Poëzie Kort 2017 / 6

 

Jan M. Meier, Engelenspoor

(Door Lennert Ras)

Engelenspoor leest als een liedtekst en is uitermate zangerig. Komt dat omdat het jambisch geschreven is? Maar dat is niet zo. Er is gemis. Gemis van een zoon. Alhoewel de engel ergens ook vrouwelijke vormen krijgt. De bundel begint zacht mijmerend. Zeer poëtisch. Het verdriet over de heengegane. Dan krijgt de dood hardere vormen. Een geraamte. Stinkend rottend vlees. Karkas. Zelfs het woord dood, toch een zeer groot woord, dat eigenlijk niet in poëzie thuis hoort, wordt verschillende keren gebruikt, zonder dat het storend is. Er is een gang tussen bed en bank, een zwijgen, groot lijden, en een alsmaar sigaretten roken, wat doet denken aan het leven van een psychiatrisch patiënt. Maar dat wordt nergens benoemd. De slotafdeling ‘Engelenspoor’, die voor de titel zorg droeg, is een kakofonie van engelen. Bolle wangen van cherubijntjes, reuzenbaby’s. Er is zelfs sprake van een bouwpakket-engel. Hetgeen een dissonant is, maar ook weer een prachtige vondst. De dood is de spil en het grote thema. De bundel eindigt met: ‘de winter komt altijd / te zacht en te laat.’ Zo is het timbre en ritme van de bundel. Zacht. Een megazwaar onderwerp. Dood, verlies. Maar o zo zacht neergeschreven. Waarom te laat? Had de achtergeblevene minder lijden gewenst voor de geliefde dode .. een eerdere dood gewild? ‘De laatste adem ingebed / tussen zang en zucht’. Dat typeert de hele bundel. Zang en zucht. Van een zeer bekorende schoonheid. De schoonheid van het verlies en de grillige dood van ‘een engel zo / waar.’  ‘inleverdatum onbekend / draag ik de dood in / een doosje in mijn hoofd / tot het tijd wordt om / in de doos te verdwijnen.’

(contrapunt) onthande handleiding

dingen bedwingen
de duivel temmen
engelen ontstoffelijken
de slager slachten

dat alles en meer gevat
in het vlak van een rechthoek
het podium van een tafel
een hakblok van lieflijk lijden

de haak als wrede kapstok
uithangbord
van karkas tot worst
lichaam tot lijk

vorstelijk verpakt in kaalheid

***
Jan M. Meier (2017). Engelenspoor. Uitgeverij P, 72 blz. € 17,00

 

Jack Weijkamp & Lucy Legeland, Nieuwkijken   

(Door Hans Puper)

Het aantal stads-, dorps- en streekdichters is zo langzamerhand niet meer te tellen. De Achterhoek heeft ook een: ‘De dichter des Achterhoeks’, een functie die in 2013 het leven geroepen is door de regioredactie van het dagblad De Gelderlander. Helaas staat de dichter met die oubollige titel meteen op achterstand. ‘Des Achterhoeks’: het klinkt niet. ‘Dichter des vaderlands’ wel, omdat het een allusie is op ‘Vader des vaderlands’, de eretitel van Willem van Oranje. Maar stel dat je zou zeggen: ‘Dichter des Nederlands’. Dat is grammaticaal correct, net als ‘des Achterhoeks’, maar serieus kun je zulke nieuwbakken archaïsmen niet nemen – ik niet, in ieder geval. Waarom niet gewoon ‘Dichter van de Achterhoek’?  Dat past ook beter bij de manier waarop veel Achterhoekers zich profileren: ‘Doe normaal’.

Het huidige Achterhoekse dichterschap is tweekoppig: Jack Weijkamp en Lucy Legeland. Een weerslag van hun werk vinden we in de bundel Nieuwkijken. Gelukkig schrijven zij geen gelegenheidsgedichten over jubilea van fanfares, de honderdste verjaardag van oma Klein Heuvelink of de fluisterbootjes in Zutphen. ‘Hoezo geruzie in gemeenteraden of verbreding van de Twenteroute?’ schrijft Gerco Mons van De Gelderlander. ‘Niet interessant, laten we het over het leven hebben.’ Hij werd niet teleurgesteld: ‘Een gang door dit boekje vol kunstwerkjes is […] een feest der herkenning geworden.’ De robuuste derde strofe uit ‘Afspraak is afspraak’ gaat over een oud, maar nog springlevend Achterhoeks gebruik:

niets deed vermoeden
dat vandaag
donderdag 13 december
exact om 13.00 uur
ik aanbel
zwijgzaam meeloop
naar de waskamer
om jou daar
resoluut achterlangs
lief te hebben
met jouw neus
zoals afgesproken
in de schone was

Bij dat leven horen ook wandelingen, herinneringen, het ophalen van historische gebeurtenissen en bezorgdheid over de leegloop van de Achterhoek, met als voor de hand liggende remedie de liefde: ‘kruip in bed / om de krimp te weren’. Of dat helpt is de vraag. In de derde strofe van het liefdevolle ‘In memoriam Wim Brands’ schrijven zij: ‘jij begreep het Oosten / daarom ben je er weggegaan / omdat je van haar hield / keerde je er vaak terug.’ Wim Brands kwam overigens uit Brummen en dat ligt aan de verkeerde kant van de IJssel. Geeft niet, de dichters zijn ruimhartig: zij rekenen ook De Liemers tot de Achterhoek.

