Recensie van Meervoudig afwezig - Ester Naomi Perquin

De raadselachtigheid van Perquin

Ester Naomi Perquin
Meervoudig afwezig
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261631
€ 16,99
37 blz.

In de nieuwe bundel van Ester Naomi Perquin Meervoudig afwezig (2017) trekt de dichter ons op intelligente wijze herkenbare levenservaringen binnen en laat ons er met nieuwe ogen naar kijken. Ze vraagt daarbij veel van onze voorstellingsvermogen vanwege haar verrassende wendingen van het concrete naar het abstracte en omgekeerd, haar omkering van voorstellingen, zienswijzen en gedragingen, zoals bijvoorbeeld het meebrengen naar een feest van ‘een kleine gedachte, mooi ingepakt//’ of de gedachte van ‘leegte’ als associatie met ‘oppervlaktewater’. Het paradoxale, het tegenstrijdige en het onoplosbare dat in veel situaties schuilgaat, is in deze bundel haar handelsmerk. Evenals Leonard Nolens beschouwt ze de stijlfiguur van de paradox als de enige hygiënische manier van denken. We moeten het ja niet scheiden van het nee, zoals Paul Celan haar leerde. Daarin gaat de raadselachtigheid van het leven schuil. Perquin neemt haar scherp waar, heeft niet zozeer de neiging daar een oplossing aan te verbinden, maar wil je de ingewikkeldheid van het leven laten zien. Het maakt voor een groot deel de spanning en de charme van de menselijke conditie uit. Genot is in dit geval misschien wat te veel gezegd, maar enig mild moralistisch realiteitsbesef weet Perquin ons wel voor te houden. Ze laat ons goed zien in hoeverre in de delen het totale zich het best laat zien, en in het totale de schoonheid en de waarheid van de delen zich kan aftekenen. Haar toon in deze bundel ligt dicht bij haar persoonlijke ervaring.
     Het motto van deze bundel ‘Er schuilt ongeloof in ieder uur’ is haar ingegeven door Fernando Pessoa, de dichter die voortdurend twijfelde aan zijn eigen identiteit, en niet voor waar wenste te houden wat anderen hem voorhielden en/of voordeden. Identiteit was voor hem drijfzand en aan een voortdurende verandering onderworpen. Wat is dat eigenlijk: er zijn, aan- en afwezig zijn? Perquin vraagt zich terecht af of we van onszelf wel weten wie we zijn en waarom we de dingen doen zoals we ze doen, laat staan dat we dat van anderen zouden kunnen weten. Ze begint met een mysterieus introductiegedicht. Daarin spreekt een professor zijn studenten toe:

De aard van de afwezigheid, dames en heren,
is zodanig afhankelijk van ons verdwijnen
dat zij niet valt waar te nemen.

Ook wat blijft, valt lang niet altijd goed waar te nemen, neem bijvoorbeeld de ‘maan’. ‘U zult de grootheid niet in het totale vinden.’ […] ‘Maar het totale in de delen!’ De professor die deze uitspraken doet, besluit in laatste strofe met het voorbeeld van een olifant om daarmee zijn theorie te illustreren:

Een olifant (…) lijkt pas de olifant die hij
daadwerkelijk is wanneer u
wegens kijken door een sleutelgat
een groot deel van hem mist.

Met onze verbeelding voltooien wij het beeld van onze werkelijkheid. Wat er onder oppervlakte aanwezig is, zien we vaak over het hoofd; wat in de werkelijkheid afwezig is, krijgt in onze verbeelding zijn entourage.
     Het eerste deel van deze bundel heet ‘De delen’. Hierin staan onder meer enkele gedichten die refereren aan een relatie, scheiding en kinderen, over wat zoek raakt, verdwijnt en pijn doet, zoals het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’, ‘Berekening’ en ‘Therapie’. Wat er leek te zijn, was er niet. Wat er niet was, bleek er wel te zijn. Schijn bedriegt: ‘slaap niet in vertrouwde armen / als andere aanlokkelijk ontbreken’ zegt de ik in het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’. Zij hebben een ander beeld van de relatie dan de ik zelf. De ervaring van een scheiding doet de ik mismoedig en ironisch oproepen:

…………………………..Zoek naar de aarzeling
en ongemak. De raadselachtigheid. Ik zou nu graag
een lelijke die mij weer aan het lachen maakt
en die mij prachtig vindt. Prachtig.

In het gedicht ‘Therapie’ vraagt de ik – die zichzelf als een stad beschouwt – zich af hoe ze zich van de angst kan bevrijden: ‘We vragen ons af wie de ander/ beter leest. Wie wint. Waarom we eenzaam zijn/’. Wie heeft het beste zicht op de ‘klont in [het] brein’? De cliënt of de therapeut? In het laten zien van wat aanwezig is maar afwezig lijkt te zijn, bedient Perquin zich van verdwijntrucs die thuishoren in sprookjes, zoals in het gedicht ‘Wegens logistieke problemen’. De ik mocht de doos die gearriveerd was, niet openen. Uiteindelijk stapt ze er toch binnen, opdat ze daarmee voor even zou vergeten wat haar te wachten staat. Blijkbaar werd het openen van de doos belemmerd door een angstgedachte dat er iets in de doos zat wat gevaarlijk was. Wat niet zichtbaar was, was aanwezig in al zijn afwezigheid. Tweemaal afwezig: de angst en het verdwijnen in de doos.
     In het gedicht ‘Een troost’ ontleent Perquin troost aan de roekeloze en waar te nemen groei die de natuur in al zijn facetten kenmerkt: ‘Wat groeit, groeit roekeloos.//’ Wij mensen bestaan massaal niet, we zijn ‘feilloos in het niet-bestaan.//’ Ze gaat daarna verder met:

We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

( … )
Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

Onze af- en toekomst rust in de onbegrijpelijke afwezigheid van een schepper die in ons zijn aanwezigheid tot uitdrukking heeft gebracht. In het gedicht ‘Ondersteunende troepen’ zijn daar de angstige vaders die vrees hebben voor de oorlogshandelingen. Ze hebben angstvisioenen die niet bewaarheid worden, maar weten zich gesteund en getroost door de vooruitzichten die hun kinderen hen bieden voor na de oorlog. In beide gevallen berusten die vooronderstellingen op wat er niet is. Ook hier is er sprake van tweemaal afwezigheid. Zo zie je maar weer hoezeer mensen gedreven worden door wat zich in hun verbeelding vormt en vastzet, en niet op de feiten is gebaseerd. Door de vreesaanjagende deelaspecten wordt het verlossend geheel vaak niet zichtbaar meer.
     Het tweede deel heet ‘Het totale’ begint met een reeks nabeelden, zoals ‘Zelfs in de koppen van gevangen apen, las ik,/ treft bij de sectie vaak nog/ hele stukken oerwoud aan.//’. De conversatie met de snurkende, vaag geurende God is vermakelijk en hilarisch te noemen. “Je hebt veel dingen nooit gedacht,” zegt God ineens./’ tegen de ik. De ik repliceert: ‘U bent er niet.’ God houdt zijn ogen dicht en gaat verliggen. ‘Gratis dicteer ik / dit gedicht’, zegt hij. “Probeer het zelf / maar te verpesten.”//’. Het maken van het gedicht ligt wel en niet in onze handen, of God er nu wel of niet bij aanwezig is. Het scheppingsproces blijft een oneindig raadsel. Perquin laat haar lyrisch subject in dit tweede deel worstelen met de oorsprongs- en bestaansreden. Ook al kunnen we tegenwoordig heel ver het heelal inkijken, uiteindelijk keren we terug ‘bij het noodgedwongen wezen / van de mens: ons vermoeden. //’ In onze handelingen, hoe aarzelend en klein dan ook, ligt de bestaans(on)zekerheid. Het gedicht ‘Handelingen’ legt die existentiële vraag op tafel. Het lyrisch subject van Perquin cirkelt voornamelijk in deze bundel rond de vraag wat de vaste grond van dit bestaan is. Ze is er al lang achter dat die grond niet in de materie en de mens alleen te vinden is. Ze accepteert dat ook en bepleit enerzijds de permanente modus van de onzekerheid, maar blijft anderzijds naar een vermoedelijke aanwezigheid van een bestaansgrond zoeken: ‘Vermoeden omlijnt ons bestaan, een silhouet van onze krijt, / de dunne omtrek van een lijk; wij zijn wat niet meer / verder komt, voorgoed is vastgesteld. //’. In het gedicht ‘Had het hierbij maar gelaten’ blijft die finale vraag opspelen:

Je neemt een been (een lang, bruin been dat iemand over heeft)
een meeuw of twee en het uitzicht op zee.

Gelukkig zijn is gemakkelijk wanneer iemand anders steeds
je drankje brengt en diepe gesprekken kunnen vrij eenvoudig zijn:
je begint met de herkomst van het been en voor je het weet ben je
toe aan het hart, het eerste verlies, de innemende lach
en als je dood gaat, wat je dan denkt
dat men vermoedt dat je dacht.

Vraag als de zon zakt nog even of God het zo bedoelde en je zult zien
dat ook Hij, als Hij met ons klaar zal zijn,
de schepping uit de knoop haalt, leeg laat lopen,
de boel inpakt (zorgvuldig droogwrijft) en opbreekt,
nog één keer omkijkt en verdwijnt – je zult zien dat ook Hij
graag kijkt naar betere omstandigheden.

Naar één zuiver idee als dit. Een huis
met een trap naar de zee.

Perquin heeft met deze nieuwe bundel een zeer leesbare, verrassend knappe bundel geschreven die voor mij een aards-metafysische inslag heeft, zonder dat hij humor en directheid mist. In haar pogingen het afwezige in het aanwezige te laten zien vanuit het deel of het geheel, maakt zij deze bundel tot een existentiële ervaring met een spirituele kwaliteit.

Recensie van Krabbengang. Bloemlezing uit eigen werk - Stefaan van den Bremt

Te lezen voor wie graaft

Stefaan van den Bremt
Krabbengang. Bloemlezing uit eigen werk
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339195
€ 20
192 blz.

