Recensie van Verzamelde gedichten - Wim Brands

Sporenonderzoek van een buitenstaander

Wim Brands
Verzamelde gedichten
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261921
€ 27,50
522 blz.

Vanuit een diepe genegenheid zijn de Verzamelde gedichten van Wim Brands (1959) door zijn echtgenote Monique Edelschaap en zijn vriend en redacteur Thomas Verbogt bijeengebracht. Na zijn plotseling overlijden in 2016 ontstond er al direct bij hen de behoefte om zijn poëzie te bundelen. Hoewel Brands zichzelf en zijn poëzie sterk relativeerde, zou hij waarschijnlijk niets liever hebben gewild dan zijn visie op dit ‘raadselachtig leven’ uitgedragen te zien worden in een verzamelbundel: ‘Der Mensch ist das Tier, dem man die Lage erklären muss (Peter Sloterdijk).’ Dat deze bundeling kort na zijn dramatisch verscheiden is samengesteld, laat zich goed begrijpen. Of Brands, zoals Verbogt dat in zijn nawoord oprecht verwoordt, tot de ‘top’ van de Nederlandse en Vlaamse dichters behoort, zal zich in de loop der tijden moeten bewijzen.
     Als we met overgave het verzameld werk doorlezen, valt al direct in de eerste bundel Inslag (1985) op, hoezeer de gedichten een afspiegeling van zijn dichterschap en zijn persoonlijke geschiedenis zijn. Brands schetst ons het rivierenlandschap waarin hij is opgegroeid met een gevoel: ‘Daar liep ik nergens / toe verplicht’. Een troebele rivier in een zonovergoten landschap. Daar doorleeft hij zijn ‘natuurlijke historie’, en misschien had het daarbij maar moeten blijven. Hij ontdekt echter: ‘mijn jeugd is een kruik / op een winterse dag gevonden / in een boshut’. Brands moet veel gedacht hebben: ‘Was ik maar weer zo: / een jongen tevreden dat niemand / wat hij maakt zal zien of horen’. Maar dat was helaas niet zoals hij in elkaar stak. Hij trok de wereld in om gehoord en gezien te worden. In die tegenstrevende houding zit zijn kracht en zijn zwakte als mens en dichter. Hij kleurde niet binnen de lijntjes. Hij moet zich dikwijls een dolende in het leven hebben gevoeld: ‘je komt er niet meer / uit’, zoals helaas uiteindelijk is gebleken.
     In het titelgedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel laat hij heel mooi zien op welke manier hij werkte en is blijven werken. De rudimentaire anekdotiek is zijn poëtisch handelsmerk geworden. De herinnering aan een inslag van een bommenwerper in een zompig weiland dicht bij de rivier vormt de aanleiding voor dit gedicht: ‘Diep het gat van de klap- / rozen rood // De bomen zijn oud / en kromgetrokken // Ze buigen naar de piloot’. De roos als symbool van de liefde, het treffende enjambement op klap-roos, de verstreken tijd zoals zichtbaar aan de bomen en het respect voor de gevallen piloot weet Brands in deze afgemeten versregels beeldend samen te brengen. Ondanks deze voortreffelijke regels blijft het levensgevoel van de dichter in wankel evenwicht, zoals hij in een regel uit het gedicht ‘Triëst naderend’ verwoordt. Het blijft niet anders dan: ‘Liefde: happen in een gouden / vraagteken’. Hij blijft vanuit zijn achtergrond en familiegeschiedenis doordrongen van scepsis en wantrouwen. In zijn bundel Hoger dan de dakgoot (1993) zegt hij het in het gedicht ‘Recept’ in een treffende paradox: ‘Voor geluk is nodig: een ochtend / in oktober met de geur van zomer / en de dreiging van regen.’
     In de bundel Koningen, de gehavende (1990) komen zijn ouders en grootouders in beeld, ook later blijven die veelvuldig zijn poëtische werkelijkheid bevolken. Brands leidt ons zijn boerenland beeldrijk binnen. Als het over een ‘Daggelder’ gaat, flitst een beeld à la Gerrit Benner voorbij: ‘Hij kijkt naar de lucht en ziet hoe een wolk / zich vergrijpt aan de zon.’ Verder komen reiservaringen in beeld waaruit de liefde en verliefdheid spreekt op ‘wat zo mooi tussen begerige / blikken in restaurants wankelt.’ Het zijn echter beelden die niet beklijven. Ze onderstrepen een overheersend levensgevoel dat Brands uitstraalt: ‘We zijn vliegen / in een web, verlaten door de spin.’ Wie heeft ons hiermee naartoe gebracht? Hij klampt zich vast aan het beeld van die visser aan de kant van het water. Hij voelt zich echter met hem toch niet eenzaam, want ‘Er loopt een lijn / van hem naar de bodem van / een wereld.’ Hebben we dan toch nog grond onder de voeten?
     Aan de bundel Hoger dan de dakgoot (1993) voegt Brands een motto van de wereldvreemde Amerikaanse dichter Weldon Kees toe, waarin exact zijn zelfgegeven levensopdracht is verwoord: ‘To build a quiet city in his mind’. De enige manier om dit te bereiken is het omzetten van al de opgedane beelden in woorden. Brands geloofde daarin. Hij wist dat de meeste mensen daarin niet geloven. Hij beloofde zichzelf alsmaar: ‘Ik maak / mezelf nooit van kant zo lang dit geloof / kan blijven duren’.