***
Jack Weijkamp en Lucy Legeland (2017). Nieuwkijken. Uitgeverij Fagus, 63 blz. € 12,50

 

Lianne Maring, Op de rand van mijn gedachten      

(Door Hans Puper)

Op de rand van mijn gedachten is het debuut van Lianne Maring (1996). Ze lijkt nog zoekende te zijn naar de vorm: ze experimenteert met herhalingen, parallellieën, rijm en, opmerkelijk, de taal: een derde van de gedichten schreef ze in het Engels. Het sterkst vind ik haar in spreektaal, die ze als stijlmiddel gebruikt: ‘Hij dacht misschien dat hij het was vergeten / hoe het was, of nee: hoe het voelde / of nee: hoe het moest.’ Het woordje ‘het’ in de eerste regel versterkt de indruk van spreektaal (in schrijftaal zou je het waarschijnlijk weglaten, omdat het overbodig is) en datzelfde geldt voor de zelfcorrecties, ingeleid door ‘of nee’. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat het om gestileerde spreektaal gaat. In ‘Naar huis’, dat in mijn ogen het beste gedicht van de bundel is, zie je dat heel goed. Met dit middel bereikt Lianne Maring een maximaal effect.

Heb je het een beetje kunnen verliezen, de weg
bedoel ik,
dat is nog een hele uitdaging, is het niet
De weg vinden, dat is niet zo moeilijk, je klampt
als een anemoon
een voorbijganger aan
en zegt: pardon, excuus, ik ben de weg verloren
en ze wijzen je met vriendelijke vingers tot je hem
weer vindt

Maar de weg verliezen. Dat is me toch wat.
De weg zo hartgrondig, hartstochtelijk verliezen
alsof je met je ogen dicht hebt gelopen, en dan nog
ergens staan en zeggen: mooi. Ik ben ‘m kwijt.
Daar zijn we vanaf.
Alle wegen leiden immers naar huis, juist
als je daar niet wilt zijn.

Door de luchtige conversatietoon komen de laatste twee regels onverwacht hard aan.

Het merendeel van de gedichten gaat over voorbije of onbereikbare liefdes; bestaande relaties verlopen moeizaam. Niet alle gedichten zijn even goed gelukt; soms ligt de Weltschmerz er wel erg dik bovenop en is de vorm weinig aantrekkelijk. Dat geldt niet voor het Engelse gedicht ‘Old Flame’, alleen al door de humoristische titel, de licht ironische toon en de schijnbaar laconieke wending na de eerste strofe:

The sky’s on fire and it does nothing for me, dear
Not when you’re so far away from here,
from me, and I miss you so desperately,
wondering who got your new years kiss; it
should’ve been me,
but then again, why should we-

-nevermind. There’s colours falling down as I’m
drowning in champagne
and required happiness and dreams, it rains,

It rains and rains in sparks and rainbows and in pain.

Ik hoop meer van Lianne Maring te lezen.

***
Lianne Maring (2017). Op de rand van mijn gedachten. Eigenzinnig, 40 blz. € 14,99

Recensie van Alle gedichten - Hans Verhagen

Nevengeschikte tegendelen. De kern van Verhagens poëzie

Hans Verhagen
Alle gedichten
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
2017
ISBN 9789038801827
€ 45,00
752 blz.

In juli verschenen Alle gedichten van Hans Verhagen. De bundel bevat meer dan 700 pagina’s en lang niet alle gedichten geven zich snel prijs, ze hebben veel tijd van de lezer nodig. Hoe doe je Verhagen recht? Ik zou een literair-historisch overzicht kunnen geven: zijn betrokkenheid bij Gard Sivik en De Nieuwe Stijl  in de eerste helft van de jaren zestig, samen met Armando, Hans Sleutelaar en Cor Vaandrager; de herleving van de Romantiek in de tweede helft van de jaren zestig en zijn rol daarin; de waardering van zijn poëzie door de jaren heen, et cetera. Maar is dat handig? Erik Brus heeft al een mooi overzicht gegeven van zijn leven en werk tot en met zijn laatste bundel Zwarte gaten (2008) en ik ga dat niet dunnetjes overdoen, want al schreef Brus zijn artikel na de ontvangst van de P.C. Hooftprijs in 2009, het is nog actueel. Na de uitreiking van de prijs schreef Verhagen alleen nog de cyclus Implosie, ook uit 2009. Zijn vertalingen zijn ook opgenomen: Whitman/Verhagen – De slapers. Die stammen uit 2005.
Ik kies ervoor Verhagens volledige werk te karakteriseren aan de hand van ‘Ik ben de maker’, het eerste gedicht van de bundel Autoriteit van de emotie (1992). Hiermee kan ik de constanten laten zien. Op de ontwikkeling van zijn werk ga ik later in.

Het is een programmatisch gedicht: het gaat vooraf aan het motto – waarover later – en acht cycli:

Ik ben de maker

Ik ben de maker niet van het gedicht,
maar zo ontvankelijk mogelijk
d.w.z. van elke tedere connectie ontdaan sta ik
totaal ter beschikking van wat zich tot mij richt –
als een snaar doortrillende dit tijdsgewricht
registreer ik de akkoorden.
ik ben de verwoorder.

Ik ben de behoeder niet
van angst, pijn, verlangen –
wel ben ik de ontvanger.
Verliefd zijn is voor mij ambtshalve bezigheid,
een dichter zelf kan niet van iemand houden;
bespaar me dus uw te persoonlijke aanhankelijkheid –
een dichter heeft geen tijd voor poëzie.
Bovendien, ik ben je moeder niet.

ik ben de hoogste autoriteit van de emotie,
maar mijn eigen hart kent het verlangen niet.
Verwar het niet met angst en beven als ik tril –
ik transformeer alleen het huilen van de wolven
tot een lied. Ik ben de vertolker van het leven,
maar zelf leven doe ik liever niet.

