Recensie van Latere Overtuigingen & Inzichten - Mila Fertek

Een onbekende vrouw die onbekend blijft

Mila Fertek
Latere Overtuigingen & Inzichten
Uitgever: De Manke God
2017
ISBN 9789082585520
€ 10,00
40 blz.

In Latere Overtuigingen & Inzichten van Mila Fertek, een bundel van 27 gedichten, is het openingsgedicht ‘Zal’ een aankondiging en een belofte. Het gebruik van het hulpwerkwoord van de toekomende tijd, het niet poëtische woord ‘Zal’, is opmerkelijk. ‘Zal zij u eens verhalen van haar grote liefde’ en ‘Zal zij het u vertellen hoe ze was en droomde’, het zijn versregels uit dit drie-strofische gedicht die aankondigen wat de lezer kan verwachten. Hoe verbaasd ben ik dan ook dat in alle volgende gedichten geen zij-figuur verhaalt en vertelt, maar dat de zij-figuur zelf het onderwerp is in de gedichten. Dat kan, de dichter mag de lezer op het verkeerde been zetten. Maar wie is dan de dichtende, zo je wilt de vertellende instantie in deze gedichten? Wie is er aan het woord? Wie neemt mij als lezer mee, wie trekt mij de bundel in? In het tweede gedicht ‘Uurwerk’ denk ik dat de openingsstrofe het antwoord geeft op mijn vragen:

De klok die tikt
Heeft een oude man gezien die heel licht
En veerkrachtig scheen
Hoewel hij een oud krom mannetje leek

Zij stond over weitjes uit te kijken
Een fietser met jonge tanden ging voorbij
En riep iets
Naar een weelderige vrouw op een boot

Het gedicht presenteert aan de lezer ‘een oude man’, of nauwkeuriger: de tijd, in de vorm van een tikkende klok, heeft ‘een oude man’ gezien. Aan de buitenkant lijkt hij oud en krom, maar aan de binnenkant schijnt hij nog lichtheid en veerkracht te zitten. Is hij het perspectief van waaruit de zij-figuur gepresenteerd wordt? Is hij de dichter die op de achtergrond blijft en de zij-figuur tot leven brengt? Nee, in de tweede strofe wordt de zij-figuur geïntroduceerd als handelend personage en ze verdwijnt niet meer in deze rol uit de bundel.   

Latere Overtuigingen & Inzichten van Mila Fertek, een van de heteroniemen van Kees Engelhart, bevat prozaïsche gedichten die in parlandostijl geschreven zijn. In het algemeen wordt zijn poëzie in kritieken en interviews zo gekarakteriseerd. Dat is zeker waar, maar ik wil eraan toevoegen dat de gedichten ook registraties en interpretaties van de door hem waargenomen werkelijkheid zijn. De dichter registreert het handelen van de zij-figuur en geeft daar een persoonlijke betekenis aan. Het woord registreren zou goed in de titel passen. De gedichten zijn ogenschijnlijk eenvoudig en toegankelijk. Dat valt echter tegen wanneer je de gedichten wil interpreteren, op zoek gaat naar betekenissen. De dichter laat veel open, bijvoorbeeld door het gebruik van verwijzende woorden die hij niet invult en ik als lezer ook niet ingevuld krijg. Het gevoel dat daarbij ontstaat, bevalt me niet. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat de dichter mij impliciet zegt dat het mijn probleem is en niet het zijne. Het gebruik van het woord ‘iets’ in het tweede en derde gedicht is zo’n voorbeeld: ‘En riep iets’, ‘Achter iets dat voorbijging buitelden zwarte vogels’, ‘Zij had zich iets voorgenomen’ en ‘Of dat er iets anders gebeurde’. Is hier een dichter aan het woord die vooral voor zichzelf dicht en niet voor een lezerspubliek? Zo ja, dan is dat zijn goed recht, maar verstop niet alles in woorden zonder of met niet te achterhalen antecedent. Ik voel me teveel een dolende lezer, die uiteindelijk de weg – of míjn weg – in het labyrint niet vindt of terugvindt. Jammer is ook dat de bundel enkele slordigheden bevat, zoals op pagina 15 (‘Zij blijf er naar zoeken’). Waarom pagina 17 in de bundel ontbreekt, is mij niet duidelijk.

De bundel bevat twee interessante thema’s: het godsbeeld van de zij-figuur en de tijd, in de vorm van klokgedichten. Beide thema’s zijn in het gedicht ‘Klokgod’ met elkaar verbonden. De dichter vraagt zich niet alleen af of ‘Dat al hetgeen plaatsvindt / Niets dan toeval is’, zijn vraag gaat verder. De dichter stelt ook of het voor de zij-figuur ‘te verkroppen’ is daar ‘strikt gezien vanuit te moeten gaan’. Er is een ‘klokwerk’ aanwezig, tijd is een structurerend element dat tegen het toeval ingaat. De dichter vraagt zich in het gedicht af: ‘Waarom zou zij zo stellig moeten zijn / In haar afwijzing moeten zijn van haar godsbeeld’. Aan het eind van het gedicht lijkt de zij-figuur zich te conformeren aan ‘het godsbeeld / Dat jullie schetsen’. De zij-figuur stelt zich op tegenover ‘jullie’ – wie dat verder ook zijn – maar komt in de laatste versregel tot de conclusie: ‘Wij belijden hetzelfde geloof’. Als lezer blijf ik weer met vragen zitten als: welk geloof? Hoe ziet hun godsbeeld eruit? Eigenlijk is het gedicht ‘Stilte’ het enige gedicht dat mij bereikt, waarop ik vat krijg. Het gaat over de stilte en wat stilte met de zij-figuur doet en betekent. Dit gedicht gaat dus niet direct, maar indirect over de zij-figuur.

Na het lezen van de bundel vraag ik me oprecht af of ik als lezer de zij-figuur door middel van deze gedichten heb leren kennen? Nee dus, hoogstens voor een klein deel. Wie ben je, vrouw? Deze vraag blijft. Dat is op zich niet bezwaarlijk. Een dichter hoeft door middel van de poëzie zijn overtuigingen en inzichten niet prijs te geven. Antwoord krijgen op alle vragen maakt poëzie niet spannender, laat staan beter. De gedichten behouden in deze bundel hun mysterieuze karakter, maar het is ook jammer. Ik ontmoet graag bijzondere vrouwen, ook in of via de poëzie. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik na het lezen van de bundel niet nieuwsgierig ben geworden. Een drang om deze vrouw nader te leren kennen heb ik niet.

