Poëzie Kort 2017 / 6

 

Jan M. Meier, Engelenspoor

(Door Lennert Ras)

Engelenspoor leest als een liedtekst en is uitermate zangerig. Komt dat omdat het jambisch geschreven is? Maar dat is niet zo. Er is gemis. Gemis van een zoon. Alhoewel de engel ergens ook vrouwelijke vormen krijgt. De bundel begint zacht mijmerend. Zeer poëtisch. Het verdriet over de heengegane. Dan krijgt de dood hardere vormen. Een geraamte. Stinkend rottend vlees. Karkas. Zelfs het woord dood, toch een zeer groot woord, dat eigenlijk niet in poëzie thuis hoort, wordt verschillende keren gebruikt, zonder dat het storend is. Er is een gang tussen bed en bank, een zwijgen, groot lijden, en een alsmaar sigaretten roken, wat doet denken aan het leven van een psychiatrisch patiënt. Maar dat wordt nergens benoemd. De slotafdeling ‘Engelenspoor’, die voor de titel zorg droeg, is een kakofonie van engelen. Bolle wangen van cherubijntjes, reuzenbaby’s. Er is zelfs sprake van een bouwpakket-engel. Hetgeen een dissonant is, maar ook weer een prachtige vondst. De dood is de spil en het grote thema. De bundel eindigt met: ‘de winter komt altijd / te zacht en te laat.’ Zo is het timbre en ritme van de bundel. Zacht. Een megazwaar onderwerp. Dood, verlies. Maar o zo zacht neergeschreven. Waarom te laat? Had de achtergeblevene minder lijden gewenst voor de geliefde dode .. een eerdere dood gewild? ‘De laatste adem ingebed / tussen zang en zucht’. Dat typeert de hele bundel. Zang en zucht. Van een zeer bekorende schoonheid. De schoonheid van het verlies en de grillige dood van ‘een engel zo / waar.’  ‘inleverdatum onbekend / draag ik de dood in / een doosje in mijn hoofd / tot het tijd wordt om / in de doos te verdwijnen.’

(contrapunt) onthande handleiding

dingen bedwingen
de duivel temmen
engelen ontstoffelijken
de slager slachten

dat alles en meer gevat
in het vlak van een rechthoek
het podium van een tafel
een hakblok van lieflijk lijden

de haak als wrede kapstok
uithangbord
van karkas tot worst
lichaam tot lijk

vorstelijk verpakt in kaalheid

***
Jan M. Meier (2017). Engelenspoor. Uitgeverij P, 72 blz. € 17,00

 

Jack Weijkamp & Lucy Legeland, Nieuwkijken   

(Door Hans Puper)

Het aantal stads-, dorps- en streekdichters is zo langzamerhand niet meer te tellen. De Achterhoek heeft ook een: ‘De dichter des Achterhoeks’, een functie die in 2013 het leven geroepen is door de regioredactie van het dagblad De Gelderlander. Helaas staat de dichter met die oubollige titel meteen op achterstand. ‘Des Achterhoeks’: het klinkt niet. ‘Dichter des vaderlands’ wel, omdat het een allusie is op ‘Vader des vaderlands’, de eretitel van Willem van Oranje. Maar stel dat je zou zeggen: ‘Dichter des Nederlands’. Dat is grammaticaal correct, net als ‘des Achterhoeks’, maar serieus kun je zulke nieuwbakken archaïsmen niet nemen – ik niet, in ieder geval. Waarom niet gewoon ‘Dichter van de Achterhoek’?  Dat past ook beter bij de manier waarop veel Achterhoekers zich profileren: ‘Doe normaal’.

Het huidige Achterhoekse dichterschap is tweekoppig: Jack Weijkamp en Lucy Legeland. Een weerslag van hun werk vinden we in de bundel Nieuwkijken. Gelukkig schrijven zij geen gelegenheidsgedichten over jubilea van fanfares, de honderdste verjaardag van oma Klein Heuvelink of de fluisterbootjes in Zutphen. ‘Hoezo geruzie in gemeenteraden of verbreding van de Twenteroute?’ schrijft Gerco Mons van De Gelderlander. ‘Niet interessant, laten we het over het leven hebben.’ Hij werd niet teleurgesteld: ‘Een gang door dit boekje vol kunstwerkjes is […] een feest der herkenning geworden.’ De robuuste derde strofe uit ‘Afspraak is afspraak’ gaat over een oud, maar nog springlevend Achterhoeks gebruik:

niets deed vermoeden
dat vandaag
donderdag 13 december
exact om 13.00 uur
ik aanbel
zwijgzaam meeloop
naar de waskamer
om jou daar
resoluut achterlangs
lief te hebben
met jouw neus
zoals afgesproken
in de schone was

Bij dat leven horen ook wandelingen, herinneringen, het ophalen van historische gebeurtenissen en bezorgdheid over de leegloop van de Achterhoek, met als voor de hand liggende remedie de liefde: ‘kruip in bed / om de krimp te weren’. Of dat helpt is de vraag. In de derde strofe van het liefdevolle ‘In memoriam Wim Brands’ schrijven zij: ‘jij begreep het Oosten / daarom ben je er weggegaan / omdat je van haar hield / keerde je er vaak terug.’ Wim Brands kwam overigens uit Brummen en dat ligt aan de verkeerde kant van de IJssel. Geeft niet, de dichters zijn ruimhartig: zij rekenen ook De Liemers tot de Achterhoek.

***
Jack Weijkamp en Lucy Legeland (2017). Nieuwkijken. Uitgeverij Fagus, 63 blz. € 12,50

 

Lianne Maring, Op de rand van mijn gedachten      

(Door Hans Puper)

Op de rand van mijn gedachten is het debuut van Lianne Maring (1996). Ze lijkt nog zoekende te zijn naar de vorm: ze experimenteert met herhalingen, parallellieën, rijm en, opmerkelijk, de taal: een derde van de gedichten schreef ze in het Engels. Het sterkst vind ik haar in spreektaal, die ze als stijlmiddel gebruikt: ‘Hij dacht misschien dat hij het was vergeten / hoe het was, of nee: hoe het voelde / of nee: hoe het moest.’ Het woordje ‘het’ in de eerste regel versterkt de indruk van spreektaal (in schrijftaal zou je het waarschijnlijk weglaten, omdat het overbodig is) en datzelfde geldt voor de zelfcorrecties, ingeleid door ‘of nee’. Maar bij nadere beschouwing blijkt dat het om gestileerde spreektaal gaat. In ‘Naar huis’, dat in mijn ogen het beste gedicht van de bundel is, zie je dat heel goed. Met dit middel bereikt Lianne Maring een maximaal effect.

