Poëziefestival Het Tuinfeest 2017

Het Tuinfeest in Deventer is in 2017 toe aan zijn vierde lustrum. Op de avond voordat de straten van de binnenstad vol staan met de zes kilometer aan boekenkramen, dat was dit jaar op vijf augustus,  is er traditiegetrouw een poëziefestival in de Hanzestad. Op vijf podia wisselen de dichters elkaar ieder kwartier af. Bezoekers bewegen zich zo van de ene fraaie achtertuin naar de andere. Senioren hebben soms hun eigen uitklapstoeltje bij zich, anders wordt het wel erg lang staan. Er zijn drankschenkpunten en rond zessen is er een complete maaltijd te eten, zij het dat je dat vooraf wel moet bestellen. Tussendoor zijn er wat muzikale acts maar die komen echt op de tweede plaats, hoewel de belangstelling voor het miniconcert van Wende overweldigend is. De programmeur van het Tuinfeest is niet hard op zoek naar nieuw talent. Bart Chabot was er vorig jaar en ook dit jaar is hij weer drie tuinen verderop te horen. Bij de Dichter des Vaderlands Ester Naomi Perquin brengt de poëzie echt iets in beweging. In de tuin naast de Iordens Tuin valt een enorme tak op de kindertrampoline daaronder. Pieter Boskma is er, Levi Weemoedt eveneens en K. Michel. Er zijn dichters die het voordragen tot kunst hebben verheven zoals Tonnus Oosterhoff, Ellen Deckwitz en Nico Dijkshoorn, en er zijn de dichters die amper boven hun verlegenheid uitsteken zoals Frans Kuipers, Mark Boog en Hans Tentije. In de Athenaeumbibliotheek naast de tuinen zijn er interviews en gesprekken. Maar wie je ook wil horen of wat je ook wil doen, de sfeer op het Tuinfeest is zo perfect poëziegericht dat je je in een andere wereld waant. Als dan ook nog eens braaf alle donkere wolken blijven overwaaien, kun je spreken van een geweldige editie.

Özkan Akyol

Martijn Benders

Ellen Deckwitz

Frans Kuipers

Joke van Leeuwen

K Michel

Tonnus Oosterhoff

Pauline Sparreboom

Hans Tentije

Vrouwkje Tuinman

Jos Versteegen

Menno Wigman
Foto’s: Ernst Jan Peters
Recensie van Van woorden gemaakt. Gedichten geselecteerd en ingeleid door Anna Enquist - Gerrit Kouwenaar

Het warmen van kille constructies

Gerrit Kouwenaar
Van woorden gemaakt. Gedichten geselecteerd en ingeleid door Anna Enquist
Uitgever: Querido
2017
ISBN 9789021402314
€ 15,00
168 blz.

Gerrit Kouwenaar verdient het om niet vergeten te worden. Met die insteek maakte dichter Anna Enquist zich sterk voor twee publicaties die gelijktijdig in de boekhandel liggen. Gerrit verdient een biografie én een diepgaande letterkundige analyse van zijn poëtica, vindt Enquist. Voor de biografie deed zij een voorzet door een schets te schrijven over hun 22-jarige dichtersvriendschap in het Privédomeinboek Een tuin in de winterGerrits uitgever Querido heeft Enquist gevraagd om gelijk met dat boek een bloemlezing samen te stellen uit Kouwenaars omvangrijke werk. Dat beschouwde zij als een eer, maar ook als een lastige verantwoordelijkheid. Kouwenaar schreef bijna 750 gedichten en daarvan mochten er 100 in de bloemlezing terugkomen. Enquist vaart daarbij op het kompas van haar eigen persoonlijke voorkeur zonder hinder van de literatuurkritiek. De gedichten die zij koos dragen bij aan het beantwoorden van de vragen wie Gerrit Kouwenaar was en wat deze dichter dreef…

En dat levert een boeiend resultaat op omdat Enquist niet meedoet met het verstoppertje spelen van Kouwenaar. In de inleiding schrijft zij: ‘De mooiste, de sterkste gedichten zijn die waarin onder de karige, uitgebeende oppervlakte van zijn taal het vuur van het weggewerkte gevoel zindert.’ Enquist benoemt zeven thema’s en per thema koos zij rond de 15 gedichten. Die plaatste ze in volgorde van ontstaan zodat je per thema een soort ontwikkeling ontdekt waar dichter-constructivist Kouwenaar steeds meer dichter-mens Gerrit wordt. Het is de vraag of Kouwenaar dat zelf ooit zo zou hebben bedacht, maar Enquist doet zijn werk er een groot plezier mee. Zelfs voor de meest verstokte Kouwenaarliefhebber ontstaat er zo een geheel nieuwe blik op zijn werk. Elke herlezing levert nieuwe inzichten op en het is uiterst boeiend om vanuit het perspectief van een nauwe vriendin dat met een selectie van zijn hele oeuvre te doen.

