Recensie van Een mistval om het rumoer - Jan Kleefstra

Een kaal landschap vol betoverende poëzie

Jan Kleefstra
Een mistval om het rumoer
Uitgever: Aspekt
2017
ISBN 9789463381673
€ 12,95
68 blz.

Eén van de kleinste bundels in mijn boekenkast is De bramenpluk van Miriam Van hee. Het is een boekje dat ik graag meenam in de trein of als ik een dag uit wandelen ging. De dichter, die haar achternaam zonder hoofdletter schreef, maakte zich zo klein dat de dingen zelf aan het woord kwamen. Vaak was het voldoende om slechts een paar gedichten te plukken, en zo nauwer in contact te komen met het hier-en-nu. De hier besproken bundel heeft hetzelfde formaat. Bescheiden. Groots.

‘Het wordt stiller. De zon is nog niet op. Het meer wacht op de vlucht die alles in beroering brengt. Wat spreekt, fluistert. Nachtkoude heerst over het mooiste moment van deze winterdag, waarin het zijn voor even in alles oplost en het sleutelwoord ingetogenheid is.’ Een raadselachtige toelichting op de achterkant van een bundel die geen krans behoeft.
Jan Kleefstra heeft zijn bundel een intrigerende titel meegegeven. Het woord ‘mistval’ is opgebouwd uit twee bestaande woorden, maar is als samenstelling in het Nederlands onbekend. Het roept het beeld op van invallende mist, maar ook van de mist als een val waar we in kunnen lopen. De titelloze gedichten zijn verdeeld over vijf afdelingen: ‘Winterochtendnevel’, ‘De wind wakker’, ‘Een mistval om het rumoer’, ‘De stille berk’, ‘Waadlicht’.

Wacht er al kou tussen winterlakens

de angst verstrikt te raken
in een mensenleven

Wat een schitterend woord: winterlakens. Het voert ons naar een huis zonder centrale verwarming, misschien zelfs naar een vroegere tijd. De tweede strofe heeft een mystieke kleur. Het lijkt alsof er een instantie aan het woord is, die losstaat van het lichaam. De geest die vrij is in zijn gedachten en in de woorden van het gedicht, maar ook gebonden aan een lichaam met zijn alledaagse behoefte aan warmte, voedsel, gezelschap. Of mogen we deze regels lezen als bindingsangst, de angst om iemand te dicht op de huid te komen?
In De bramenpluk is de warmte opgeslagen van zomers in de Cevennen. Een mistval om het rumoer ademt de kou van het winterse Friese land. Kleefstra hanteert een kale, transparante taal. Eén hoofdletter aan het begin van elk gedicht, geen interpunctie. Geen inhoudsopgave, de gedichten hebben immers geen titel. Jammer misschien, want de opsomming van de beginregels zou zomaar weer een gedicht op zich kunnen vormen.

Het vers van de kleine schrijver

paart onder kale berken met de gedachte

dat er ooit een wolk om een handvol

lieftallige liederen kruipen zal

Door het gebruik van de dubbele witregel bestaat dit gedicht uit vier eenregelige strofen. Het geeft de tekst een voorlopig, tentatief karakter, waarbij pas verder gesproken wordt als de eerste zin bezonken is. De woorden ‘berk’ en ‘wolk’ komen veelvuldig voor in deze bundel, evenals het gebruik van dubbele witregels. Het gedicht op de volgende bladzij bestaat zelfs uit twee eenregelige strofen, met nota bene vier witregels ertussen.
De poëzie van Kleefstra maakt een verstilde, onthechte indruk. De overweldigende aanwezigheid van de natuur komt op de eerste plaats. ‘Het komt zichzelf telkens weer te boven / het bos’; ‘Weet dat het veen in je hand / nooit zonder gedachten is’; ‘in een handvol uitgekauwde / zuring wordt sneeuw regen’. Toch vertelt de dichter een heel persoonlijk verhaal. Er zit een duidelijke opbouw in de verschillende afdelingen. In ‘De wind wakker’ wordt de blik op de dichter zelf gericht. Zie bijvoorbeeld ‘de kleine schrijver’ in het zojuist aangehaalde gedicht. Of wranger: ‘Ieder vol geschreven blad // zou prooi / voor de ondoofbare vlam // van mijn weerzin moeten zijn’. In ‘Een mistval om het rumoer’ is sprake van een ‘we’ en van romantische fragmenten als ‘Het gras / dat we stil hebben uitgekleed’. In ‘De stille berk’ lijkt sprake van een worsteling: ‘schuld vereenzelvigt zich niet met liefde / pelt geen onrijpe vruchten voordat / het jaar voorbij is’.
Door te wijzen op deze onderstroom beweer ik geenszins dat we een chronologisch verhaal krijgen voorgeschoteld, zoals in Die Winterreise van Schubert. Ik zie Een mistval om het rumoer eerder als een reeks losse impressies van een ‘ik’ die troost zoekt in het lege landschap: ‘in boezemland wilde ik / met niets verweven stil zijn // op de toppen van mijn kunnen / op het lijk van mijn treurigheid dansen’.
Daarom moet deze recensie ook kort blijven. Al te veel duiding zou dit kleinood van Kleefstra onrecht aandoen. Alsof zijn woorden pas kunnen spreken wanneer zij worden uitgelegd.