***
Mila Fertek (Alkmaar 1988) is een van de heteroniemen die de dichter Kees Engelhart gebruikt. Ze debuteerde met Het fijne leven dat mij wacht (2006). Engelhart publiceert ook onder de namen Fabian de Sackenay, Berty Snellens, Nol Krentsch, Maya Lensink, Engeltje Duin en onder zijn eigen naam. Zijn werk wordt uitgegeven bij zijn eigen Uitgeefhuis De Manke God. 

Recensie van de wereld onleesbaar - Jeroen van Kan

De dichter op een uitkijkpost

Jeroen van Kan
de wereld onleesbaar
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021402130
€ 16,99
72 blz.

Tot de uitgave van zijn dichtbundel de wereld onleesbaar heeft Jeroen van Kan zich bediend van het pseudoniem Westley Albstmeyer (Kaapstad, 1979), woonplaats Brussel. De dichter Westley Albstmeyer heeft zelfs – ook nu nog – een eigen facebookpagina. Nu geeft Jeroen van Kan zijn gedichten uit onder eigen naam, het is het einde van een maskerade. Een breuk met het verleden is deze bundel zeker niet, want een aantal gedichten verscheen eerder onder zijn pseudoniem in de tijdschriften Het Liegend Konijn en Dietsche Warande & Belfort. De nieuwe gedichten wijken qua inhoud of vorm niet af van de al gepubliceerde gedichten.    

Het openingsgedicht van de eerste afdeling ‘ik’ met de opvallende titel ‘einde’ gaat over het opmaken van een beginsituatie, het vaststellen van een nieuw perspectief om gedichten te schrijven. Het is een actuele stand van zaken, waarin de zintuigen van de dichter opnieuw in paraatheid worden gebracht en waarna hij aan het werk kan met de taal. De dichter noemt dit startpunt ‘een domein van niks’. In de letterlijke betekenis: een leeg gebied dat nog ontwikkeld moet worden, ‘waarin een betekenaar landschappen kerft’. De woorden in een gedicht zijn volgens hem gekerfde landschappen. Kerven als synoniem van graveren, beelden inkrassen. Inderdaad: kerven doet pijn. 

De gedichten van deze eerste afdeling kenmerken zich door een zoektocht naar grenzen, zoals in het tweede gedicht, waarin de dichter vaststelt ‘want ik ben een landschap / verkaveld / ingeperkt’. Wel vreest hij ‘grenzenangst die me het overschrijden belet en me / gevangenhoudt in nutteloos ontwijken’. Het is duidelijk dat de dichter in niets beperkt wil worden. Hij wil volledige vrijheid om te kunnen dichten, maar loopt voortdurend tegen grenzen aan die hij moet overschrijden of doorbreken. Op de flaptekst van de bundel wordt hij ‘een machteloze betekenisjager’ genoemd, die nergens houvast kan vinden. Dat weet hij zelf als geen ander, maar hij blijft onophoudelijk jacht maken op betekenisgeving van de wereld die voor hem onleesbaar is. Daarmee is de verbinding betekenaar-betekenis gemaakt. En de dichter als betekenisjager zien we terug in het derde gedicht ‘de jager’, waarin de dichter de jager die in hem zit van zich losmaakt en in de je-vorm toespreekt: ‘je tracht te ontkomen aan de jager die je zelf hebt / verwekt de jager die je opjaagt / met jouw woorden’. Het dichterschap is een levenstaak waar niet aan te ontkomen valt, maar je doet het wel zelf! Anders gezegd: ook al kun je als dichter niet anders, je bent wel verantwoordelijk voor alles wat je aan het papier toevertrouwt. Het opmaken van waar hij als dichter nu staat en hoe hij verder moet, zoals respectievelijk in de gedichten ‘waar ben ik’ en ‘voorwaarts’, leidt naar een reflecterend slotgedicht. Alles is nu in één omvattende hoe-vraag samengebracht: de grenzen, het kunnen (be)sturen, de zintuigen als waarnemingsinstrumenten, het andere zijn dat ook in de dichter aanwezig is en de uniciteit van de dichter zelf. Deze dichter staat op de uitkijk, hij staat ‘in het veld’:

uitkijkpost

hoe kan het
dat ik mij afbaken als lichaam
dat ik daar mijn grens bepaal
dat ik ik zeg tegen
dit dat ik bestuur
of denk te besturen en

dat wat ik niet bestuur als al het andere zie
dat ik niet ben maar wel zie voel hoor ruik proef

dat ik die uitkijkpost ben in het open veld
dat ander is en
dat nooit een ander
deze post
beklimmen zal

Dit gedicht is meer dan een samenvatting van het standpunt en de waarnemingswijze van de dichter. Het geeft mij als lezer betrouwbaar leesgereedschap in handen. Tot nu toe boeit de bundel me en daagt deze me uit. Mijn verwachtingen zijn hoog gespannen. Drie Scheveningen-gedichten, met ‘de pier / een uitkijkpost van dood hout’ vormen de brug naar de volgende afdeling ‘de wereld’. De dichter is er klaar voor, hij staat op zijn post en gaat de wereld te lijf: ‘ik lees een wereld / die niet weet wat / spreken is’.