En zo is Van woorden gemaakt een boeiend verslag van een dichter op zoek naar de intrinsieke lagen van een andere dichter. Uit Een tuin in de winter hebben we geleerd dat Enquist stiekem op zoek is naar de persoonlijke laag achter de gedichten en zo is de bloemlezing een voorzichtige kennismaking met de verstopte mens Kouwenaar. Door de thematische opbouw in zeven delen wordt het een opmaat naar een theaterbewerking over de besnorde Vijftiger: Kouwenaar, The Musical. Van mij mag het: alles om de poëzie levend te houden is geoorloofd…

De inleiding mag zeker niet worden overgeslagen. Enquist verantwoordt haar keuze en licht ze nader toe. Ook hoe zij is gekomen tot de verschillende thema’s: ‘Midden in deze bloemlezing heb ik een afdeling ‘VERBINDINGEN’ geplaatst. Gerrits werk geldt als hermetisch en afstandelijk, maar bij nauwkeurige lezing blijkt hoe belangrijk de nabijheid van de ander voor hem was, in vriendschap of liefde.’ De inleiding gebruikt zij om uitleg te geven over het verschil tussen de schrijvende persoon en de levende persoon en hoe die in de loop der tijd meer met elkaar verweven raken. En ze beschrijft de trukendoos van Kouwenaar om afstand te houden tussen de emotionele mens en diens poëtische uitingen. Omdat gedichten niet over gevoelens mogen gaan, wordt er hard gewerkt aan afstand creëren. Bijvoorbeeld door met de tijd te spelen, de emotionele beleving van het nu wordt verpakt in een historische gebeurtenis. En door het gebruik van ‘men’ waar ook ‘ik’ had kunnen staan. Wat ‘ik’ voel is te persoonlijk, wat ‘men’ meemaakt raakt sterker aan universele waarheden. Het warme bloed vloeit weg, het wassen beeld komt er voor in de plaats. Om de grote kosmetische abstracties niet al te ver weg te zetten van de mens, gebruikt Kouwenaar een eigen symbolische taal met elementen uit het leven dichtbij: de tuin, de tafel, de kamer, het vlees op het bord. Voor Enquist hebben die woorden vast meer diepte omdat zij concrete beelden heeft bij de tafel en de stoel en het uitzicht van Kouwenaar onder het schrijven.

Die symboliek vind je sterk terug in het eerste en het laatste gedicht waarbij de dag wordt gezien als het leven. Het eerste gedicht gaat over Kouwenaars geboorte en heet ‘de dag’. De eerste regel luidt: ‘Op de dag dat ik er was stonden de klokken zeven’. Dan de bloemlezing door tot het laatste gedicht met als titel ‘de ochtend’. Dit gedicht is een variant op een gedicht dat Kouwenaar maakte voor Het Liegend Konijn en waaraan hij is blijven schrijven als een afsluitend gedicht ter afscheid en dat ook als zodanig is opgenomen op de rouwkaart. De eerste regels luiden: ‘De ochtend dat het nooit meer avond wordt / talend naar stilstand was het nooit zo licht’.

Als we bezig zijn om poëzielezers te winnen waarom net niet wat meer achtergrondinformatie op de laatste bladzijden?  Zo drijven we de jonge lezertjes weer uit de boeken en naar Wikipedia. En voor de gevorderde lezers had de Verantwoording best wat uitgebreider gemogen met per gedicht aangegeven waar het gedicht voor het eerst is verschenen en vooral wanneer. Mocht er een tweede druk komen vanwege overweldigende belangstelling kan de uitgever het geheel hiermee vervolmaken. Want Van woorden gemaakt is een meesterlijke bloemlezing. Het voegt veel toe aan datgene wat je denkt te weten over Kouwenaar en zijn gedichten. Nieuw licht over een bestaand oeuvre waarbij de kille constructies warmer blijken te zijn dan bij eerdere lezing. Opdat wij niet vergeten!