     Er vliegen nogal wat kraaien rond boven het poëtisch oeuvre van Brands, zoals de ‘kraai uit de Hallse kerktoren’ van zijn grootvader uit De Krengenput (1997). Vrienden, familieleden, opnieuw de vader, en de buurvrouw, willekeurige voorbijgangers spelen een voorname rol in zijn werk, zoals de heer Bonekamp die ‘zoals wordt beweerd, bijna / elke dag in andermans verleden // kampeert.’ Die interesse in andermans vreemde levens en zijn identificatie daarmee zette hem aan tot poëzie. Ze vormden in zijn dagdromen een levendig decor. Hij was begaan met deze eenzelvige mensen en hoe zij in het leven stonden. Aan deze levens ontleende Brands zijn levensvisie, zoals in het gedicht ‘In memoriam’ over de vraag waarom we er zijn: ‘Opeens wist ik hoe wij gaan: / zwaluwen die jaarlijks van // dezelfde dakgoot in Europa naar / dezelfde tak in Afrika trekken, // Routineus maar rusteloos / want stel je voor dat.’ Altijd weer die open vraag aan het einde.
     Vanaf zijn bundel Zwemmen in de nacht (1995) zien we Brands met meer uitgewerkte herinneringen, ervaringen en gedroomde situaties komen. De gedichten lopen inhoudelijk iets voller en zijn minder bedacht dan eerder het geval is terwijl ze, zoals Verbogt het aangeeft, juist niet vol, direct, helder en licht dienen te zijn. Het was van Brands bekend dat hij altijd gehaast was. Zijn gedicht over het vermoeden dat hij ‘een zee van tijd’ zou hebben is dan ook heel tekenend, vooral de passage waarin hij hoopte op ‘een trage tram – zoveel koffertjes / al overstuur – die achteruit reed.’ Bij die gedachte aan stilstand en rust zonder daarover bezorgd te hoeven zijn sluit aan bij zijn besef dat hij verwoordt in het gedicht ‘Stof’, waarin op het opdwarrelen van stof uit het westelijke havengebied voor hem aanleiding is gelegen dat te verbinden met een vrouw die ‘oud en dartel [is] / als het stof dat komt aangewaaid // uit de westelijke haven.’ Ze lijkt op een dag uit datzelfde ruim ‘als oud stof, op een kerkhof’, als een overlijdensbericht in een brievenbus te zijn terechtgekomen: stof zijt gij tot stof zult gij wederkeren. Die vergankelijkheid zat tezamen met de raadselachtigheid van dit leven hem voortdurend op de hielen.
     Zijn zoeken naar overgave en innerlijke rust spreekt uit het gedicht ‘Tuin’: ‘Er was een dag waarop hij meer dan een uur / in een weiland lag. En luisterde naar / kreten van wie hem zochten. // Officieel één oog toe in de rimboe, / in het jargon dat zweeg over de zon’. In dit soort gedichten over de zon, het hemellichaam dat de aarde omstraalt en de suggestie schenkt dat we omgeven worden door een scheppende kracht die ons begrip overstijgt, springt de gedachte naar voren dat Brands misschien wel het symbolisch dichterschap wilde bezitten dat hij de Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Joseph Cornell toedichtte. Ook Brands sloot in zijn gedichten de herinneringen, gewaarwordingen en ervaringen op om ze voor altijd bij zich te hebben. Het zijn fluisteringen in de nacht, gesprekken met zichzelf in de spiegel: ‘Zacht. / Ik hoor nog net het zwemmen / in de nacht.’
     In de bundel In de metro (1997) speelt een overspelige verliefdheid. Alleen op plaatsen waar barsten zich voordoen, ontstaan open plekken waar licht naar binnen valt. Als beeldend intermezzo bevat de bundel een pornografische strip die zijn aanleiding vindt in een uitdagende billboardfoto in de metro die de zintuigen van de ik dagelijks prikkelt waardoor zijn verbeelding haar onbekommerde gang kan gaan. De storyboxes van de Engelse kunstenaar Len Shelley inspireren Brands eveneens tot het schrijven van een reeks rudimentaire anekdotes. In de latere bundels staan ook nogal wat bewerkingen van gedichten van verwante dichters, zoals dat van Wolf Wondratschek, ‘Vloer’: ‘Ik hou van vrouwen die niemand / meer wel hebben, die oud / en getrouwd zijn’. Zijn werk staat vol met bizarre associaties, dagdroominvallen en schurende gevoelens, zoals die vrouw die hoopt ‘op het schuren / van ijs tegen hout.’ Toch is de humor ook altijd niet ver weg, zoals in het proza-achtige gedicht uit de bundel Neem me mee, zei de hond (2010) over de beschermengel op de schouder van een oude man. Ze mogen elkaar, terwijl de ik dat ongelovig ondergaat en zijn schouders erover ophaalt, zonder het te begrijpen. Dit soort bizarre uitspraken en verlangens is niet vreemd aan Brands levensgevoel. Het gedicht ‘De Poolse klusser’ is daarvan wel een heel mooi voorbeeld. Daarmee zijn we weer terug bij het gedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel:

