van Leesjongen - Wiel Kusters

Omzien in mildheid

Wiel Kusters
Leesjongen
Uitgever: Cossee
2017
ISBN 9789059367388
€ 24,99
299 blz.

In zijn hoedanigheid als hoogleraar letterkunde schreef Wiel Kusters talloze artikelen over Nederlandse poëzie. Hoe zou dit zijn eigen werk hebben beïnvloed? Is het überhaupt nog mogelijk een eigen, authentieke stem te laten klinken als je het werk van zoveel anderen nauwkeurig hebt geanalyseerd? De titel van zijn verzameld werk geeft een bescheiden hint. Leesjongen verwijst naar het werk in de mijnstreek, waar hij geworteld is. De achterflap geeft het lemma weer: ‘Leesjongen (mijnbouw): jongen die bovengronds stenen raapt uit de steenkoolbrokken die via een transportband worden aangevoerd.’ Maar we laten ons niet voor de gek houden. De titel mag dan een eerbetoon zijn aan zijn afkomst, de intuïtieve betekenis staat voor de lezer van nu op de voorgrond: een jongen die leest, een man die ondanks zijn zeventig jaren nog altijd een jongen gebleven is, op zoek naar avonturen op papier.
Leesjongen was de eerste weken na het verschijnen het best verkochte boek in de vermaarde boekhandel De Tribune in Maastricht. De bundel is uitgebracht ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de auteur, geboren in Spekholzerheide, nabij Kerkrade. Het boek is mooi ingebonden, maar verder nogal kaal uitgegeven. Een inleiding ontbreekt, alsook een korte schets van de literaire carrière van Kusters, die op de flaptekst een gelauwerd dichter, en zelfs ‘Ein Dichter von europäischem Rang’ (Neue Zürcher Zeitung) genoemd wordt. In de korte verantwoording vertelt de auteur dat ‘de gedichten, met voorbijgaan aan de oorspronkelijke bundelcomposities, in grote lijnen thematisch geordend zijn’. Helaas is er geen lijst met de samenstelling van de originele bundels opgenomen. Het blijft dus gissen wat de datering is van de gedichten uit deze verzamelbundel, en de lezer krijgt geen inzicht in de ontwikkeling van Kusters’ dichterschap. Wel kunnen we de stem van de dichter beluisteren op de meegeleverde cd. Misschien kan deze selectie van 34 gedichten, die op de cd nota bene alfabetisch gerangschikt zijn, tot verkenning dienen van zijn werk.

Geboren en getogen

Ik ben geboren uit een berg van licht,
van licht dat zwart bevroren bovenkwam
en nu nog in de as te gloeien ligt,
te wachten op het uitslaan van mijn vlam.

Ik werd getogen uit een diepe schacht
en zag mij aan de voet van torens staan.
De zon hing hoog te schijnen in de nacht,
maar nog veel hoger steeg daarna de maan.

Ik heb mij getekend met de linkerhand,
terwijl mijn vader het papier verschoof,
mijn moeder waarschuwde: ‘Pas op de rand!’
Ik denk dat ik besta, nee, ik geloof…

… ik word herboren in een vergezicht
waarin het geziene blijft verschijnen,
waarin wat niet voor lege ogen zwicht
onuitwisbaar blijft verdwijnen.

Dit gedicht staat niet alleen op de binnenflap, maar is ook het openingsgedicht van de bundel. Het laat zich lezen als een credo, waarbij Kusters zich door de vaste vorm en de knipoog naar het zonnegloren van Perk in een poëtische traditie plaatst. Elders geeft de auteur de aantekening ‘bij een tekening van Willy Gorissen: ‘Gezicht op Staatsmijn Emma in Hoensbroek’ (1937).’ Het gedicht lijkt in de eerste strofen een persoonlijk portret, waarin gaandeweg het accent naar de oude tekening verschuift. Hoewel het descartiaanse ‘Ik denk dat ik besta’ weer meer een filosofisch uitgangspunt verwoordt, waarin de auteur zich geroepen voelt (‘ik geloof…’) de oude beelden telkens opnieuw te laten verschijnen.