Het eerste wat opvalt  in dit gedicht zijn de tegenstellingen. Ik ga op de eerste in: de titel ‘Ik ben de maker’ tegenover ‘ik ben de maker niet’ in de eerste regel. Hij is zichtbaar de maker: als je het gedicht zorgvuldig leest, zie je dat er een ambachtsman aan heeft gewerkt – kijk alleen naar het logische verloop van de precisering des dichters identiteit. Aan de andere kant staat hij ‘totaal ter beschikking van wat zich tot [hem] richt’: het gedicht lijkt  zichzelf te schrijven. Hij voegt zich daarmee in een Romantische traditie: de grote Bilderdijk (1756 – 1831) beweerde bijvoorbeeld dat zijn verzen hem rechtsreeks door de Allerhoogste werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met zijn kroontjespen, net als Verhagen ‘zo ontvankelijk mogelijk’. Hij verhulde daarmee dat ook hij wel degelijk een maker was: bevoorrechte fans waren hevig teleurgesteld toen zij tot de ontdekking kwamen dat zijn handschriften vol doorhalingen zaten. Het irrationele wordt bij beiden in toom gehouden door de ratio.
Soms moet je dat registreren letterlijk nemen. Net als andere neo-realisten in de jaren zestig schreef hij ready-mades – niet veel, trouwens. Bekend zijn de drie cycli ‘Kanker’, ‘Cancer’ en ‘Krebs’ uit Sterren Cirkels Bellen (1968). Je zou zeggen dat de maker hier afwezig is, maar dat is niet zo. In dit geval is hij een arrangeur: door een paar zinnen uit een voorlichtingsfolder over kanker te isoleren en te presenteren als een gedicht, krijg je een luguber neveneffect, waarvan de schrijvers van de tekst zich ongetwijfeld niet bewust zijn geweest:

Door het rituele voorschrift
van de besnijdenis bleven
in de loop van duizenden jaren
ontelbare joden gespaard
van een vreselijk lijden.

Tegenstellingen zie je op allerlei niveaus in Verhagens werk. Ze vormen zo’n belangrijk onderdeel van zijn poëzie, dat ze zelfs in enkele titels voorkomen: Rozen & motoren (1963), Echoput & luchtkasteel (1995). Sterker nog: ze vormen de kern van zijn poëzie. Essentieel is dat de tegendelen altijd gelijktijdig aanwezig zijn. In zijn eerste bundel gaat de romantiek, ironisch getypeerd met het cliché ‘rozen’, hand in hand met het snelle, moderne no-nonsense leven dat de dichters van Gard Sivik willen weergeven. In zijn interview uit 2003 met Ischa Meijer zegt hij daarover: “Die wrijving tussen twee polen, dat is waar alles uit voortkomt. Mensen zijn geneigd in één richting te denken. Ze geloven in de opbouw, maar het verval willen ze elimineren, maar gelijk met de opbouw vindt er de afbraak plaats. In feite zie ik het als één beweging, het gebeurt allemaal op één moment. In m’n gedichten wordt die synchroniciteit opgewekt door die verwisselingen: ‘Ik die bouwen zou, zal ontbonden worden.’ De ene regel ontleent de andere. […] Het is een weergave van het proces van het leven.”

Terug naar het gedicht. Je ziet zulke nevengeschikte tegendelen nog op een andere manier. De dichter noemt zich de hoogste autoriteit van de emotie, maar zegt zelf niet emotioneel te zijn. Een dichter heeft wel wat anders te  doen; hij moet emoties vertolken, voelbaar maken voor de lezer: ‘ik transformeer alleen het huilen van de wolven / tot een lied.’
Maar op dit gedicht volgt een motto, dat hij opdraagt ‘aan Conny (1941 – 1986)’. Het is een citaat uit zijn gedicht ‘Zo simpel is het …’ uit Duizenden zonsondergangen (1971):

‘Jij bent de waarheid
waar ik ben
de tijd staat stil
de klok verstrijkt
en wij zijn altijd samen’.

Conny Tavenier was zijn jeugdvriendin en eerste vrouw. Op een gegeven moment kon hij met haar niet meer samenleven en zonder haar kon hij ook niet – de tegenstellingen in zijn poëzie komen niet voort uit maakwerk, dat blijkt ook hier weer uit. In 1986 pleegde zij zelfmoord na een lange lijdensweg van psychoses.
In de laatste regels van het gedicht zegt hij: ‘Ik ben de vertolker van het leven, / maar zelf leven doe ik liever niet.’ Is het leven te pijnlijk? Zegt hij daarom ‘liever niet’? Is hij een huilende wolf die zijn particuliere emoties transformeert tot die waarin lezers zich herkennen? Op die manier is hij zowel vertolker van zijn leven als van ieders leven. In zijn meeste bundels is dat zo, al overheerst het biografische soms teveel, waardoor gedichten onbegrijpelijk worden.