Als ik ’s ochtends naar de lucht kijk
en op mistige dagen de omgeleide
vliegtuigen hoor denk ik aan

de dag dat

de paarden rondjes renden rond
een vers wrak in het weiland
van mijn ouders.

Mooi was dat om te zien –
een dampend wrak en
de paarden daar

omheen als vrolijke kleuters
op een schoolplein.

     Heden en verleden worden hier verenigd in een vredig maar ook dreigend natuurlijk decor dat om zin vraagt. Voor mij heeft Brands in zijn laatste publicatie De verharde weg (2015) overduidelijk zijn diepste levensgevoel neergelegd, toen hij een keer in de huiskamer wilde gaan lezen en hem op de trap de zinsnede van de filosoof Heidegger te binnen schoot: ‘Auf dem Holzweg’. Het gaf hem een gevoel van rust, van Gelassenheit. Deze mystieke gelatenheid roept herinneringen op aan zijn jeugd. Hij onderkent dat hij zijn leven lang bezig is geweest sporen van leven en dood te onderzoeken. Zo herinnert hij zich dat hij het verval van een ree in een sloot observeerde en volgde. Vanaf dat moment beschouwde hij zich in die natuurlijke context als een insider. Zijn dialectisch accent op de middelbare school deed hem voorgoed beseffen een outsider te zijn: ‘Ik lag eruit. Het verlangen is altijd blijven bestaan, het verlangen bij de wereld te horen zoals ik dat kon toen ik door dat bos van mij dwaalde.’ Misschien gaan de gedichten van Brands ten diepste over: ‘Ik wil juist ergens bijhoren’. Ik meen met Brands dat uiteindelijk ‘niemand uit de nacht kan vallen.’ Het is goed dat de Verzamelde gedichten er zijn. Zijn naarstig zoeken naar de zin van dit bestaan verdient het om gelezen te worden.