Heb je het een beetje kunnen verliezen, de weg
bedoel ik,
dat is nog een hele uitdaging, is het niet
De weg vinden, dat is niet zo moeilijk, je klampt
als een anemoon
een voorbijganger aan
en zegt: pardon, excuus, ik ben de weg verloren
en ze wijzen je met vriendelijke vingers tot je hem
weer vindt

Maar de weg verliezen. Dat is me toch wat.
De weg zo hartgrondig, hartstochtelijk verliezen
alsof je met je ogen dicht hebt gelopen, en dan nog
ergens staan en zeggen: mooi. Ik ben ‘m kwijt.
Daar zijn we vanaf.
Alle wegen leiden immers naar huis, juist
als je daar niet wilt zijn.

Door de luchtige conversatietoon komen de laatste twee regels onverwacht hard aan.

Het merendeel van de gedichten gaat over voorbije of onbereikbare liefdes; bestaande relaties verlopen moeizaam. Niet alle gedichten zijn even goed gelukt; soms ligt de Weltschmerz er wel erg dik bovenop en is de vorm weinig aantrekkelijk. Dat geldt niet voor het Engelse gedicht ‘Old Flame’, alleen al door de humoristische titel, de licht ironische toon en de schijnbaar laconieke wending na de eerste strofe:

The sky’s on fire and it does nothing for me, dear
Not when you’re so far away from here,
from me, and I miss you so desperately,
wondering who got your new years kiss; it
should’ve been me,
but then again, why should we-

-nevermind. There’s colours falling down as I’m
drowning in champagne
and required happiness and dreams, it rains,

It rains and rains in sparks and rainbows and in pain.

Ik hoop meer van Lianne Maring te lezen.

***
Lianne Maring (2017). Op de rand van mijn gedachten. Eigenzinnig, 40 blz. € 14,99

Poëzie Kort 2017 / 5

 

Paul Meeuws, De geluiden

(Door Lennert Ras)

De debuutbundel van Paul Meeuws staat inderdaad vol met geluiden. Geschreven in veel terzines. Blijkbaar al door de muziek geraakt door een vader, die de gezegende leeftijd van honderd haalde en die slecht orgel speelde (de zoon bediende het voetpaneel). Mozart, Schubert, Haydn, crescendo, nocturnes en het klavier komen voorbij, maar ook pop en jazz. Het leven openbaart zich in haar vele facetten, inclusief het vulgaire en in de geluiden.

Er staan een paar pareltjes in, zoals de stukgevallen kerkbeelden, die de kinderen tot krijt dienen en hen toch dicht bij de hemel laten zijn. En de vrouw die zwanger van bommen de dood baren kan. Het gedicht over de stukgevallen kerkbeelden:

Een heel goed organist was u niet
ik mocht naast u op de toetsen het voetpedaal nadoen
en de noten van die rare verticale balken vermalen
tot het hemelse gruis dat neerdaalde op onze hoofden

van dat goedje bleken ook de beelden gemaakt
die in een kamerhoek stonden te wijzen
naar zichzelf en omhoog (en daarmee naar jou)
en die een andere weg dienden te gaan
dan de tijdgeest intussen voor hen had bedacht

verstijfd in hun krijtwitte ontzetting vielen ze een voor een van hun
sokkel
en met hun brokstukken trokken wij trefbalstrepen op straat
of hinkelbanen die ons toch nog de weg naar de hemelpoort wezen

nog steeds zijn bepaalde gebaren uitvoerbaar in gips
zoals sommige noten naar meer smaken
en stoeptegels mij tot de sprongen verleiden van een verrukt kind.

(p. 44)

 
Oorlog, verlangen, werkplek, lied en zoals gezegd de vader komen voorbij (‘U’, het gedeelte waarmee de bundel afsluit). Met steeds als terugkerende noot de muziek. Totdat de ik-persoon zelf op de vader gaat lijken, net als in het liedje ‘Papa’ van Stef Bos. En dan is er ook nog een klein plekje voor de
hedendaagse politiek, zoals de terreuraanslagen in Parijs.

Licht melancholisch maar zonder echt zwaar te worden. Een ode ook aan de vrouw, die helaas met de leeftijd ook wat aan aantrekkelijkheid inboet. Een ode aan het leven en de vergankelijkheid.

***
Paul Meeuws (2017). De geluiden. Wereldbibliotheek, 64 blz. € 19,99

 

Charles Baudelaire, Als engel, maar met roofdierogen. Met reflecties van hedendaagse dichters

(Door Hans Puper)

Als engel, maar met roofdierogen verscheen naar aanleiding van de honderdvijftigste sterfdag van Charles Baudelaire (1821 – 1867). Het is een tweetalige bundel, die bestaat uit een selectie uit Les fleurs du mal en ‘antwoordgedichten’ van Nederlandse en Vlaamse dichters, 41 in getal, zoals Koenraad Goudeseune, Johan Wambacq, Paul Roelofsen, Anneke Wasscher, Willem Thies, Menno Wigman en Erika De Stercke. De opbouw bestaat uit gelijkvormige eenheden: een vertaald gedicht van Baudelaire, een antwoordgedicht en vervolgens beide gedichten in het Frans. De gedichten van Baudelaire zijn met toestemming van vertaler en tekstbezorger Peter Verstegen overgenomen uit zijn integrale tweetalige uitgave , die die iedere liefhebber van Baudelaire echt in zijn kast moet hebben staan. De antwoordgedichten kennen verschillende vertalers; enkele dichters vertaalden zelf.

Tot mijn verrassing stond een van de genomineerden voor de inmiddels bekendgemaakte Meander Dichtersprijs 2017, Martin Wijtgaard, er ook in. De karakteristiek die ik als jurylid van zijn ingezonden gedichten gaf, komt grotendeels overeen met het gedicht ‘Aaseters’ in deze bundel en daarom voel ik mij gerechtigd een deel te verklappen: ‘Er zijn dichters die je al lang lijkt te kennen als je hen voor het eerst leest. Martin Wijtgaard is een van hen. Met een eigen geluid plaatst hij zich in een traditie die manifest was in de zwarte romantiek, maar die nooit is verdwenen. Zijn mensbeeld zou je kunnen samenvatten met de bekende uitspraak: ‘De mens is de mens een wolf’. Verder noemde ik de vorm van zijn gedichten klassiek en zo goed doordacht, dat ze een uitspraak in herinnering brengen die Piet Gerbrandy in een interview deed: ‘Poëzie is om te horen, ook als je haar stil leest’. ‘Aaseters’ is een antwoordgedicht op ‘Een kadaver’. (Kees Godefrooij citeerde dat gedicht in zijn geheel in zijn bespreking in Meander van Baudelaires poëzie). Wijtgaards gedicht is te lang om in zijn geheel te citeren. Daarom alleen de laatste drie strofen. Het gedicht gaat over de afschrikwekkende confrontatie met een lijk vol maden:

Zet je over je walging heen en onderdruk
   je eigenwaan en dure woorden,
kijk naar de hond die, vechtend om het grootste stuk,
   zijn soortgenoten zou vermoorden.