De eerste gedichten in de afdeling ‘Dicht bij huis’ gaan over de mijnbouw, die tijdens de jeugd van de dichter alomtegenwoordig was, tot in het stof op de kozijnen en op het wasgoed in de tuin toe. Het belang van deze afkomst is groot: de eerste vijf gedichten worden alle op de cd ten gehore gebracht. Ook het veelzeggende ‘Oor’: ‘Op straat legde ik vaak / een oor aan de grond // bewoog daar beneden / een vader of een zoon?’ In de eerste afdeling treffen we verder veel jeugdherinneringen aan, soms parlando weergegeven, soms sprookjesachtig verwerkt: ‘Als kind moest ik een walvis eten / ’s avonds voor het slapen gaan / met een sinaasappel toe // ik had daar een laddertje bij nodig / en een goeie scherpe bijl / laarzen aan zuidwester op’. Toch is de dichter er in dit elf strofen tellende gedicht blijkbaar niet helemaal zeker van dat we hem snappen, gezien de overduidelijke woordspeling in de achtste strofe: ‘ik stonk naar tranen en naar lever’.
De eerste afdeling gaat naadloos in de tweede over, met mooie herinneringen aan familieleden, zoals aan de moeder: ‘Wij dansten moeder, door de keuken / je had mij lachend opgetild // vier jaar was ik ‘daar bij die molen / die mooie molen’ van de radio’. In ‘Amor en de schedel’ heeft de dichter nog meer gedichten over liefde en vriendschap bijeengebracht. Over de Hohner mondharmonica, waar zijn broer wel op kon spelen, maar waar de dichter, als hij hem nu aan de mond zet, slechts onrustbarende klanken aan ontlokt: ‘een janken / zoals vroeger nooit / door hem / geuit.’ Veel gedichten over broers en andere familieleden, maar ook romantiek, zoals in ‘De sjaal’: ‘Toen gleed je sjaal en was je daar waar / ik je met jouw ogen mij zag staan. Of lag / jij niet aan mij als ik aan jou, hier, daar?’ Verlies dient zich aan in ‘Dubbel’: ‘Van iedere hap eet ik nog maar de helft. / En lucifers die breek ik door. Voor thee / dient mij het zakje van de dag tevoor. / De tandpasta moet vier keer langer mee.’ De opening doet denken aan het ‘half beslapen bed’ uit ‘ Rode wijn ’ van Bram Vermeulen (1988). Maar waar woede na een scheiding overheerst in ‘Rode wijn’, staat in ‘Dubbel’ het verdriet op de voorgrond: ‘Ik zal gierig moeten zijn nu ik je mis. / Ik moet niet zo ademen, de rest is dan / voor jou.’

De afdeling ‘Ik ging eens niet graag dood’ bevat gedichten met een meer filosofische inslag, zoals te lezen is in de tweede strofe van ‘Doodstil’: ‘Ik ging eens niet graag dood, / bleef zitten tot ik stierf. / Mijn dood was een soort dood. / Ik was nog niet geboren / of ik was nog steeds in leven.’ Een kleinzoon ontwikkelde op vierjarige leeftijd de ‘Bewaarmachine’: ‘De bewaarmachine / verwerkt de wereld, / haar wezen en verschijning, / haar doorgaande processen, / tot niets dan blijfsels.’ Hoe anekdotisch het gedicht ook is, het is verleidelijk hier een metafoor voor het dichten in te zien. Zoals Kusters met Leesjongen zijn eigen bewaarmachine heeft geschapen. Een enkele keer reflecteert de dichter op de actualiteit, zoals in ‘Identificatie’, waarin hij verlangen uitspreekt naar de tijd ‘toen onze vingerafdruk / nog een handdruk was, / de irisscan / onze oogopslag / en wangslijm / onze spraak.’

In ‘Mijn handen in een droom’ gedichten die op droombeelden geïnspireerd zijn. Van beangstigend (‘Zij groeven mij een ondiep graf’) en raadselachtig (‘De man die voor mij staat en naar me wijst / is met de draaideur twee keer rondgegaan.’) tot een uitgesponnen, naar Virgilius verwijzende, vertelling in ‘De gang’.
De titel van de voorlaatste afdeling, ‘Lezen in de nacht’, lijkt ook naar nachtelijke activiteiten te verwijzen, naar handelt volgens de auteur over lezen en schrijven, zoals in het gedicht ‘Boek’, dat op een muur van de Universiteitsbibliotheek Maastricht is aangebracht:

Het boek dat zich laat lezen in de nacht
gloeit op, werpt licht op voor- en nageslacht.
Bij al wat het behelst, van vonk tot zon:
elk woord werd door een ander voortgebracht.

In ‘Het halve woord’ tenslotte een aantal gedichten over/voor collega’s. Uit de gedichten en vaak ook uit de opdrachten komt duidelijk naar voren dat Kusters veel van deze bekende schrijvers persoonlijk gekend of in ieder geval ontmoet heeft. Lucebert, Toon Hermans, Willem Barnard, soms zijn het kleine herinneringen die een in memoriam kleuren: ‘Misschien dat jan hanlo / mijn gedicht daarom / op zijn kop hield / toen hij had gezegd / dat hij het wilde zien’.

Leesjongen bevat de verzamelde gedichten van een man die zijn sporen ruimschoots verdiend heeft als hoogleraar letterkunde en voorzitter van de Zuidelijke Afdeling van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Een schier eindeloze hoeveelheid beschouwingen is terug te vinden op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. In Leesjongen blijft Kusters echter dichter bij huis, om de titel van de eerste afdeling te parafraseren. Het is een buitengewoon persoonlijke bundel, met veel aandacht voor zijn afkomst: de mijnstreek, familie, vrienden en literaire voorbeelden. Hoewel op de flaptekst gezinspeeld wordt op de poëzie van de Vijftigers doet het werk van Kusters traditioneel aan. Vaste vormen en vrije verzen wisselen elkaar af, maar de toon blijft rustig, bedachtzaam. Zo hij zich met experimenten heeft beziggehouden, zijn deze buiten de bundel gehouden (zoals het op Radio Limburg door Hugo Luijten gepresenteerde gedicht ‘ Sonate ’ – 3’40’’ en verder). In zijn gedichten toont hij een scherp oog voor detail, en hanteert hij een directe, aansprekende schrijfstijl. Geliefd en gelauwerd als Kusters in Limburg al is, mag Leesjongen zijn werk bij een groter publiek onder de aandacht brengen.