Recensie van De boom valt op mij - Ilse Starkenburg

De boom valt niet op mij

Ilse Starkenburg
De boom valt op mij
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 978029511780
€ 17,99
56 blz.

De nieuwe bundel De boom valt op mij van Ilse Starkenburg bevat veel herinneringen aan de jonge jaren, de studententijd, het familieleven, en in het bijzonder aan de vader. Genegenheden tussen geliefden en jeugdervaringen vormen onder meer de ingang naar dieper liggende gevoelens en inzichten. De bundel staat vol minimaal uitgewerkte ‘gedachteoefeningen’, zoals ‘gewone dagen’ die vroeger bijzondere dagen waren door een bepaalde activiteit. Ze hebben sindsdien hun bijzonderheid verloren, omdat een bepaalde activiteit niet meer op die dagen plaatsvindt. Geuren als dragers van herinneringen zijn onder meer daarbij werkzaam. Bij Starkenburg lopen werkelijkheid en droomwereld dikwijls scherp opeenvolgend door elkaar heen, zoals de ‘ik’ die de rotsen bij Santorini bekijkt. De ‘ik’ lijkt er pas bij betrokken te raken als ze zich voorstelt als ware de ‘ik’ een buitenstaander voor wie de natuur ‘een decor op een toneel’ is.
      Ik denk dat de uitspraak van Ludwig Wittgenstein ‘Das Ich, das Ich das tief Geheimnisvolle!’ een belangrijke kern aanduidt van wat Starkenburg ons in deze bundel wil zeggen. In dat spoor staat een aantal gedichten waarin ze de zoektocht naar het eigen subject tracht te volgen, zoals in het gedicht ‘Wens’:

ik wil je zien
als je alleen bent
maar dat kan niet
want dan ben je niet meer alleen

ik zou willen dat je mij zag
als ik alleen ben
maar dat kan niet
want dan ben ik niet meer alleen