De wereld is voor de dichter onleesbaar en eerlijk gezegd zijn enkele gedichten in de tweede afdeling dat voor mij als lezer ook, vooral in de zin dat ik ze niet goed kan plaatsen in het geheel van deze afdeling, zoals ‘het vuur’ en ‘littekens’. De heldere ontwikkelingslijn die in de eerste afdeling is ingezet en mij als lezer brengt naar de dichter op de uitkijkpost, wordt in deze twee afdeling losgelaten. Het kost me moeite een nieuwe lijn te vinden. Wel vallen me enkele aspecten op die herhaald terugkeren. In het tweede gedicht van de afdeling ‘ariadne’ is de dichter ambitieus met versregels als ‘ik zal je eens laten zien’ en ‘ik zal je rondom ogen geven…’. Net als Ariadne die Theseus hielp te ontsnappen uit het labyrint met een kluwen wol, probeert de dichter de weg te vinden uit het ‘web’. Dit ‘rondom’-motief of cirkel-idee vinden we op een aantal wijzen terug in de gedichten. Het geeft de dichter de mogelijkheid de wereld van alle kanten te bezien. De vuurtoren ‘draait lichtstrepen uit’ en heeft ‘rondom ogen’ en de dichter zelf loopt om de dingen heen. In het gedicht ‘dagelijkse omcirkeling’ eindigt hij na een aantal zaken die hij opgesomd heeft als een vorm van een ‘groot gemis’ met: ‘dat groot gemis lopen we dagelijks / omheen tot het keert’. In het gedicht ‘dode roofvogel’ plaatst hij het voortbewegen tegenover ‘een onbeweeglijk iets dat er is’ en ‘lopen we eromheen / als een kat rond een / roerloos vogellijkje’. In het fictieve requiemgedicht ‘hoop hulpmotor hart’ komt het woord ‘afgerond’ driemaal voor, daarna kan hij ‘puntgaaf afgerond beginnen aan uiteenvallen’.

In zijn pogingen door middel van poëzie vat te krijgen op de wereld die onleesbaar is, stuit hij op het probleem dat zijn handschrift onleesbaar is. Staat er in het gedicht ‘handschrift onleesbaar’ nu ‘grommend in slaap gevangen schaap’? Zo ja, wat is de betekenis ervan? Is er een schaap in slaap gevallen? Na ontcijfering vindt de dichter wat er echt staat: ‘nee grommend in schijngevangenschap’. Het valt ook niet mee de wereld te lezen als je eigen handschrift je in de steek laat. Ondertussen snelt de tijd voort: ‘als de wereld verjongt / en jij argeloos probeert toe te kijken /  tot stilstand gekomen / ineengedoken’. De tijd herhaalt zich ook, maar dat levert een schijnwereld op, ‘een illusie van leesbaarheid’. De dichter onderzoekt wat echt is en wat schijn in het gedicht ‘wat is en wat lijkt’. Uiteindelijk is zijn ambitie om te jagen op betekenissen om de wereld te kunnen lezen voor niets geweest. Het ‘lijk van de wereld’ ligt op tafel en je kijkt ‘naar dat lichaam als een beer / die een welp per ongeluk heeft doodgedrukt’ en van die tafel moet je de volgende dag ‘toch ook gewoon weer eten’.

In de derde afdeling ‘jij’ worden de gedichten persoonlijker, gaan ze over de ander, familieleden, vrienden en dierbaren. De gedichten in deze afdeling zijn toegankelijker dan in de vorige afdeling. Het jagen dat daar soms geforceerd overkwam, is verdwenen. In het gedicht ‘rivier’ ziet de dichter twee sleepboten langskomen: ‘ze komen leeg en vol voorbij aan het / bankje waar ik vaak zit sinds jij jezelf / het zwijgen oplegde’. De dichter heeft enige rust, maar geen berusting gevonden. Ook wanneer hij aan zijn vader denkt, blijft hij met vragen zitten. Het openhartige gedicht ‘vraagtekenvader’ opent aldus:

de dood was je laatste excuus
om er niet te zijn

voor mij
moet daar eigenlijk op volgen want
dat is wat ik bedoel

voor jou
dat is iets anders want voor wie je
ook verdween van jezelf kreeg je pas

verlof toen je stikte in de laatste slierten
rook die je doorgestoofde kamer zonder
adem maakten

Aan de ene kant zijn er in deze afdeling gedichten die herinneren aan overleden dierbaren, aan de andere kant is er ‘de nieuwe jij’, zoals de titel van een gedicht luidt, een nieuwe geliefde. Maar ‘de nieuwe jij-gedichten’ eindigen in scherven: ‘kijk ons daar staan / tussen onze voeten de vaas die jij / niet liet vallen en ik evenmin’. Jeroen van Kans de wereld onleesbaar bestaat uit drie delen, die elk een eigen karakter hebben, maar vrijwel niet onafhankelijk van elkaar te lezen zijn. Dichters uitkijkpost heeft hem veel poëzie ‘in het open veld’ opgeleverd. De wereld is leesbaar geworden, op een enkel gedicht na.

***
Jeroen van Kan (Hoorn 1968) is dichter, journalist en tv-presentator. Na het overlijden van Wim Brands in 2016 volgde hij hem op als presentator van het televisieprogramma Boeken. Van Kan maakte tot 2007 deel uit van de redactie van het tijdschrift De Tweede Ronde, later vanTirade. Tot de uitgave van zijn dichtbundel de wereld onleesbaar publiceerde Jeroen van Kan onder het pseudoniem Westley Albstmeyer.

Recensie van Verse helden - Gerry van der Linden

Winnen van de zwaartekracht

Gerry van der Linden
Verse helden
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046822579
€ 19,99
64 blz.

Verse helden van Gerry van der Linden is haar elfde dichtbundel. Op de flaptekst staat dat zij ‘de absurde wereld van nu en de schijnbaar onschuldige van vroeger’ ontrafelt. Het woord ‘schijnbaar’ gekoppeld aan de ‘onschuldige [wereld]  van vroeger’ intrigeert me, roept voor mij als lezer spanning op, zeker in relatie met de titel Verse helden. Wie zijn voor deze dichter de verse helden?   

Na een eerste lezing confronteert de derde afdeling ‘Wij, pendule’ me met de poëzie over enkele familieleden van de dichter; ze zijn te zien zijn op een 8mm-film. Op film kun je het heden vastleggen en dat later op elk gewenst ogenblik terughalen. Film laat de tijd ook als een voortgaande beweging zien. Manipulatie met de tijd is mogelijk: je kunt de film herhaald afdraaien en dat biedt mogelijkheden voor de dichteres. Het gedicht doet me denken aan het bekende ‘Oom Karel: een familiefilmpje’ van J. Bernlef, waarin een film versneld, vertraagd afgedraaid en zelfs teruggedraaid wordt. De helden in ‘Wij, pendule’ zijn de vader, de moeder, de zoon en de ik-figuur die in enkele gedichten optreedt. Omdat zij in de gedichten de personen zijn over wie wordt geschreven, worden zij de nieuwe, verse helden. Het verleden, die de dichter door middel van poëzie terughaalt en wil vasthouden, wordt een nieuwe werkelijkheid, zoals in het gedicht ‘In het diepe was de zee naakt’, waarin de ik-figuur de hand van de vader vast heeft: ‘zijn vingers / ik kon ze niet vinden / ze klemden mij vast’. Wat me opvalt in deze afdeling is het gebruik van het relativerende woord ‘nogal’ in enkele titels, zoals in ‘Nogal late brief aan mijn vader’ en ‘Twee nogal vliegende gedichten voor mijn zoon’. Na het lezen van de desbetreffende gedichten krijgt dit relativerende woord het effect van een verontschuldiging, alsof de dichter eerder deze herinneringen had moeten verbeelden. De afdeling sluit af met volgende ontroerende, titelloze gedicht over het verstrijken van de tijd, dat terug te zien is in de generaties. Het gedicht heeft alles in zich om een klassiek moedergedicht te worden:

Moeder, de tijd ligt brak
onder je huid.
Je ogen wijzen naar een einder
die bijna van jou is.

Je kinderen hebben grijze haren.
In hun lijf lopen jouw bloed, sporen
glimlach en vernieling, het gaat
niet als vanzelf.

Hun kinderen buigen licht, zoveel
lichter gaat vanzelf.
Ze bloeien als rozen in het zand

drinken als de regen voorbij is.
En ooit op het erf van vroeger
staan ze in jouw voren.

In de tweede afdeling van de bundel ‘Dansen in de zon’ wordt in het openingsgedicht duidelijk wie de dansers zijn: ‘o de doden zijn dansers / hun gebaren en stem stompen in de wind’. In deze afdeling staan twee titelloze gedichten die respectievelijk zijn opgedragen aan de dichters Wim Brands en Rogi Wieg. Het aan Rogi Wieg opgedragen gedicht eindigt aldus:

Poëzie is vallende ziekte, die wint
van zwaartekracht

waar je niet gaat, blijf
waar je niet blijft, ga

vederlicht, o ja

Deze minipoëtica voert naar een ander opvallend aspect van deze bundel: de paradox als toegepast stijlmiddel, waarmee in dit fragment gezegd wordt dat de dichtkunst krachtiger is dan de aardse zwaartekracht. En meer dan dat: de dichter moet blijven op de plaats, waar hij niet naar toegaat, en naar de plaats toegaan waar hij niet blijft of van plan is te blijven. Kortom, een dichter beweegt zich op andere wijze in de werkelijkheid dan de niet-dichtende mens. De dichter legt andere routes af en komt op plaatsen waar anderen niet komen, maar via het gedicht mag de lezer er kennis van nemen. Het gedicht is een routekaart, Van der Lindens poëzie is een andere realiteit, een verbeelde herinnering van vroeger, een moment uit het heden, ‘zoals / herschikken van adressenbestand / jij erin, jij eruit, levend, dood’. Wellicht ten overvloede, ik realiseer me dat dit fragment met zijn paradoxen op een aantal andere manieren te lezen is en dat leidt tot andere interpretaties.

De vierde afdeling ‘Een boterham eten met Brodsky’ gaat over het verblijf van deze Russische dichter op Poetry International in 1989. Hij had twee jaar daarvoor de Nobelprijs voor Literatuur gekregen. De poëtica van de vorige afdeling komt in concrete vorm terug in het slotgedicht ‘In het vliegtuig  naar Wenen, verbannen, 1972’. Uitgangspunt is het opgooien van een munt. In de eerste strofe lezen we: ‘Hij gooit een munt, slaat / die neer op de rug van zijn hand / belofte, zwaartekracht’. Weer die zwaartekracht, nu verbonden aan het toeval en het lot dat Joseph Brodsky te wachten staat. Wat heeft de toekomst voor hem in petto? In de slotstrofen krijgen de werkwoorden ‘uitvliegt’ en ‘openbarst’ een opmerkelijke betekenis.

Het is een dag als alle andere
dat hij zijn land uitvliegt

zijn koffer openbarst van vrijheid
de jassen zwaaien niet

hij gooit een munt
de lucht blijft leeg.

In de vijfde en laatste afdeling ‘Wat voortbeweegt’ koppelt de dichter het (voort)bewegen aan het aspect tijd. In een van de laatste gedichten wordt de ik-figuur losgemaakt van de dichter: ‘De dichter die op onverwachte tijden / bij mij inwoont / doet de boodschappen’. Dit gedicht eindigt met de persoon van de dichter die in een supermarkt rondloopt en bij ‘een zwart wimpermeisje’ afrekent, de ‘daklozenkrantenman’ ontloopt en de muzikant geen muntje kan geven, omdat ze de handen niet vrij heeft. Weer ‘in eigen huis’ gekomen propt ze de koelkast vol: aardser kan het niet. De dichter is weer thuis, maar wat is thuis? De dichter gaat na het boodschappen doen ogenblikkelijk aan het werk, ‘pakt de stofzuiger en begint’, want ‘overal ligt taal’. Juist ja, die betekenis heeft het woord ‘stofzuiger’ ook.

Vader, moeder, haar zoon en de dichter Joseph Brodsky zijn de verse helden. Helden van vroeger die ook nu nog vereerd worden, helden van nu die een verleden en nog een toekomst hebben. De bundel Verse helden geeft kriskras lezend zijn geheimen geleidelijk prijs: de grote die je het eerst ziet en herkent, daarna is het zoeken naar de kleine verborgenheden. Die zijn er volop, maar een aantal blijft in eerste instantie onzichtbaar. Ik blijf zoeken en lezen, geef het niet op, want deze ‘Verse helden vertellen verhalen / grote gebaren en kleine nuances’. Gerry van de Linden sluit de bundel af met het gedicht ‘Nogal leugenachtig lied van de dichter’, waarin ze zich in de slotstrofe afvraagt: ‘Wie zal treuren om de leugen / die ik ben als ik niet meer ben / maar in de aarde opgegaan’. Als je als dichter een waarachtige leugen bent, dan ben je nooit betreurenswaardig.

***
Gerry van der Linden publiceerde elf dichtbundels, een novelle en twee romans. Ze werd in 1975 ontdekt door Remco Campert en debuteerde met de dichtbundel De aantekening (1978). Ze ontving in 2007 de International Poetry Reward of Izmir (Turkije) en haar bundel Glazen jas werd in 2009 genomineerd voor de Brabantse Prijs der Letteren. Gerry van der Linden is docent aan de Schrijversvakschool te Amsterdam, daarnaast is ze beeldend kunstenaar.