De recent verschenen bloemlezing Krabbengang (2016) van de Vlaamse dichter en vertaler Stefaan Van den Bremt biedt de lezer een overzicht van gedichten die zijn voorkeur verdienen. Uit 17 van de 20 verschenen bundels heeft hij een keuze gemaakt. Hij is niet de enige dichter die om de zoveel tijd zich geroepen voelt streng en kritisch zijn verzen te wikken en te wegen. Andere dichters zijn daarin soms wat minder streng te werk gegaan, zoals Stefan Hertmans en Leonard Nolens. Met dit selectieproces zal hij de bedoeling hebben gehad die verzen in zijn bloemlezing een plaats te geven die het sterkst zijn identiteit als dichter bepalen.
     Aan het gedicht ‘Plattegrond’ uit de bundel Voegwerk (2008) voegt hij een motto van de Spaanse dichter Antonio Machado (1875-1939) toe: ‘ga maar er is geen weg / hij wordt pas gaande weg’. Met dat adagium moet Van den Bremt indertijd als dichter op pad zijn gegaan. Daarin staat halverwege een versregel die een essentiële beweegreden voor zijn dichterschap onderstreept: ‘We jagen wie wij worden na’. Die jacht roept veel melancholie op, omdat er altijd een verschil tussen kunnen en willen zal blijven bestaan.
     Onder titel ‘Afspraak met de geschiedenis’ tekent Dirk De Geest voorafgaand aan de bundeling een vloeiend portret van deze dichter en zijn ontwikkeling. Hij prijst hem om zijn uitmuntende staalkaart en schetst hem als een scherp waarnemer met oog voor de complexe realiteit waarin wij leven. Daarbij slaat Van den Bremt het oog op wat zich in zijn directe leefomgeving aan hem voordoet, maar ook op wat er op zijn reizen door Europa en daarbuiten in zijn vizier is gekomen. Hij onderkent zijn eigen individualiteit in een onmisbaar sociaal verband. Hij zoekt de ander in zijn ontmoeting met de kunsten, de liefde, de natuur en de taal.
     Van den Bremt is niet zozeer een vernieuwer te noemen, hoewel hij in zijn Labris-periode zijn taalexperimenten heeft gekend. Na verloop van tijd zocht hij in zijn poëzie meer naar wat voor hem in de meest objectieve zin de werkelijkheid is. Het is ook de periode waarin hij zijn politiek-maatschappelijk engagement uitdraagt, zoals in het gedicht ‘Lyriek en politiek’ uit de bundel Andere gedichten (1980): ‘Het land dat u bestuurt, heren, / heeft meer emotie nodig! // Goede lyriek deed nooit onder / voor de politiek: beide / vullen een tekort met woorden.’ De heren politici bestrijden nog altijd niet de honger in Afrika, terwijl daar nog altijd ‘eetlust zonder eten’ bestaat. In dit tekort treffen politici en dichters elkaar.
     Zoals vele generatiegenoten ontdekt Van den Bremt dat we alleen door middel van de taal ons een beeld van de werkelijkheid kunnen scheppen. Hij schroomt niet om gaandeweg steeds meer zijn lyrische stem te laten klinken en de grenzen van de liefde te verkennen, zoals in het titelloze gedicht uit de bundel Het onpare paar (1981): ‘Zin op liefde, muze. / Dit zijn de woorden. // Zing van de liefde, de dichter, / zing verzin opnieuw / de oudste deun.’ Het is de enige manier om onze innerlijke leegte te verdrijven. Daarin speelt de taal voor Van den Bremt een hoofdrol. Daarbij geeft zijn melancholieke ondertoon een zekere vergeefsheid mee aan zijn verzen, zoals in het vers ‘De weg naar Saint-Cirque-Lapopie’ uit de bundel Een vlieg met gouden vleugels (1997): ‘Poëzie, zoals de liefde, is de ellende / van de lijfelijke gelukzaligheid. Ook // zij eindigt met de treurnis / van elk dier na de coïtus’.
     Aan zijn poëzie valt in vorm en inhoud de verbondenheid met de traditie af te lezen. In het bijzonder hebben de Franse en Spaanse poëzie zijn interesse. Zijn poëzie is bepaald niet eenvormig en gelijkluidend te noemen. Zijn verzen zijn wisselend van lengte, net zoals dat met de versregellengte en de typografie het geval is. Van den Bremt is van meet af aan een bouwer van grote en kleine cycli geweest, zoals de cyclus ‘Nachtmuziek over Ter Kameren” uit de bundel Een vlieg met gouden vleugels (1997), in navolging van een vergelijkbare cyclus van Octavio Paz. Als een wandeling door de herinnering opgetekend daalt het lyrisch subject bij wijze van spreken af naar wat er aan voornemens achter hem ligt: de waarheid te vinden, een nieuwe wereld te maken en het juiste woord te vinden. In dergelijke omvangrijke verzen kan hij meer spelen met sferen, klankkleuren en ritmes.
     Stijlfiguren als herhaling, parallellisme, imperatief, tegenstelling, paradox en retorische vraag komen veelvuldig voor en onderstrepen zijn ambivalente levensgevoel. In het gedicht ‘Drempeldicht’ uit de bundel Verbeelde boedel (1995) brengt hij dat heel precies onder woorden. Hij wenst maker van ‘dubbelzinnige gedichten’ te blijven. De ‘kunst der wankele evenwichten’ hoopt hij meester te worden. Hij onderkent de leugenachtigheid van onze waarneming, en zeker als wat wij hebben waargenomen is gefotografeerd, zoals in het gedicht ‘De duivel als fotograaf’ uit de bundel Verbeelde boedel (1995): ‘Herinner je. Eén ogenblik mag je / weer meisje zijn. Het is geen vrouw gegund / zo mooi te blijven dan als souvenir.’ De vaststelling van een fotomoment is een hoogtepunt, maar is tevens een moment van herinneringsverfraaiing.
     Iets van de poète maudit leeft in deze dichter. Hij beschouwt zich als de kleinst mogelijke cirkel met een omtrek en middelpunt. Hij worstelt met het zoeken naar een krachtige eigen stem. Was hij eerder de dichter die met een retorische vraag zich afvroeg of hij wel de aangewezen persoon was om over het menselijk tekort te spreken, gaandeweg heeft hij die positie veroverd en het zelfvertrouwen zich eigen gemaakt. Hij formuleert dat treffend in het gedicht ‘Waakvlam’ uit de bundel Met ogen vol vergetelheid (1989) als volgt: ‘Alleen waar vuur heerst, heilig vuur, ontwaakt / de ware schrijfaandrift. Dat vuur volmaakt / het handwerk van het schrijven, een gedreven / aaneenrijgen van letters die gaan leven’.
     Van den Bremt formuleert voorzichtig, detailleert subtiel en heeft oog voor wat veelal over het hoofd wordt gezien, zoals in het ‘Een landslied’ uit de bundel Taalgetijden (1999) : ‘Nog liever is het me waar licht op weg is / naar een plooi die met geen windvlaag glad / te wrijven is’. Hij personifieert graag zijn natuurlijke objecten, zoals de ‘zingende bomen’. Zijn poëzie laat zich in eerste instantie gemakkelijk lezen, maar bezit bij nader inzien een gelaagdheid die mede haar aantrekkelijkheid uitmaakt. Soms verrast hij ons met een archaïsme, dan weer gebruikt hij een woord van alledag. Meestal is zijn woordkeuze terughoudend en behoedzaam. Hij wil toch vooral een dichter van weinig welgekozen woorden zijn. Soms neigt hij naar het aforistische, dan weer waagt hij zich aan een breed uitgesponnen cyclus. Het blijft spannend om zijn poëtische krabbengang te volgen.
     In de bundel Valkuil in de wolken (1971) staat het gedicht ‘Bodemonderzoek’. Daarin verwoordt Van den Bremt wat hij als dichter voorstaat: ‘Geologie is allerminst lichtzinnig. / eerst na maandenlange terreinprospectie en dito stalen- / onderzoek duidt men op de kaart die punten aan / die voor diepere boring in aanmerking zullen komen, / waarna nog blijkt dat één succes noodzakelijkerwijze / opweegt tegen tientallen mislukkingen.’ Het is deze behoedzame werkwijze die hem eigen is. Hij gaat niet over een nacht ijs, en zeker niet op aanraden van anderen. Hij vaart zijn eigen koers. Hij is zijn eigen projectontwikkelaar in het gelijknamige gedicht uit de bundel Lente in Vorst (1976): ‘ Eén voor één wik ik / mijn woorden, omzichtig, / en maak ze even doorzichtig / als vensterglas.’ En toch blijft het vinden van de juiste woorden iets hebben van het zoeken naar sluipwegen en het gaan door onaardse gangen om de Montségur te bestijgen: ‘Het arendsnest blijft onneembaar. / De volmaakten zijn niet van deze / wereld, / en waar is de andere?’ Hoe graag had hij niet de ‘volmaakte’ dichter willen zijn? Het is als het ervaren van de nabijheid van de verte ‘in een niet uit te roeien taal / van ketterse visioenen in azuren / tonen ver boven de hoogste trans’. In deze regels spannen de transcenderende bewegingen in het dichterschap van Van den Bremt samen met de dichter die in veel van wat hij waarneemt en ervaart, de opwindende lokroep hoort van sirenen die hem naar de woorden zullen leiden die hem door de dag en de droom zullen voeren die leven heet. Het eedverbond der woorden is edel, ‘maar al wat edel lijkt / is [nu eenmaal] ijdel’.
     Hoezeer Van den Bremt de behoefte voelt zichzelf op te tekenen blijkt onder meer uit het gedicht ‘Lijflied’ uit de bundel In een mum van taal (2002). In de verte klinkt Nijhoff mee. Van den Bremts poëzie is te lezen voor wie bereid is te graven in zichzelf. Van den Bremt helpt je erbij de eerste spade in de eigen grond te steken:

Lijflied

Het is van mijn leven nog niet geschreven,
nog nooit van m’n leven.
Het staat om de dood nog niet te boek,
om de dooie dood niet.