Dit zijn onze verwanten, ze zijn net als jij,
   de larven en de vette vliegen,
de lijkenpikkers, wroetend in de laffe brij -
   want hoe we ook onszelf bedriegen,

ze zijn ons evenbeeld en onze disgenoot,
   smerig, obsceen en volgevreten,
feestend op een karkas dat, uitgewoond en dood,
   van ons geen donder meer wil weten.

Baudelaire was een schepper van ‘schoonheid uit het kwaad’ en werd als zodanig door veel contemporaine lezers ervaren als een provocateur. Het is natuurlijk mooi als de antwoorddichters de huidige lezers ook uitdagen – Wijtgaard is dat wellicht bij een aantal van hen gelukt. Edith de Gilde provoceert in haar bloem op een amusante manier. In haar sonnet ‘Mijn leeuw’ (antwoord op ‘De kat’) laat zij het kwaad verkeren in tederheid. De man van het lyrische ik is niet meer de fiere leeuw met wie zij de savanne in zou trekken. Hij is een dikke zak geworden, ‘schreeuwt naar [haar] zoals zijn baas het deed / naar hem’, ‘neukt met [haar] ook zijn frustraties mee’, ze voelt ‘vernedering in elke stoot’. Maar desondanks:

Hij slaapt. Ik streel zijn manen, die al kalen
en weet, met al zijn nukken, al ons falen,
dat ik dit trieste beest nog steeds bemin.

In de vorm van hun gedichten blijven de meesten dicht bij Baudelaire. Peter Holvoet-Hansen is een van de weinigen die dat niet doet. Zijn gedicht ‘De ratten van de oude wereld’, dat ook is gepubliceerd in Het Liegend Konijn 2017 / 1, is een hoogtepunt in deze bundel. Oordeel zelf.

***
Charles Baudelaire (2017). Als engel, maar met roofdierogen. Met reflecties van hedendaagse dichters. Vertaling Peter Verstegen, redactie Jos van Hest. Uitgeverij Spleen, 200 blz. € 19,00

 

Manuel Kneepkens, Zuid-Limburg aan zee

(Door Hans Puper)

In Zuid-Limburg aan Zee heeft Manuel Kneepkens (1942), geboren in de mijnstreek, zijn Zuid-Limburgse gedichten bijeengebracht. Deels zijn ze overgenomen uit reeds verschenen bundels (al dan niet bewerkt), voor een ander deel zijn ze nieuw.
Kneepkens woont al sinds de jaren zestig in het westen: eerst in Leiden en daarna in Rotterdam. Zuid-Limburger is hij altijd gebleven, maar het verleden is voorgoed onbereikbaar, het is een product van de verbeelding geworden: ‘Ik ben een balling uit Zuid-Limburg aan Zee / typisch een regio die niet bestaat // maar niettemin, ik ben er uit verbannen / als ooit Adam & Eva uit het Aardse Paradijs.’
De mijnen en ook de roomse almacht zijn verleden tijd – wat niet betekent dat Kneepkens die laatste hersteld wil zien, maar het katholicisme hoorde nu eenmaal bij zijn jeugd. Helemaal los is hij er niet van gekomen, een beetje schoppen kan blijkbaar geen kwaad. In ‘De intocht van Christus in Maastricht’ wordt Jezus gearresteerd en in de dodencel geworpen. Er zijn nog twee anderen,

Alsook Maria Magdalena, een callgirl (syfilitisch …)
eens het heimelijke liefje
van Pontius Pilatus de Twaalfde, de Gouverneur van Limburg
Maar nu in ongenade
De wereld nog onbekend met het middel Salversan

Zij stond erop Jezus te pijpen
een cadeautje voor zijn laatste uur
de Barmhartige Samaritaanse!

Deze strofen staan in de context van het bespotten van bestuurlijke hypocrisie. Ze laten ook de zwakke kant van Kneepkens zien: zijn joligheid, die op een gegeven moment heel vermoeiend wordt. Veel gedichten eindigen oubollig. Eén voorbeeld. In het gedicht ‘Allochtoon Hermes’ herkennen we de bekende regel van Toon Hermans: ‘Mediterranèe … Mediterranèe … zo blauw … zo blauw …’. Het einde zien we al van verre aankomen:

Ik heet toch niet

                           
                             AllochTOON

                                HERM !

Ook de vorm is vaak hinderlijk overdadig: veel slashes, haakjes, cursief gedrukte woorden om ze nadruk te geven en, zoals boven, een eigenaardige toepassing van accenten door de hele bundel heen:    ‘Bonpére’, cafè noir, ‘èèn’, ‘hèèl alleen’. Fonetische spelling? Het lijkt me niet.

Niettemin zijn er ook aantrekkelijke gedichten. Die uit de mijnstreek zijn geëngageerd of nostalgisch, wat niet betekent dat het verleden wordt geïdealiseerd. De eerste strofe van ‘Winselerstraat’: ‘Zwart getto tegen de hekken van de mijn / waar rauwe jongens je tegen hielden, je knikkers stalen / In de huiskamers zouden portretten van Stalin hangen / aldus de kapelaan! Maar voor de kale ramen / bladderde enkel een gipsen Heilig Hartbeeld.’
En humoristisch kan hij wel degelijk zijn. De eerste twee strofen van ‘Tuin van eetlust’ zijn prachtig. Voor mij is deze liefdevolle spot Zuid-Limburg op zijn best:

Op koele zomeravonden als de familie smakkend tot zich nam
groene haring, gevolgd door slierasperges in botersaus
biefstuk, salade, pommes frites, en toe
aardbeien, slagroom, mokka en vanille

dan deinden zij, de tantes, als pioenrozen, als zwaargassige
ballonnen op hun steel, op de golfslag van hun lacherigheid
in alle borsten koerde hoorbaar Eros

***
Manuel Kneepkens (2017). Zuid-Limburg aan zee. Bordeaux-reeks nr. 40. Uitgeverij Liverse, 232 blz. € 24,50.

Poëzie Kort 2017 / 2

Saskia Stehouwer, Vrije uitloop

(Door Lennert Ras)

Vrije uitloop is de tweede bundel van Saskia Stehouwer (1975). Met haar debuutbundel Wachtkamers won ze de C. Buddingh’- prijs 2015.