      Er zijn verschillende momenten waarop het verlangen naar de ander, naar zichzelf, naar erkenning haar gedichten binnenkruipt. In het gedicht ‘Nu’ wil Starkenburg tot uitdrukking brengen dat haar ‘ik’ en zijn ‘alter ego’ het niet altijd even goed met elkaar kunnen vinden. Daarop volgen twee korte strofen: ‘terwijl vandaag zichzelf / nog bij elkaar probeert te rapen // bedelt morgen al / doe iets goeds voor mij’. Die overstap van ‘ik’ op de gepersonifieerde abstracties van ‘vandaag’ en ‘morgen’ is een nogal schielijke overgang die vaker voorkomt in deze bundel. Daarop volgt ten slotte een nieuwe en grote overstap op naar een nog grotere kosmische eenheid als ‘planeet’ en ‘zon’ die de eerdere ervaring van de innerlijke tegenstelling van de ‘ik’ daarmee zo weinig invoelbaar maakt: ‘alleen planeten, planeten alleen / verlangen niets van ons // we gaan naar de zon’. Grote stappen, snel thuis.
      Het gedicht ‘Ierse tweeling’ is een voorbeeld van een zoektocht waarin ‘mijn broer en ik’ zich voor de zoveelste keer met weer een andere camera op de foto laten zetten. Ze willen in elkaar opgaan. Hoewel ze na elkaar ter wereld zijn gekomen lijken ze op de foto als die Ierse tweeling die aan elkaar vastzaten bij de geboorte, en daarna voor een leven lang. Wat die tweeling ‘van nature’ gewoon is, namelijk om om als tweeling op de foto te komen, is deze broer en ‘ik’ niet gewoon. Ze zullen ‘het proberen: poseren’. De achterliggende gedachte lijkt te zijn: de verbondenheid die voor de Ierse tweeling ongewild gewoon is, is wat de broer en ‘ik’ zich wensen. In deze gedichten probeert Starkenburg in woorden te vangen hoezeer we niet in staat zijn onszelf en elkaar te kennen.
      Misschien heeft de blik van Starkenburg op het leven hier en daar wel wat clowneske trekken. De speelse wijze waarop ze in het gedicht ‘Clownesk’ ‘een foto van Charlie Chaplin met een meisje’ beschouwt wijst in die richting. De taal van het meisje is ‘zo kaal / als het hoofd van haar vader’. Hij verdwijnt op het laatst ‘met haar met / haar’, evenals de taal die hij sprak in zijn stomme films. De (lach)bewegingen zijn bewaard gebleven, maar de taal is verdwenen. In het gedicht ‘Money, money, money’ zingen ‘mijn zus en ik’ een lied van ABBA. Ze herkennen de betekenis niet van wat het viertal zingt. Daarom schrijft de ‘ik’ de tekst fonetisch voor haar zus uit. Nu weten ze ‘waarover / het niet zou moeten gaan’. De onbegrepen woorden geven inzicht in wat niet van belang is in het leven. De vergankelijkheid maakt niet alleen mensen en voorvallen zoek, maar ook de taal die uitgesproken wordt.
      Het op verschillende plekken in het vliegtuig gaan zitten in het gedicht ‘Samen naar New York’ is weer zo’n voorbeeld van een licht absurdistische voorstelling van zaken over het wel of niet met elkaar willen reizen en bij elkaar willen komen maar toch niet samen kunnen vallen. Dat geldt ook voor een gedicht over ‘een eenzame uitvaart’ voor een overledene die geen familie en vrienden heeft. Het betreft een aap die ‘nog nooit gestorven’  en ‘nooit geboren’ is. Het ‘weggeven van de aap’ aan degene die gestorven is, is een mooi gebaar van aandacht geven, maar krijgt in dit gedicht zo weinig zeggingskracht mee dat het geen poëzie wordt die tot de verbeelding spreekt.
      Over de bundel hangt in de zoektocht naar de ander en de ‘ik’ de nevel van de eenzaamheid. De eenzame mens, al dan niet met psychische problemen, in park, in binnenstad en café, waart rond in deze bundel, zoals in het aandoenlijke gedicht

Roos is de vrouw
die elke ochtend bij
alle buren aanbelt

ze is haar hoofd
verloren  de zachte
blaadjes dwarrelen

alle kanten op
met de wind mee en
zij is toch zo’n mooi

meisje en op haar
was toch geen boom
terecht gekomen

de wijkagent noemt het geen
noodgeval , de GOD eist eerst
een rechterlijke machtiging