Een klein gerucht is snel verwaaid

ik waag mij niet
de winterhemel te verontrusten

wil ik op ieders wang kleur
van het bevroren noodlot zijn

kruipend zal ik geen wijsheid vinden

***
Jan Kleefstra (1964) is een tweetalig dichter: Nederlands en Fries. Hij combineert zijn Friestalige poëzie liefst met muziek. Samen met zijn broer Romke Kleefstra maakte hij diverse bewerkingen, o.a. verschenen op hun album Piiptsjilling. Luister naar de stem van Jan Kleefstra om je onder te laten dompelen in de betoverende klank van zijn poëzie.
Een mistval om het rumoer (met tekeningen van Lucien Tinga) is zijn derde Nederlandstalige bundel. Zaterdag 23 september a.s. is Jan Kleefstra te gast op het Dichtersplatform Reuring in Grand Café Koekenbier te Alkmaar. Aanvang 16:00.

Recensie van Ooghoek - Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse

Kijken met de ogen van twee dichters

Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse
Ooghoek
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551674
€ 19,95
53 blz.

In het onlangs verfilmde boek De Cirkel van Dave Eggers wordt beschreven, dat mensen steeds meer live gaan door een camera op hun borst te dragen. Op een gegeven moment maakt de hoofdpersoon een kanotochtje in een schilderachtige, van mensen verlaten baai. Wanneer zij hierover aan haar begeleider in het allesomvattende bedrijf dat de Cirkel geworden is vertelt, reageert deze ontstemd dat ze dit niet live gedeeld heeft: ‘Privacy is diefstal’. Alles moet zichtbaar zijn, want alleen op die manier kan iedereen alles meemaken en kunnen ook mensen met een handicap deelnemen aan ervaringen die anders buiten hun bereik blijven. Ik moest sterk aan deze passage denken toen ik de bundel Ooghoek van Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse in handen kreeg. Deze door het Vlaamse Poëziecentrum uitgegeven bundel is de literaire neerslag van een bijzonder project. Dankzij Ooghoek kunnen we hier op afstand aan deelnemen.
‘In de zomer en nazomer van 2017 is het poëzieproject met gedichten van Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse een beletterde wandeling en een literaire verpozing. Aan de bomen van de Kooldreef in Beernem hangen 17 gedichten die je gadeslaan of toespreken vanuit hun kastjes. (…) De passant, die vanuit zijn ooghoek de bedrijvigheid van de huizen rondom waarneemt, wordt uitgenodigd stil te staan bij wat hij ziet en voelt.’ (Over Ooghoek, de installatie – p.50). Of zoals Jooris van Hulle in zijn voorwoord, dat zich als een volwaardige recensie lezen laat, schrijft: ‘Twee dichters kleuren letterlijk en figuurlijk het project waarmee Vzw Màrmelade de Kooldreef in Sint-Joris, deeLvGemeente van Beernem, ruim drie maanden lang tot poëtisch universum ombuigt. Van wandeldreef –uniek door zijn ligging in het dorp, enig door de aantrekkingskracht die ervan uitgaat door de manier waarop de blik van de passant naar de verte van het achterliggende kasteel wordt getrokken– wordt de Kooldreef woord-dreef, beeld-dreef en klank-dreef’.

Hoewel beide dichters vanuit dezelfde opdracht werkten, is er verder weinig verwantschap tussen hun werk. De bundel bevat twee afzonderlijke afdelingen: ‘Geleider’ van Charlotte Van den Broeck en ‘Die stiekeme blik’ van Lies Van Gasse. De selectie is met 25 gedichten iets ruimer dan de installatie op De Kooldreef, waarbij beide afdelingen verluchtigd zijn met illustraties van de hand van LvG.
De gedichten van CvdB lijken meer geënt op de omgeving van de Beernemse Kooldreef dan het werk van LvG. De meeste titels van de gedichten van CvdB verwijzen direct naar een locatie in Beernem. Alleen haar laatste gedicht heet ‘Cornea’, en vormt daarmee een bruggetje naar de gedichten van LvG, die met hun titel allemaal naar een lichaamsdeel verwijzen.

WOKPALEIS

Twee leeuwen, loom in marmer gelegen
sperren aan de poort de mond open in een geeuw

binnen staat de Chinese matrone uit blok gehouwen
ze zegt ‘welcome’ met het nodige wantrouwen
voor meisjes die alleen buffet komen eten

ik kies de lange tafel aan het raam en de formule met teppanyaki
drieëntwintig euro negentig en daarbij de dwangsom
van blikken die me verplichten naast honger ook een verhaal te hebben

en ja, onder de lampionnen wiegt de weemoed in mij, ik zat hier eerder
op zwijgzame familiefeesten in een andere streek, klem
tussen wat gezegd moest en wat van de mond werd geveegd