Was Wachtkamers misschien wat verstikkend, met familiaire perikelen en verwijzingen naar zelfdoding, Vrije uitloop is pittiger, meer sambal, scherper. Een dolk. Vrije uitloop laat je dingen zien, zoals je ze soms in de krant ziet, op internet of op het NOS journaal .. dingen die je eigenlijk helemaal niet wil zien. Vrije uitloop verwijst ook meer naar de wereld en naar de media dan Wachtkamers. Zo wordt het vluchtelingenprobleem aangestipt, inclusief terrorisme (‘Een keel werd doorgesneden’, p. 7). ‘Ook mensen hebben een bepaalde hoeveelheid bewegingsruimte, afhankelijk van waar hun wieg stond, hun opleiding, middelen en talenten’, lees je op de omslag. Dit tipt naar mijn gevoel direct het vluchtelingenprobleem aan. Meer verwijzingen dus naar de wereld dan in Wachtkamers. Zo wordt er verwezen naar de Tweede Wereldoorlog (in ‘Schutting’, p. 54). Ook ‘Document’ (p. 35) lijkt naar de oorlog te verwijzen.

Ook in Vrije uitloop komen familiaire verbanden aan de orde, maar minder pregnant dan in Wachtkamers. De bundel is agressiever, gewelddadiger, de verwijzing naar zelfmoord in Wachtkamers wijst nu meer naar moord: ‘We staken een duif de ogen uit’ (p.7), alhoewel zelfmoord niet helemaal weg is: ‘soms vertrekt het halve volk / om aan een boom te gaan hangen / kauwend op de keuze / tussen werk en dood’ (p. 51). En er worden schoten gelost op p. 25.

Op de omslag van Vrije uitloop lees je dat de bundel een pleidooi is voor een open en minder arrogante houding ten opzichte van andere mensen en de natuur. Eerlijk gezegd haal ik dat er niet zo uit. De bundel zou, zoals ik hem lees, net zo goed een verheerlijking van geweld in zich kunnen hebben, als een veroordeling ervan. ‘Hij stelt zich een reiziger voor // via het geluid van een zaag die zijn hoofd aansnijdt.’ (p. 9). Ook tanden van een gans lijken te worden weggezaagd. De dood is nooit ver weg.

***
Saskia Stehouwer (2016). Vrije uitloop. Uitgeverij Marmer, 60 blz. € 15,00

 

Hanz Mirck, Drie steden twee ogen

(Door Hans Puper)

Hanz Mirck (1970) schreef in opdracht stadsgedichten over Arnhem, werd in 2007 stadsdichter van Zutphen en in 2014 van Apeldoorn. In Drie steden twee ogen heeft hij zijn beste gedichten geselecteerd.
In zijn bundel kun je niet alleen zien wat een dichter doet met een stad, maar ook wat een stad doet met een dichter. De steden blijken hun eigen eisen te stellen, al is in dit geval enige relativering op zijn plaats: de bundel bestrijkt een periode van twaalf jaar en het dichterschap van Mirck is natuurlijk niet hetzelfde gebleven.
Het meest verschillen de gedichten over Zutphen en Apeldoorn: de Hanzestad aan de IJssel met een rijk en gevarieerd verleden tegenover het bescheidener, lang dorps gebleven Apeldoorn. Enigszins overdreven gesteld kun je de buitenwereld verbinden aan de Zutphense gedichten en de binnenwereld aan de Apeldoornse. Zo beschrijft hij de Zutphense bokbierdag vanuit de ogen van de historische alcoholist ‘Droge Nap’, naar wie een van de vijf torens is genoemd; één gedicht gaat over de ronde van Zutphen en zeven gedichten beginnen met: ‘Een stad is …’. In een aantal Apeldoornse gedichten daarentegen valt de verstilling op. In ‘Veluws eiland’ schrijft hij bijvoorbeeld: ‘de tijd is hier anders, niet trager / maar in een vriendelijker licht // en het licht is hier / waar niet alles knippert en schreeuwt / geduldiger: zoals jij nietsvermoedend / in dit gedicht bent gelopen’. Mooie regels. We zien hier ook een constante: de beleving van de tijd. Het historische kan actueel worden, er is verval en soms een paradijselijke stilstand – die overigens zal worden opgeheven door ambitieuze wethouders en bouwers.

In zijn inleiding stelt Ingmar Heytze dat je al dichter moet zijn voor je stadsdichter wordt: ‘Alleen een echte dichter is het waard om stadsdichter te zijn, want alleen echte dichters schrijven stadsgedichten die hun directe aanleiding en zelfs hun stad overstijgen.’ In Mircks meeste gedichten is dat inderdaad het geval, al moet je een enkele keer googelen om het plaatselijke algemeen te kunnen maken.
Het stadsdichterschap stelt bijzondere eisen. Mirck formuleert ze in ‘Bouwen in het stiltegebied’, aan het begin van zijn Apeldoornse periode, waarin hij een romantisch onderscheid maakt tussen de poëzie die zich aandient en de persoon van de dichter:

Hier heeft u mijn stem, als ik mezelf hoor
lijkt het altijd iemand anders die zulke dingen zegt
Ik heb mezelf vaak gelukkig geprezen
met een instrument om trillend onrecht
te uiten, zachtjes dankbaarheid, schreeuwend
recht, fluisterend wat beschamend was
Soms brak hij tussen koopzondagen op het Raadhuisplein
Vaak heeft hij nog eerder een antwoord dan ik

Hij groeide met me mee; werd lager
toen ik hoger werd, ik nam mezelf te serieus
Want ik hoor mezelf te graag praten,
zingen met mijn hele lijf, terwijl ik van de stad
nog veel te weinig weet. Hier heeft u mijn stem,
laat hem iets verstandigs zeggen. Alstublieft

Een mooi gedicht, niet in het minst door de vorm: een onopvallend gebruik van halfrijm bijvoorbeeld, en ‘zachtjes’ tegenover ‘schreeuwend’, dat bijna hoorbaar wordt door het sterke enjambement. En dat de dichter inderdaad zingt met zijn hele lijf, kunt u ervaren door het gedicht hardop te lezen.

***
Hanz Mirck (2017). Drie steden twee ogen. Uitgeverij Kontrast, 64 blz. € 15,00


Susan Smit,
Die aarde is ’n eierblou ark

(Door Yolandi de Beer)

Die omslag van Die aarde is ’n eierblou ark is goed gekies. Dorre droe aarde herinner aan die enorme droogte en tekort aan lewe gewend water. Veral in Afrika. Ek smag na ’n bietjie Afrikaans en my verwagting is dat die gedigte, wat ook handel oor ’n onderwerp wat my na aan die hart le, soos ’n koel stroom oor my sal vloei.

Maar vanaf gedig een is dit duidelik dat hierdie hard kou en moeilik sluk gaan wees. Die mens verwyderd van die Moeder. Blind vir die effek van ons omgang met ons voeder. Blindvir wat wag. Die aarde lank geen ark meer wat ons gaan help wanneer dit alles ineenstort.

Nou eerder ’n uitgeholde eier met ’n bros droe dop.