Het voelt nog zo iel aan,
of het mijn tong nog niet kan roeren;
ik voel me beroerd. Hoor hoe
het zou willen schreien.

Ik wil het ooit nog eens op
kunnen schrijven, al is het te weinig
om van te leven, het is om dood te gaan
te veel.

Een wijs is het, een onbepaalde
ruimte die nog niet weet van tijd.
Een mond waarin bestorven ligt
wat nog geboren moet worden.

Van den Bremt heeft ons met deze bloemlezing een interessante inkijk gegeven in zijn dichterlijk universum.

Recensie van Speling zoeken. Alle gedichten tot nu - K. Michel

Orde scheppen in de chaos

K. Michel
Speling zoeken. Alle gedichten tot nu
Uitgever: Augustus
2016
ISBN 9789046705797
€ 15
238 blz.

K. Michel heeft ooit eens verteld dat hij door het onderling vergelijken van vertalingen erachter is gekomen dat een poëzietekst een waaier aan mogelijke betekenissen in zich draagt. De aforistische poëzie van Willem van Hussem leidde hem naar de Chinese poëzie. Hij volgde de stappen van de vertalers. Daardoor kwam hij voor een tijdje zo ver van het Nederlands af te staan, dat hij met andere ogen naar zijn moedertaal leerde kijken. Iets van die verwondering heeft Michel ten opzichte van de werkelijkheid nog altijd weten te behouden. Een bijzondere helderheid en directheid bepalen in sterke mate zijn dichterlijke stem als hij zich buigt over zijn herinneringen: ‘Sommige herinneringen zijn zo licht dat ze geen contouren krijgen, zo vluchtig als een geur die op straat voorbij vlindert; andere zijn net zo vanzelfsprekend en stevig aanwezig als je eigen naam, als de neus in je gezicht. /’ .
     
Michel presenteert ons in zijn verzamelbundel Speling zoeken (2016) zijn poëzie tot nu toe gepubliceerd, met uitzondering van zijn vrijwel tegelijkertijd verschenen bundel Te voet is het heelal drie dagen ver. Bij eerste lezing verrassen ze door hun verhalend, filosofisch karakter. Reizen, routes, raadsel en dromen zijn veelvoorkomende woorden. Veel vragen worden gesteld, maar zijn antwoorden worden geplaveid met omwegen. Het omvangrijke gedicht ‘De weg van het water’ uit de eerste bundel Ja! Naakt als de stenen (1989) is daarvan een treffend voorbeeld. De reis door grote delen van West-Europa spreekt tot de verbeelding en is doorspekt met verrassende decors, denkbewegingen en momenten van reflectie. Tegelijkertijd weet Michel op tal van momenten aan zijn reiservaringen een meerstemmigheid mee te geven.
      Michel is zich sterk bewust van de wet van de entropie ‘die stelt dat meer informatie minder orde oplevert.//’. In het gedicht ‘De meeuw van Treytel’ uit de tweede bundel Boem de nacht formuleert hij dat als volgt: ‘Naarmate mijn leven zich ontrolt / en ontbindt in steeds grilliger patronen / ontvang ik dit soort signalen des te / gretiger; souvenirs van een vergane / samenhang; de suggestie dat om de hoek / het geluk wacht op een botsing // Complexe processen: als ik op blote / voeten over de tegels naar het balkon / loop, begint mijn neus te niezen //’. Een dergelijke diepzinnigheid gaat bij Michel gepaard met aandacht voor de taal en de dingen van alledag. Op diverse plaatsen duikt er een filosofische ondertoon op onder meer in vragen die het lyrisch subject zich stelt. Waarom kan het verleden in het leven van een man en vrouw zo op hun heden drukken?

Omdat het verleden als een immense massa
op het heden drukt
en [daardoor] alle woorden en gebaren onder spanning zet …

[…]
Daarom is de liefde een tunnel
die onder de berg van het verleden doorloopt.
Daarom is de cruciale vraag
of je iemand wilt ontmoeten of bezitten.

Hij stoort zich onderwijl aan ‘het alomtegenwoordige gebrek aan visie’ onder zijn lotgenoten.
      In veel gedichten is Michel in een strijd verwikkeld met de samenhang tussen werkelijkheid, verbeelding en taal. Hij weet zijn wereld doortrokken van droomgezichten en associatieve gedachtesprongen: ‘Een gevaarlijke onderneming / je dromen echt te maken //’. Hij beseft voortdurend dat de taal ontoereikend is om de achterliggende ervaringen tegenwoordigheid te geven: ‘om tussen de woorden de wereld / in al haar veelvoud / om tussen de woorden de dingen / in al hun enkelvoud // niet te kunnen lezen / maar te zien // te zien zonder aap noot mies ertussen //’. Hij zou de dingen zo graag eenvoudig willen ervaren en zien.
      Michel merkte al gauw dat de taal niet het geschikte instrument is om de ruimte van het volledige leven mee uit te beelden. Taal maakt van de mens en zijn leven een abstractie. Michel is voortdurend op zoek naar een taal buiten de taal, waarbij zijn ‘buitenwijkverbeelding slechts / tekortschietende vergelijkingen voorhanden heeft /’. Het blijkt een paradoxale opgave te zijn die tot niets anders kan leiden dan tot poëzie waarin met diezelfde taal een jacht op de essentie van de dingen wordt geopend. Toch weet Michel te ontkomen aan louter redenerende poëzie. Hij bedient zich van humorvolle, ironische en soms uitgelaten uitbeeldingen, wendbaar als hij is in zijn beelden en vergelijkingen. Daarin weet hij een opmerkelijke lichtheid van toon in zijn gedichten op te roepen. In zijn zoektocht ligt de eigenheid van de dingen voorbij de namen. De ervaringswerkelijkheid ligt voor hem buiten de taal die hij daarbinnen wil halen: ‘er is slaap, er zijn dromen / loom drijvende, onder water wiegende / maar gedragen worden wij door geen grond //’. Het lijkt er soms op dat deze poëzie geen poëzie wil zijn, als je kijkt naar zijn woordkeuze en zijn vrije versvormen tot aan de poëtische prozagedichten aan toe. Elk gedicht lijkt een stil wachten te zijn totdat het zijn dekking laat zakken. Het is duidelijk dat Michel een moeilijke verhouding tot de taal, werkelijkheid en verbeelding heeft. Soms meent het lyrisch subject dat ‘de tekst mij wel begrijpt’. Wat echter door alles heen merkbaar blijft, is dat het subject het leven positief blijft bejegenen, zoals ‘De vrouw van de toonladders’ die ‘gelooft in het bestaan van de ziel //’.
      Het lyrisch subject weet zich dikwijls omringd door paradoxen: ‘Als iemand die van je houdt niet van je houdt / maar je wel op wil eten terwijl je geen appel bent /’. De absurditeit dient zich eveneens aan, zoals daar is ‘het door het huis zwemmen van een barst’ of het ‘beginnen te sneeuwen van bruidsjurken’ in het gedicht ‘Domino’. En toch is er in dit absurdistische spiegelpaleis de warmte waar het lyrisch subject naar op zoek is. Het gaat uiteindelijk om de verbinding met de ander: niet alleen heeft een ruzie twee meningen nodig, maar een kus ook vier lippen. Bij het getal één hoort nog altijd de hamer van de dictatuur. Michel getuigt van een type engagement dat niet door utopische vergezichten is aangedreven, maar op subtiele wijze zijn standpunten in gelaagde taal weet onder te brengen: ‘En ik ruik de sloot van het Leijpark / dertig jaar geleden, het parelende dril / tussen mijn vingers/’. Hoe ‘een konvooi van felgekleurde speelgoedbeesten’ afkoersend op de Ierse en Britse kusten de oceanografen hopelijk de kans biedt het zeegedrag te bestuderen, is weer een ander blijk van Michels betrokkenheid bij de problemen van deze tijd.
      Michel bekent kleur over de evolutie van de mensheid die zijn veelbelovende en teleurstellende kanten kent:

Nu tienduizenden jaren later
Zijn we eindelijk in staat
Tuinmeubelkussenbewaartas
Te zeggen zwevende rentevoet

En is de wereld veranderd
Van een lopend buffet
In een krakelend marktplein

Maar boven het gerinkel uit klinkt
Nog steeds dat scheurend geluid.

      We bewegen ons als schepen in de nacht langs elkaar heen. Michel zoekt zich een weg in dit labyrint dat leven heeft, net zoals J.P. Eckermann dat deed als secretaris in zijn gesprekken met J.W. von Goethe. Het komt maar niet tot de laatste antwoorden op de levensvragen die ieder mens heeft: wie ben ik, waarom ben ik er en waar ga ik heen? ‘Ook wat betreft hun liefdesleven / zoeken ze het waarom in het daarom / en het wel in het niet, verlangen ze / gemis gestelpt, oud zeer geheeld / door niet aanwezige personen. //’ Wil je jezelf helpen: ‘wees [dan] van de breuk het deelteken / en van de vertaalslag de is //’. De wereld verandert, maar de mensen in wezen niet. De captains of industry gaan na de hausse nog steeds op dezelfde voet door. En al die vissen die dorst hebben, die niet te lessen is. Het lijkt wel of een gemeenschappelijke visie ontbreekt om orde in de chaos te scheppen. De toestand in de wereld doet denken aan die sneeuwbal in de middagzon op een autodak. Hij beweegt zich ‘volmaakt volledig op zijn eigen smelten voort //’ om langzaam te verdwijnen.
      Michel weet zich verstrikt in het verloop van de tijd. Hij probeert haar bijna op een sprookachtige wijze te benaderen. Er worden toespraken tot het plafond gehouden. Sporen worden terug gevolgd. Kaartenmakers ingeschakeld en routes uitgezet en gevolgd. Hij moet als dichter wakker blijven en attent blijven op tekenen van de tijd die een werkelijkheid verraadt die zich achter de zintuiglijke waarneembare bevindt. De dromen helpen daarbij: ‘en als het toeval wil / doet iemand het donker open / kun je door het bos / van de dromen lopen //’. Michel blijft erin geloven: ‘ik weet zeker dat je mij nu kunt horen //’. Tegen beter weten in blijft deze taalkunstenaar geloven in de taal om daarmee zijn diepste ervaringen over te brengen. Daarvoor is het scheppen van een zekere orde noodzakelijk, zonder daarbij de dwaalwegen van onze dromen te veronachtzamen.

***

K. Michel wordt beschouwd als een van de belangrijkste hedendaagse dichters. Zijn werk werd bekroond met de Herman Gorterprijs, de VSB-prijs, de Jan Campertprijs, de Awater Poëzieprijs en de Guido Gezelleprijs. In Speling zoeken is al zijn poëzie (met uitzondering van het tegelijkertijd verschenen Te voet is het heelal drie dagen ver) voor het eerst bijeengebracht: de bundels Ja! Naakt als de stenen, Boem de nacht, Waterstudies, Kleur de schaduwen en Bij eb is je eiland groter.

Recensie van Aangeraakt - Jef Blancke

Beelden in woorden gevangen

Jef Blancke
Aangeraakt
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339065
€ 24,50
71 blz.

Bij aandachtig doorlezen en bekijken van het prachtig uitgevoerde boek Aangeraakt (2016) van de schilder Jef Blancke en de prozaïst, dichter en beeldend kunstenaar Joke van Leeuwen moest ik denken aan een recital van de Duitse sopraan Maria Lucia Richter en de pianist Michael Gees dat ik dit najaar bijwoonde. Zij hadden als kern van hun programma gekozen voor een aantal liederen uit de Liederkreis opus 39 van Robert Schumann op teksten van Joseph von Eichendorff. Wat zelden tot nooit op een klassiek liedrecital is te horen, was dat zij tussen oorspronkelijke composities door zich waagden aan eigen improvisaties op dezelfde teksten. Het resultaat was verrassend. De sopraan kon heel goed haar zangkwaliteiten etaleren; de pianist begeleidde haar echter op een terughoudende en al te volgzame manier. Bij de liederen die tussendoor volgens de originele partituur uitgevoerd werden, viel mij meer dan ooit op dat de pianist een eigenstandige en gelijkwaardige rol speelde in het samenspel met de sopraan. De originele zang- als pianopartij bleken bovendien muzikaal veel interessanter te zijn dan de goedbedoelde improvisaties die we te horen kregen.
     Wat dit voorbeeld mij weer duidelijk maakte, is dat het er zeer op aankomt om een goede balans te vinden waarin tekst en muziek elk hun eigen zeggingskracht verkrijgen en die tevens aan elkaar kunnen doorgeven en ontlenen. Hoewel de sopraan zo nu en dan in haar improvisaties imponeerde, droeg de pianist niet tot nauwelijks daartoe bij.