ook nu kan ik niets bedenken
wat luidop te zeggen valt

De gedichten van Charlotte Van den Broeck geven de lezer sterk het gevoel mee te kunnen wandelen langs schilderachtige en soms ook minder schilderachtige plekken in Beernem. Natuurlijk langs de Kooldreef zelf: ‘Vanaf hier lopen de eiken in lijnen in een doorgang de diepte in / verdwijnpunt is bestemming, dat huis in de verte, met buigzame ogen, kijk / dwars door steen en hek, achter het uitzicht waakt de binnenkant’. In ‘Sint-Amandus’ (een psychiatrisch centrum) lezen we ‘tegenover het hotel waar ik logeer, bewaren ze mensen in breukgetal / een schreeuw op sterk water, een doffe blik die niet door het raam geraakt’. ‘Miseriebocht’ beschrijft de ligging van het dorp: ‘Het kanaal plooit een arm om de fietstoeristen / op de ellenboog balanceert het dorp, weggestoken / achter gestekelde brem, doorn en eikenbos’. Maar in haar beschouwingen resoneren ook herinneringen aan andere plaatsen, andere gebeurtenissen, die zich mengen met de fantasie over hoe het is om hier te leven. We stellen ons bij bovenstaand gedicht voor hoe CvdB daar zit, in haar eentje, in die licht vijandige omgeving van het kleurrijke Wokpaleis. We krijgen zelfs te horen wat het menu kost, maar ondertussen dwalen de gedachten af naar vergelijkbare plaatsen ‘in een andere streek’, omdat de waarneming immers altijd gekleurd wordt door eerdere ervaringen.

DIE STIEKEME BLIK

Eens per week maak ik een tocht
naar het leven dat ik eerder heb geleid,

naar het vlekkerige schilderij
vol mist, tuinen en loofbomen,

naar grijze en baksteenrode blokken
met het keukenraam boven de garagepoort,
de lavendeltuin naast de nieuwe auto,

naar het ei van waaruit ik

sidderend ontstond,
om me heen keek,
op weg ging,

het ei van waaruit alles ooit begon.

Onze wereld is zo klein
dat ze bijna in een hand past.

Eens per week maak ik een tocht
naar een leven dat ik vroeger heb geleid.

Onze wereld is zo klein.

Tussen de takken, achter glas,
kijk ik naar wat geschilderd staat daarbinnen.

In haar gedichten hanteert Lies Van Gasse vaak de stijlfiguur van de herhaling. In dit gedicht zien we de eerste strofe met een subtiele variatie aan het eind van het gedicht terugkeren. Maar ook ‘het ei van waaruit’ en ‘Onze wereld is zo klein’ worden herhaald. Deze manier van terughalen van elementen versterkt de samenhang van haar gedichten. Maar LvG gaat een stap verder: bij herlezing van haar gedichtencyclus valt op, dat ook elementen uit andere gedichten herhaald worden, waardoor de cyclus steeds meer als één geheel ervaren wordt. ‘Tussen de takken, achter glas’ is de openingsregel van het gedicht ‘Binnenoor’. Het ‘vlekkerige schilderij’ vindt een echo in ‘een vlekkentapijt van zon aan de kamerrand’ uit het gedicht ‘Linkerhand’. En de woorden ‘in een hand past’ staan bijna letterlijk in het ‘Voorarm’, dat aan ‘De stiekeme blik’ vooraf gaat: ‘het kind onder mijn huid, / een hoofd dat zelfs bewegend / net in mijn handpalm past’. Mogelijk wordt dit effect van herhaling en herkenning nog versterkt wanneer men deze gedichten in het project deze (na)zomer in de Kooldreef ter plekke beluistert.
De thematiek van het gedicht doet vermoeden, dat de dichter zelf in het dorp gewoond heeft, en hier regelmatig naar terugkeert. Dit sluit echter niet aan bij de biografische informatie: zij is geboren in St. Niklaas, 70 km ten oosten van Beernem. In andere gedichten lezen we ‘Nu is het zomer in Beernem’, en ‘Op de tweede dag / – maar laat ons eerlijk zijn, het had ook de derde, / of de zesde kunnen zijn – fietsen we van Brugge naar Beernem’. Mogelijk roept de landelijke omgeving van Beernem – dat zij ongetwijfeld voor dit project bezocht heeft – herinneringen aan haar eigen jeugd op.
Moederschap is een ander thema dat sterk in de gedichtencyclus van LVG aanwezig is. In het openingsgedicht ‘Schaambeen’, wordt een soort omgekeerde geboorte geschetst. In het daaropvoLvGende ‘Elleboog’ lezen we: ‘Verschillende keren zijn wij jong: / eerst in de moeder, dan in onszelf / en tenslotte in het kind dat zwelt als meel, / gekneed door onze gewoonten.’ Daarbij legt ze vaak de relatie tussen haar moederschap en haar eigen kind-zijn, zoals in de opening van het eerder aangehaalde ‘Voorarm’: ‘Het is beter op mijn natte arm dan in het bed / dat ik nochtans zacht voor je heb gedekt // waarin ik een kruik vol warmte wilde, / waarin ik over mijn verleden jouw toekomst heb gelegd’.