 

Recensie van Verzen - Willem Kloos

De goddelijke klanken van het sonnet

Willem Kloos
Verzen
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043239
€ 19,95
159 blz.

Met het verschijnen van de biografie Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog! van Peter Janzen en Frans Oerlemans voorziet de uitgeverij van dit boek tevens in een editie van Kloos’ Verzen. De bundeling van Kloos’ gedichten is behoudens enkele aanpassingen analoog aan de eerste uitgave van de Verzen in 1894 van Versluys in Amsterdam. Deze uitgave is grofweg opgebouwd uit (1) een afdeling gedichten, hoofdzakelijk sonnetten en enkele sensitivistische liedjes over de dood, (2) een tweetal dramatische fragmenten en een episch fragment op rijm en (3) een afdeling gedichten, veelal scheldsonnetten. Een door de uitgever toegevoegde inhoudsopgave wordt in deze editie node gemist. Echter, het maakt deze bundel ook tot een uitdagend zoek- en bladerboek, waarin je je als lezer telkens laat verrassen. Zo bevat deze dichtbundel ook Duits- en Franstalige verzen en enkele ‘In memoriam’-sonnetten. Kloos’ Verzen heeft de opdracht ‘Aan de nagedachtenis van Anna Cornelia Amelse, mijn moeder’ meegekregen. 

Klankgod

Op de flaptekst van de bundel wordt Willem Kloos de ‘klankgod’ van het sonnet genoemd en daar is veel voor te zeggen. Zijn bundel Verzen is lang gezien als de bijbel van de Tachtigers. Van de gedichten van Willem Kloos restten enkel nog wat beginregels die de meeste lezers zich herinneren, zoals ‘Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten’ en ‘Ik ween om bloemen in den knop gebroken’. Maar er valt meer te genieten. Het vorm-en-inhoud-zijn-één-principe en het ‘l’art pour l’art’-idee van de Tachtigers zijn moeiteloos in de bundel terug te vinden. Een prachtig voorbeeld, waarin Kloos’ opvatting betreffende het schrijven van sonnetten zich manifesteert, is onderstaand gedicht. De kenners van het werk van Kloos zal het bekend voorkomen (VI, p. 7):

Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
    De witte bloesems in de scheemring – ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
    Een enkele, al te late vogel vliedt.

En ver, daar ginds, die zacht-gekleurde lucht
    Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
In teêrheid.., Rust – o, wonder-vreemd genucht!
    Want alles is bij dag zóó innig niet.

Alle geluid, dat nog van verre sprak,
    Verstierf – de wind, de wolken, alles gaat
        Al zachter en zachter – alles wordt zoo stil…

En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
    Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,
        Altijd maar luider, en niet rusten wil.   

Meer nog dan de gebeurtenissen die plaatsvinden, wordt in dit gedicht de sfeer van de avond weergegeven. Dit sonnet, dat vijfvoetige jambische versregels heeft, is ritmisch fraai opgebouwd. De vervagende beelden en het verdwijnende geluid hebben een vertragende werking die leidt van intense rust tot absolute stilte. In de laatste strofe, die geen beschrijving meer van de natuur is, wordt de ik-figuur zich bewust van het steeds luider kloppen van zijn hart. Dan treedt een versnelling van het ritme op. Kenmerkend voor de poëtica van de Beweging van Tachtig is het gebruik van klankherhalingen in de vorm van alliteraties en assonanties; deze maken het gedicht tot een mooi voorbeeld van stemmingskunst. In vrijwel alle gedichten van Kloos zijn deze vormaspecten terug te vinden, en dan altijd in samenhang met de inhoud.

De fragmenten

‘Rhodopis. Dramatisch fragment’ is een toneeltekst in vijfvoetige jamben zonder eindrijm, al in 1878 geschreven. De stijl die Kloos hanteert is geïnspireerd op het werk van Shelley en Keats, twee Engelse dichters die hij bewonderde. Onder de lijst van ‘Personen’ staat vermeld: ‘De handeling heeft plaats te Saïs. Tijd 658 v. Chr.’ Het fragment is een confrontatie tussen de oosterse, de Griekse en de westerse levensbeschouwing in één menselijke ziel, namelijk die van Rhodopis, een ‘hetaere’ ofwel een publieke vrouw. De levensbeschouwingen zijn terug te vinden in drie personages. Myrrha is de oosterse ziel, zij is de vriendin van Rhodopis en is bezeten door aardse schoonheid en door lichtzinnigheid. De Griekse Charaxes is legeraanvoerder en minnaar van Rhodopis, hij is een standvastige en evenwichtige figuur. In dit fragment treedt hijzelf nog niet op, maar wel zijn bode ‘Een Grieksch krijgsman’. Mylitta, zoogzuster van Rhodopis, wier leven beheerst wordt door levensmoeheid en vergankelijkheidsbesef, vertegenwoordigt het moderne leven. Over de betekenis van de drie personages in relatie tot Rhodopis in deze pantheïstische tekst is in de loop der jaren onder critici en onderzoekers veel te doen geweest.

‘Okeanos. Episch fragment’ volgt in drie zangen het verhaal van de slapende, beeldschone herdersjongen Ganymedes. Zeus laat hem elke avond door een arend roven om hem als wijnschenker op de Olympus aan het werk te zetten. In zijn dromen ervaart Ganymedes zijn status in deze omgeving als goddelijk. De fragmenten zijn in vijfvoetige jamben geschreven, de tekst is geïnspireerd door ‘Hyperion’ van John Keats. De taal van deze poëzie is rijk aan klank, het begrip woordmuziek is zeker niet misplaatst. ‘Sappho. Dramatisch fragment’, in alexandrijnen berijmd, behandelt het schoonheidsideaal, zoals dat in de lyrische poëzie van de Griekse dichteres Sappho tot uiting komt. De aardse wellust staat tegenover het verheven liefdesideaal, al dan niet in een homo-erotische context. De conclusie na het lezen van deze drie fragmenten is dat ze inhoudelijk gezien weinig toegankelijk voor de moderne lezer zijn. Wel valt net als bij de sonnetten en andere gedichten de rijkdom aan klank en ritme op.