Recensie van Vonkt - Marije Langelaar

‘Want wat is de echte wereld?’

Marije Langelaar
Vonkt
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029511681
€ 17,99
88 blz.

Het is niet makkelijk om gedichten te lezen wanneer de buurvrouw twee tuinen verderop een verhaal afsteekt over een uitschuifbare tuintafel en daar meer woorden voor nodig heeft dan ik voor deze recensie. En zo toegankelijk is Vonkt nu ook weer niet. Daarom was ik erg blij met het volgende gedicht:

En ze vroegen me terug voor dat radioprogramma
ik weet nog steeds niet waarom
want ik had vooral gezwegen
maar de presentator benadrukte dat men daar
nood aan heeft vandaag de dag.
Dus zat ik daar weer achter een microfoon
en zweeg
en ontkrachtte vervolgens alle fenomenen, ideeën,
gestalten, dingen en wezens. En mijzelf natuurlijk
en de presentator die zenuwachtig aan zijn snor ging
wrijven. Dat ging me goed af. Ik had mijn talent ontdekt.
En vanuit het niets vertelde ik over het vonkje, klein
en zoemend waardoor ik voorzichtig weer in de
wereld, getallen, fenomenen, planeten, materialen
en mensen ging geloven. Er zit een vonk in u.
Jazeker vonk in u. Want die vonk is in mij, ik weet
verder niets mijn denkkracht is nihil, geen zicht,
geen gehoor, ik zwem in het niets maar ik weet
er is een vonk in deze tafel, deze lamp en in u beste
luisteraar.
Ik was dusdanig op dreef dat mijn woorden vlam vatten.
(…)

Rijm: check. Metrum: check. Vaste vorm: check. Beeldspraak: check. En toch is dit onvervalste poëzie. We worden een ongekende wereld ingezogen, die tegelijkertijd commentaar levert op de wereld die we kennen. De dichter heeft veel woorden nodig om de kracht van het zwijgen voelbaar te maken. Maar in r.7 vallen vorm en inhoud opeens volledig samen: ‘en zweeg’. In het alledaagse lawaai van standpunten en analyses wordt het zwijgen van de ‘ik’ als veelbetekenend opgevat. Het maakt de gladde presentator onzeker. Wolven willen graag dat je meehuilt, of juist er tegenin gaat, want ook dan speel je het spel mee.
Veel gedichten in Vonkt zijn langer dan één pagina. Ook bovengenoemd gedicht, ‘Vonk’, gaat nog een tijdje door. Hoe babbelig het gedicht ook overkomt, bij nadere beschouwing is veel aandacht besteed aan exacte woordkeus. Vergelijk bijvoorbeeld eens de twee opsommingen, waarbij alleen het woordje ‘fenomenen’ in beide voorkomt, maar ook mooie parallellen aanwezig zijn: dingen/materialen, wezens/mensen. In het gezelschap in de studio ligt voor de hand te zeggen, dat de vonk aan tafel zit, maar de dichter gaat een stap verder: ‘er is een vonk in deze tafel’. Die lamp daarna is weer hilarisch, want dat er een vonk in de lamp zit is logisch, een lamp die geen licht geeft is geen beste lamp.
Gesterkt door deze lezing herlas ik op een rustiger avond de eerste van de drie afdelingen: ‘Een afgrond omsingelen’. Het eerste gedicht opent absurdistisch: ‘Ik werd wakker dat jaar aan het strand / mijn vogellichaam / sterk vermagerd. // Ik schrok van mijn vriend die naast mij lag. / Volledig van zand. / Begon hem zachtjes te graven.’ De relatie met deze vriend lijkt het thema van deze eerste afdeling te zijn, ‘een verontrustend verslag van een persoonlijke strijd’, aldus de achterflap. Langelaar schotelt ons geen zure anekdotes voor, maar sprankelende, uit de hand lopende improvisaties . ‘Wat was het precies dat er brak? / Brak het of sleet het? / Ging het geleidelijk aan? / Sloop op de tenen de kracht weg? / Trok kauwgom ongelijk het?’ De agrammaticale formuleringen geven het gedicht iets spontaans, doorbreken de op de loer liggende clichés. En dan eindigt het gedicht dubbelzinnig: ‘Wordt dat wat scheef weer recht echt?’, waarbij het laatste woord een schurend binnenrijm geeft, maar ook betekenissen openhoudt richting ‘werkelijk’ en ‘huwelijk’. Vooral bij het twee pagina’s lange gedicht ‘Put’ kwam bij mij het beeld van een echtscheiding of verbroken relatie naar boven. Bij Langelaar geldt nadrukkelijk: vorm = inhoud. De gebeurtenissen zijn niet logisch, dus het gedicht ook niet. De werkelijkheid is niet mooi, dus het gedicht streeft ook geen schoonheid na. ‘Ik had niet veel meer op dat moment – een / vloerkleed 100% wol rechtstreeks geïmporteerd uit / Pakistan, een stapeltje boeken en cd’s waar ik / allang op was uitgekeken / bovendien een kwade echtgenoot die er niet over / dacht om mij te vergeven’. In dit laatste gedicht uit de eerste afdeling wordt letterlijk de bodem van de put bereikt. Maar net zoals in het hierboven geciteerde ‘Vonk’ vanuit stilzwijgen beweging en inspiratie ontstaan, zo herbergt ‘de donkere vochtige bodem’ van de put ook een keerpunt.