Ook humor is een essentieel onderdeel van zijn werk. In de regel ‘Bovendien, ik ben je moeder niet’ relativeert hij datgene wat hij zegt. Hij maakt het minder zwaar; enkelen zullen zeggen: hij zet alles op losse schroeven. Dat kan zijn, maar het hoeft niet: ik zou zeggen dat hij hier zowel het lichte en serieuze laat klinken.
Het aardige bij Verhagen is dat je, net als bijvoorbeeld bij Reve, humoristische regels afzonderlijk onthoudt, los van de context. In de volgende twee hoor ik mannen die aanspoelen in de kroeg en al snel weer uit zicht raken: ‘je raakt je zaad aan de straatstenen niet kwijt’ (p. 522) en  ‘Mensen met een zinvol leven – zou je ze geen rotschop geven?’ (p. 658)

De bundel Alle gedichten weerspiegelt Verhagens (innerlijke) leven in veranderende tijden – ‘als een snaar doortrillende [ieder] tijdsgewricht’. Ook hiermee staat hij in de traditie van de Romantiek. Je leest achtereenvolgens mee met de Zeeuwse jongen, de schijnbaar koele observator, de spirituele hippie, de worstelaar met de liefde (‘Geen geneesheer, hoe gepeperd ook van declaratie, / zal mijn ziekte weten te genezen: / omdat mijn ziekte tevens mijn geliefde is – / en mijn geliefde laat zich niet verdrijven’ – p. 296), de verslagene en de man die zijn vitaliteit terugvindt. En voortdurend stelt hij zich de vraag wat het leven is, hoe hij in het leven staat, of hem dat bevalt en, vooral in zijn latere werk, wat hij anderen heeft te vertellen. Zijn engagement komt dan meer op de voorgrond te staan. In een bundel als Draak (2006) lijkt hij lezers sterker dan voorheen te willen doordringen van misstanden. Het tweede gedicht uit de afdeling ‘Citadel’ is verbazingwekkend actueel:

2
Stralende vlag. Iedereen ging,
van de vrijheid om tekeer te gaan ten volle profiterend,
tekeer tegen de verkeerde.

In tegenstelling tot de inhoud zie je in de vorm weinig veranderingen. De cycli vormen in alle bundels het structurerende principe; zijn gedichten blijven strofisch.

Er valt veel meer te zeggen over Alle gedichten. Aan de afzonderlijke bundels heb ik geen recht gedaan; ik verwijs daarom nogmaals graag naar het artikel van Erik Brus. Campert noemt Verhagen samen met Lucebert ‘de grootste moderne Nederlandse dichter.’ Ik vind dat een beetje te sterk, maar dat hij groot is, staat voor mij vast.

Recensie van Moordballaden. Een bloemlezing van op ware moorden gebaseerde gedichten. Deel 1 - Bart FM Droog (samenstelling)

‘Nog horen we je stem, nog zien we je blik’

Bart FM Droog (samenstelling)
Moordballaden. Een bloemlezing van op ware moorden gebaseerde gedichten. Deel 1
Uitgever: Stichting Nederlandse Poëzie Encyclopedie
2017
ISBN 9789462430099
€ 0,00
129 blz.

Een paar maanden geleden startte FM Droog, dichter en samensteller van de Nederlandse Poëzie Encyclopedie een experiment. De reden: ‘Bij het bekende Eenzame uitvaart-project zien dichters zich voor de taak gesteld binnen zeer korte tijd een gedicht te schrijven bij een sterfgeval. De confrontatie met de dood doet iets met dichters. Op een niet te benoemen wijze ontstaan daarbij vaak heel bijzondere en aangrijpende gedichten. [ … ]. Ik vroeg me derhalve af hoe poëten op gewelddadige sterfgevallen zouden reageren.’
Op Facebook liet hij weten dat dichters die een moordgedicht wilden schrijven zich bij hem konden melden. Een flink aantal bekende en onbekende dichters deed dat, maar niet iedereen haalde de deadline en daarom ligt er een nog tweede bundel in het verschiet. Drie dichters leverden kant en klare gedichten aan, de anderen kregen een opdracht. Het resultaat is heel aantrekkelijk, niet in het minst omdat de gedichten onderling sterk verschillen in vorm en toon. De bundel Moordballaden is gratis te downloaden op de NPE; in september verschijnt een papieren uitgave bij uitgeverij Vliedorp.

Droog werkt grondig en zo snel dat hij je iedere keer weer verbaast. Hij geeft een kort historisch overzicht, vermeldt de standaardwerken hij heeft gebruikt en onder ieder gedicht staat een beschrijving van de moord, zo mogelijk met links voor lezers die zich verder willen verdiepen in de zaak. Aan het eind van de uitgave staat voor liefhebbers een vijftal werken met moordliederen en hij heeft er zelfs aan gedacht een telefoonnummer en mailadres van de politie te vermelden voor het geval er zich onder de lezers tipgevers bevinden die het onderzoek naar onopgeloste moordzaken weer op gang kunnen brengen.
Het historisch overzicht bevatte voor mij een eye-opener: Droog schrijft onder andere over het 19e-eeuwse lied ‘De moord van Raamsdonk’ en pas nu, na tientallen jaren, snap ik waarom Du Perron zijn moordgedicht uit de bundel Parlando (1930) ‘De nieuwe moord van Raamsdonk’ noemde. Het had in deze bundel niet misstaan.