De scheldsonnetten

De scheldsonnetten doen qua venijn niet onder voor de scheldkritieken van Lodewijk van Deyssel. Of ze de lezer van nu nog aanspreken is de vraag, want die is via de moderne media wel een en ander gewend. Kloos’ mede-Tachtigers moeten het bij hem ontgelden. Hij ziet Herman Gorter als ‘een ellendig knoeier’. Psychiater Van Eeden wordt met ‘Klein slechtaardje, dom doktertje, onbenoemlijk’ en ‘verkrachter van veel vrouwen-zielen’ ook niet gespaard. Verwey wordt weggezet als een gespierd dichtertje: ‘gij musculeus poëetken’, Couperus als een ‘zoet, zelf-vergenoeglijk kind’. Pieter Lodewijk Tak, die na Van der Goes enige tijd de financiën deed van De Nieuwe Gids, wordt spottend aangesproken met ‘gij vriendelijk gastje’. Toch is mijn conclusie dat de scheldsonnetten te vrijblijvend en te cabaretesk overkomen, Kloos’ dichterschap wordt hier teveel een kunstje. Zijn belangrijkste stijlmiddel om de spot te drijven is een overdadig gebruik van het verkleinwoord en deze simpele truc roept irritatie op. Kloos pakt anderen meedogenloos aan, maar laat intussen veel van zijn eigen frustrerende onmacht zien. De arts Aletrino, van Sefardische (Spaans-Portugees-Joodse) afkomst werkte veel in armoedige volkswijken en streed voor de erkenning van homoseksualiteit. In literaire kringen stelde hij zich als persoon bescheiden op, zijn werk heeft een zwaarmoedige toon. Hij bewonderde Willem Kloos, maar desondanks komt hij bij hem ook aan de beurt om beschimpt te worden. De eerste twee kwatrijnen (CLXIX, p. 141) klinken als volgt:

O Aletrinootje, gij valsch, Moors Vorsje,
     Dat ferm zit op ’t belachelijkste troontje
     Pas op, dáár gaat ‘t, uw waggelende kroontje
Valt van uw kopje, och kereltje, wat dorst je

IJdlijkjes je verheffen op één toontje
     Om schijnen wat gij niet zijt, ridderborstje
     Schijnbaar, daar gij niet zijt dan een hansworstje,
O fierlijk om u blikkend, gij gewoontje,

Soms is Kloos belerend, zoals in het sonnet over Jan Veth die dichter, schilder en hoogleraar kunstgeschiedenis was. Kloos geeft hem op hekelende wijze les in een van de principes van de beweging van Tachtig. De eerste strofe luidt (LXXXV, p. 44):

Inhoud en vorm, in kunst als in natuur,
     Zijn Eén. Je twijfelt? Ken je zelf toch, Vethje, –
De hand op ’t hart, – ben jij niet een secuur
     Broekje, o Jan Veth, ben jij geen binnen-vetje? 

Tot slot

In het ‘Nawoord’ geven Peter Janzen en Frans Oerlemans een overzicht van de kritieken die Verzen kreeg. Ook hebben de auteurs aandacht over de vermeende homoseksuele gevoelens van Kloos, dit in relatie tot zijn gedichten. Uiteraard komt de vraag aan de orde waarom Kloos in de scheldsonnetten ‘zijn oude vrienden en voormalige redacteuren zo meedogenloos en publiekelijk’ met de grond gelijk gemaakt heeft. De schuld moet gezocht worden bij hen die verantwoordelijk zijn voor de afbraak van De Nieuwe Gids. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: ‘Hij [Kloos. HM] was ervan overtuigd dat zij De Nieuwe Gids als een stel laffe burgermannen, als ‘verdorden’ hadden afgebroken; het monument dat Kloos om ‘Gods zuivere wil’ had opgericht.’ Het nawoord eindigt met een kort overzicht van de drukgeschiedenis van Verzen. Het boek bevat bovendien een lijst van ‘Geraadpleegde literatuur’ en een ‘Verantwoording’ van deze heruitgave. Het maakt deze deskundig verzorgde editie compleet.

Willem Kloos’ Verzen is geen dichtbundel om in één keer van begin tot het einde te lezen. Voor lezers die van sonnetten houden is de bundel ontegenzeglijk de moeite waard. Het is een boek om veelvuldig in te grasduinen. Je moet het thuis ergens in het zicht leggen, want dan pak je het geregeld om op zoek te gaan naar een bijzonder gedicht of een opmerkelijke versregel. De lezer die zich openstelt voor de poëzie van deze Tachtiger zal altijd iets fraais vinden, zeker in het eerste gedeelte. Tip: lees eens een sonnet hardop, dan ervaar je de muzikaliteit van zijn poëzie.

***
Willem Kloos (1859-1938) was dichter en een belangrijke voorman van de Beweging van Tachtig. Hij was een van de oprichters van het tijdschrift De Nieuwe Gids, waarin hij zijn gedichten publiceerde en zijn voornaamste literaire principes uiteenzette. In 1894 verscheen Verzen, een bundeling van zijn gedichten, waarvan de meeste in De Nieuwe Gids waren verschenen. Naast dichter was hij ook een vooraanstaand en scherp criticus.

 

Recensie van Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog! - Peter Janzen en Frans Oerlemans

‘O, ’t waar zoo schoon geweest, dat Lied van ’t Leven’

Peter Janzen en Frans Oerlemans
Willem Kloos [1859-1938]. O God, waarom schynt de zon nog!
Uitgever: Vantilt
2017
ISBN 9789460043222
€ 29,50
407 blz.

Vijf jaar na In dit gevreesd gemis (2012) van Bart Slijper verschijnt er weer een biografie van Willem Kloos, nu van de historicus Peter Janzen en de neerlandicus Frans Oerlemans. De ondertitel is een wanhoopskreet van Kloos in een brief (d.d. 20 oktober 1881) van hem aan Carel Vosmaer, waarin hij schrijft dat Jacques Perk zeer ziek is en waarin hij zich afvraagt of de dichter en zijn naaste familie dat wel beseffen: ‘Ik geloof echter dat de oudelui niet geheel weten, hoe erg het is, en hy zelf vermoedt er niets van. O God, waarom schynt de zon nog!’ (p. 63). De biografie opent met ‘Bij wijze van inleiding’. In kort bestek wordt Willem Kloos als psychiatrisch patiënt, alcoholist, armoedzaaier en ruziezoeker neergezet. De mistroostige foto van Kloos op de omslag, gemaakt door zijn financiële steun en toeverlaat Willem Witsen, bevestigt dit beeld. Ondanks deze problemen had Kloos vanaf 1885 een hoog aanzien in literaire kringen. Daar beschouwde men hem als een virtuoos dichter en een scherp criticus. Na deze korte inleiding is de toon van het boek gezet.