Beernem ligt op een steenworp (of zoals we hierboven konden lezen op een uurtje fietsen) van Brugge. De installatie is nog tot 8 oktober a.s. te ervaren. Mogelijk inspireert deze recensie of de bundel lezers tot een poëtisch uitstapje. In dat geval houd ik me aanbevolen voor foto’s en verhalen – ik vermoed dat het ervaren van de installatie ter plaatse de hier besproken gedichten nog meer tot hun recht laat komen.

Recensie van de tuimelaar - Harry M.P. van de Vijfeijke

De dichter als chroniqueur van zijn eigen private leven

Harry M.P. van de Vijfeijke
de tuimelaar
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411211
€ 15,00
88 blz.

Er lopen honderden dichters in Nederland rond die verdienstelijk hun vak verstaan, maar nooit echt zijn doorgebroken. Harry M.P. van de Vijfeijke is een van hen. Zijn eerste bundels (1986, 1996) bracht hij in eigen beheer uit. de tuimelaar is zijn zevende bundel, en zijn derde bundel bij uitgeverij Kontrast.
De eerste afdeling, ‘Gewricht’, gaat zeer nadrukkelijk over het dichten. In acht van de twintig gedichten komt het woord ‘gedicht’ zelfs letterlijk voor. De dichter bevindt zich in de natuur, doet wat observaties op een terras, en dan ‘het gedicht een vlakte van stilte en fluweelplezier’, ‘laat het uitzicht over / aan de draai van het gedicht’. En in de andere gedichten is het ‘wachten op wat woorden’, ‘tekent grimmig wat aan’ tot een slotregel als ‘Zijn eigen woorden staren hem zigzaggend aan.’ Een strengere redacteur had hem hiervoor kunnen behoeden. Nu stelt de dichter zelf: ‘Het is daarom dat ik mij onttrek, / het teveel aan bet- en best- en beterweters, / op zoek naar het vrijwarende vertrek.’ Maar ondertussen werd wel een recensie-exemplaar verstuurd. De titel van de bundel vinden we terug in ‘Kleine dichter, grote tuimelaar, / in de woede van verstrijken en heelal.’ De dichter als een poppetje dat na elke val vanzelf weer rechtop gaat staan. De titel van de bundel wordt daarbij nadrukkelijk zonder hoofdletter geschreven.
In ‘Genadeslag’ zijn gedichten over wonen en leven in Nijmegen en andere steden bijeengebracht. Herinneringen aan de Stevenstoren, Café de Kersenboom, Mariken en aan de Waagh: ‘Ik schrijf mij nog altijd / uit mijn evenwicht, nu op het Waaghterras, / in goeden doen, maar voor een klein gehoor / en goeddeels uitverteld.’
‘Bekkendans’ handelt over liefde en familie. Incidenteel treffen we een verwijzing naar ander werk aan: ‘Magnolia, wat bloeit mij aan, ik barst / bij het zien van zoveel borsten, billen uit elkaar.’ Een ander liefdesgedicht eindigt nogal woordspelig: ‘De dennen sparren met elkaar, ze geuren zacht. / Het zijn dagen dat een leven glimt en lacht. / Tij, herverwacht.’
‘Melkverzen’ bevat veel jeugdherinneringen, waarin de vader een belangrijke rol speelt. Het is de meest geslaagde afdeling van de bundel. ‘Aan de schoft van koe en paard / mijn vaders hand, was aan de lijn / geblokt, geruit, droog waaiend / naar mijn moeders mand.’ Daarnaast kijkt hij terug op zijn leven: ‘Nu wijs ik laat en droef en geestig naar het oude lijf.’ De dichter lijkt hier zowel op zijn overleden vader te doelen, als op zichzelf, op een leeftijd waarin hij in zichzelf steeds meer zijn vader herkent: ‘De wijsgeer heeft gelijk, mijn dode vader / leeft. Zijn stekelhaar staat eeuwig overeind, / manchester bolt ter hoogte van zijn knieën.’
Op de flaptekst van Het heeft verband (2001) schreef Victor Vroomkoning: ‘De dichter is de chroniqueur van zijn eigen private leven in een klein gehouden wereld.’ Deze kenschets is onverkort van toepassing op de huidige bundel.

Na het voltooien van deze korte bespreking, las ik min of meer bij toeval de toespraak die Victor Vroomkoning hield bij de presentatie van ‘de tuimelaar’. Vroomkoning was heel wat minder kritisch dan ondergetekende in bovenstaand relaas. Dat laat nog maar eens zien, dat er veel verschillende manieren zijn om naar poëzie te kijken, zelfs wanneer het om dezelfde gedichten gaat. U zult misschien zeggen: nogal logisch dat Vroomkoning zoveel positiever is, gezien de gelegenheid waarbij hij sprak. Interessant is echter, dat hij een aantal eendere voorbeelden aanhaalt, om tot een geheel andere interpretatie te komen. Ik geef deze hier onverkort weer:

“De gedichten in de eerste afdeling (‘Gewricht’) laten zien hoe de dichter werkt, hoe hij verlangt naar het proces, hoe hij toebereidselen treft, zoals een schilder voor zijn ezel waarop het lege doek prijkt. We bevinden ons in de smidse van de dichter, de plaats waar zijn poëzie tot stand komt, en dat is ín het gedicht zelf, het is zowel een handleiding tot het maken van gedichten als het tot stand komen daarvan. ‘Kijk, lezer; lees, kijker, zo gaat dat bij mij er aan toe’, laat de dichter vermoeden. De gedichten zijn in hun opbouw bijna zonder uitzondering aan elkaar gelijk: ze beginnen met de bedoeling een vers te maken en eindigen met regels die het gedicht opleveren, létterlijk. Het gedicht is dan afgerond. Van de Vijfeijke is –hij noemt het zelf ook zo– verzenmelker; hij trekt de stad in, het land in, de polder, de natuur en wacht tot het gedicht komt, en het er staat. Ik laat u een aantal van de slotregels horen: 
- en dan/ het langverwachte openslaan van het gelaagd papier (…), het gedicht een vlakte van stilte en fluweelplezier.– De oefening, de opdracht,/ en in het wringen het gedicht.– leve het gedicht. — Na een dag van wachten op wat woorden / klinkt er een gedicht,– En elk kladvel schrijf ik tot / de boorden vol.– laat het uitzicht over / aan de draai van het gedicht.– gedichten als krullen van verslag — Het redden voorbij, de poëzie zal je leren.”

“In de tweede afdeling van de bundel, ‘Genadeslag’, vinden we Van de Vijfeijke terug als chroniqueur van het leven, in het bijzonder dat van de mens, lees: de dichter, lees hemzelf in Nijmegen en verre omgeving. Café De Kersenboom, de Stevenstoren, de Waagh, Mariken , de Hezel en de Lange Hezel passeren maar ook wat buiten de stad ligt.  
Je ziet hem zitten achter transparante gevels: kijk, daar zit een dichter, hij ziet ons, en weet dat men hem ziet en gaat er dan eens goed voor zitten. Begrijp me niet verkeerd: deze dichter is oprecht in wat hij nastreeft: een dichter te zijn met de blik op het eindige. Ik mocht laatst een paar uur met hem verkeren, en het is frappant hoeveel cafés hij van binnen kent en welke uitzichten vanuit dat café. ‘Je kunt daar goed zitten’, zegt hij’, ‘daar aan het raam’; hij bedoelt met zitten: schrijven of wachten op het moment dat hij, Harry Van de Vijfeijke, transformeert tot Harry M. P. van de Vijfeijke, van burgerman tot dichter.”

“In de afdeling ‘Bekkendans’ is Van de Vijfeijke lyrischer, ook zachter, lichter, milder dan in de andere afdelingen maar toch weer ingehouden. (…) Hij tipt aan in mooie metaforen, bijvoorbeeld dat bomen het met elkaar doen: ‘De dennen sparren met elkaar, ze geuren zacht’. Of twee katten: ‘de vrouw spinnend als een voorjaarskat. / Hij kater, goedgevlekt, de sprong zijn habitat.’“

Wie er gelijk heeft, of de waarheid in het midden ligt, of er in dit geval überhaupt zoiets als waarheid bestaat: ik laat het graag aan de lezer over.

Recensie van Waar leg ik mijn hart - Wendela de Vos

Geen gewoon liefdesverhaal

Wendela de Vos
Waar leg ik mijn hart
Uitgever: Kontrast
2017
ISBN 9789492411235
€ 15
72 blz.

De kleuren van de debuutbundel van Wendela de Vos zijn verrassend sober. Een zacht groengrijs, met op de achterkant een diep blauwgroen. Niet de kleuren die je verwacht bij een ‘liefdesverhaal in gedichten’. En ook in het lettermozaïek dat de voorkant siert ontbreekt de kleur rood nadrukkelijk. Waar leg ik mijn hart  is dan ook geen gewoon liefdesverhaal. In de opbouw klinkt de theaterachtergrond van de auteur duidelijk door. De verschillende gedichten zijn als losse scènes in een toneelstuk, het is aan de lezer om hier een verhaallijn doorheen te weven. En dat verhaal is alles behalve een zoet vissersromannetje, geen Zout op mijn huid in verzen.
Het scenische karakter wordt versterkt doordat elk gedicht op zichzelf staat, tegenover een lege linkerbladzijde. De witte ruimte wordt deels gevuld met grote letters, die één woord uit de tekst (niet per se de titel) eruit lichten. Het losse karakter van deze grafische illustraties, van de hand van Frans Lieshout, brengen een speels element in de af en toe zware tekst.
Het openingsgedicht zet de toon:

Liefde baart altijd wel iets
kunstig geborduurde muilen een roos van hout
haast honger slordigheid
kussen natter dan water
zou het uitmaken welke hand
boven ligt in gebed