nu doe ik maar of het
god is die mij attent
elke ochtend wakker belt

      Deze Roos dwaalt rond in haar eigen leven. Op haar is ‘geen boom terecht gekomen’. Letterlijk en/of figuurlijk? Is dit haar redding of haar noodlot? Haar privacy wordt geduld tot er vanwege aanhoudende klachten uit haar leefomgeving een rechterlijke machtiging afkomt. Zo ontsteelt deze vrouw zoals een ieder aan het leven een dag. Ook die echtparen die na een uurtje zwemmen elkaar vluchtig kussen en daarna elk ‘een eigen leven in gaan’ uit het gedicht ‘De beste van alle voordeuren’ dragen die eenzaamheid in zich. Eenzaamheid, vergankelijkheid en het zichzelf en elkaar niet kennen keren telkens weer in samenhang met elkaar terug.
      Het titelgedicht ‘De boom valt op mij’ geeft een goede indruk van hoe Starkenburg veelal te werk gaat. Harde opeenvolging van het concrete en het abstracte. De ‘ik’ lijkt op een groene boom, omdat zij zich hult in een groene jurk als ware zij een ‘wandelende tak’. Of op het einde de kreet ‘van de gevallen kruin’ voorkomt uit het feit dat aan alle bladeren de kleur is ontnomen door het wit makende blauwsel, of dat er sprake is van een zachte kreet van ‘groen’ protest tegen de ontbossing vanwege de fabricage van kleurstoffen, het gedicht mist de scherpte van een treffende metaforiek en laat ons op het laatst in het duister ronddolen. Het gedicht blijft hangen in een alledaagse observatie uit de jeugd, zonder dat het naar een verder strekkende gelaagdheid leidt die haar vervolg vindt in de bundel.
      Starkenburg bedient zich nauwelijks van gelaagdheden die meerdere betekenissen tegelijk aanduiden. Een dergelijke gelaagdheid maakt ons ervan bewust dat een dichter zich niet zomaar opzettelijk in moeilijk verstaanbare bewoordingen uitspreekt. Het is hem nu eenmaal eigen te stuiten op observaties en ervaringen die zich moeilijk in woorden laten uitdrukken. De dichter heeft metaforen nodig om zich daartegen te verweren.
      Bij herhaalde lezing miste ik die gelaagdheid. Starkenburg schrijft in parlando, wat er in haar geval niet bepaald toe bijdraagt dat haar poëzie de nodige spanning meekrijgt. Poëzie kan in haar eenvoud opzienbarend zijn, maar de hare is eerder nogal bleek en flets te noemen: -Ben jij weleens bang ’s nachts? / – Nee, niet speciaal ’s nachts’. Aan het einde van haar gedichten voorziet ze die dikwijls van een omkering of een open einde, maar het merendeel van de gedichten geeft de indruk van een nog niet voldoende doordachte afhechting van het gedachte-experiment. De notatie zonder leestekens is daaraan misschien ook enigszins debet.
      Al met al is de lezing van deze nieuwe bundel voor mij niet een inspirerende kennismaking geweest met het werk van Ilse Starkenburg. Zoals een schilder niet de meest treffende kleurnuances op het doek weet te brengen, zo mis ik bij haar het pakkend arrangement van woorden en beelden. Wat ze aan thematiek wil overbrengen is wel interessant, maar ze weet daarvoor niet voor mij de meest aansprekende weg in de taal te vinden. Daarom valt deze keer de boom niet op mij.

***
Ilse Starkenburg (1963) is dichter en schrijver. Ze debuteerde in 1987 met vier gedichten in het tijdschrift Maatstaf. Sindsdien verschenen bij De Arbeiderspers vijf bundels en een verhalenboek. Haar werk is in talrijke bloemlezingen opgenomen waaronder in de De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer.

Recensie van Nachtroer - Charlotte Van den Broeck

Blijven proberen tot het past

Charlotte Van den Broeck
Nachtroer
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029510219
€ 18,99
81 blz.