Moedverloor se vlaktes. Veel minder van die redding wat die oorspronklike bybelse ark bring en veel meer van Moses wat die Isrealiete steeds blindelings die woestyn in ly. Die ritme van die gedigte herinner swaar aan ’n NG Kerk dominee se preek. Waar is die liefde? Waar is die verbintenis, die teerheid wat nodig is om as aangewese heerser die natuur te bewaar?

Susan Smit het ’n gawe om natuurwesens en verskynsels te beskryf met woorde. Met haar gedig ‘Saad’ verbind sy die mens en die natuur op ’n biologiese vlak met dna. Die gedig vertel van goed en kwaad, teenstelling en ’n onvermoe om uit ons foute te leer. Oppervlakkigheid, persoonlike geskiedenis, lesse…diep in ons verweef. Van die gedig kan ek byna liries raak. Hier vaar jy wel met die digteres se woorde deur haar eie persoonlike groei mee.

Dit word egter nie vir my beter nie. Alleen moeiliker om te lees. Ook in ‘Die Alfabet van water’ benadruk sy dit:

wat nodig is
is ’n dubbelreis
van jou luisterende self
na die glip van water
oor klip waarin jy
medeklinker is

Daar sit ’n stukkie sinneloosheid in en benadruk die onnodigheid van die mens. Hoe erg ons die aarde faal. Ons is gemerk as die medeklinker, bywoner, sondebok.

In opsomming kan ek alleen met lof van die bundel praat. Letterkundig gesien fantasties. Ek ruik en proe die gedigte. Maar dit lees vir my moeilik omdat dit so emostioneelen familiar is. Tog die moeite werd en aktueel van belang. Ek voel aangespoor om ook van die skryfster se ander werk te lees.

***
Susan Smit (2016). Die aarde is ’n eierblou ark. Protea Boekhuis , 96 blz. € 11,70

Poëzie Kort 2016 / 11

 

Maarten Embrechts, Vel

Door Lennert Ras

Maarten Embrechts (1946) debuteerde in 2014 met Dagen van koffie en van brood. Hij publiceerde vanaf 2008 gedichten. Eerst in Meander, maar ook in De Brakke hond, Het liegend Konijn, Dighter en de Contrabas. Vel is een bescheiden bundel met niet te veel tekst en leest als een trein. Er wordt vaak over goede gedichten gezegd, dat er sprake moet zijn van een geheim. En Maarten Embrechts heeft zeker geheimen. Er schemert pijn door de bundel vanwege een problematische vaderverhouding.
Een vader met wie toch ook verbondenheid is. Misschien een incestverleden. De eerste afdeling van de bundel, waarin de vader een rol speelt, heet niet voor niets ‘Oorlog’. Alles speelt zich achter gesloten gordijnen af. Voor de buitenwereld zijn we netjes. ‘Hier vloekt / men niet ‘t Is in ‘t geniep dat ze hun darmen / luchten en dan nog even pulken aan hun mik.’ (p.9). De stank van achterkamertjes .. . Toch moest ik om deze regels wel even grinniken. Het is niet alleen maar zwaarte in deze bundel.
Na ‘Oorlog’ volgt de afdeling ‘Aaien’ , maar je vraagt je af of het wel bij aaien blijft. Dan volgt namelijk de afdeling ‘Schietgeweren’. Het inleidende gedicht hierbij van Jos Daelman, uit A Poets Grave (een titel die naadloos aansluit bij de bundel van Embrechts) revereert aan de speer van Achilles, die meisje was tussen de meisjes. Het personage in de bundel heeft het er ook over dat hij soms man, soms vrouw speelt (p.25) met alweer die seksuele connotatie. Zowel de speer als de schietgeweren doen hieraan denken. ‘De mensen houden niet van ons.’ (p.25). De regel staat opzettelijk apart.
Na de schietgeweren, ‘Pissen tegen weer en wind’. Het lijkt grappig bedoeld, licht, maar is dat wel zo? ‘Schrijven gaat over lijken’ (p. 33). Vel eindigt met het ‘Tekort van de letter’. ‘We mogen niet meer krassen in ons eigen vel’ (p.45). Vel is slechts het vel. Woorden schieten te kort om de ervaring te openbaren. Embrechts beklemt, zet aan het denken en laat ons achter met een gevoel dat we te kort schieten. Een zeer consistente bundel.

***
Maarten Embrechts (2016). Vel. Uitgeverij C. de Vries – Brouwers, 48 blz. € 14,90

 

Jos Versteegen, Woon ik hier

Door Eric van Loo

In Woon ik hier portretteert Jos Versteegen een aantal bewoners van het tegenover hem gelegen verzorgingshuis. Als dichter van dienst voor het project Eenzame Uitvaart betrad hij het verzorgingshuis om een gedicht voor de overleden mevrouw De W. te schrijven, een bewoonster zonder naaste familie:

EEN ZWIJGEN

Er waren anderen, veel anderen, mevrouw,
die net als u op laatste kamers woonden.
Een gang vol woorden, en ze gingen in en uit.
Dit was uw kamer. Zicht op het park.

In plastic tassen bewaarde u muziek,
daar was een groot, welluidend zwijgen
over de liefde en het leven.

U koesterde, mevrouw, u die geen moeder was,
foto’s van kinderen, twee kinderen, spoorloos,
die uit een krant of tijdschrift tot u zwegen.

En in uw stoel, mevrouw, daar zaten beertjes,
en u zei welterusten, ‘s avonds laat,
in uw kamer aan het stille park,
in uw groot, welluidend zwijgen.

Hierna kreeg Versteegen het idee om met meer bewoners te gaan praten, om hun levensverhalen aan te horen nu ze deze nog konden delen, om deze misschien als inspiratie voor gedichten te gebruiken. Twee jaar en vele ontroerende gesprekken later resulteerde dat in Woon ik hier.
Evenals in het hier weergegeven gedicht spreekt de dichter de ouderen meestal met ‘u’ aan. Hoewel dat in de omgang een logische keuze is, schept het in de gedichten ook afstand. Ik voel me als lezer buitengesloten, buiten het gesprek dat de dichter met de ouderen heeft. Meer nog dan wanneer de derde persoon enkelvoud gebruikt zou zijn: ‘Zij die geen moeder was koesterde / foto’s van kinderen (…)’. Met deze formulering heb ik meer het gevoel samen met de dichter door het raam te kijken.
Van de vorm moet deze poëzie het niet hebben. De meeste gedichten lezen als versjes, vaak met een dreinerige viervoetige jambe. ‘Nu zit u met die voet, gebroken, / u moet straks naar het ziekenhuis, / vanavond gaat u verder in / uw leesboek, Hoeve in de storm.’ De keuze van het woord ‘leesboek’ verraadt dat de dichter het ritme bewust na heeft gestreefd. Des te merkwaardiger is de opening van dit gedicht: ‘Uw beertjes kijken, dag en nacht, / uw bambihertjes ook, glanzend / op uw buffet, met grote ogen, / en uw zigeunerjongen huilt.’ Regel twee valt volledig uit het metrum, zonder dat dit als antiritmie functioneel is.
Het gedicht ‘Tobelo’ heeft geen last van deze vormdwang. Het is een aardig verhaaltje, daar niet van. Maar het zou beter geweest zijn om het als prozagedicht af te drukken, een vorm die sinds een jaar of tien in zwang is. Niet te veel pretenties, gewoon pas een nieuwe regel beginnen als de oude vol is.
Het hierboven aangehaalde gedicht ‘Uw zigeunerjongen huilt’ legt ook wat de inhoud betreft een vinger op de zere plaats. De gedichten lijken soms zelf een ‘Zigeunerjongen met traan’. Respectvol opgeschreven, maar vaak ook sentimentele anekdotes. Indringende verhalen, dat zeker. Over hoe de oorlog voor veel van de bewoners nog springlevend is. Over hun jeugdherinneringen, die juist nu ze oud zijn boven komen drijven. En over de eenzaamheid. Het is goed, dat de dichter bij zijn overburen op bezoek is geweest. Of dit ook goede poëzie heeft opgeleverd is de vraag.