***

Gerrit Kouwenaar (1923 – 2014) was naast vertaler en redacteur bij verschillende kunstredacties vooral dichter. Debuterend in 1953 vond hij aansluiting bij generatiegenoten die als ‘de Vijftigers’ zich hard maakten voor een grootse vernieuwing in de poëzie. Tijdens de oorlog werd hij gearresteerd vanwege zijn medewerking aan illegale tijdschriften. Na een half jaar werd hij vrijgelaten en dook hij onder. Die gebeurtenis heeft veel invloed gehad op zijn werk. Kouwenaar ontving talrijke onderscheidingen voor zijn werk, o.a. de P.C. Hooftprijs.

 

Recensie van Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar - Anna Enquist

Het gratis theater van de ontkenning

Anna Enquist
Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029514248
€ 19,99
168 blz.

Dan bouw je een heel oeuvre op met goeddoordachte taalconstructies die het zicht op je zielenleven afschermen en dan sluit je vriendschap met een specialist in psychoanalyse: dat wil zeggen iemand die heeft geleerd om het verhaal te zoeken tussen datgene wat níet wordt gezegd, datgene dat verstopt moet blijven omdat het pijn doet. Het overkwam dichter Gerrit Kouwenaar toen hij na een gezamenlijk optreden bij Poetry International in 1992 in gesprek raakte met Anna Enquist. Daaruit vloeide een warme en betrokken vriendschap tussen de twee dichters en hun gesprek stopte pas met het overlijden van Kouwenaar.

Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar is een uitgave in de Privédomeinreeks, de intelligente variant op de behoefte aan ‘human interest’ en roddel, waarin Anna Enquist met liefde en respect vertelt over haar oudere dichtersvriend. Respectvol maar ook in alle eerlijkheid. Want een gemakkelijk mens was Gerrit niet altijd, routes reed je zoals hij ze dicteerde, in zijn vriendschappen was hij beter in krijgen dan in geven, leningen werden al snel giften. Anna kende in die vriendschapsperiode haar eigen onbeschrijfelijke verdriet door het verlies van een dochter. Dat was iets waar Gerrit niet mee uit de voeten kon, maar ze bleef braaf terugkomen bij Gerrit die, zoveel jaar ouder dan zij, in de herfst en de winter van zijn leven belandde. Totdat hij overleed in 2014.

Alle trieste levenservaringen komen voorbij: het ziekbed van Kouwenaars echtgenote Paula en uiteindelijk haar overlijden, zijn eenzaamheid daarna, zijn aftakelen en tenslotte de laatste periode in het verpleeghuis. Elke fase krijgt een eigen deel in de winterse tuin, als scènes in een dramatisch toneelstuk. Maar de basis van de voortdurende vriendschap is de poëzie en het zijn juist de poëtische beschouwingen die het boek voor de poëzieliefhebbers zo waardevol maken. Zoals over hun gesprekken over het juiste gebruik van witregels en het nut van naslagwerk Het juiste woord. En er is de veelzeggende uitspraak van Kouwenaar over het ontbreken van bomen op IJsland. Bomen spelen een belangrijke rol in zijn werk omdat de boom tal van bruikbare metaforen aanreikt. Een wereld zonder bomen is een wereld die niet klopt. Kouwenaar kan niets met IJsland.

De poëzie ligt altijd op de loer bij hun contacten. Als het gaat over waardering van andere dichters is er de mijmering van Enquist over het ongekende fanatisme van de Vijftigers [p.118]:

Ik denk dat ik (..) niet besefte hoezeer de verbetenheid waarmee de Vijftigers de ‘oude’ literatuur afwezen met de net voorbije oorlog te maken had. Ze hadden allen als jongemannen de heftigheid van die tijd beleefd en moeten intens teleurgesteld zijn geweest dat alles na de bevrijding op de oude voet voortging, dat de hiërarchieën hersteld werden, dat het leek alsof er helemaal niets was gebeurd. Onverdraaglijk. Niet alleen de poëzie moest totaal veranderen en opnieuw worden uitgevonden, maar álles. Het verdringen en negeren van de gebeurtenissen , de concentratie op schoonheid, het vasthouden aan de verdufte en verzuilde maatschappelijke structuren – het was allemaal even verwerpelijk. Dan wordt het lezen en waarderen van Nijhoff, Vasalis of Gerhardt bijna een misdaad, een verraad. Dan duurt het tientallen jaren voor de opstandigen over de rivier heen willen kijken naar wat er eigenlijk groeit op die andere oever.