De tweede afdeling, ‘Een slag op de trom’ bevat een aantal langere, meer verhalende gedichten. De soms bizarre vertellingen worden onderbroken door abrupte stijlbreuken en terzijdes. ‘Aha denkt u weer zo’n sprookje waarin de dieren / met elkaar praten, / maar nee enkel de kat in de tuin en ik.’ En even later: ‘Nee er was geen tijd voor verbazing in de echte / wereld, want wat is de echte wereld, ben je toch / ook niet verbaasd dat er horloges tegen je praten?’
Op een geheel andere manier komt het verschil tussen twee werelden terug in het gedicht ‘Stad’, waarin het lyrisch ik ‘al een paar slordige maanden’ tussen twee steden in ligt. ‘De verleiding was groot voor de stad van het Noorden te kiezen. / Hoge bergtoppen! Wilde dieren! Krolse mannen in het licht van / tl, damspel, vrijen om de haverklap, tomeloos plezier, versnelde / hartslag, aderlatingen, aflaathandel, roemloos ten onder.’ Hoewel even later ook reclameborden en haarlak passeren, geven genoemde aderlatingen en aflaathandel het gedicht de sfeer van een middeleeuwse vertelling. Tegenover de vleselijke verleidingen uit het Noorden staat de meer esoterische aantrekkingskracht van de stad van het Zuiden ‘Waar de lakens langzaam wapperden, ijle lucht opsteeg van de / kelders, pruttelende kruiden, zingeving, prekers, wijze mannen / met priemende geslachtsdelen. / Om de haverklap een blikseminslag van de toekomst, de / verschijning van de stigmata of wonder, / de wegwijzering met vissen, het duiden van wolken en paarden.’ In beide steden gebeurt iets ‘om de haverklap’, en ook de mannen blijven in beide steden mannen, maar verder wordt de ‘ik’ verscheurd door tegenstrijdige behoeften.

De laatste afdeling uit de bundel heet ‘Love songs for the Absolute’. Hierin komt het thema van de stad nog een aantal keren terug. Een ander belangrijk thema is dat van bevruchting, incarnatie, geboren worden. Langelaar onderzoekt in uiteenlopende stijlen en fantasieën wat het betekent om mens te zijn, op deze aarde geworpen te worden, vrouw of man te zijn. Direct al in het eerste gedicht: ‘Dat jaar werden we geboren in / een lichaam. / Het viel ons op dat we sloegen. / We sloegen de trom. // Bij elke slag vlogen de vogels op. / Bij elke vierde noot ving een nieuw seizoen aan. / Bij elke 16e noot wierp ik een kind. // Zo leefden we ons leven. / We sloegen de jaren weg.’ Het staat er heel terloops: ‘Het viel ons op dat we sloegen’. Zijn gaat vooraf aan Bewustzijn. In het gedicht vindt langzaam een bewustwording plaats: ‘En we vroegen ons af, wie had ons in de eerste plaats die trommel gegeven? / Wie had ons geboden te slaan? Had ons die vogels gebracht, de bomen? / Had ons het ritme opgelegd? En waar waren we eerder? Waarom?’ Hoe absurdistisch het verhaal van de ‘ Trommel’ ook is, er worden wel vragen aangesneden die ertoe doen.

Zwaluw (fragment)

We kwamen aan op de rug van een zwaluw.
We landden aan de kust
daar waar de zee het land omarmt.
We duwden onze hakken in de grond.

We namen de omgeving in ons op
de dieren, kleine insecten, die ons staken
hoefgetrap vanuit het struikgewas.

We wilden het zien om te weten dat het bestond
onze aanraking, een vinger op de huid,
klamme spieren, een nat oog, maakte het levend.

We wilden niet langer met concepten leven en alles
wat ons was verteld of voorgelezen
we wilden Zelf. Echt. Voelen. Leven.

(…)

Ook in dit fragment toont de dichter lef en beheersing van de taal. Zinnen ontsporen vanzelf wanneer de betekenis de overhand krijgt. En dan die schaamteloze vier losse woorden met hoofdletters. Alles om de zeggingskracht te onderstrepen. In de eerste strofe lijkt sprake van een overbodige precisering: ‘daar waar de zee het land omarmt’. Toch is het geen slordigheid. Het begrip ‘omarmen’, ‘omsingelen’ komt regelmatig terug, denk bijvoorbeeld aan de titel van de eerste afdeling.