Op de omslag van de nieuwe uitgave van Blancke en Van Leeuwen staat de naam van de beeldend kunstenaar als eerste en die van de dichter als tweede genoemd. De uitgever noemt de uitgave dan ook een schilderboek. In deze bundel lijkt het hoofdaccent op de portretten te liggen en de tekst voegt daaraan een innerlijke monoloog toe. De vraag blijft of de beelden op zichzelf zo’n sterke zeggingskracht bezitten dat de tekst gemist kan worden. Of is het zo dat de woorden een onmisbare bijdrage leveren aan de zeggingskracht van het beeld?
     Voor mij is dit schilderboek bij eerste lezing bovenal een bundel met portretten van jonge en oudere mensen die zich als gedichten laten lezen. De intensiteit waarmee de portretten je aandacht opeisen en in staat zijn om je mee naar binnen te laten kijken, is opmerkelijk te noemen. De portretten hebben door de schildertechniek, de kleurstelling, de compositie, de ogen en de gezichtsuitdrukking een indringende uitwerking. Ze verraden een binnenwereld die om uitleg vraagt. In die zin zijn het psychologische portretten die een dieper inzicht bieden in het dagelijks leven van gewone mensen met hun vreugde, verdriet, eenzaamheid en ontreddering. Wat opvalt is dat op veel schilderijen de handen een expressieve rol spelen in de momenten van aanraking die zich in fysieke of psychologische zin manifesteren. De handen geven uitdrukking aan vertwijfeling en verrukking, aan angst en geborgenheid. Ze zijn naast de gezichtsuitdrukking een belangrijk instrument van de schilder. Deze portretten zijn in staat gedachten en emoties bij je wakker te roepen.
     In tweede instantie ben ik er de woorden bij gaan lezen en ik kwam tot de ontdekking hoezeer Van Leeuwen in staat is gebleken een gedachte, een emotie, een situatie die zij in het portret meende aan te treffen, heel precies te kenschetsen. Was voor mij aanvankelijk het beeld dominant in zijn zeggingskracht, na lezing van de teksten ervoer ik dat ze mij een interessante opening boden verder te komen in het lezen van het beeld. Ik onderging de teksten niet als belemmering, maar als een verrijking op weg naar een eigen betekenisgeving aan de beelden. Het portret krijgt er door de tekst een dimensie bij. Voor mij is Van Leeuwen erin geslaagd op bescheiden wijze met welgekozen innerlijke monologen ons een weg te wijzen in het landschap van deze portretten. Er is in dit schilderboek een veelvoud aan innerlijke landschappen te zien.
     Dit beeldverhaal bestrijkt het leven van jongvolwassenen tot oudere mensen: van de jonge vrouw die afwacht wie zich aanbiedt tot de oudere vrouw die zorgbehoevend is. De aanraking vormt de leidraad in dit boek. Langs die weg zijn de emoties gerangschikt. Er zijn de portretten van mannen en vrouwen van middelbare leeftijd die zo hun eigen ding denken van wat er om hen heen gebeurt. Een vrouw die zich buitengesloten voelt, luistert naar een gesprek over kleinigheden, over een doodgeboren kind en een onmogelijke moeder:

‘Ze vragen me niets. Daarna neem ik mezelf weer mee naar huis, met alles waar ik niet over heb gesproken. Dat leg ik thuis in de fruitschaal, tussen de sinaasappels en appels en paperclips en draadjes. Wat in de fruitschaal ligt, laat zich makkelijk vinden.’

Deze woorden zijn van het gezicht van de vrouw af te lezen. Haar ogen en mond spreken boekdelen. Ze doorziet de situatie en denkt er het hare van. Ze is beslist en begripvol. Het is zoals het is. Ze heeft een krachtige uitstraling, terwijl het begin van een ironische glimlach op haar gelaat verschijnt. Of een kussend paar dat in gevoel voorbij de taal komt. De jonge vrouw met de vinger op de lippen verbiedt zichzelf haar geheim prijs te geven. Daaraan mag geen taal meer te pas komen.
     Het neerdrukkende verdriet van een echtpaar komt schrijnend tot je. Het gaat over: ‘iets wat ons aan haar herinnert. Hoe ze dan daar. Dat ze anders nu. Terwijl ze vast zou willen dat we wat leuks gingen doen.’ Is het een ongeluk dat hun dochter is overkomen? Ze durven het nauwelijks te benoemen en kunnen dat ook niet. De hand van de vrouw op de schouder van de man, de gesloten monden en de naar binnen gekeerde blik van beiden spreken voor zich.
     Al die singles die tegenwoordig aan de man of vrouw proberen komen, vormen ook een probleem dat zo zijn eigen kenmerken heeft. De onzekerheid over plaats en tijd van samenkomst valt in het niet bij de spanning aan de gedachte hoe de ander er uitziet die op haar foto heeft gereageerd: ‘Ik had een betere foto moeten plaatsen. Niet een van tien jaar geleden.’
     Daarnaast verwijst een aantal portretten naar oudere mensen die tegen zichzelf zeggen: ‘Ik moet eerst mezelf eens grondig doorlezen’. Ze zijn vereenzaamd, licht dementerend en zijn de weg kwijt. Ze kunnen enkel terugreizen naar hun jonge jaren van vitaliteit, vreugde, maar ook armoede en schaarste. Ondertussen beklagen ze zich over het gebrek aan aandacht voor hun huidige situatie:

‘Er komt steeds iemand anders om me te verzorgen. Dan krijg je geen band. Dan ben je weinig meer dan een oud lijf dat het niet meer goed doet.’