Een terugkerend thema in de biografische schets is de relatie tussen het werk van Kouwenaar en zijn gevoelsleven. Bij Kouwenaar mogen gedichten niet te veel emotie uitstralen en vooral geen troost bieden. Het gevoel achter de woorden moet afkoelen en stollen in de loop der tijd, universeler worden, minder het ‘ik’ en steeds meer het ‘men’. Enquist heeft daar zo haar gedachten bij:

[p. 18] Als Gerrit tijdens onze duopresentaties voorlas, luisterde ik met een oor dat naar betekenis zocht. Daarmee deed ik zijn werk vermoedelijk onrecht, maar ik kon niet anders, het is de manier waarop ik denk, werk, waarneem. De psychoanalyticus is een zoeker naar betekenis. Schijnbaar toevallige of triviale invallen vertellen een verhaal dat iets zegt over de bedenker, ook al ontkent die alles. Ik had het makkelijker met de latere gedichten, die altijd maar gingen over hoe alles ten einde liep, tot stilstand zou komen en sterven, binnen afzienbare tijd. Hij omhelsde het einde terwijl hij nog overeind stond.

[p. 26] Hij zag zichzelf als constructeur en taal was het materiaal waar hij ‘dingen’ van maakte. Ik wist daar nooit goed raad mee. Woorden zijn betekenisdragers, ze torsen associaties en connotaties met zich mee. Ze hebben met gevoelens te maken. Het idee van de constructie begreep ik wel en daarover spraken we ook graag, maar hoe hij over de bouwstenen dacht is mij nooit echt helder geworden.

En zo zijn er meer voorbeelden te citeren. Kouwenaar laat in zijn laatste bundels wat van de afstandelijkheid varen en dat bevestigt Enquist in haar vermoeden dat zijn gedichten wat minder hoefden te dienen als ‘gevoelsafweer’. Hij zal zich dat zelf ook bewust zijn geweest als hij taal zelf omschrijft als het ‘gratis theater van de ontkenning’ in het gedicht ‘maar nu de taal’ uit de bundel Vallende stilte. Is afweren en ontkennen de essentie van Kouwenaars dichterschap? Enquist: [p. 89] ‘(…) de kwaliteit van Gerrits latere werk heeft te maken met het symboliseren van herkenbare autobiografische gegevens. De witte kamer is de eeuwigheid, de boomgaard is de wereld.’

Een tuin in de winter is een boek dat je uitleest op een lome zomeravond. Het zorgt ervoor dat je zin krijgt om zowel gedichten van Kouwenaar als van Enquist te gaan lezen. Natuurlijk kun je tussen de regels lezen dat Anna haar vriend spaart door niet al te sappige details uit zijn leven prijs te geven. De relatie van Kouwenaar met zijn kinderen wordt voorzichtig aangestipt maar niet verder uitgewerkt. Die moeten maar terugkomen in de biografie waar Enquist op aanstuurt. Die zal zij zelf niet schrijven. Uit respect voor haar vriend, de Vijftiger die negentiger werd…

Gelijk met de herinneringen werkte Anna Enquist op verzoek van Kouwenaars uitgever Querido aan de bloemlezing met een selectie van zijn gedichten waardoor deze twee boeken elkaar versterken. Door Een tuin in de winter leren wij hoe zij kijkt naar Kouwenaar en zijn werk en dat helpt bij het doorgronden van haar keuzes. Maar daarover meer in de recensie van de bloemlezing Van woorden gemaakt.

***
Anna Enquist (19 juli 1945) studeerde piano en psychologie. Ze is musicus, dichter, schrijver en ook werkzaam als psychoanalyticus. Haar dichterschap begin met publicatie in Maatstaf in 1988, haar debuut Soldatenliederen verscheen in 1991 en werd meteen goed ontvangen door kritiek én publiek. Dat gold ook voor haar latere bundels en haar romans die in veel talen zijn verschenen. Gerrit Kouwenaar ontmoette zij in 1992 en daar groeide een vriendschap uit die in stand bleef tot aan diens overlijden in 2014.