Er staat teveel in deze bundel om in één recensie weer te geven. Hoe langer ik de bundel lees, hoe toegankelijker zij wordt. Er zit maar één ding op. Zelf. Gaan. Kopen. Lezen.

***
Marije Langelaar (1978) debuteerde in 2003 met De rivier als vlakte. Haar tweede bundel, De schuur in (2009), werd genomineerd voor de Jo Peterspoëzieprijs en de J.C. Bloemprijs en werd bekroond met de Hugues C Pernathprijs. In 2012 trad zij op op Poetry International .
Klik hier voor een uitgebreide bespreking van het gedicht ‘Optellen’, uit de eerste afdeling van Vonkt.

Recensie van Alleen van kale reizen kom je thuis - Erwin Steyaert

Een krachtige roffel op de borstkas van de taal

Erwin Steyaert
Alleen van kale reizen kom je thuis
Uitgever: Uitgeverij P
2017
ISBN 9789492339287
€ 17,50
96 blz.

Alleen van kale reizen kom je thuis is het omvangrijke debuut van Erwin Steyaert. De bijna vierkante bundel met een vrijwel witte omslag doet me denken aan het witte album van de Beatles. Een unicum destijds, zo’n dubbel-lp. Er was blijkbaar materiaal te veel voor een gewoon album, hoewel de heren op de derde en vierde kant af en toe het spoor behoorlijk bijster waren. De bundel van Steyaert kent maar liefst zeven afdelingen, die telkens openen met een cursief gezet titelgedicht. En dan krijgen we ook nog eens een losstaand openingsgedicht en slotgedicht cadeau.

De eerste afdeling is nogal ingehouden van toon. ‘Sedentair’: met een vaste verblijfplaats of standplaats. Zoals zoveel schrijvers onderzoekt Steyaert hier zijn huis van herkomst, met portretten van ‘Moeder’ en ‘Vader’, en het onvermijdelijke vertrek in ‘Leegstand’: ‘Geen steen wrikte ik los. Ik raakte niet / buiten. Dit pand blijft mij kraken.’

De afdeling ‘Cyclus’ gaat over de vrouw, over het vrouwelijke, over hoe de man tegen de vrouw aankijkt (opkijkt). Een geweldige gedichtencyclus. Het tweede gedicht hieruit is gewijd aan Molly Bloom, en wordt uitgebreid besproken op Ooteoote.nl. Laat ik me hier beperken tot de laatste twee gedichten uit deze afdeling: ‘Wat wil ze’ en ‘Wat ze niet wil’. Das Ewig-Weibliche (Goethe), ‘Was will das Weib?’ (Freud). In het hilarische eerstgenoemde gedicht probeert de ‘ik’ zich aan de grillen van zijn geliefde aan te passen, omdat ze hem ge-sms-t had: ‘Ik voel me niet op mijn gemak bij je’. Het eind van het liedje is, dat ‘ik’ gekortwiekt en gemuilkorfd op de bank ligt, terwijl zij zich verlustigt aan zijn dagboeken, ‘Je riep bars mijn naam en braaf en kom.’ Heel anders van toon is het gedicht op de tegenoverliggende bladzij. ‘Ik wil geen dichter, zegt ze.’ Om vervolgens in lyrische taal te schetsen wat ze wel wil: ‘Ik wil een man / die naar de poolnacht reist / op een hengst van licht // en bij zijn thuiskomst het donker / aan mijn voeten legt.’

De keerzijde van het vrouwelijke is het mannelijke. Steyaert durft ook dit onderwerp aan te snijden. Elegant is het, dat hij de afdeling ‘De droefheden van een man’ niet direct op ‘Cyclus’ laat volgen. Tussendoor belanden we in ‘Stalking the dead’, dat merkwaardig genoeg een Engelse titel draagt. In deze afdeling een aantal zeer uiteenlopende gedichten over dood en ouderdom. Het gedicht ‘Alzheimer’ is een ontroerend portret over een zoon en zijn verwarde vader, geschreven als variatie op de ‘Erlkönig’ van Goethe: ‘Een zoon draagt zijn vader, legt hem in bed. / Pillen. Een beker. Zijn hand houdt hem recht. / Vader glijdt kalm in de gleuf van de nacht, / slaapt weerloos zijn slaap, bij leven al dood.’ In het tweeluik ‘Le roi se meurt’ eert de dichter Hugo Claus. Een aparte vermelding verdient ‘Niet de kraaien, Vincent!’ Om nog iets toe te voegen aan alles wat over Vincent van Gogh geschreven is moet je als dichter een behoorlijk bord voor je kop hebben. Of een gezonde dosis lef. Op Steyaert is absoluut het laatste van toepassing. Geen Don McLean-achtige romantiek. Maar een frisse confrontatie met één van Van Goghs laatste werken. ‘De weg slaat een wig in het veld. Geknakt / loopt hij dood in het graan. Geen vogelschrik.’ (…) ‘Niet de kraaien, Vincent. Het is de maaier. / Hij komt uit de verf in het graan.’ De overschakeling naar een ander , meer romantisch ogend schilderij is verrassend. Maar de romantiek is schijn: de maaier is ook de man met de zeis.
Dat de moderne man het niet makkelijk heeft mag duidelijk zijn. Steyaert schetst in krachtige taal de dilemma’s en ontsporingen. Over de man die stiekem naar jongetjes kijkt: ‘Ik veracht mezelf tussen de struiken, / om jongens met geschaafde knieën’. Over de kroonprins die droomt van kracht en macht: ‘Koningschap knettert in mijn knoken. (…) Door het land draven op de volbloed / van mijn lust.‘ In ‘Moordkuil’ wordt een metafoor uitgewerkt die treffend in de eerste regels wordt neergezet: ‘Gesnurk. De man teruggebracht / tot zijn staat van varken.’