Charlotte Van den Broeck debuteerde met de bundel Kameleon (2015). Ze oogstte er veel lof mee. Haar terloopse maar opmerkelijke manier van dichten leverde bezielde poëzie op. Aan de toepassing van stijlkenmerken als parallellisme, herhaling, suggestie van innerlijk dialogeren, betekenisvolle enjambementen, binnenrijm, alliteratie en assonantie valt af te lezen dat deze poëzie zich heel goed leent voor het podium. Soms schemeren anekdotische elementen door haar teksten heen, zoals het legendarische jongetje na de aanslagen in Parijs. Zij vertegenwoordigen de verhelderende stapstenen in dit universum van nachtelijke duisternis. De cyclische structuur onderstreept de gesloten wereld waarbinnen dit poëtische gedachte-experiment zich afspeelt.
      Van den Broeck werkt in haar nieuwe bundel Nachtroer met omvangrijke cycli en bouwt structuren om haar fragiele gedachte- en gevoelsbouwwerk te ondersteunen. Daarbij kenmerkt zich haar poëzie door een breed uitwaaierend karakter. Ze blijft zoeken naar wat haar lyrisch subject drijft, richting biedt en inzicht geeft. Ze doolt rond in een duistere ruimte waarvan ze afmetingen niet kan inschatten en bepalen. Ze tracht haar verwarring met verrassende metaforen te verhelderen. Daarmee kwalificeert ze haar identiteit als dichter. Ondanks de snelle opvolging van wisselende beelden weet Van den Broeck je daarin mee te slepen. Haar taalvirtuositeit is indrukwekkend.
      Er hangt een waas van geheimzinnigheid om haar gedichten. Ze vragen eenzelfde overgave als waarmee ze tot stand zijn gekomen. Gelukkig geeft het motto van Levinas ons enige toegang tot deze intrigerende poëzie. Het gaat om een diep doorvoeld innerlijk leven waarin een lyrisch subject houvast zoekt maar het niet kan vinden. Alles is aan ambivalentie onderworpen: ‘Het kennende subject is geen deel van een geheel, het grenst nergens aan.’ Dat impliceert een zwevend ik dat zich in een oneindig heelal van gevoels- en gedachtewerelden rondwentelt. In deze poëzie zal de lezer niet direct vaste grond vinden. De filosofische inslag met snelle focuswisselingen ontneemt de lezer heldere doorzichten. Gaandeweg ontdek je dat dat nu juist is wat wordt beoogd door Van den Broeck. Ze betwist een vooringenomen helderheid van herinnering, van weten en denken: ‘de werkelijkheid / die in zoveel opzichten op de warmte van slapen lijkt / dat we bij de droom kunnen’. De scheidslijn tussen slapen, droom en werkelijkheid, tussen vaste grond onder de voeten en zweven in een oneindige ruimte van de geest is niet te trekken. De titels van gedichten en cycli wijzen ook op de onmogelijkheid greep te krijgen op de werkelijkheid, om bij elkaar te horen. De duisternis van de nacht (‘Nachtroer’), het opgaan in de vergetelheid, de herinnering verliezen (‘Lethe’) en de onmogelijke plaatsbepaling (‘Topos’) wijzen allemaal op de onbeheersbaarheid van wat wij (nacht)leven noemen. Ook een begrip als anomalie duidt op innerlijke tegenstrijdigheden waarmee de ik voortdurend zich weet geconfronteerd. Ze tracht telkens weer het abstracte concreet te maken, wat bij uitstek tot de taak van een dichter behoort. Poëzie is immers een vermoeden dat in taal aangezicht krijgt.
      In een interview dat Van den Broeck tijdens haar residentiebezoek aan Parijs aflegde, gaf ze aan dat de beelden als dia’s door haar hoofd flitsen. Hoewel ze van zichzelf vindt dat ze een perfectionist is, laat ze ons moedwillig en onoverkomelijk zien dat ze haar focus moeilijk gericht kan houden. Alles vervluchtigt onder haar handen. Niets houdt stand. Alles is bovenal contingent. Ze lijdt daaronder. De dichteres staat op verschillende foto’s als een Pierrot afgebeeld. Het is heel goed voorstelbaar dat zij in het schilderij Gillis van Jean Antoine Watteau zichzelf herkent. In haar