 

Recensie van In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg (1962 - 2015) - Peter de Rijk (samenstelling)

Dag ogen, dag haar, dag hand om mee te schrijven

Peter de Rijk (samenstelling)
In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg (1962 - 2015)
Uitgever: In de Knipscheer
2017
ISBN 9789062659524
€ 16,50
154 blz.

Er zijn kunstenaars die meer betekenen voor hun vakbroeders dan voor het grote publiek. Zo’n dichter was Rogi Wieg. Geen verkoopcijfers als bij Vasalis of Vroman, wel een grote groep bewonderaars onder dichters. Een dichters dichter is Wieg, die, nomen est omen, soms het begin vormde voor het dichterschap van anderen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat de lang aangekondigde dood van Rogi Wieg menig vers teweeg heeft gebracht. Die gedichten zijn verzameld door Wiegs uitgeverij In de Knipscheer en gebundeld in de bloemlezing In de kring van menselijke warmte. Hommage aan Rogi Wieg (1962 – 2015). Op de 154 bladzijden staan 107 gedichten van 100 dichters, gesorteerd op de alfabetische volgorde van hun voornaam. En zo staan Maarten van den Elzen, Maarten Embrechts en Maarten Inghels gebroederlijk naast elkaar. De titel dankt de bundel aan het opgenomen gedicht van F. Starik waarin de uitvaartleider na het zakken van de kist het gezelschap aanmoedigt om dicht bij elkaar te gaan staan, ‘in de kring van menselijke warmte’. Een anekdote rond de ‘eenzame uitvaart’ van een man zonder familie of vrienden waar Rogi aanwezig was als ‘dichter van dienst’. De ‘ik’ heeft uitvaartleider en dichter beiden liefgehad. ‘En ze zijn allebei dood.’

Elk van de in de hommage opgenomen dichters heeft een eigen beeld op Rogi Wieg, op zijn leven, op zijn dood of op zijn werk. En het mag allemaal naast elkaar staan. Menno Wigman doet in het gedicht ‘Pijn’ een poging om ons als buitenstaanders duidelijk te maken welke heftige pijnen Rogi moet hebben gevoeld: ‘Half vijf. Hoe moet ik slapen op een mes? / Half vijf. Hoe kom ik uit dit lichaam weg?’ Daartegenover schrijft Walter Palm in het gedicht ‘Voor wie suïcide overweegt’ dat wie overweegt om te stoppen met het leven moet bedenken dat ‘ook jij weer kunt opbloeien / als deze tegenwind draait en je zeilen bollen’.

Ook van Joost Zwagerman is een gedicht opgenomen. Dat is er een uit de periode dat hij met zijn Godgedichten bezig was want Zwagermans gedicht gaat in op de relatie tussen God en ‘de nog-niet-dode’ dichter Rogi Wieg: ‘Worstelende intimi, die twee.’ Joost Zwagerman heeft zich sterk verzet tegen de doodswens van Rogi, maar heeft later zijn eigen geheime gevecht opgegeven. Die worsteling met God gaat achteraf misschien meer over Joost Zwagerman zelf dan over Rogi. ‘Vloek je de dood / dan zoek je de dood’ schrijft Hans van Pinxteren in zijn eerbetoon:

Bestaan blijft niets van je dan je gedachten

Ik heb je niet gekend, Rogi, en zelfs als vriend had ik niet 
gepoogd je van je zelfdood te weerhouden, want ik weet: 
de dood, daar is geen houden aan. Vloek je de dood 
dan zoek je de dood, en ieder gaat daarin zijn eigen weg.

Ik zie hoe deze dood zich uitwist, niet bestaat, hoe niets 
van je bestaan blijft dan je gedichten, deze poëzie. 
Omdat je dichtend je een plaats schiep waar te leven 
blijf je bestaan, Rogi, in dit dichten dat zo aangrijpend is.