Structuur van het boek

De auteurs hebben deze biografie een heldere opbouw gegeven, wat de leesbaarheid bevordert. Daarbij bevat ze een schat aan authentiek fotomateriaal, dat hoofdzakelijk op de linker pagina’s is afgebeeld en deze pagina’s geheel vult. De foto’s ondersteunen de tekst en zijn met zorg geselecteerd. Het boek bevat niet alleen portretten van de dichter zelf, van familieleden en literaire vrienden, maar ook foto’s van locaties waar Kloos geweest is en van opmerkelijke documenten, zoals drukproeven, boekomslagen, brieven, schoolrapporten en kattenbelletjes. De korte hoofdstukken – elk hoofdstuk omvat een klein tijdvak van een of enkele jaren – zijn onderverdeeld in korte paragrafen met titels, die de kenner van het leven van Kloos direct kan plaatsen. Meestal is zo’n bovenschrift een naam van een persoon, een locatie of de titel van een gedicht. De lezer die voor het eerst kennismaakt met deze voorman van de Tachtigers, kan stapsgewijs de wereld van Kloos veroveren. De auteurs bouwen hun biografie zo zorgvuldig op dat voorkomen wordt dat de lezer naast allerlei feiten en wetenswaardigheden verstrikt raakt in Kloos’ wispelturige standpunten en opvattingen. In de leefwereld van Kloos werden vrienden gemakkelijk vijanden of anderen die hij bekritiseerde van het ene op het andere moment personen die hij bewonderde.

Natuurlijk is dit boek, dat op authentieke brieven, dagboeken en aantekeningen gebaseerd is, niet alleen een biografie van Kloos, maar omdat de auteurs aandacht hebben voor de literaire kringen waarin hij verkeerde, is het bovendien een kleine literatuurgeschiedenis van de Beweging van Tachtig. Met name de ontwikkeling van het tijdschrift De Nieuwe Gids en alle redactionele, literaire en financiële perikelen daaromheen krijgen een prominente plaats in het boek. 

Inhoudelijke aspecten

Beide biografen zijn voorzichtig met het koppelen van feiten uit het leven van Kloos aan de inhoud van de gedichten, zeker wanneer het gaat om Kloos’ wankele verliefdheden, zijn psychische en financiële problemen, zijn levensstijl en moeilijke karakter. Daarmee nemen ze afstand van te gemakkelijke interpretaties van Kloos’ poëzie vanuit zijn levensloop. In de loop van de vorige eeuw zijn heel wat van die dubieuze denkbeelden aan het papier toevertrouwd. Toch is deze biografie niet sturend, het boek biedt de lezer een open ruimte die daar in alle vrijheid mee aan de slag kan. Dat maakt het boek geschikt voor een breed publiek. Op rustige wijze, zonder het sensationele van de gebeurtenissen uit Kloos’ leven te accentueren, geven Janzen en Oerlemans de feiten aan de hand van bronteksten weer. Enkele voorbeelden. 

De ontmoeting van Kloos met Jacques Perk, hun reis naar de Ardennen en de hechte, maar kortdurende vriendschap die daaruit voortkomt, presenteren de auteurs aan de hand van reisbeschrijvingen en brieffragmenten. Het zijn met name de langere citaten die het boek een eigen sfeer geven. Je krijgt als lezer inzicht in de literaire wereld van de late negentiende eeuw, waar aan de ene kant tussen literatoren allerlei formele omgangsvormen gebezigd werden en aan de andere kant de kritiek van de schrijvers op elkaar niet mals was. De grens tussen het werk van een auteur en de persoon van de auteur zelf was soms flinterdun, maar bij Kloos leidde dat niet tot gewetensbezwaren om deze te overschrijden. Bijzonder blijft zijn schrijven aan Vosmaer na het condoleancebezoek aan de familie Perk d.d. 3 november 1881, waarin hij subtiel de uitgave van de gedichten van Perk naar zich toetrekt, hoewel de vriendschap met Perk verbroken was. Een fragment (p. 65):

Men spreekt erover zijn gedichten uit te geven. […] Die uitgave is altijd een van zijn pia vota geweest, die ik nu zoo gaarne als een laatste liefdesdienst, zou vervuld hebben. […] Hyzelf heeft zich over de zaak in het geheel niet geuit, maar ik weet, dat hij ze ’t liefste in mijn handen zou zien.

Uiteindelijk zijn er drie personen bij de uitgave betrokken. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: ‘De dominee [de vader van Jacques Perk. HM] meende dat hij de zaak in handen van Vosmaer had gegeven, Vosmaer wilde de uitgave samenstellen met de hulp van Kloos, maar Kloos wilde eigenlijk alles alleen doen.’ Het is een korte, maar rake typering van deze egocentrische karaktertrek van Kloos.

‘Het Boek van Kind en God. Een Passie-spel’ dat de kern vormt van 29 gedichten en dat onder andere de breuk tussen de vriendschap van Kloos met Verwey als onderwerp heeft, komt uitvoerig aan bod. Enkele sonnetten uit de reeks zijn volledig in de biografie opgenomen. Terecht, ze behoren tot de mooiste die hij geschreven heeft, zeker het openingsgedicht ‘Kind en God’ en het afsluitende, bekende sonnet ‘Van de Zee’, dat niet diepgaand geanalyseerd wordt. Integendeel, een interpreterende ontleding blijft achterwege, gelukkig maar: ze zou niet passen in deze biografie. Wel mag je als lezer meedeinen op de golven van de alexandrijnen (p. 167):

De Zee, de Zee klotst voort in eindelooze deining,
      De Zee, waarin mijn Ziel zich-zelf weerspiegeld ziet;
De Zee is als mijn Ziel in wezen en verschijning, 
      Zij is een levend schoon en kent zich-zelve niet.