De gedichten bestrijken de periode van 754 tot 2011. Het eerste gedicht, ‘Win Frisa swerda spreka’, gaat over de moord op Bonifatius in Dokkum. Het is Droog toegezonden door ‘een telg uit een Friese adellijke familie. De tekst zou van generatie op generatie mondeling zijn overgeleverd en verschijnt hier voor het eerst in druk.’ Het zou stammen uit de achtste eeuw, ik ben volkomen van slag door deze grandioze ontdekking! Hierbij valt de inmiddels 85 jaar oude vondst in de Bodleian library van de eerstbekende Oudnederlandse regel volkomen in het niet: ‘Hebban olla vogala …’, het pennenprobeerseltje van een anonieme, naar liefde smachtende monnik uit de 11e eeuw. Ook de dichter van ‘Win Frisa …’ is bekend: Saxnot fen Aestergo. Ongelooflijk, dat forflökta Friese geslacht heeft eeuwenlang op een schat gerust.
Aestergo  is de oud-Friese naam voor Oostergo, de streek waarvan Dokkum in vroeger tijden de hoofdplaats was. Het achtervoegsel ‘go’ verwijst naar ‘gouw’, een geografische bestuurseenheid die werd ingesteld door Karel de Grote. Dit gebeurde in zijn Keizerstijd, in het begin van de negende eeuw. Dat Saxnot volgens de overlevering in de achtste eeuw leefde en de toevoeging ‘fen Aestergo’ daarmee niet is te rijmen, blijft vooralsnog een mysterie waarop komende generaties mediaevisten zich de tanden stuk zullen bijten. Maar niet alleen zijn naam van herkomst, ook zijn voornaam is raadselachtig: hij verwijst naar een Saksische god. Friezen en Saksen lagen elkaar niet zo en dat is nooit veranderd. Heeft u ooit een Fries gesproken die dol is op Groningers?
Verbazingwekkend is ook dat veel Friese poëzie al die veertien eeuwen hetzelfde is gebleven: je vindt de vorm die Saxnot gebruikte zelfs bij een dichter als Tsjêbbe Hettinga terug.
De woede van Saxnot brengt hem heel dicht bij ons: op Facebook zou hij zich volkomen thuis hebben gevoeld. Bonifatius, die ‘forflökta falska flumia’, die ‘snotta-Angel’ heeft in Dokkum niets te zoeken en moet uit de weg worden geruimd.

De eerste vijf regels geven een goede indruk van het gedicht. Ik geef zowel de overgeleverde oud-Friese tekst als de invoelende vertaling van Cornelis van der Wal:

Wat mina alsa pricka, alsa papus jella
to horsa mitta boeck en bila
doarpa uses kringa yn
enda ferrinneware alle hilich onsa

de angost!

Dat dan zo’n lul, zo’n brulpaap
te paard met boek en bijl
onze dorpen binnendringt
en al wat heilig is vernielen wil

de ontzetting!

Of moordgedichten gemiddeld net zo indringend zijn als het gemiddelde uitvaartgedicht, betwijfel ik. De dichters die aan Eenzame uitvaart meedoen, worden direct betrokken bij een afscheid, ze verzorgen daar het belangrijkste onderdeel van. Dat is iets heel anders dan zich verdiepen in een meestal niet meer recente moordzaak. Ik ben benieuwd of Bart Droog dezelfde conclusie heeft getrokken.
Interessanter dan de gemiddelden zijn de uitschieters. Elly de Waard schreef een huiveringwekkende ballade over de moord op Pim Fortuyn. Hoe je ook over zijn ideeën denkt, de laatste regels zouden op een monument niet misstaan. Het is lyrisch ik is verbijsterd, zit, staat dan weer voor het raam en ziet het steeds donkerder worden,

Maar, op de doodse parkeerplaats
van het nieuwscentrum onder de maan
heeft het bloed, dat zich niet weg liet vegen
zijn bericht in beton neergeschreven:

Ik zal kruipen, waar ik niet kon gaan

In Moordballaden blijf je bladeren. Laura Demelza Bosma schreef een gedicht over een verslaafde Vlaamse non, die in 1977 drie bejaarden vermoordde in het ziekenhuis van Wettere. De titel is een vraag: ‘Zuster, wat is heilig in uw leven’. In het laatste distichon geeft de non zelf het antwoord: ‘Heilig is dat het om het even is / in gedruis of verstilling te stinken.’ (Ik stel het gedicht hier wat simpeler voor dan het is). Menno van der Beek beschrijft in een fascinerende reeks van vier gedichten het noodlot van vader en zoon Nijboer. Nijboer senior sterft in 1944, junior in 2004. Beiden hebben hun lot mogelijk een handje geholpen – meer kan ik hier niet over zeggen, behalve dat de reeks een verrassende wending krijgt. Droog zelf schreef ‘Zoveel meer’, over de nooit opgeloste moord op de 22-jarige Marco, die in 1990 levenloos naast een gekraakt gebouwencomplex in de Groninger binnenstad werd gevonden. Een moord blijft actueel, ook voor de komende generaties. De eerste strofe:

Nog horen we je stem, nog zien we je blik
opgeslagen in geheugens en archieven
die nog lang nadat ook wij verdwenen zijn
je naam en je sterven steeds doen herleven

Droog heeft gelijk: De Moordballaden vormen het bewijs.

Recensie van Ik is niet 1 - Jan Baeke e.a. (samenstelling en redactie)

Ik dacht mijzelf te zijn

Jan Baeke e.a. (samenstelling en redactie)
Ik is niet 1
Uitgever: Stichting Poetry International
2017
ISBN 9789072546357
€ 9,50
91 blz.

Het ‘ik’, het centrale thema van Poetry international, wordt nader uitgewerkt in Ik is niet 1, een boeiende bundel met korte essays, gedichten en beeldende kunst. De bundel is samengesteld door Jan Baeke, Bas Kwakman, Katja Nootenboom, Feline Streekstra en Nina Swaep. De titel van de bundel verwijst naar het gedicht van Marianne Morris (Canada / Verenigd Koninkrijk, 1981), vertaald door Evi Hoste. Ze laat zien dat een onveranderlijk ‘ik’ niet bestaat: ‘Ik is wat vaststaat en voortdurend wordt ontkracht.’ Het is een constructie: ‘Ik is wat ik kende, wat ik tot een verhaal vervlocht, dat waarop / ik grondde’. Heel mooi is dat ze deze uitspraak direct weer op losse  schroeven zet, door hem in de ik-vorm te schrijven. En heel raak is de volgende: ‘Ik is een kudde die golvend voortbeweegt, zacht gegrom uit / duizend kelen, richtingwijzers, doelmatige groepsactiviteiten.’ De paradox van het en masse najagen van persoonlijke uniciteit, waarvan op die manier niets overblijft; of het verschijnsel van de ambitieuze manager die alle creativiteit binnen zijn organisatie effectief de kop indrukt door op hardhandige wijze ‘alle neuzen dezelfde kant op’ te dwingen, op weg naar ‘een punt op de horizon’. Enfin, vul de rest zelf maar in.