Een heuse hommage, een eerbetoon aan een overleden dichter in de vorm van een bloemlezing, wie kan daar een kritische noot over kraken? Er is het respect voor de dichter, diens lijdensweg, diens sterke en breekbare oeuvre. Er is de goede intentie van iedere opgenomen dichter, elk met een eigen verhaal, een eigen beleving van Rogi of Rogi’s gedichten. In de ‘kring van menselijke warmte’ bij de teraardebestelling of crematie klaagt geen mens over de kwaliteit van de koffie of de geserveerde cake. En toch…

Ik had het ook sterk gevonden als er iets minder gedichten waren opgenomen en er daardoor wat meer ruimte was voor het duidelijk maken aan de niet-dichters, aan het grote lezerspubliek, waarom iedereen het werk van Rogi Wieg een kans moet geven. De inleiding van Franc Knipscheer, mede-oprichter van de uitgeverij, doet een poging maar het blijft erg ons-kent-ons. De bloemlezing geeft geen informatie over de relatie tussen de gebloemleesde dichters met Rogi waardoor goede vrienden, geliefden zelfs, naast vage kennissen of verre bewonderaars staan. Mooie gelijkheid, maar ook een gemiste kans. Een bescheiden biografie, een bescheiden opsomming van zijn werk, er is geen ruimte voor ingeruimd.

Wel eindigt de bundel met reclame voor een uitgave van Rogi’s werk bij dezelfde uitgever. Samensteller van deze bundel Peter de Rijk stelde in 2015 de bloemlezing samen, getiteld Even zuiver als de ongeschreven brief, met een selectie uit het gepubliceerde werk van Rogi Wieg. Reclame met citaten over de bloemlezing in de media. Hé daar tref ik mijn eigen naam aan, een citaat uit mijn Rijmrijkblog waar ik de lezers overtuig om Rogi Wieg te lezen. Dat werk verdient het namelijk. Hoe goed bedoeld ook de leer-mij-Rogi-de-mens-kennen-gedichten, de basis is de poëzie. Volgens Judith Flier, een ex-geliefde die ook al eens een bloemlezing heeft samengesteld, was het ene uur dat Rogi aan het dichten was, ook het ene uur op een dag dat hij leefde, bijna pijnloos, even los uit dat lastige, ondraaglijke, leven. De sleutel van de dichter die zichzelf beschrijft als ogen, haar en een hand om mee te schrijven is diens dichtwerk, dat mooi ongrijpbare dichtwerk. Dichter en dichtinstructeur Yke Schotanus verwoordt zijn relatie met Wiegs werk in ‘Wolk’, het laatste gedicht van de bundel.

Wolk

Ik wist niet waar ik was 
in die vage gedichten van je 
die vage droomwerelden waar 
mannen, meisjes en moeders zonder contour 
verschenen en vooral verdwenen

Ik hoorde het ritme niet van je stem 
ik wist toen nog niet dat ik verkeerd las 
dat ik in mijn hoofd een dichterlijk, dromerig, timbre op- 
zette 
traag ook, terwijl jouw taal kaal moet, de klank kort 
omdat je geen droomwerelden schept 
maar mededelingen doet 
over een werkelijkheid

Ik wist ook niet waar jij was 
in die pagepose, dat zwelgen in zwart 
jij voelde de aarde trekken 
ik wou los van de zwaartekracht 
het maakte je hermetischer 
voor mij dan de poëzie 
waar ook ik mij van wilde bevrijden

Jaloers dat het jou lukte 
zag ik niet dat je ook schreef 
over de schoonheid 
van wiskundige vergelijkingen 
in een denkbeeldig veelvlak 
of dat je jezelf als een wolk 
onder een brug door zag drijven

Pas nu jij weg bent, jouw hermetische duister 
is ondergegaan als een zwarte zon 
zwagermanlicht

Hoor ik het ritme in je woordflarden 
doemen er beelden uit op 
hoor ik Coltranes jam met medische instrumenten 
huiver ik van de Yellow River man

En weet ik dat ik rivieren passerend 
voortaan even naar beneden zal kijken 
wolken zoekend, drijvend 
stroomopwaarts onder de bruggen door. 