***
Jos Versteegen (2016). Woon ik hier. Nieuw Amsterdam, 64 blz. € 19,99

 

Geert Buelens (red.), Plots hel het werd. Jacobus van Looy en de Battle of the Somme

Door Hans Puper

Plots hel het werd is een boek over de receptie en invloed van de Engelse propagandafilm The battle of the Somme uit 1916, die internationaal een schokgolf veroorzaakte: het aantal slachtoffers kwam aan het eind van de slag boven het miljoen. Het medium stond nog in de kinderschoenen; films als deze waren volstrekt nieuw. De bezoekers kregen de oorlog te zien zoals hij echt was en daarin bleef weinig heel van de mythe van koene, vaderlandslievende strijders die onvervaard optrokken tegen de vijand. Ze zagen beelden van het leven in modderige loopgraven, kraters vol water, gewonden, doden, onafzienbare rijen soldaten op weg naar het front, die soms vrolijk naar de camera zwaaiden en in wie
Engelse bioscoopbezoekers soms een gesneuvelde zoon, echtgenoot of vader herkenden.
Een van die bezoekers was Jac. van Looy, voormalig Tachtiger en schilder. Dat is bijzonder, want een voornaam man als hij trof je in bioscopen weinig aan: film werd door cultuurdragers – met uitzondering van een enkeling als Van Ostaijen – nog beschouwd als een ordinair medium. Van Looy doet verslag in zijn lange gedicht ‘Het verhaal van den provinciaal’, waarin hij over zijn ontzetting geen twijfel laat bestaan. In een kort radio-interview van Frits Spits met Geert Buelens, de redacteur en inleider van dit boek, zijn fragmenten van ‘Het verhaal’ te beluisteren.
Het boek bestaat naast Buelens’ inleiding uit vier artikelen en een DVD met interviews, fragmenten uit de film en een voorlezing van Van Looys gedicht. Interessant is het artikel ‘Ik kan niet alles ordelijk vertellen’ van Fabian Stolk, waarin hij onder andere ingaat op de negentiende-eeuwse literaire conventie van de manuscriptfictie, die Van Looy lijkt te ironiseren. De manuscriptfictie, in mijn woorden weergegeven: de schrijver of dichter doet het voorkomen of zijn werk een bewerking is van een (bijvoorbeeld) nog onbekend, vaak middeleeuws manuscript dat hij in handen heeft gekregen. Aanvankelijk werd dat geloofd, maar naarmate zo’n waarheidssuggestie vaker voorkwam, werd die terecht opgevat als fictie. Multatuli ironiseerde dat procédé: hij claimt dat het manuscript in de Max Havelaar, het ‘pak van Sjaalman’, wel degelijk waarheid bevat. De lezer moest aan het slot met een schok tot de ontdekking komen dat het boek geen exotische roman is, maar een aanklacht tegen de uitbuiting van Javanen. Stolk laat zien dat Van Looy vele jaren later iets dergelijks lijkt te doen: het gedicht zou een onderdeel van een nalatenschap zijn. Het besef van de lezer dat het hier niet om fictie, maar om de keiharde werkelijkheid gaat, geeft het gedicht een extra lading.
In het artikel ‘Het hoe en het wat. Jac. van Looy en andere Tachtigers in de Groote Oorlog’ onderzoeken Tessa Lobbes en Laurens Ham het engagement van Tachtigers ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Het is natuurlijk niet vreemd dat de opvattingen van de in hun begintijd onmaatschappelijke estheten dertig jaar nadien niet meer hetzelfde waren – rond 1890 stelden Gorter en Van Eeden hun kunst al in dienst van respectievelijk het socialisme en spiritueel ingegeven maatschappijhervormingen – maar desalniettemin is het boeiend te lezen over hun publieke optreden en publicaties (of de afwezigheid daarvan) in de Eerste Wereldoorlog.
De titels van de andere twee artikelen spreken voor zich: ‘De dood op het doek. The battle of the Somme als mediagebeurtenis in Nederland’ en “Want de Oosterling is voor niets zoo toegankelijk als voor het levende beeld op het projectie-doek’. The battle of the Somme in Nederlands-Indië.’ Ze zijn van respectievelijk Klaas de Zwaan en Natalia Stachura.

***
Geert Buelens (red.) (2016). Plots hel het werd. Jacobus van Looy en de Battle of de Somme. Huis Clos, 112 blz. € 27,50

 

Amarantha Groen, De geschiedenis van zand

Door Hans Puper

De geschiedenis van zand is de debuutbundel van Amarantha Groen. Het is ‘een zintuiglijke reis door haar gedachtewereld’, lezen we op het achterplat. Dat is de zien: de gedichten zijn beeldend en associatief en daardoor niet altijd begrijpelijk. Dat hoeft ook niet, als ze maar werken. Dat doen ze ongetwijfeld op het podium, maar op papier is een aantal gedichten niet tegen herlezing bestand. In ‘Romance’ schrijft ze bijvoorbeeld: ‘Op een half beschaduwd plein / wachtte je op mij, de dwaling // droop als kaarsvet uit de lucht / het brandde kort / op onze huid en bleef / aan onze vingers kleven ( … )’. Een als kaarsvet druipende dwaling in combinatie met ‘uit de lucht’ vind ik ongelukkig. Geen kaarsvet zonder een vlammetje; ik moest denken aan een sadistisch opperwezen dat een kaars scheef houdt en dat lijkt me niet de bedoeling. Als de dichter ‘uit de lucht’ had weggelaten, had ik het beter gevonden.
‘Object’ is een gedicht dat ik goed vind. Ik citeer het in zijn geheel.