Bas Kwakman gaat in zijn inleidende essay ‘Socle du monde’ in op het vermogen van poëzie ‘om de boel te kantelen’. Dat is onder andere van belang omdat we gewend zijn vanuit een veilig ik te denken, onszelf te zien als het middelpunt van de wereld. Hij geeft een vermakelijk voorbeeld: ‘Niet de feiten, zelfs niet de alternatieve feiten, maar de ego-feiten tellen. De Gooise zanger Joling memoreerde bij de dood van Prince: ‘ik weet nog heel goed hoe hij een keer bij een concert van mij kwam kijken.” Jan Baeke stelt aan het eind van zijn essay ‘We are such stuff as dreams are made on’ twee vragen: de eerste is actueel, prangend: ‘Is het ik dan uiteindelijk toch in essentie een paspoort tot de sociale structuur waar we ons bij thuis voelen?’ Je zou het wel zeggen als je naar Facebook of Instagram kijkt: het maken van een passend ik is een gangbare praktijk. De tweede vraag is minstens zo boeiend: ‘En is het ik verder een vergankelijk zelfbeeld waarmee we de illusie van onszelf gestalte geven?’ Shakespeare had daar al een antwoord op. Baeke citeert Act 4, scène 1 uit The Tempest, eindigend met die prachtige, overbekende regels: ‘We are such stuff / As dreams are made on; and our little life / Is rounded with a sleep.’

Alle dichters behandelen het ik op hun eigen wijze en datzelfde geldt voor de beeldend kunstenaars C. A. Wertheim, Jan van Munster, Toine Horvers, Wouter Venema en Georg Bohle. Voor dichter Mischa Andriessen lijkt poëzie een manier om het ik  te reduceren. Zijn gedicht ‘Daena’ heeft een citaat van Georgio Agamben als motto: ‘ Men schrijft om onpersoonlijk te worden’; voor Mae Yway (Myanmar, 1991) is poëzie juist een manier om haar ik te realiseren: ‘Door hen ben ik hier … die regels!’

In haar humoristische en scherpzinnige essay ‘Het ik in het vertaalproces’ pleit Anneke Brassinga voor ‘ikloos vertalen’, wat niet betekent dat een vertaler zijn ervaring moet uitschakelen. Wel moet hij plaats maken voor het ik van de tekst: ‘De tekst moet hém overweldigen, hém kunnen binnendringen, zijn ik – tijdelijk – teniet doend.’ Hij staat niet in dienst van de lezer, het ‘ikkigste ik ter wereld’, die met de tekst kan doen wat hij wil, maar ‘vervult een eredienst aan de voleindiging van een taal die ooit bij de bouw van de toren van Babel uiteenviel, en ooit hersteld moet worden, in een onophoudelijk proces van synthese tussen bijvoorbeeld de woorden ‘Brot’ en ‘pain’: dat wat wij dagelijks eten en waarvoor in talloze talen woorden zijn ontstaan.’

Ik wil nog even stilstaan bij Antoinette Sisto . Zij vertaalde ‘Io credevo di essere io’ (‘Ik dacht mijzelf te zijn’) van Roberto Amato (Italië, 1953), een gedicht waarin ik haar eigen poëzie hoor klinken. Mogelijk was dit haar laatste vertaling: zij overleed op 3 juli jongstleden. Ik hoop dat zij deze bundel nog heeft gezien. Ik citeer zowel het oorspronkelijke gedicht als haar vertaling:

Io credevo di essere io
quando la notte mi dormivo accanto
(sul fianco destro par dare le spalle al mondo).
Mia madre non era ancora me
e neanche mio padre aveva mai pensato
che io potessi essere lui
(o viceversa).

Come vede dottore
la mia testa si è persa in questi limpidi
ragionamenti
ma anche la sua non la trovo nel bianco del colletto.
Forse la tiene sotto il camice
per paura che io possa prenderla per il naso
e magari scuoterla
e magari farla impazzire con un festoso
tintinnio di pensieri.

Ik dacht mijzelf te zijn
toen ik ’s nachts naast mij lag
(op mijn rechterzij keerde ik de wereld de rug toe).
Mijn moeder was mij nog niet
en zelfs mijn vader had er nog nooit aan gedacht
dat ik hem zou kunnen zijn
(of omgekeerd).

Ziet u, dokter
mijn hoofd duizelt van deze heldere
redeneringen
maar ook dat van u zie ik nergens tussen het wit van uw kraag.
Misschien houdt u hem verborgen onder uw doktersjas
uit angst dat ik hem bij de neus kan grijpen
en misschien heen en weer schudt
en misschien wel dol laat draaien met een feestelijk
klingelen van gedachten.

Antoinette was een talent- en gewetensvol vertaler die de volgende uitspraak van collega Bernlef ongetwijfeld onderschreef: ‘Het is als met een partituur. Je mag, moet zelfs, interpreteren, maar waar wordt interpretatie een eigen versie waarbij het origineel in het gedrang komt?’ (ik las hem bij Johan Reijmerink ).