***
Rogi Wieg werd geboren in 1962 als zoon van Hongaarse vluchtelingen. Hij was actief in de populaire muziek en begon in de jaren tachtig met het publiceren van gedichten. Wieg werkte als redacteur voor Tirade en Maatstaf en was tussen 1986 en 1999 poëziecriticus bij Het Parool. In 1999 begon Wieg met schilderen en tekenen. Rogi’s leven werd getekend door ernstige depressies. Hij werd regelmatig opgenomen in psychiatrische ziekenhuizen, onderging  elektroshocktherapie  en deed meerdere pogingen tot  zelfmoord . Hij overleed in juli 2015 op 52-jarige leeftijd nadat hij toestemming had gekregen voor euthanasie  wegens ondraaglijk psychisch en lichamelijk lijden.

Recensie van Toen het moest - Micha Hamel

Kansloos tegen het absurdisme

Micha Hamel
Toen het moest
Uitgever: Uitgeverij Augustus - Atlas Contact
2017
ISBN 9789025451073
€ 21,99
94 blz.

Wat is dat toch voor een gekke trend, geachte mijnheer Hamel, dat veelbelovende dichters die steeds meer die belofte waarmaken al na vier bundels aankondigen dat het is afgelopen met het dichten? Ik lees dat voornemen achterop uw bundel Toen het moest. Een titel die suggereert dat u onder druk bent gezet. U wilde niet, u had de plicht, er is hier sprake van een ‘motje’. Waarom? Misschien vanwege de genoemde beurs van het Nederlandse Letterenfonds, misschien vanwege contractuele verplichtingen met uw uitgever? Een uitgever die ook nog eens pesterig ‘poëzie’ heeft gezet op de voorkant. Pal onder de titel, terwijl de tekst op de achterzijde nog wat twijfel wil zaaien of hier wel sprake is van een dichtbundel. Muzikanten als Prince en George Michael gingen jarenlang gebukt onder de macht die hun platenmaatschappijen uitoefenden. U bent meer van de niet-zo populaire muziek maar u weet vast hoe het met die heren is afgelopen vrij onlangs. Ik maak mij zorgen om u, mijnheer Hamel.

Toen het moest is ook een beetje een titel waarin u zegt: vooruit dan maar, kijken wat er nog ligt onder het bureau of in de krochten van de harde schijf. Beetje husselen, nietje erdoor en dan ligt hij er. U moet toegeven, er komt nogal wat verschillends voorbij in de bundel: teksten die hoorden bij een speciale museumpresentatie met virtuele brillen, odes aan oude vriendinnen, odes aan vriendinnen die 50 jaar worden naast hele persoonlijke gedichten over de liefde en het vaderschap. Dit lijkt een ‘alle dertien even Hamel’-compilatie.

Het is jammer dat u niet langer als dichter door het leven wil, want u maakt verrassende verzen. U kent natuurlijk zelf al uw gedichten al, maar ik citeer toch even.

TRANSPORT

Een auto kun je het best vervoeren 
door erin te gaan zitten, de motor te starten 
en van A naar B te rijden.

            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje 
            dropje

Alternatieve methode:

om het even welke personenauto kun je op een 
vrachtwagen-met-dubbele-oprijwagen-laden en 
hem niet vergeten goed vast te zetten. Zie foto.

Dit spaart chauffeurs uit, maarrrr… 
personenauto’s zijn er toch juist voor om mensen                              te vervoeren? 
Waarom zou je negen auto’s gebruiken om één chauffeur                te vervoeren?

Dat is toch inefficiënt? 
Dat is toch inefficiënt!

Wie is de belangrijkste persoon in mijn leven? 
Ik ben het zelf, want zonder mezelf heb ik geen leven.

ZONDER MEZELF HEB IK GEEN LEVEN.

Het zit er allemaal in: een bijzondere vorm om mij als lezer te vermaken, absurde wendingen, verwijzingen naar taalvormen van buiten de poëzie (.., zie foto) en het vrolijke zelfonderzoek dat altijd op de loer ligt. U zet de typografie (op deze website niet helemaal goed weergegeven)  in om te accentueren maar maakt nauwelijks gebruik van de muzikale middelen die u als dichter ter beschikking staan zoals rijm en metrum. Dat is opvallend als ik lees dat uw ‘andere baan’ componist is. Gaat het hier om het streng scheiden van twee disciplines of gebruikt u juist graag het eigene van de taal, zonder de ballast van klank en ritme?

