Gedichten

door Sylvie Marie (1984)
TOEN JE ME TEN HUWELIJK VROEG, WOU IK NOG HET VOLGENDE

in je dagen bladeren als stonden ze in een archief,
ze kaften, hoofdstukken openslaan
en bovenal verbanden leggen.

hoe je in kamers zonder deuren sliep bijvoorbeeld,
wat dat van je maakte en waarom je zoveel schrijft
over grootouders, rimpels en dood.

ik zou graag teruggaan naar die avond
bij de haard waarop ik je iets vroeg en
je ogen trilden alsof je in een trein zat.

een goede archivaris zet die rubrieken
binnen handbereik.




‘S NACHTS

en als ik nu eens niet wakker werd
maar bleef: sneeuwwitje achter glas.
zou een autopsie je smaken, prins?

betast mijn borst die onbeweeglijk blijft,
mijn tepels stijf van kilte. schrik niet
wanneer mijn hart roder wordt, je bevende handen
op mijn rug wroeten, je trillende vingers
in het weefsel rond mijn onderrib klemmen
als in de nok van een door- en doorzocht pand.

stel vast: ik ben niet langer het meisje met de lolly,
niet langer het kousenvoetensluipende mensje
dat je met de handen voor je ogen verrast
met een ontbijt.

besluit: er steekt geen appel
in mijn keel, er is er ook nooit een geweest.
ik stikte in de valse nagels van de heks.




JIJ, DE STILTE

ik heb al geprobeerd te doen alsof
je weer hier bent. ik dek de tafel voor twee,
schuif de stoel voor me wat naar achteren,
luister en knik.

ik hoor je een grap vertellen.
je lacht en ik lach mee, niets mooier
dan uitbundige tranen.

dit doen is als zoenen
op het venster. het koude glas,
dat je eerst schrikken,
dan walgen doet.




ALLES OP AFSTAND

zo zitten we bijna in een woonkamer,
onze banken op de pier en de zee
als een salontafel tussen beiden,
glazen en rietjes ontbreken nog
om er het leven door te zuigen.

er is niets dat me naar je hand doet neigen,
niets dat mijn trillende vingers op je lippen
legt of me doorheen
je haren laat gaan.

de redenen staan in koffers
naast mijn voeten, zwaar en onhandig.
ik tors ermee, maar elders
wil ik nu niet zijn.

jij weet niets van de living en de koffers
vol bezwaren, het is de wind
die over je hand en mond glijdt en je haren
in de war brengt.

toch tuit je je lippen
om ‘zo’ te zeggen.
‘zo is het wel genoeg.’


Alle vier de gedichten komen uit Toen je me ten huwelijk vroeg, uitgeverij Vrijdag/Podium, 2011

Ellen Deckwitz debuteert met 'De steen vreest mij'

 
Van Ellen Deckwitz die twee jaar geleden nog de Meander Dichtersprijs won, verschijnt eindelijk haar langverwachte debuut. ‘De Steen Vreest Mij’ verschijnt deze maand bij Nijgh en Van Ditmar. Meander brengt u een voorpublicatie van maar liefst vijf gedichten.

Deckwitz (1982) publiceerde in o.a. Tirade, Dietsche Warande en Belfort en Bunker Hill. In 2009 won ze ook het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. Ze trad op in binnen- en buitenland, van Lowlands tot Carre, van Edinburgh tot Warschau, van Berlijn tot Parijs. Haar verzen werden tot dusver in het Zweeds, Engels en Duits vertaald en gepubliceerd. Daarnaast staat ze met Ingmar Heytze en Spinvisbassist Cor van Ingen op de planken als de poetische rockfolkdubstepsensatie Asfaltfeeen en bracht ze met het Scapino Ballet Rotterdam een poetische bewerking van G.F.Handels Scherza Infida ten tonele.

Deckwitz behaalde aan de Rijksuniversiteit Groningen een dubbele bachelor in Nederlandse Taal en Cultuur en rondde aan dezelfde instelling de Research Master Literary and Cultural studies af. Ze is supporter van FC Twente en werkt momenteel aan haar eerste roman, die in 2012 het levenslicht zal zien.