Nieuwe mannen

De vaders zijn moe. Altijd de man afzweren
die de kop opsteekt in ochtendstijfheid.
In lunchpauzes vegetarische slaatjes afwerken.
Boodschappenlijstjes in de zakken van hun jas.

Als het huis voor hen alleen is, glijdt hun hand
onder hun schort. Hoe glad en haarloos zijn hun dijen.
Ze mijmeren op onopgemaakte bedden
van vrijgevochten dochters: over lot en chromosomen.

Hoe zitten ze gevangen in hun wol. Hoelang kunnen
ze hun haar nog in een staartje. Een gaatje in hun oor.
Met hun kopstem vermanen ze ongetemde zonen,
springen hen voor door brandende hoepels.

Op het aanrecht lezen ze de bijsluiters van pijnstillers.
In het glas bruist de branding van een Pacific.
Vergeefs spoelen ze het zout uit hun migraines.
Een eiland verdwijnt altijd eerst aan de randen,

maar vent zijn blijft een zeer voor het leven.

Van vorm of klank moeten de meeste gedichten het niet hebben. Maar veel beelden zijn sterk, en met een minimum aan middelen neergezet. ‘Boodschappenlijstjes in de zakken van hun jas.’ Je ziet de bijpassende man onmiddellijk op je netvlies. Wel zijn er mooie associaties, feitelijk een vorm van beeldrijm. Zoals in de vierde strofe, waarin het bruisen van de pijnstiller een oceaan oproept, en die op zijn beurt weer een eiland. Zo ook staartje – (ver)manen – brandende hoepels.

In de afdeling ‘Trojaanse vrouwen’ vinden we gedichten als ‘Aisha’ (over de steniging van een onschuldig Somalisch meisje dat slachtoffer was van verkrachting), ‘Srebrenica’ en ‘De moeder van Beslan’. Poëzie en wereldpolitiek, kan dat wel samengaan? Bij Steyaert echter geen goedkope knieval naar de actualiteit. Het is eerder de werkelijkheid zelf die met geweld zijn gedichten binnendringt.

De moeder van de zelfmoordterrorist

Ik verzamel hem in mijn bed.
Hoe hij mijn buik opblies en later
hoe hij was als kind, voetbal spelend
met een blik in de steeg, snoep stelen

bij blinde marskramers. Hoe hij begon
te ruiken naar een man, gedachten kreeg
die ik niet begreep. Elke nacht puzzel ik
hem samen. Verwrongen klinknagels

haal ik uit zijn vlees, stapel ze in mijn bed.
De brandgeur spoel ik weg met rozenwater.
Mijn kam vol vragen haal ik door zijn haren.
Ik tel zijn tenen, overtuig mezelf ervan

dat niets ontbreekt. Dan hou ik me stil.
Ik weet: zolang ik niet aan hem denk,
blijft hij gaaf. Goed dat ik hem vergeet
of hij explodeert weer in mijn herinnering.

Adem na adem zoek ik rust op mijn spijkerberg.
Maar steeds opnieuw dat radioverslag:
alleen stoffelijke schade, geen slachtoffers.
Woede davert in de keel. Mijn verzet

haalt de slagpin over. Hoe hou ik hem heel?

Daags na de bloedige aanslag in Manchester komt dit gedicht extra hard binnen. Misschien is bovenstaand gedicht geïnspireerd op de knullige zelfmoordaanslag 24 juli vorig jaar bij een popfestival in Ansbach. De dader was daarbij de enige die het leven liet, in tegenstelling tot de aanslag in Manchester. Indrukwekkend hoe Steyaert dit onderwerp van binnenuit en zelfs met compassie belicht, door in te zoomen op de moeder van de zelfmoordterrorist. Vanaf de dikke buik van haar zwangerschap tot het wanhopige verdriet na zijn dood. Raak gekozen woorden. De ‘blinde marskramers’ roepen direct het beeld van een Oosterse markt op, het ‘blik in de steeg’ schetst de armoe, en het tellen van de tenen roept associaties op met de jonge ouder die kort na de geboorte zijn ogen niet geloven kan (‘Even kreeg ik kriebels in mijn keel / maar je had geen pink teveel’ – Herman van Veen).