Hun blik is naar binnen gekeerd, zoals de man die met zware aktetassen vol stukken met probleemstellingen in zichzelf gekeerd op weg naar nergens gaat. En zo blijven ‘onverstaanbare liedjes prachtig om de wereld heen draaien en troosten ze wie geen woorden heeft voor zijn verdriet.’ In alle onvolkomenheid spreekt uit de beelden en woorden een innigheid en betrokkenheid die ontroert en doet stilstaan bij woord en beeld. Zoals ook de vrouw op de omslag die tegenwind ontmoet, terwijl de ik in de monoloog licht ironisch opmerkt dat ze meer van wind méé houdt, alsof je dat zelf onder alle omstandigheden zou kunnen bepalen.
     Het laatste portret is er één van een ingetogen vrouw met in haar gespreide handen een viool. Ze bedenkt dat er al heel veel mensen zijn overleden die deze viool hebben bespeeld met ‘wat ik zojuist speelde en dat anderen het zullen blijven spelen als ik er niet meer ben.’ Ze beseft dat ze op die manier deel uitmaakt van de eeuwigheid. De vrouw omklemt de viool. Met haar ingetogen houding en blik versterkt ze haar en ons besef dat we in de muziek een eeuwige schat in handen hebben. Het portret doet mij in al zijn ingetogenheid denken aan de atmosfeer op die schilderijen van Marc Chagall.
     Het breekbare van veel portretten krijgt een adequaat poëtische lading mee. De teksten hebben de portretten nodig om een bedding te vinden. De portretten van Blancke winnen aan zeggingskracht door de rake duidingen van Van Leeuwen. De begeleidende teksten getuigen van een ver reikende inleving in het gedachte- en gevoelsleven van de geportretteerden. Kortom, beeld en woord hebben elkaar in een bepaald opzicht nodig en versterken elkaars werking, zonder dat de lezer buiten spel wordt gezet. Een zeer geslaagde en fraaie productie.

***

Pas op latere leeftijd waagde Jef Blancke (1945) zich aan de wereld van de schone kunsten. Bij uitgeverij P verscheen een aantal schilderboeken: Jef (2005), met teksten van André Sollie, Mensen (2008) met gedichten van Lief Vleugels en Ooggetuigen (2013) dat resulteerde uit een samenwerking met Martha Heesen. Aangeraakt is het vierde boek uit deze reeks.

Joke van Leeuwen (1952) is veelzijdig. Ze studeerde grafische kunsten aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Antwerpen en het Hoger Sint-Lukasinstituut in Brussel en Nieuwste geschiedenis te Brussel. Haar geïllustreerde kinderboeken, proza voor volwassenen en dichtbundels wonnen talrijke prijzen. Ze is voorzitter van PEN Vlaanderen.

Recensie van Lippenspook - Martijn Benders

Een baldadig dichter in de overdrive

Martijn Benders
Lippenspook
Uitgever: Van Gennep
2016
ISBN 9789461644497
€ 16,90
61 blz.

De nieuwe bundel van Martijn Benders, Lippenspook, brengt je wat je als lezer van Benders kunt verwachten na een bundel als Sauseschritt uit 2015: een bonte verzameling van luttele pagina’s over liefde, dood en andersoortige tegenstrijdigheden en weerzinwekkendheden. Benders dient dat alles op in een atmosfeer van verlangen, tederheid, humor, ironie, sarcasme, cynisme, relativering en verslagenheid. Zo nu en dan is het om te grimlachen. Neem het korte gedicht ‘Postbode verzuipt op weg’ met de beginregels: ‘Zag jou in het haardvuur van mijn dromen! / In de herfst van het haardvuur van mijn dromen! //’. Terwijl het geluid van de bunker buster alles overstemt, ‘als ik je verkruimelde lippen kus’ en voorkomen moet worden dat de rivier ‘alsjeblieft niet [gaat] heupwiegen tegen het raam, / ik weet het, de jazz, de bevrijding, de bevrijding, de jazz. /’ besluit hij met de versregels: ‘Maar weet je wat het is, lieveling. / De halve wereld staat in brand. //’ Eenzelfde kritische, absurdistische maar humorvolle woordenacrobatiek lezen we in een gedicht als ‘Bank': ‘Triester dan de halfwaardetijd van boerenkool, / heers jij op een gekrompen lederen wolk, / over een koninkrijk van stompjes en te langsgefietst volk. //’. Zoals Benders zijn blik laat neertuimelen op de baby, ‘dat zieltogend monster’ in het gelijknamige gedicht is hij ten voeten uit in beeld als de spottend toekijkend en relativerend vader of oom of vriend die zijn gedachten niet voor zich weet te houden. Vaders hebben geen navelstreng. In dat gedicht waart het ‘lippenspook’ drastisch rond, dat het liefst ongevraagd de woorden aan de jij of de ik ontrukt.
   Benders weet met zijn associatieve werkwijze, zijn eigentijdse taalgebruik, zijn neologismen en beelden de tijdgeest van het directe, het ongepolijste en het ongeciviliseerde in de omgang tussen mensen in zijn poëzie aan ons voor te zetten. Woorden als maan, nacht, lippen, kus, dood en sterren vormen terugkerende decorstukken in deze bundel. Zijn kracht zit hem niet in zijn vormvaste verzen, metrum of klankrijkdom, maar wel in de onverwachte opeenvolging van beelden en gedachten. Hij heeft een scherp oog voor alles wat er in de huiselijke kring en daarbuiten tussen mensen doodloopt. Met zijn opzichtige manier van verwoorden plaatst hij zichzelf volop in het schijnwerperlicht van zijn neonletterachtige poëzie vol glitter en geschetter. Je voelt een sterke onderstroom van haast, van ergernis over hoe de dingen zijn, en zo gelopen zijn. Ik proef daarin zijn oprecht en driftig engagement.
   Er staan enkele gedichten in de bundel waarin Benders de actualiteit met kritische zin een plaats geeft, zoals in het gedicht ‘Hand in hand tegen de vernietiging’:

Jij droomt, schatje, dat je tegen ISIS vecht.
Strenge mannen met baarden
die nog nooit een liedje van Leonard Cohen hoorden.

Landen hebben geen religies, landen dromen niets.
Liggen landerig te liggen in het grenzeloze niets,
net als jij en ik, ooit, hand in hand tegen de vernietiging.
Geluidloos tegen alle dood. Maar ik overdrijf, dat weet je.