De figuur tegenover mij kijkt niet
naar mij, maar naar een coördinaat
in lucht. Een lijn
tussen ons breekt. Beduusd
dwaal ik de ogen af.

Mijn blik leunt tergend op zijn lichaam,
tast de structuur af van zijn hemd –
touwachtig, grof, als een rieten mat.

Dan laat de man zijn punt varen en
merkt me op. De lijn tussen ons
zet zich schrap.

Ik lees dit gedicht als volgt.
De ik-figuur is een punt, een ‘coördinaat / in lucht’ en wordt niet gezien als de persoon die zij is. Hij ook niet trouwens, anders spreek je niet van een ‘figuur’. Een coördinaat wordt bepaald door twee lijnen en die moeten in dit geval van de figuur uitgaan: vanuit zijn ogen en vanuit zijn geslacht? Ziet hij haar alleen als seksobject? In ieder geval breekt er een van de lijnen. Mooi is het zinnetje: ‘Beduusd / dwaal ik de ogen af’. Voor ‘de ogen’ kun je lezen ‘zijn ogen’ en dan probeert de ‘ik’ de man tegenover haar te peilen. Je kunt ook ‘mijn ogen’ lezen en dan wendt de ik haar ogen af, besluiteloos, zonder doel. Het woord ‘dwaal’ is in beide gevallen mooi gekozen.
De tweede strofe onderstreept de afstand die zij ondervindt: de man beschrijft zij als een object tot het moment dat hij haar ziet als persoon: de overgebleven lijn ‘zet zich schrap’. Dat kan twee dingen betekenen: de lijn trekt strak en dat betekent toenadering of de lijn maakt zich klaar voor verzet.

Ook het beeld van de lijnen is niet helemaal waterdicht, maar het is een kniesoor die daarop let: Amarantha Groen kan zich ontwikkelen tot een goed dichter.

Amarantha Groen (2016). De geschiedenis van zand. Uitgeverij Liverse, 44 blz. € 15,95

Poëzie Kort 2016 / 10

 

Arnold Jansen op de Haar, Het refrein van andermans leven

(Door Lennert Ras)

De bundel begint aardig en ingetogen. De vele aspecten van het leven komen voorbij als in een caleidoscoop. Ook de oorlog komt aan bod, maar mooi impliciet en niet te openlijk.
Maar met regels als ‘mijn pik is mijn god’ (p.18) en ‘beroer je roede op eenzame kamers’ (p.74) – alhoewel onanie natuurlijk ook een aspect van het leven is – haalt Arnold het niveau toch wat onderuit.
Naar het einde toe wordt de bundel warriger en springt hij van de hak op de tak. ‘Twistjurkcursussen staan lachend /aan de rand van het ijskoude / opblaasbare water // men plant zich voort via navels / buren steken hun snavels / door het gat in de heg’ (p. 79). Alsof hij net niet genoeg goed materiaal voor de bundel had, of hem heeft afgeraffeld. Ook de uitsmijter: ‘in die laatste seconde speelt opnieuw alles zich af,’ (p.80) is een beetje een gemeenplaats.

***
Arnold Jansen op de Haar (2016). Het refrein van andermans leven. Holland Park Press, 80 blz. € 12,50

 

Kees Engelhart, Trommelbrood en Crucifix

(Door Hans Puper)

Kees Engelhart is een intrigerend man. Niet alleen als dichter, maar ook als uitgever. De dichter publiceert veel – ook in tijdschriften – en gebruikt verschillende heteroniemen die schrijven in een voor hen karakteriserende stijl: Fabian de Sackenay, Mila Fertek, Nol Krentsch, Jacob Peereboom en anderen .
De uitgever Engelhart heeft nu twee bundels tegelijk uitgegeven: Trommelbrood en Crucifix onder zijn eigen naam enVlak achter roekeloze wegen onder het heteroniem Nol Krentsch. De bundels hebben banden met elkaar: zo heeft een van de gedichten uit Trommelbrood en Crucifix de titel van Krentsch’ bundel. Uitgever Engelhart is net zo’n buitenbeentje als de dichter: de bundels kosten niets en worden ook nog eens gratis verzonden. De enige vrijwillige tegensprestatie is een donatie aan Uitgeefhuis De Manke God.

In Trommelbrood en Crucifix is niets zeker. Feiten scheppen geen helderheid: ‘Onomkeerbaar lagen de feiten daar en / Voornamelijk het onweetbare / Speelde een vooraanstaande rol in elk ervan’. Deze constatering staat in de korte gedichtencyclus ‘Ongelukkigerwijs’. Ik citeer de eerste strofe als illustratie voor de manier waarop Engelhart te werk gaat om het onzekere te verbeelden:

Ongelukkigerwijs stormde even daarvoor
Een jongetje van nauwelijks vier
De brede paleistrappen op
Onbevreesd voor de naderende dood
Keken vogels toe
Een enkele marter

Wat er ‘daarvoor’ is gebeurd, komen we niet te weten en met de regel ‘Onbevreesd voor de naderende dood’ kun je verschillende kanten op. Keken vogels toe en waren zij onbevreesd voor de dood van het jongetje? Of waren zij onbevreesd voor hun eigen dood? Heeft die marter iets met de naderende dood te maken? Als je de strofe voor de eerste keer leest, gebeurt er nog iets anders: je verbindt de regel aan het jongetje en dan is hij onbevreesd. De hoofdletters helpen daarbij: je bent in eerste instantie geneigd de regels als afzonderlijke eenheden te zien. Wat na de vierde regel volgt, is bij eerste lezing nog onbekend.

Zelfs met zijn inhoudsopgave lijkt hij het onzekere te onderstrepen: de aangegeven volgorde ven twee gedichten is in de bundel omgedraaid. Maar is dat opzet of een vergissing? Je weet het niet.
Dat de dichter niets zeker weet, maakt zijn leven moeilijk, maar hij krijgt er wat voor terug, stelt hij in ‘Dichterbij kunnen we beslist niet komen’: ‘We nemen het zoals het is / We ervaren wat we kunnen / De rest is onbelangrijk / Voor ons wel te verstaan / Voor anderen kunnen andere wetten gelden’. Generaliseren doet hij niet, hij spreekt alleen voor zichzelf. Maar die anderen lopen wel de kans iets te missen: ‘Sommigen weten wat er wordt gezocht maar dansen / Nee daar kunnen ze niets van / (…)’.

Fascinatie en wanhoop. De laatste drie regels van het titelgedicht vatten beide kanten samen: ‘Allerlei dingen gedaan / Hoop gekoesterd afgrijzen soms / Veel gelachen ook.’ Laconieker kun je het niet zeggen, maar dat is schijn.

Bestellen, die bundel.

***
Kees Engelhart (2016). Trommelbrood en Crucifix. Uitgeefhuis De Manke God, 48 blz. Gratis te bestellen. (info@demankegod.nl)
Hetzelfde geldt voor: Nol Krentsch (2016). Vlak achter roekeloze wegen. Uitgeefhuis De Manke God, 49 blz.