Ik is niet 1 is de eerste uitgave van Poetry International, hopelijk het begin van een reeks.

Recensie van Het vaderpaard / It faderpaard. Alle gedichten - Tsjêbbe Hettinga

Een monument

Tsjêbbe Hettinga
Vertaler: Benno Barnard
Het vaderpaard / It faderpaard. Alle gedichten
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023459965
€ 49,99
816 blz.

Met het tweetalige Het vaderpaard / it faderpaard heeft Tsjêbbe Hettinga (1949 – 2013) het monument gekregen dat hij verdient. Alle bundels, het verspreid gepubliceerde en het ongepubliceerde werk zijn hierin bijeen gebracht, met uitzondering van de gedichten die hij samen met anderen heeft geschreven. Daarnaast hebben de bezorgers en vertalers een verantwoording opgenomen, de gedichten van aantekeningen voorzien en vindplaatsen van de gedichten opgenomen. Ook bevat de bundel een biografische schets en uiteraard een inhoudsopgave. Daarmee is deze uitgave ook van zeer grote waarde voor nader wetenschappelijk onderzoek. En, last but not least, het boek is prachtig vormgegeven.

Het jeugdwerk, de nagelaten gedichten en de postume bundel De ring van Gyges zijn vertaald door Benno Barnard in samenwerking met Tsead Bruinja en Teake Oppewal. Op een paar gedichten na vertaalde Barnard het overige werk samen met Tsjêbbe Hettinga zelf. In de verantwoording lezen we hierover het volgende: ‘Hettinga maakte letterlijke vertalingen, die Barnard vervolgens bewerkte, waarna Hettinga de poëtische vertalingen van commentaar voorzag, et cetera – tot hij het resultaat van de gezamenlijke inspanningen bevredigend genoeg vond om het te autoriseren.’ Deze vertalingen zijn dan ook het mooist. Het drietal Barnard, Bruinja en Oppewal moest soms een keuze maken uit meerdere mogelijkheden; alleen Hettinga had hun kunnen vertellen welke hij de beste vond. Maar ook deze vertalingen doen heel natuurlijk aan.

Omdat de meeste lezers van deze recensie het Fries niet machtig zijn, gebruik ik de vertalingen.

Het eerste wat opvalt is de enorme vormenrijkdom in zijn werk. Er zijn ook opvallende constanten: de ruimte van het Friese land, de wolken, de zee, de vogels, het vee – inclusief de paarden – , de onherroepelijke voortgang van de tijd en de vergeefse pogingen die stil te zetten, dood, liefde, en dan nog ben ik onvolledig. In zijn eerste gepubliceerde gedicht, ‘De tijd staat niet stil’ (1968) zie je die tegenstelling tussen stilstand en de voortschrijdende tijd al. Goed is het niet, maar dat doet hier niet ter zake. Een ik-figuur bezoekt het graf van zijn vader, die al vijf jaar dood is. Met de zegswijze ‘De tijd staat niet stil’ heeft hij niet veel, ‘Want ik leef vandaag-de-dag / Met mijn vader / Al is hij al vijf jaar dood’. Hij bidt voor hem en als hij zijn ogen opent ‘Staat op de witte grafsteen: 1963 / Dan moet ik wel bekennen / De tijd staat niet stil’. Ook het cyclische dat je in veel van zijn werk ziet, vind je al in het eerste gedicht: de laatste regel ‘De tijd staat niet stil’ is gelijk aan de eerste. (Uiteraard associeer je dit gedicht met ‘Het vaderpaard’, de magistrale ode aan Hettinga’s eigen vader, die in 1993 overleed. Wat een onvoorstelbaar verschil in kwaliteit!).
En al vanaf het begin zie je zijn prachtige beelden. Zo begint de lente ‘als het ijs de zon / niet meer dragen kan’. Deze regels staan in zijn eerste bundel, In dit land, die hij in 1973 samen met Jelle Kaspersma in eigen beheer uitgaf. Kaspersma zorgde voor de tekeningen; de bundel was handgeschreven, net als de tweede. Ze namen zelfgemaakte advertenties op in dezelfde stijl en hielden geld over aan de uitgave. Prachtig.

De gedichten uit de eerste drie bundels (1973, 1974 en 1975) zijn merendeels kort:

TIJD

gisteren
het vandaag
van morgen
schudt van nee:
het leven
is geen
telmachine

(Uit: In dit land)

Hettinga is dan nog niet de grote dichter die hij later werd. In 1981 verscheen zijn vierde bundel, Tussen de bedrijven door is ouderdom. In de tussenliggende jaren heeft hij een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt, vooral wat de vorm betreft. Er is veel variatie: over het algemeen zijn de gedichten langer, soms heel strak van vorm, soms losser en altijd ritmisch – iets waarin hij gaandeweg de onbetwiste meester wordt en niet alleen in Friesland.
Soms stoort de stapeling van metaforen mij:

het blinde bloed van de stille hartstocht stroomt
als jaren door de eeuwen in gesloten geslachten
die slingerplantend hun twijgen door de tijd heen vlechten

generaties zichtbaar als seizoenen van vlees en bot
reizen door die tijd in de trage karavaan van het bestaan.

(Gedicht 4 uit de reeks ‘Zevenmaal rond een centrum’).