Die laatste versregel geeft een voorname karakteristiek van het lyrisch subject die wel erg sterk terugslaat op het dichterschap van Benders zelf.
   Binnen zijn geconstrueerde wereld heerst een sfeer van sensuele hardhandigheid en sentimentele klunzigheid. Hij deinst er niet voor terug zijn gevoeligheid te tonen. Je merkt op diverse plaatsen in zijn bundel dat hij tegelijkertijd een diep verlangen koestert naar genegenheid en intimiteit, maar hij ziet daarvan ook direct de relativiteit in: ‘Als je slaapt, liefje, / zacht als aardappelpuree, / ruik ik wel eens aan je portemonnee. // Alleen een dode zou zoiets opbiechten. //’. Telkens betrapt hij zich erop dat hij zich koest moet houden, want het lippenspook dreigt telkenmale de sfeer te verzieken.
   De hele bundel door wekt Benders bij mij de indruk dat het lyrisch subject zich merendeels unheimisch voelt in deze verburgerlijkte samenleving met zijn ‘ellenlange verjaardagsfeestjes en flatteuze begrafenissen’. Hij ervaart deze wereld van aantrekken en afstoten, als een wereld van onvoorziene trouw en afzichtelijke ontrouw. Bovenal verfoeit Benders de dood als de grote spelbreker van zijn levensdrift die met zijn onberekenbare bewegingen, zelfs als geliefden zijn overleden, ons blijft manipuleren. Er is ‘Niets pretentieuzer dan wat dood is’, en dat betreft de mensen van statuur die reeds overleden zijn.
   Benders is niet te beroerd om de dichter met hoge pretenties ervan langs te geven. Alle hypocrisie zou hij de wereld willen uitbannen, ware het niet dat het hem ook de kans biedt om bijtende poëzie te schrijven, zoals in ‘Vreselijke dichter met rietje’: ‘Daar zit ie. Een verschrikkelijke vent. / Een kruk. Een pak. Dat bekakte rietje. // En die dauwdruppel. / En dat tempo.//’. Over roem is hij ook al helemaal niet te spreken. Wat doet het er toe om ‘Het themaliedje van de necrofiel in de lift [te] horen.//’. Niet alleen de dichter krijgt een sneer, maar ook de lezer krijgt ervan langs. In ‘Aan de lezer’ zegt hij: ‘Ik hoop dat je sterft als je dit leest. / […] Dag ondier. //’. Zijn poëzie is ‘streetwise’ en heeft iets hoekigs, iets scherps, iets scherpzinnigs en iets dwingends. Ik zou zijn werk als tegendraadse én aanstekelijke poëzie willen karakteriseren. Aanstekelijk in de zin dat ze in haar metaforiek wendbaar en verrassend is, zoals ‘irritant ritselen van boomkruinen’ of ‘Kathedralen staan zo dicht op elkaar / dat het lijkt of ze willen copuleren. //’; tegendraads en ‘streetwise’ in de zin van een doorslaande alledaagsheid en onaangepastheid in taal en beeld. Het is waar dat veel mensen in het dagelijks leven met elkaar spreken en met elkaar omgaan als in het ‘Dode Dichterscorvee’, maar in dat geval komt deze poëzie bij mij als weinig poëtisch over:

ZombieBloem achtervolgt me overal
omdat ie goede liedjes van me wil bietsen.

Bij slager, supermarkt of Gal & Gal
met die vervallen kop,
die opgeviste fietswrakblik.

Leen mij eens wat te zingen, Benders.
Sterven is ook schrappen, Benders.

Benders bekritiseert zichzelf, maar roept zichzelf in het laatste voorbeeld tevens tot de orde, en terecht, want op meerdere plaatsen in de bundel is hij tot verrassend pakkende versregels en beelden in staat die gelaagdheid in zich dragen, zoals in het gedicht ‘Euforische witte mollen, gazerige mollenmaan’ : ‘Sterren – de interpunctie van God – /’ of zoals in het gedicht ‘Kapotgemaakt’: ‘Altijd schilders van stilleventjes die zich van kant maken. / Fruit kan knap deprimerend zijn. / Behalve meloen. / Met zijn grijns, / in zijn opgeblazen clownspak. // Als de dood zijn stilleventje maakt / is er niets op te herkennen behalve bloemen. //’. Die grijnzende meloen in dat kleurrijk clownspak is een pakkende personificatie. In deze nature morte ontneemt de dood in dubbele zin aan de schilder het leven. De bloemen op zijn graf en het schilderij zijn er de bewijzen van. Deze vervlechting van waarneembare realiteit en verbeelde voorstelling laat zien dat Benders over een sterke creatieve imaginatie beschikt.
   Benders heeft nogal eens de neiging in de overdrive te gaan in zijn wijze van uitdrukken en in zijn beeldkeuze, zoals in ‘Een gehersenspoelde walnoot die boomweigert’ of in ‘De oneetbare, onbeleefde en kleurenblinde vlieg / wrijft met lichtsnelheid in de pootjes / zodat de klok in brand vliegt.//’. Hij weet zijn conflicten goed neer te zetten, maar niet op te lossen, zoals in het gelijknamige gedicht waarin de rooktherapeute zozeer gesteld was op het werk van Lucian Freud vanwege de individuele vrijheid die het behelst, terwijl de ik haar uit het misverstand wil helpen door erop te wijzen dat Lucian Freud een beeldend kunstenaar is, en geen psycholoog; ‘Ze zei / dat maakt niet uit. // Ik zei / waarom maakt dat niet uit. //’
   Benders eindigt zijn bundel met het gedicht ‘Een stad met fijne straten’. Hij biedt ons daarin een uitzicht op ‘Sierlijke, fijnvertakte, aangename straten / met eenvoudige mensen zonder toekomst. //’ Er spreekt een verlangen uit naar het gewone, het afgewogene, het overzichtelijke, maar eronder ligt tevens de zweem van cynisme, van perspectiefloosheid, van zinloosheid in dit verlangen. Dat fijne is niet zo fijn als het er uitziet. Geweld, vluchtelingen, moord- en doodslag (Kennedy), ontrouw, onbereikbaarheid, de beklemming van sociale verbanden, de onvrijheid voluit jezelf te zijn, te zeggen wat je wilt zonder jezelf maatschappelijk schade te berokkenen blijft een verlangen dat hij koestert. Daarvoor gebruikt Benders schrille beelden, soms vuige taal, en laat hij Jezus Christus scheldend ten tonele verschijnen. Die ongeremdheid maakt zijn poëzie ook spannend, aantrekkelijk, maar soms ook afstotelijk en vervreemdend. Het kan niet ontkend worden dat we hier met een eigenzinnige dichter te doen hebben van wie we nog veel hebben te verwachten. Welke kant het uit zal gaan, blijft nog ongewis.

***
Martijn Benders (1971) heeft al een aantal prijzen in ontvangst mogen nemen voor zijn poëzie. In 1994 kreeg hij de Meervaart Literatuurprijs. In 2002 kwam zijn veelgeprezen gedicht Haydar gaat naar Istanbul om een pauw te kopen uit. Hij woonde een periode in Istanbul, maar keerde terug naar Nederland. In 2009 krijgt hij de C. Buddingh prijs voor de bundel Karavanserai. De prestigieuze Europese poëzieprijs krijgt hij toegekend in 2013. In 2015 verschijnt zijn bundel Sauseschritt. Benders is een talentvol en eigenzinnig dichter.