De toon is sober. Weinig interpunctie – ik kom hier later op terug. De vraag van de laatste twee regels klinkt onheilspellend. Dat wordt versterkt doordat de eerste twee woorden vetgedrukt zijn: Liefde baart. Naast ‘geboorte’ klinkt vanzelf de vaste combinatie: ‘dat baart mij zorgen’ mee. Het woord ‘muilen’, dat hier de linkerpagina siert, voert ons terug in de tijd. Het ‘kunstig geborduurde’ wijst op het oude handwerk in lange, donkere winters. We krijgen een beeld van een traditionele protestantse gemeenschap. De confrontatie met het hogere neemt -als in een variant op Job- in de bundel een belangrijke plaats in.
In de volgende gedichten maken we kennis met de zee en het zand, en met de vele generaties (‘waar achter mannen droomden van / mijn moeders moeder in het maanlicht’) die hier geworteld zijn. Dan ontspint zich een idylle: ‘Wacht / nog niet weggaan // nog een keer / ruiken / je vettige vest / strelen / je raspende wang / proeven / je bittere mond’. De stem van een vrouw, die haar geliefde niet wil laten gaan. Het volgende gedicht is in dialoogvorm geschreven. De stem van een man, die zegt ‘Ik wil je niet’, maar de achterblijfster ook aanspoort niet ongerust te worden als het weer omslaat en slechte tijdingen binnendruppelen. Misschien wil hij de vrouw wel beschermen voor verdriet, door haar nog niet aan zich te binden. De vrouw antwoordt met één van de mooiste gedichten uit de bundel:

Wilt mijn lief bewaren
voor sterloze nachten
voor ondiepe geulen
voor masthoge golven
voor mist en voor ijs

wilt mijn lief bewaren
voor striemende regens
voor snijdende winden
voor losslaande ankers
voor uitwaaiend vuur

wilt mijn lief bewaren
voor brekende touwen
voor scheurende zeilen
voor splinters en nagels
voor rotting en koorts

wilt mijn lief bewaren
voor roepende stemmen
voor lokkende vingers
voor zingende rotsen

wilt mijn lief bewaren

heer

voor mij

De zee is immers vol gevaren. Maar ook vreemde havens kunnen de liefde bedreigen, evenals de ‘zingende rotsen’ waarin we de Lorelei herkennen. De werkwoordsvorm ‘wilt’ is statig, passend bij de aanroep van de heer, die hier -anders dan God en de Grote Storm verderop in de bundel- geen hoofdletter krijgt.
In sterk afwisselende gedichten ontvouwt zich een geschiedenis van liefde, verlies, wanhoop en rouw. Om het een beetje spannend te houden zal ik het verdere verloop, zo dit al eenduidig is, niet uit de doeken doen. In de aantekeningen vertelt de auteur, dat de dichtbundel geïnspireerd is op de geschiedenis van Den Tilsandede Kirke in Denemarken. Deze 13e-eeuwse Deense kerk raakte vanaf 1775 meer en meer onder het duinzand bedolven. Aanvankelijk lukte het de gelovigen nog om na elke storm de kerk weer uit te graven, maar na een laatste grote storm gaven zij het in 1795 op. Nu steekt alleen nog een deel van de witte toren boven het zand uit.
De Vos weet met rake details de barre omstandigheden van het vissersleven in voorbije tijden op te roepen: ‘planken een dekzeil / spaanders turf kisten / strobalen houtskool (…) het raast het vlerkt / stuitert tolt grauwt / slaat zichzelf stuk’. Veel zintuiglijke indrukken, stank, kou en pijn. En overal zand. De illusie van een maagdelijk strand, waar je als eerste je voeten op zet. Zand dat nieuw land vormt. Maar ook de verpletterende kracht van ‘korrel boven korrel’. En tenslotte: ‘Als alles verloren / dan nog altijd het bed van zand’.
Zoals gezegd is er een grote variatie in stijl in de gedichten. Meer dan van klank maakt de dichter gebruik van parallellie en opsommingen. Vaak smalle gedichten, met regels van hooguit drie woorden. Vrijwel geen interpunctie en alleen aan het begin van het gedicht een hoofdletter. Een uitzondering vormt het gedicht ‘Zijn storm’, waarin de korte, schuingedrukte regels staccato op de lezer inbeuken. De eerste regel van elk gedicht is, bij wijze van titel, vet gedrukt. Alleen in de eerste twee gedichten is slechts een gedeelte van de regel vet, terwijl de titel in de inhoudsopgave toch uit de hele eerste regel bestaat.
De uiteenlopende scènes leveren geen pasklaar verhaal. De lezer wordt uitgenodigd de verschillende fragmenten verder in te vullen, en misschien zelfs te verbinden met eigen ervaringen. Want hoewel Waar leg ik mijn hart is ingekleurd met historische details, is het bovenal een tijdloos verhaal waarin universele menselijke vragen en verlangens de hoofdrol spelen.

***
Wendela de Vos (1947) volgde een opleiding aan de Theaterschool en was tot 2006 werkzaam bij diverse grote en kleine theatergroepen. Waar leg ik mijn hart is haar eerste dichtbundel. Zij schreef het libretto voor het oratorium ‘Nova Zembla’ en onder de naam Tupla M. literaire thrillers. Haar oeuvre strekt zich uit van kort verhaal tot kinderpoëzie, van column tot toneeltekst. 
Waar leg ik mijn hart is de negende uitgave in de reeks OPEN van uitgever Kontrast.

Recensie van Leesjongen - Wiel Kusters

Omzien in mildheid

Wiel Kusters
Leesjongen
Uitgever: Cossee
2017
ISBN 9789059367388
€ 24,99
299 blz.