Lees hier het interview dat Jeroen Dera drie jaar geleden van haar afnam.
Lees
hier het verslag van de Meander Dichtersprijs. Deckwitz won het toen van Lieke Marsman en Anna De Bruyckere.
Lees
hier het interview met Ellen naar aanleiding van haar overwinning in de Meander Dichtersprijs.
Interview met Anne Broeksma

'Ik wil nog eens een roman over een tuincentrum schrijven'

 
Anne Broeksma (1987) studeert Nederlandse literatuur in Utrecht. Ze schrijft sinds haar 15e gedichten, deed al vele dichtpodia aan waaronder Onbederf’lijk Vers en Dichters in de Prinsentuin en won enkele poetry slams. Onlangs stond ze in de top 100-bundel van de Turing nationale gedichtenwedstrijd. In Utrecht organiseert ze vanuit het Poëziecircus iedere tweede woensdag van de maand de literaire talkshow Slok op Utrecht, met nieuws, dichters en muziek.

Je bent eigenlijk al geen onbekende meer voor Meander. Deze zomer nam Ingmar Heytze je al op in zijn keuze. Toen kwamen we al heel wat over je te weten. Zo zou je begonnen zijn met schrijven onder het pseudoniem Kamerplant.
Ka-mer-plant?
Ja, Kamerplant. Toen ik me jaren geleden wilde aanmelden bij een gedichtenwebsite om mijn gedichten eens aan de buitenwereld te staven, moest ik een gebruikersnaam verzinnen. Ik koos de naam van het ding dat mij het eerst in het oog sprong. Ik merkte dat mensen van alles bij die naam gingen bedenken, als ik een somber gedicht plaatste kreeg ik reacties als: ‘een beetje Pokon voor Kamerplant’ en ‘dat je maar geen kasplantje mag worden’. Kamerplant bleek later goed aan te sluiten bij een terugkerend thema in mijn gedichten: de spanning tussen dode en levende dingen, tussen binnen en buiten. Ik wil nog eens een roman over een tuincentrum schrijven.

Anne BroeksmaJe veroverde al je plaats op het podium door het winnen van enkele poetry slams. Wat trekt je aan in die wedstrijden?

De eerste keer dat ik op een podium stond, was het vooral een prettige gewaarwording dat iedereen stil was en ik mocht praten. Optreden met gedichten vind ik iets bijzonders. Een muzikant kan zich vastklampen aan zijn melodie of instrument. Als dichter heb je alleen je woorden en als je geluk hebt: een microfoon. Dat jongeren deze vorm van podiumkunst ook weten te waarderen, blijkt wel uit de deelnemers en bezoekers bij Poëziecircusshows als U-slam en iPoetry. Een echte poetryslammer ben ik overigens niet. Het wedstrijdelement trekt me niet bijzonder en mijn gedichten zijn wellicht te ingetogen en te kort om een heel café mee te slepen. In het schrijfproces krijgt het papier ook meestal voorrang.

Samen met Alexis De Roode vorm je een koppel. In hoeverre stimuleren jullie elkaar tot schrijven? En in hoeverre beconcurreren jullie elkaar?
We leggen elkaar weleens wat voor, maar we bespreken vooral de poëzie van andere dichters. Dat is echt een gezamenlijke hobby. Mijn eigen gedichten leg ik liever voor aan mensen die verder van me af staan. Alexis is wel een bron van inspiratie voor mijn gedichten, hij is mijn muze en is aanwezig in regels als de man die geen tv heeft / en ’s ochtends naar zijn planten staart. En hij pakt er al gauw een viltje bij als ik begin te praten over mijn obsessie met bijzondere diersoorten. In mijn ogen zijn het op hol geslagen kinderfilosofietjes, maar hij maakt er wat moois van. Daar zijn veel readymades uit voortgekomen. Bij optredens merken we dat mensen juist naar die gedichten vragen, daarom willen we ze nog eens bundelen vergezeld van oude dierenprenten. Van concurrentie kan geen sprake zijn als ik zijn lijst met optredens en publicaties bekijk. Wat dat betreft kom ik nog maar net kijken.

Hoe sta je zelf tegenover je poëzie? Heb je al je stijl gevonden, denk je, of ben je nog zoekende?