 

Peter Handke, Gedicht aan de duur

(Door Hans Puper)

Huub Beurskens heeft Gedicht an die Dauer van Peter Handke vertaald onder de titel Gedicht aan de duur. Het stamt uit 1986, maar omdat het lange gedicht ‘filosofisch-narratief’ is, doet het eigentijds aan.

Toen Handke in 1986 onderweg was naar de post om het manuscript van de roman Die Wiederholung naar zijn uitgever te sturen, besefte hij tot zijn schrik dat hij het had laten liggen bij een marktkraam. Op hetzelfde moment hoorde hij een vrouw zijn naam roepen. Als hij naar haar toeloopt, herinnert hij zich ‘die andere stem’ die hem een kwarteeuw eerder ‘ook zo bezorgd, als van bovenaf, tegemoet kwam’. Dat was een moment dat hij de duur ervoer. (Je zou zeggen dat de titel Die Wiederholung een in het gedicht passende fictionalisering is, maar dat is niet zo: de roman is daadwerkelijk uitgegeven). Die ervaring is de aanleiding om diezelfde dag nog te beginnen met een onderzoek naar de duur. Het gedicht is daarvoor de geëigende vorm. Het begint aldus:

Al lang wil ik over de duur schrijven,
geen verhandeling, geen schets, geen verhaal –
de duur zet aan tot het gedicht.
Wil me afvragen met een gedicht,
me herinneren met een gedicht,
beweren en bewaren met een gedicht
wat de duur is.

Handke geeft een groot aantal voorbeelden waaruit je kunt opmaken wat hij onder duur verstaat, wat niet en aan welke voorwaarden een ervaring van duur moet voldoen. Aandacht bij alles wat je doet is daar de belangrijkste van: ‘bij het behoedzaam dichtdoen van een deur, / bij het zorgvuldig schillen van een appel, / bij het oplettend over een dorpel stappen, / bij het bukken naar een draad naaigaren.’ Duur kun je ervaren bij een besef van gelijktijdigheid: ‘onze lichamen ( … ) / voegden zich spelenderwijs samen, / terwijl tegen de muur van de kamer, / in het licht van de straatlantaarn, / de schaduwen van de tuinstruiken van Europa bewogen, / de schaduwen van de bomen van Amerika, / de schaduwen van de nachtvogels van overal.’ (26). Duur kan ook tijdloos zijn: ‘Bezield door de duur / ben ik ook die anderen, / die al voor mijn tijd aan het Griffener Meer stonden, / die na mij om de Porte d’Auteuil zullen lopen, / met wie ik allemaal naar de Fontaine Sainte-Marie / zal zijn geweest.’
Waarom al die moeite om duur te ervaren? Omdat je voelt dat je leeft; je raakt niet in vervoering, maar duur brengt je ‘in orde’.

Inhoudelijk is het gedicht interessant, maar poëtisch niet. De vorm doet willekeurig aan: als het een prozagedicht zou zijn, verloor het niet aan kracht.

***
Peter Handke (2016). Gedicht aan de duur. Vertaling door Huub Beurskens. Uitgeverij Koppernik, 48 blz. € 15,00

 

Carl Deseyn, De Ommeloze. Gedichten Annie Reniers & Claude van de Berge

(Door Hans Puper)

De Ommeloze is een mooi uitgevoerd boek met foto’s van Carl Deseyn, verrijkt met gedichten van Annie Reniers en Claude van den Berge.
‘De ommeloze’ is de naam van een minstens vierhonderd jaar oude esdoorn op een heuvel bij het Oost-Vlaamse dorpje Leupegem. ‘Om zich tegen parasitaire bedreigingen te beschermen groeit de boom in eenzaamheid’, lezen we in de inleiding. Het zal wel. De boom biedt in ieder geval een prachtige aanblik. Fotograaf Carl Deseyn heeft hem in alle seizoenen gefotografeerd, bij nacht en dag, onder alle weersomstandigheden, dichtbij en veraf. Compleet is deze opsomming niet; de foto’s zijn zonder uitzondering bijzonder, een enkele prachtig.
Bij series van vier tot zes foto’s hebben Annie Reniers en Claude van den Berge gedichten geschreven. Ik citeer er een van Annie Reniers, maar eigenlijk doe ik daarmee zowel haar als Deseyn tekort, want foto’s en gedichten zijn aan elkaar verbonden.

de esdoorn toont
in toekomstigheid
zijn oorsprong

 
bij terugkeer naar zichzelf
de bron
een oerveld in bladerval

uitgestrooide seinen
van geborgen wachten

 
vergaan verwelkt
nog niet

 
is er dit ogenblik
van feestelijk afscheid
naar herbegin

Boomsymboliek speelt een belangrijke rol in het boek. In zijn inleiding schrijft Claude van de Berge hierover onder andere: ‘Bijna alle kosmologieën zijn gebouwd op een boomsymboliek: de boom waaronder Boeddha verlichting vond, de boom waaraan Odin geketend was toen hem de runentekens werden geopenbaard, de sjamanenboom als kosmisch hologram, de boomvormige Joodse kandelaar en zelfs het kruis in het christendom.’ (Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik bij de boomsymboliek van het kruis in de lach schoot.)
De bundel eindigt met twee spirituele stukken van Carl Deseyn: ‘Goden en valse platanen. Hoe de esdoorn aan zijn naam kwam’ en ‘De eeuwige’. In zijn visie moet je de levengevende bomen respecteren – geen weldenkend mens zal dit bestrijden, maar zijn wereld is mij toch vreemd. Dat de verkleuring van de bladeren in de herfst een ‘stresstoestand [is] waarbij de boom zich voorbereidt op de winter’: ok, dat kun je met enige goede wil zien een personificatie. Maar dat we dankzij bomen kunnen horen: nee. Spiritualiteit en eenvoudige, controleerbare natuurkunde verdragen elkaar niet altijd. Deseyn: ‘Bomen halen CO2 uit de lucht en pompen zuurstof in de atmosfeer. Geluid plant zich enkel voort in zuurstof. Dankzij bomen en planten kunnen we ademen, maar ook horen.’ En dat esdoorns kanker kunnen voorkomen, al is het maar bij koeien, ook daarover heb ik mijn twijfels: ‘Zieke grazers doen aan zelfmedicatie en zoeken boomknoppen en scheuten om zich te genezen. Het vezelrijke loof verteert ook veel beter dan wintervoer en voorkomt kanker.’

 
Hoe het ook zij, er valt genoeg te genieten aan dit boek.

***
Carl Deseyn (2016). De Ommeloze. Gedichten Annie Reniers & Claude van de Berge. Uitgeverij P, 2016. 124 blz. € 34,50