En tussen die vrolijke ballades vol absurdisme lees ik een gedicht waarmee u mikt op de erebetrekking als Dichter des Vaderlands. Het beeld van het aangespoelde kinderlijkje op een strand aan de Middellandse Zee staat in ons geheugen gegrift. Het Syrische kindje dat met het gezicht naar het zand gericht de onmacht symboliseert, blijkt een naam te hebben, Aylan Kurdi, en voor hem is het gedicht ‘Oversteek’.

OVERSTEEK 

Wie ben jij en wat lig je daar raar

Ben jij de bode in ons toneelstuk, de 
eenling die van gruwelen vertellen moet

Ben jij een aangewezen gebieder, die onze 
realpolitiek van afstand komt herschikken

Ben je misschien een ‘gevalletje van zuiver 
toeval’, een kindgod, een activistisch beeldend

kunstwerk van siliconen en polyurethaan? 
Wie ben je? Ie è û (Echoën minuten stilte)

Dat je geen teken geeft maar een teken bent 
is iets waar geen dorre ouder iets mee kan

En dat jouw oversteek zijn eigen metafoor werd 
vinden enkel hermeneuten interessant

De gang van abstract naar concreet heb je 
ongewild ontgoochelend schitterend volbracht.

Wie ben jij en wat lig je raar en waar 
zijn je emmertje en je schepje

Geachte mijnheer Hamel, u bent een begenadigd dichter en dan is het natuurlijk absurd om te gaan melden dat u daarmee ophoudt. Stop liever met die onzinnige aankondigingen. U las een boek en dacht dat kan een robot beter schrijft u in het gedicht ‘Lees mij’. U suggereert dat dat gedicht is geschreven door een robot, maar wij trappen daar niet in. Sommige boeken worden wellicht beter geschreven door robots maar die overtreft u dan weer door iets toe te voegen dat in geen algoritme is te programmeren: het onwezenlijke, het onverwachte, het ongerijmde.

Heeft uw aankondiging te maken met eventuele weerstand tegen uw poëtische werk? U kunt slecht tegen kritiek. Dat verzin ik niet, dat zijn uw eigen woorden in een Facebookpost van 25 maart 2017: “Ik kan slecht tegen kritiek. Beter gezegd: ik kan niet tegen kritiek. Ik vind kritiek krijgen storend, vervelend en irritant. Mijn vrouw zegt het ook: ‘Jij kan niet tegen kritiek.'” 
Als uw liefhebbende echtgenoot het beaamt, dan moet het wel zo zijn. Lees dan geen recensies of dit soort open brieven, want die verzieken uw humeur. Maar laat ik ter verdediging opmerken dat mijn kritiek zich concentreert op de tekst op de achterflap en een beetje op de titel van uw bundel. Toen het moest is als een bundel nagelaten gedichten een verzameling van divers materiaal met weinig onderlinge samenhang. Daar zitten meesterwerken tussen die het bestaan van de bundel in hun eentje rechtvaardigen, naast vormexperimenten, gezellige observaties en onderzoeken naar de expressiemogelijkheden van de taal. Daar moeten er nog heel wat bij, wil er sprake zijn van een echt dichterlijke nalatenschap.

Waarom stoppen, de poëzie kan toch altijd een duwtje gebruiken? U publiceert bij een fatsoenlijke uitgeverij, u scoort hoog in de Pfeijfferindex (vijf gedichten!) en de wereld wordt er niet minder absurd op. U heeft vast nog veel meer vrienden en vriendinnen die een kroonjaar vieren. Als iedereen 50 is geworden, gaat u verder met de vriendinnen van 60 jaar. Of u maakt weer een bundel waarin de gedichten als een compositie in samenhang meer vertellen dan ieder voor zich. Waarom? Hoe luidt die reclamekreet ook alweer: niet omdat het moet, maar omdat het kan! Mijnheer Hamel, deze lezer rekent op u!

***
Micha Hamel (1970) is naast dichter ook componist-dirigent. Hij componeerde orkestwerken, liederen, kamermuziek en muziek voor dans en theater. In 2008 toerde zijn operette Snow White door het land. In juni 2012 was hij ‘componist in focus’ op het Holland Festival. Met Alle enen opgeteld debuteerde Micha Hamel in 2004 als dichter. Deze bundel werd bekroond met de Lucy B. & C.W. van der Hoogtprijs en in twee keer herdrukt. In 2006 verscheen de dichtbundel Luchtwortels, in 2010 Nu je het vraagt, en in 2013 Bewegend doel