In zijn hoedanigheid als hoogleraar letterkunde schreef Wiel Kusters talloze artikelen over Nederlandse poëzie. Hoe zou dit zijn eigen werk hebben beïnvloed? Is het überhaupt nog mogelijk een eigen, authentieke stem te laten klinken als je het werk van zoveel anderen nauwkeurig hebt geanalyseerd? De titel van zijn verzameld werk geeft een bescheiden hint. Leesjongen verwijst naar het werk in de mijnstreek, waar hij geworteld is. De achterflap geeft het lemma weer: ‘Leesjongen (mijnbouw): jongen die bovengronds stenen raapt uit de steenkoolbrokken die via een transportband worden aangevoerd.’ Maar we laten ons niet voor de gek houden. De titel mag dan een eerbetoon zijn aan zijn afkomst, de intuïtieve betekenis staat voor de lezer van nu op de voorgrond: een jongen die leest, een man die ondanks zijn zeventig jaren nog altijd een jongen gebleven is, op zoek naar avonturen op papier.
Leesjongen was de eerste weken na het verschijnen het best verkochte boek in de vermaarde boekhandel De Tribune in Maastricht. De bundel is uitgebracht ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de auteur, geboren in Spekholzerheide, nabij Kerkrade. Het boek is mooi ingebonden, maar verder nogal kaal uitgegeven. Een inleiding ontbreekt, alsook een korte schets van de literaire carrière van Kusters, die op de flaptekst een gelauwerd dichter, en zelfs ‘Ein Dichter von europäischem Rang’ (Neue Zürcher Zeitung) genoemd wordt. In de korte verantwoording vertelt de auteur dat ‘de gedichten, met voorbijgaan aan de oorspronkelijke bundelcomposities, in grote lijnen thematisch geordend zijn’. Helaas is er geen lijst met de samenstelling van de originele bundels opgenomen. Het blijft dus gissen wat de datering is van de gedichten uit deze verzamelbundel, en de lezer krijgt geen inzicht in de ontwikkeling van Kusters’ dichterschap. Wel kunnen we de stem van de dichter beluisteren op de meegeleverde cd. Misschien kan deze selectie van 34 gedichten, die op de cd nota bene alfabetisch gerangschikt zijn, tot verkenning dienen van zijn werk.

Geboren en getogen

Ik ben geboren uit een berg van licht,
van licht dat zwart bevroren bovenkwam
en nu nog in de as te gloeien ligt,
te wachten op het uitslaan van mijn vlam.

Ik werd getogen uit een diepe schacht
en zag mij aan de voet van torens staan.
De zon hing hoog te schijnen in de nacht,
maar nog veel hoger steeg daarna de maan.

Ik heb mij getekend met de linkerhand,
terwijl mijn vader het papier verschoof,
mijn moeder waarschuwde: ‘Pas op de rand!’
Ik denk dat ik besta, nee, ik geloof…

… ik word herboren in een vergezicht
waarin het geziene blijft verschijnen,
waarin wat niet voor lege ogen zwicht
onuitwisbaar blijft verdwijnen.

Dit gedicht staat niet alleen op de binnenflap, maar is ook het openingsgedicht van de bundel. Het laat zich lezen als een credo, waarbij Kusters zich door de vaste vorm en de knipoog naar het zonnegloren van Perk in een poëtische traditie plaatst. Elders geeft de auteur de aantekening ‘bij een tekening van Willy Gorissen: ‘Gezicht op Staatsmijn Emma in Hoensbroek’ (1937).’ Het gedicht lijkt in de eerste strofen een persoonlijk portret, waarin gaandeweg het accent naar de oude tekening verschuift. Hoewel het descartiaanse ‘Ik denk dat ik besta’ weer meer een filosofisch uitgangspunt verwoordt, waarin de auteur zich geroepen voelt (‘ik geloof…’) de oude beelden telkens opnieuw te laten verschijnen.

De eerste gedichten in de afdeling ‘Dicht bij huis’ gaan over de mijnbouw, die tijdens de jeugd van de dichter alomtegenwoordig was, tot in het stof op de kozijnen en op het wasgoed in de tuin toe. Het belang van deze afkomst is groot: de eerste vijf gedichten worden alle op de cd ten gehore gebracht. Ook het veelzeggende ‘Oor’: ‘Op straat legde ik vaak / een oor aan de grond // bewoog daar beneden / een vader of een zoon?’ In de eerste afdeling treffen we verder veel jeugdherinneringen aan, soms parlando weergegeven, soms sprookjesachtig verwerkt: ‘Als kind moest ik een walvis eten / ’s avonds voor het slapen gaan / met een sinaasappel toe // ik had daar een laddertje bij nodig / en een goeie scherpe bijl / laarzen aan zuidwester op’. Toch is de dichter er in dit elf strofen tellende gedicht blijkbaar niet helemaal zeker van dat we hem snappen, gezien de overduidelijke woordspeling in de achtste strofe: ‘ik stonk naar tranen en naar lever’.
De eerste afdeling gaat naadloos in de tweede over, met mooie herinneringen aan familieleden, zoals aan de moeder: ‘Wij dansten moeder, door de keuken / je had mij lachend opgetild // vier jaar was ik ‘daar bij die molen / die mooie molen’ van de radio’. In ‘Amor en de schedel’ heeft de dichter nog meer gedichten over liefde en vriendschap bijeengebracht. Over de Hohner mondharmonica, waar zijn broer wel op kon spelen, maar waar de dichter, als hij hem nu aan de mond zet, slechts onrustbarende klanken aan ontlokt: ‘een janken / zoals vroeger nooit / door hem / geuit.’ Veel gedichten over broers en andere familieleden, maar ook romantiek, zoals in ‘De sjaal’: ‘Toen gleed je sjaal en was je daar waar / ik je met jouw ogen mij zag staan. Of lag / jij niet aan mij als ik aan jou, hier, daar?’ Verlies dient zich aan in ‘Dubbel’: ‘Van iedere hap eet ik nog maar de helft. / En lucifers die breek ik door. Voor thee / dient mij het zakje van de dag tevoor. / De tandpasta moet vier keer langer mee.’ De opening doet denken aan het ‘half beslapen bed’ uit ‘ Rode wijn ’ van Bram Vermeulen (1988). Maar waar woede na een scheiding overheerst in ‘Rode wijn’, staat in ‘Dubbel’ het verdriet op de voorgrond: ‘Ik zal gierig moeten zijn nu ik je mis. / Ik moet niet zo ademen, de rest is dan / voor jou.’