En dan hebben we nog twee hele afdelingen tegoed. Jammer. In ‘Koningsmasker’ beschouwingen over het moderne leven met spitse titels als ‘SK8 2 HEAVEN’ en ‘Viagraman’, en een swingend gedicht over slammen: het valt allemaal een beetje uit de toon. ‘Sedimentatie’ grijpt terug op de eerste afdeling, maar ik mis het vuur en de zeggingskracht uit de rest van de bundel: ‘Er valt wat voor te zeggen, / of juist niets, als we zo de trap opgaan, // altijd zo beheerst, zo machteloos / beleefd de ander laten voorgaan.’

Toch is deze witte bundel een buitengewoon geslaagd debuut. Een laat debuut ook, als we kijken naar zijn staat van dienst. Misschien dat daarom ook deze bundel wat uit zijn voegen gegroeid is. Maar wat zou het mooi zijn als Buddingh’ volgend jaar zijn oog op een dichter als Steyaert liet vallen. Niet een man die de taal ontregelt, volgens de regels van de mode van de dag. Niet een fijngeslepen talent van de schrijversvakschool. Maar een man die iets te zeggen heeft, en zijn woorden tot stoere taalbaksels kneedt.

***
Erwin Steyaert (1959, Brugge) studeerde Klassieke Filologie en Filosofie in Gent en Leuven. Hij publiceerde onder andere in de ‘Poëziekrant ‘en ‘Het Liegend Konijn’ en won diverse poëzieprijzen, waaronder de Melopee Poëzieprijs, de prijs voor het beste gedicht dat het voorbije jaar in een Vlaams literair tijdschrift werd gepubliceerd. Veel van de gedichten uit zijn debuut bereikten de Turing Top 100, waar Steyaert in 2013 met maar liefst zeven gedichten in was vertegenwoordigd. Vanaf 2011 maakt hij deel uit van de Belgische dichtersgroep Pazzi di Parole, waarmee hij in 2015 de gezamenlijke bundel ‘Een kier in het rumoer – Handleiding voor het betrappen van stilte’ uitbracht.

Recensie van Tweelingstrijd - Kim Pauwels

Breekbare, energieke poëzie

Kim Pauwels
Tweelingstrijd
Uitgever: Vrijdag
2017
ISBN 9789460015229
€ 19,95
72 blz.

Niet dat ik de bundel van Tim Hofman op mijn nachtkastje heb liggen. Ik ken ook maar een paar fragmenten uit zijn poëtische bestseller. En toch moet ik direct aan hem denken bij de korte, woordspelige gedichtjes die ik aan het begin van elk hoofdstuk in Tweelingstrijd aantref. Gevat, geestig, maar vaak net te kort om echt iets voor te stellen. Misschien soms eerder een amuse, waarin de dichter in miniatuurformaat laat zien wat zij in huis heeft: ‘Ik ben alleen / als / ik schrijf’. Met daaronder in zwart-wit een kleine aquarel. Een zoveelste variatie op ‘cogito ergo sum’ van Descartes, maar met de mooie dubbele laag dat de dichter alleen, misschien zelfs eenzaam is wanneer zij schrijft.
De bundel is zorgvuldig geconstrueerd. De elf korte hoofdstukjes worden veelal met één enkel woord aangeduid. En al die woorden achter elkaar vormen een klein gedichtje, dat zich als een credo lezen laat: ‘Ik ben waterverf kleine donkere bergen breekbaar als een rusteloze kim’. Daarmee is niet gezegd, dat er in de bundel sprake is van een duidelijke verhaallijn. De hoofdstukjes verschillen sterk van elkaar, zowel in thematiek als stijl.
In het eerste hoofdstuk draait alles om identiteit:

EEN SNAAR

Een snaar ben ik
klaagt zij eentonig.

Streel mij
ruisloos wakker.

Stem mij
in driekwart hartslagmaat.

Strijk mijn klanken glad.
Plooi een melodie uit mij in jou.

Zing mij zinderend
langs de sleutel
een gebogen weg

naar buiten.

In zijn bespreking van het gedicht ‘Noodlading’, dat ook in deze bundel staat, lanceerde Jeroen van den Heuvel het woord ‘associatie-estafette’. Ook hier is deze techniek duidelijk zichtbaar. De enkele snaar ervaart zichzelf als ‘eentonig’, hetgeen elke snaar natuurlijk is, tot het moment dat zij door het indrukken met een vinger verkort wordt. En vooral in de vierde strofe, waarin vanuit het aanstrijken van de snaar de tegenstelling ‘gladstrijken – plooien’ ontstaat. De derde strofe wringt: een driekwartsmaat is zeer geschikt voor romantische melodieën, maar kan geen richtlijn zijn om een snaar te stemmen. (Wel kunnen we bijvoorbeeld kiezen voor een moderne of juist oude stemming, en –zeker bij een viool– voor een reine of juist gelijkzwevende stemming. Maar ja, maak daar maar eens poëzie van.) Passender zou zijn: ‘Bespeel mij / in driekwart hartslagmaat.’ Als geheel beluister ik in dit gedicht –door alle associaties heen– bovenal een verlangen, een verlangen van de eentonige, eenzame snaar om aangeraakt te worden.