Mijn poëtica is gevaarlijk terrein, die kan bijna dagelijks veranderen. Misschien is het beter te kijken naar terugkerende thematiek in de gedichten die ik tot nu toe geschreven heb. Een verwondering over de schijnbare vanzelfsprekendheid van de dingen bijvoorbeeld, of het verlangen naar een situatie zonder verantwoordelijkheid.
Ook heb ik de neiging het zwarte gat van de zinloosheid lieflijk te decoreren, maar dan wel met een versieringslaag die in paniek is aangebracht. Je kunt de beesten, de uitzichten, de kitscherige rituelen ervan af vegen als je zou willen, maar ik wil er juist mee laten zien dat die decoratie van grote waarde is, dat het interessant kan zijn om naïef te blijven.
Voorts wordt er in mijn gedichten veel geografisch en historisch gereisd. Daarbij maak ik soms gebruik van een soort sample-techniek, waarbij ik feiten en flarden uit bijvoorbeeld natuurkundige of geschiedenisboeken door mijn gedichten mix. Ik wil in een gedicht echter niets verklaren, alleen iets laten zien. Als het goed is, hoeft er dan geen uitleg bij. Maar zoals ik al zei, ik begeef me nu op gevaarlijk terrein. Je zult net zien dat dit in de gekozen gedichten niet naar voren komt. In mijn thematiek zie ik een duidelijk patroon, in de zoektocht naar een eigen stijl doe ik voorlopig een beroep op de ‘veelstijligheid’.

Je kunt de poëzie van Andrea Voigt en Esther Naomi Perquin wel waarderen, twee jonge Nederlandse vrouwen. Toeval, of heb je wel iets met de jongere (vrouwelijke) generatie schrijvers?

Daar zou ik graag Eva Cox aan toe willen voegen. Ik heb inderdaad wel iets met de jonge vrouwelijke generatie dichters, hoewel de stijlen van deze dichteressen nogal uiteen lopen. Andrea Voigt lees ik graag om de subtiele, zintuiglijke gedichten met woordcomposities die lang blijven hangen. Esther Naomi Perquin vind ik naast technisch knap ook erg geestig en Eva Cox kan als geen ander grimmig lyrisch de dierentuin, haar tv of een postbeambte bezingen. Ik zou niet weten of deze dichteressen iets gemeen hebben, in ieder geval liggen hun bundels altijd binnen handbereik naast mijn bed. Ik lees veel meer poëzie dan proza en verbaas me er soms over dat ik in grote boekhandels naar een tochtige uithoek word verwezen voor een klein, verlaten kastje met bundels. Dat is ook de reden dat ik dit jaar ga afstuderen op een onderzoek naar het functioneren van dichtbundels in het huidige literaire systeem, aan zowel de productie- als de receptiekant.

Nieuwe bundel 'Brak de Waterdrager' van Lies Van Gasse

 
Jaren geleden zette dichteres en beeldend kunstenares Lies Van Gasse haar eerste stapjes in de literaire wereld door nu eens een los gedicht, dan weer een los verhaal te publiceren op onder meer Meander. In 2005 was ze één van de tien finalisten in Meanders Jongerenwedstrijd. In 2006 verscheen een interview met haar in de rubriek Dichters. Daarin vertelde ze ons: ‘Het enige wat ik wil doen met mijn kunst of mijn poëzie is het volgende: mensen tot een soort van besef brengen. Dingen aan het licht brengen.’

Nu, nog ‘n vijftal jaren later is ze al aan haar derde boek toe. Brak de Waterdrager is een bundel in drie stromen. Van Gasse zet hierin persoonlijk verlies om in aangrijpende poëzie. Er wordt een strijd gestreden die zich vooral in de taal zelf afspeelt en die de verteller in dit poëtische drieluik tot een louteringsproces brengt. Het veld ligt braak, er is een nieuw begin. Van Lies Van Gasse verschenen eerder bij Uitgeverij Wereldbibliotheek de poëziebundel Hetzelfde gedicht steeds weer en het‘graphic poem’ Sylvia.

Om u warm te maken voor Brak de Waterdrager, brengt Meander drie gedichten in voorpublicatie.

Lees hier het interview naar aanleiding van de Jongerenwestrijd.
Lees hier het interview voor de rubriek Dichters.

Voorpublicatie 'Ik ben mogelijk' van Maud Vanhauwaert

 
Ruim een jaar geleden verscheen op Meander een interview met Maud Vanhauwaert (26).  In het interview maakte Maud gewag van een te verschijnen debuutbundel bij uitgeverij Querido. En het is nu zover: Ik ben mogelijk wordt op haar verjaardag, 15 januari, voorgesteld. De ‘circusshow’ zoals ze de voorstelling zelf noemt, vindt plaats om 20.30 uur in Theater De Tijd, Sint-Paulusstraat 23, 2000 Antwerpen. (Graag uw komst bevestigen via pers@wpg.be voor 10 januari 2011.)
Meander brengt drie gedichten in voorpublicatie.





Bekijk hier het filmpje dat bij het boek hoort:


Klik hier voor het interview van vorig jaar.