De vriendschap tussen Kloos en Verwey ontaardt na de breuk in een manipulerende wraakoefening van Kloos. Dat roept bij mij vraag op of Kloos wel zuiver op de graat was. Aan de ene kant is de kwestie pikant, omdat de rijke en aantrekkelijke Kitty van Vloten, de geliefde van Albert Verwey, ook bemind werd door anderen uit literaire kringen, waaronder Willem Kloos zoals Van Deyssel in een brief aan Frans Erens beweert. Dat bevorderde de vriendschap tussen Kloos en Verwey niet. Aan de andere kant is de zaak geruchtmakend, omdat Kloos wil voorkomen dat Verwey het secretariaat van De Nieuwe Gids definitief overneemt – hij is er financieel afhankelijk van! – en daarom van zijn mederedacteuren eist dat ze zich uitspreken voor Verwey of voor hem. Het merendeel van de redactie kiest om uiteenlopende redenen voor Kloos. Ondertussen blijft deze doorgaan met de strijd tegen Verwey met als dieptepunt het volledig afbranden van de uitgave van zijn Verzamelde gedichten (1889) in De Nieuwe Gids. Volgens de auteurs heeft ongetwijfeld jaloezie een rol gespeeld bij Kloos’ meedogenloze kritiek op zijn vroegere protegé, omdat zijn eigen poëzie die tot dan toe in tijdschriften was verschenen nog steeds op bundeling wachtte. In 1889 verschenen er toch weer vier sonnetten van Verwey in De Nieuwe Gids, de kou leek uit de lucht, maar Verwey had de redactie van De Nieuwe Gids verlaten.  

De Nieuwe Gids heeft een bredere opzet dan alleen een literair tijdschrift. Er is bijvoorbeeld aandacht voor binnenlandse politieke ontwikkelingen. Frank van der Goes was betrokken bij socialistische beweging. Hij leverde geregeld politieke teksten voor het tijdschrift. Progressief-liberale standpunten als kiesrechtuitbreiding, de schoolstrijd en de grondwetsherziening waren actuele onderwerpen in de jaren 1885-1888. Het hoofdstuk ‘Politiek en literair rumoer 1890-1892’ laat zien dat deze biografie ook een tijdsbeeld geeft van de overgang van de negentiende naar de twintigste eeuw.

Het twaalfde hoofdstuk gaat over Kloos’ drankverslaving en de analyse van dr. Jelgersma, zijn voortdurende geldtekorten, zijn zelfmoordpoging, zijn opnames in het Wilhelmina gasthuis en later in een Utrechtse kliniek, waar hij elektrotherapie onderging. Tijdens zijn verblijf correspondeerde hij met auteur-arts-psychiater Frederik van Eeden, die hem bezocht en later in zijn huis in Bussum opnam. Het laatste gedeelte van de biografie gaat in zijn verliefdheid op de jonge Lucie Broedelet, zijn Haagse jaren (1898-1900) en de moeizame instandhouding van De Nieuwe Gids in de periode 1900-1938. Bij de ontvangst van een hoge Belgische onderscheiding, had hij blijkbaar de behoefte het beeld dat velen van hem hadden in zijn dankwoord bij te stellen (p. 330-331):

‘Mijn heele leven heb ik moeten hooren dat ik niet werk en dat ik altijd maar wat deed, in plaats van mijn best te doen. En toch staan de feiten zóó […]: ik heb meer geschreven, en zelfs meer boeken in het licht gezonden dan allen, die zoo spraken of schreven. Maar toch zei men vroeger maar aldoor dat ik luierde, en mijn genoegen op andere wijze zocht.’

Het zestiende en laatste hoofdstuk ‘God-op-aard’ geeft een overzicht met boeiende citaten van de blijken van waardering en de kritiek die Kloos aan het einde van zijn leven ontving. Zijn zeventigste verjaardag in 1929 staat daarin centraal. Met de paragraaf ‘De laatste dag van maart’ – 31 maart 1938 is zijn sterfdag – eindigt deze levensbeschrijving van Willem Kloos.

Tot slot

In het ‘Nawoord’ wijzen de auteurs erop dat men op grond van allerlei bronnen gemakkelijk verleid kan worden ‘tot smakelijke uitspraken over zijn exuberante gedrag’. Ze vermelden dat Kloos door zijn generatiegenoten gezien werd als ‘de grootste dichter van zijn tijd’. Dit ‘Nawoord’ is een fraaie samenvatting van zijn gecompliceerde persoonlijkheid en zijn stroeve omgang met vrienden en schrijvers. De auteurs benoemen zijn problematiek op moderne wijze: het ‘borderlinesyndroom’. In het tweede gedeelte van het ‘Nawoord’ gaan zij in op Kloos’ seksuele geaardheid, zijn moeizame relaties met zijn ‘verloofdes’ en zijn ‘vermeende ongelukkige jeugd’. Als lezer kun je ook goed eerst dit nawoord lezen en dan vooraan in het boek beginnen, het ‘Nawoord’ fungeert dan als leidraad. Willem Kloos [1859-1938] O God, waarom schynt de zon nog! is een rijke, geslaagde biografie van een dichter-criticus, die een bewogen leven leed, richting gaf aan de ontwikkeling van de letteren, een aantal prachtige gedichten schreef en uiteindelijk aan het eind van zijn leven alom gewaardeerd werd. Janzen en Oerlemans verwoorden het aldus: hij werd ‘als een ‘dichter des vaderlands’ avant la lettre op het schild gehesen en met ridderorders omhangen. Zijn status was legendarisch.’ (p. 344)

***
De auteurs Peter Janzen (historicus ) en Frans Oerlemans (neerlandicus) zijn in 2013 beiden bij Marita Mathijsen (UvA) gepromoveerd op het proefschrift De Amsterdamse jaren van Willem Kloos. Beiden hebben een deel van het leven en werk van Kloos onderzocht, Peter Janzen de jaren 1859-1888, Frans Oerlemans de periode 1888-1900. In de vorm van artikelen is veel van het onderzoeksmateriaal vanaf 1998 gepubliceerd in het tijdschrift De Parelduiker. Janzen en Frans Oerlemans schreven ook het nawoord bij de heruitgave van Kloos’ Verzen (Uitgeverij Vantilt 2017), die gelijktijdig met deze biografie verscheen.