De afdeling ‘Ik ging eens niet graag dood’ bevat gedichten met een meer filosofische inslag, zoals te lezen is in de tweede strofe van ‘Doodstil’: ‘Ik ging eens niet graag dood, / bleef zitten tot ik stierf. / Mijn dood was een soort dood. / Ik was nog niet geboren / of ik was nog steeds in leven.’ Een kleinzoon ontwikkelde op vierjarige leeftijd de ‘Bewaarmachine’: ‘De bewaarmachine / verwerkt de wereld, / haar wezen en verschijning, / haar doorgaande processen, / tot niets dan blijfsels.’ Hoe anekdotisch het gedicht ook is, het is verleidelijk hier een metafoor voor het dichten in te zien. Zoals Kusters met Leesjongen zijn eigen bewaarmachine heeft geschapen. Een enkele keer reflecteert de dichter op de actualiteit, zoals in ‘Identificatie’, waarin hij verlangen uitspreekt naar de tijd ‘toen onze vingerafdruk / nog een handdruk was, / de irisscan / onze oogopslag / en wangslijm / onze spraak.’

In ‘Mijn handen in een droom’ gedichten die op droombeelden geïnspireerd zijn. Van beangstigend (‘Zij groeven mij een ondiep graf’) en raadselachtig (‘De man die voor mij staat en naar me wijst / is met de draaideur twee keer rondgegaan.’) tot een uitgesponnen, naar Virgilius verwijzende, vertelling in ‘De gang’.
De titel van de voorlaatste afdeling, ‘Lezen in de nacht’, lijkt ook naar nachtelijke activiteiten te verwijzen, naar handelt volgens de auteur over lezen en schrijven, zoals in het gedicht ‘Boek’, dat op een muur van de Universiteitsbibliotheek Maastricht is aangebracht:

Het boek dat zich laat lezen in de nacht
gloeit op, werpt licht op voor- en nageslacht.
Bij al wat het behelst, van vonk tot zon:
elk woord werd door een ander voortgebracht.

In ‘Het halve woord’ tenslotte een aantal gedichten over/voor collega’s. Uit de gedichten en vaak ook uit de opdrachten komt duidelijk naar voren dat Kusters veel van deze bekende schrijvers persoonlijk gekend of in ieder geval ontmoet heeft. Lucebert, Toon Hermans, Willem Barnard, soms zijn het kleine herinneringen die een in memoriam kleuren: ‘Misschien dat jan hanlo / mijn gedicht daarom / op zijn kop hield / toen hij had gezegd / dat hij het wilde zien’.

Leesjongen bevat de verzamelde gedichten van een man die zijn sporen ruimschoots verdiend heeft als hoogleraar letterkunde en voorzitter van de Zuidelijke Afdeling van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Een schier eindeloze hoeveelheid beschouwingen is terug te vinden op de website van de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren. In Leesjongen blijft Kusters echter dichter bij huis, om de titel van de eerste afdeling te parafraseren. Het is een buitengewoon persoonlijke bundel, met veel aandacht voor zijn afkomst: de mijnstreek, familie, vrienden en literaire voorbeelden. Hoewel op de flaptekst gezinspeeld wordt op de poëzie van de Vijftigers doet het werk van Kusters traditioneel aan. Vaste vormen en vrije verzen wisselen elkaar af, maar de toon blijft rustig, bedachtzaam. Zo hij zich met experimenten heeft beziggehouden, zijn deze buiten de bundel gehouden (zoals het op Radio Limburg door Hugo Luijten gepresenteerde gedicht ‘ Sonate ’ – 3’40’’ en verder). In zijn gedichten toont hij een scherp oog voor detail, en hanteert hij een directe, aansprekende schrijfstijl. Geliefd en gelauwerd als Kusters in Limburg al is, mag Leesjongen zijn werk bij een groter publiek onder de aandacht brengen.