Maar meestal geniet ik. Zo toont de dichter zich in het proza-achtige gedicht ‘Blinde vondsten’ een volbloed romanticus, zonder zijn relativeringsvermogen te verliezen. Het beeld dat hij van de ideale geliefde heeft, komt een aantal keren hard in aanraking met de werkelijkheid. De dichter vraagt zich af of hij wel aan het gedicht moet beginnen, ‘want beschrijven kan ik je niet’. Dan volgt er een aantal momenten waarop hij haar meende te zien: in Leeuwarden, op een ‘sneeuwjachtzaterdag aan de stille kant / van de kerstdrukke nieuwestad’ bijvoorbeeld, hij was verrukt, maar, schrijft hij: ‘onthutst bleef ik stokstijf staan bij de alles brekende ontdekking / dat jij een ander was niet van mij weten wilde en doorliep’. Andere keren ziet hij haar in bus van Heerenveen naar Drachten, als hij staat te liften in Almelo, in een kroeg in Stavoren, maar gaandeweg komt hij tot de overtuiging dat zijn liefde onvindbaar ver zal blijven, de droom legt het af tegen de werkelijkheid: ‘[ … ] ik moet van je afblijven omdat ik je niet kan beklijven / nu ik de gevaren van de vernuftige geest gewaarword.’ Een twintigste-eeuwse Piet Paaltjens, met iets meer reislust.

Je kunt het  niet over Tsjêbbe Hettinga hebben zonder zijn voordrachten erbij te betrekken. Iedereen die hem heeft gezien en gehoord was onder de indruk, ook in het buitenland. Dat het Fries door de overgrote meerderheid niet werd verstaan, deed in dit geval niet ter zake. Hij hypnotiseerde het publiek met zijn stem, zijn ritmiek met lang aangehouden klinkers, zijn alliteraties, assonanties en binnenrijm. Neem bijvoorbeeld ‘Het Wijckeler Hop’, de naam van een deel van het Slotermeer. Degenen die Hettinga nog nooit hebben gehoord, kunnen het best eerst naar zijn voordracht luisteren en daarna, op dezelfde pagina van de site, het gedicht in beide talen lezen – liefst twee keer. (Laat u zich bij het luisteren niet misleiden door de lange pauzes tussen de tekstgedeelten, het gedicht heeft drie delen). Het staat in de bundel Vreemde kusten die in 1995 afzonderlijk is verschenen, maar in deze bundel is opgenomen als afdeling van Onder zeevogels De kust (1992). Er werd  een CD bijgeleverd: De foardrachten.
De voordracht fascineert mij nog steeds, niet in het minst door Hettinga’s stem. Wat gebeurt hier? Het is een verhaal, maar wat voor één? Een sage? Een weemoedige geschiedenis? Word ik meegenomen naar andere tijden? Maar dan herken ik woorden en frasen: er rijdt een Mercedes, ik hoor over een diesel van een vakantieboot, een sleepboot, blues, evergreens. Genoeg om me veel langer bezig te houden dan de duur van de voordracht: ik maak mijn eigen verhaal.
En dan léés je het gedicht. Zelden zag ik het onherroepelijk verloop van de tijd tegenover het altijd blijvende op zo’n natuurlijke manier tegenover elkaar gezet. Een voorbeeld, uit het tweede deel:

Tijd, in de vorm van kieviten die als ik
    En andere dieren geen raad weten
Met de stilte op deze zoele middag,
    Vliegt, en het geluid van mannetje noch
Wijfje is veranderd sinds het kind holde,
    Naar wat in ons onbewegelijk is,
                           ( … )
Eeuwigheid: een snotjongen met een jampot.

En tussendoor het leven, het onvervulbare, de liefde. De eerste regels zijn onvergetelijk: ‘En weer op de vlucht voor de lekkende kraan / Van het verdriet, met een dorst in de keel / Van iets dat nooit te verslaan zal zijn’. En aan het slot de subtiele omkering die de eeuwige cyclus van het ondraaglijke verlangen en de vlucht ervoor rondmaakt: ‘Een beeld van een vrouw steekt de kop op, en dorst. / Driftig geeft het hart de maag zijn benen, / En weer op de vlucht naar de lekkende kraan / Van het vertier, valt, koel, de eerste drup.’
Hettinga is niet alleen vertaald in het Nederlands, maar ook in het Engels, Duits, Frans en Spaans. Volkomen terecht: hij was een groot dichter.

Er valt over zijn verzamelde gedichten nog veel meer te zeggen, over zijn laatste bundel De ring van Gyges bijvoorbeeld. Die bleek op de harde schijf van zijn computer te staan: vijf nieuwe en zes eerder gepubliceerde gedichten, waaronder ‘Kleine jongen’ (‘Lytse jonge’), een hoogtepunt op Poetry International 2001. Hij schreef ‘dit gedicht ter gelegenheid van de manifestatie Simmer 2000, toen veel geëmigreerde Friezen ‘it Heitelân’ bezochten.’ (Aantekeningen, p. 774). Of, natuurlijk, de ode aan zijn in 1993 overleden vader, over het vaderpaard, de schitterende hengst, de absolute leider met ‘een diep dierlijk briesen, dat zich ogenblikkelijk paart / Aan het grage vragen van de weelderige merries / In de holle schuur van de lente ( … )’. De bezorgers citeerden op het achterplat terecht de indrukwekkende laatste vier regels:

Laat de roemers der ijdelheid geen kwelling voor de geest zijn,
Laat het lachen niet aan een ander over, het huilen
Ook niet; laat komen, tot slot, de stilte, de nacht, de droom, en
Laat daarin diegenen binnen die zochten, naar het licht.

En dan heb ik het nog niet gehad over de motoren die als eigentijdse paarden door gedichten rijden. Ook zij hebben een vaderpaard: de Harley Davidson. En over het mythische karakter van veel gedichten heb ik ook niets gezegd. Ik verwijs graag naar de site over Tsjêbbe Hettinga . En naar het boek zelf, natuurlijk. Wat was die man goed.