WIJSMAKEN


Wij smaken
naar meer.

In omgang
zit omweg.
In voorbij
nabij zelfs dichtbij.

Neem een hamer
een houten plank
enkele vijzen.

Tracht een schap te plaatsen
onder mijn staat.

Vrijgezel
schap
is toch minder eenzaam.

Vooral met een boek
of twee
erop.

Het gedicht opent hoopvol: ‘Wij smaken / naar meer.’ Maar al snel blijkt, dat de hoofdpersoon (de niet nader genoemde ‘ik’) zichzelf iets probeert wijs te maken. ‘Omgang’ doet denken aan omgangsregeling, zeker met het ‘voorbij’ twee regels verderop. De dichter probeert nog via de associatie ‘voor – na’ dit in het tegendeel te laten verkeren. Maar onmiskenbaar is de nieuwe staat die van de vrijgezel. Met het mij onbekende ‘vijs’ wordt door onze zuiderburen een schroef aangeduid. Of onze zuiderburen deze schroeven ook met een hamer de muur in rammen is mij niet bekend. De hoofdpersoon heeft in ieder geval een doel voor ogen: in de vijfde strofe is het schap letterlijk onder ‘Vrijgezel’ geplaatst, waardoor gezelschap wordt opgeroepen. En met een paar boeken op die plank is het helemaal gezellig geworden. Al denk ik, dat de hoofdpersoon zich met de titel van het gedicht ook realiseert in feite een bord voor de kop te hebben. Het gedicht staat niet voor niets in de afdeling ‘Als’: ‘Ik wals / als een pletwals / over mijn dromen en beloftes’. In deze korte frase (de titelgedichtjes kennen geen interpunctie, als om te benadrukken dat ze geen volledig uitgewerkt gedicht zijn) neig ik ertoe ‘als’ ook als een zelfstandig naamwoord te lezen. Een mooie, grimmige variatie op de volkswijsheden ‘Als m’n oma wielen had was ze een fiets’ en ‘As is verbrande turf’.
Het hoofdstukje ‘Verf’ opent met een raadselachtige tekst: ‘Verf is geen druk inkt / onder stroom’. Ondanks de spatie lezen we: drukinkt. Maar ook: ‘inkt onder stroom’. Is wat geschilderd is niet te vangen in woorden, altijd in beweging? De vier langere gedichten hebben in ieder geval het proces van het schilderen tot onderwerp. Zoals de manier waarop Pierre Bonnard zijn geliefde Marthe schildert: ‘Haar lichaam stroomt verf / zoals fonteinen water.’ Of het abstracte werk van Agnes Martin: ‘Hoewel evenwijdige zielen elkaar altijd zien / maar nooit raken in hun naderingen / treft u me daar / als in een raster even aan.’
Het thema van evenwijdige lijnen, raaklijnen (en ook: rake lijnen) duikt herhaaldelijk op in deze bundel. Het gedichtje op de achterflap filosofeert hierover: ‘Hoe verzoenen wij voorzijde met achterkant / als ook een tweeloop gelijktijdig vuurt / en de banen wel hun doel, maar nooit elkaar raken, // zonder tweelingstrijd?’ In de laatste twee gedichten lezen we ‘Kim / verzon de horizon.’ en ‘Grenzend aan de eigen eindstreep / huilt ze toch dezelfde tranen nat.’ In het interview met Laura Demelza Bosma in Meander zegt de dichter hierover: ‘Ik ben geen fan van mijn eigen naam, niet van de klank en ook niet van de betekenis. De kim als einder, als einde, als begrenzing van wat je kunt zien.’ Vandaar de titel Tweelingstrijd: ‘een strijd met jezelf, met je evenbeeld, je spiegelbeeld, het ene dat ook het andere is, dat deel van je uitmaakt, maar toch niet steeds standvastig blijft.’
Tweelingstrijd is zoals gezegd een zorgvuldig geconstrueerde bundel. De vormgeving is bijzonder mooi, met kleine aquarellen en donker gekleurde bladzijden die de afdelingen afbakenen. De thematiek wordt geen keurslijf. Twee gedichten springen eruit. Het barokke ‘Oh Ewaldus’, met duidelijke verwijzingen naar ‘Vera Janacopoulos’: ‘Oh, Ewaldus mijn / wat drijft mij rust’loos aan / dit omlijste raamkozijn?’ En het ontroerende ‘Zusje’, dat we al eerder in Meander konden lezen, met de indringende opening ‘De kleine kist maakt het verdriet groter.’ Ik ben geneigd dit gedicht als een sleutelgedicht op te vatten, als motor van de zoektocht naar een eigen identiteit die in de hele bundel wordt verwoord. Waarbij de dichter in dit gedicht niet spreekt van evenwijdige lijnen, maar van ‘verweefde vlechten’. Alsof door ‘Nog één keer onze lokken / te vervlechten’ de eenzaamheid van de parallelle lijnen wordt doorbroken.