schuilt een wezensvreemd kind, dat o zo graag te horen zou krijgen hoe de dingen nu echt in elkaar steken, want dat zegt de perfectionist in haar. Ze weet zich als een kind van deze tijd overweldigd door de overprikkeling van indrukken die langs allerlei wegen tot haar komen. In haar eindeloze stapeling en omcirkeling van ervaringen, gedachten en gevoelens doet de poëzie van Van den Broeck (1991) me denken aan de poëzie van de Amerikaanse dichter John Ashbery. Ook hij weet zich overmand door een associatieve aaneenschakeling van gedachten en ideeën die niet leiden naar een eensluidende helderheid.
      De bundel bestaat uit twee afdelingen. De eerste cyclus ‘Acht (VIII-I)’ bestaat uit acht gedichten die in terugblik, van achteren naar voren, een tragische liefdesgeschiedenis in beeld brengen. Deze cyclus werpt zijn schaduw op de tweede afdeling ‘Nachtroer’ die het grootste deel van de bundel uitmaakt.
      In het eerste gedicht van de afdeling ‘Acht’ staat de poëzie ‘juist nu hardnekkig […] te zwijgen’. De rouw na het vaststellen van het persoonlijk falen voelt heel fysiek aan: ‘om nieuwe aanrakingen vooraf al te verdoven’. In dit vers is een dichter aan het woord die ‘de teleurgang tussen schouderbladen’ voelt. Geen enkel woord is meer in staat de wond te helen: ‘zelfs het schrijven is bezig te versterven’. Mijn handschrift ‘sleept / naar links, sleept me rugwaarts terug de jaren in / in je oksel bres voor bedenktijd’. Wat ooit was, is niet meer: ‘de overgave, het blinde licht in de middag en later daarover de gedichten/’.
      Deze ervaring neemt het lyrisch subject mee de tweede afdeling, ‘Nachtroer’, in. Het nachtelijk ronddolen in de duisternis van het eigen universum levert tal van inzichten op die niet stollen, maar in de kortste keren een andere gedaante in de herinnering aannemen. Het titelgedicht ‘Nachtroer’ is niet alleen een verwijzing naar een nachtwinkel in Antwerpen, maar ook naar de beroering, de ontroering en de oproer die zich openbaart aan en in de ik. In de nadering van de ander bestaat de mogelijkheid ‘om mezelf ertegen op te drukken’. Alles wat door de geest van de ik schiet, doet denken aan ‘het kleurenspectrum in een regenplas even / is het waar geweest’. Reminiscenties aan een intieme relatie blijft zijn sporen afgeven in het gedicht ‘Hematoom’: ‘dat je hier was en dat ik het ooit moet hebben geweten’. In het nachtelijk rondspoken van gedachten vliegen de feiten door het hoofd om ‘s ochtends weer in structuren van het dagelijks leven te worden gevangen. Nacht aan nacht wordt ondernomen ‘om wat voorbij is te redeneren tot een verschijnsel/’. De ander dient uit die afgesloten denkwereld bevrijd te worden door de ik. Er vindt een woekering van gedachten plaats rond ‘wat zich moeilijk zeggen laat/’. Er moet ‘naar een beter woord voor blauw gezocht’ worden. Uiteindelijk centreert zich dat in het gedicht ‘Blauw’ tot: ‘het nulpunt / stilliggen’.
      Op hoogst virtuoze wijze verbeeldt Van den Broeck in haar gedicht ‘Lethe’ de onweerstaanbare drang in onze tijd om via de computer een minnaar te lokaliseren: ‘om van een rivier te drinken en te vergeten / het lijkt zo simpel opeens, ingetogen / de dorst naar niets, hoog het glas’. In de nachtwinkel van ‘Algemene voeding fris drank sterk drank & tabac’ smelten voornemens snel ‘onder de broedlampen van de straatverlichting’. De ik voelt zich in dit gedicht een reiziger die nooit een bestemming vindt en met een ‘geeuw […] de wereld verslindt’. De ‘Age of Aquarius’ mag dan wel duiden op grote veranderingen, maar uiteindelijk gaat het om de veranderingen in het individuele leven. De ik is de mens die zich afvraagt ‘waarom ik steeds aan scherven denk’. Hij hoopt steeds op ‘nevenschikking en dat het niet te laat is / voor vergelijkingen’. Er blijft de eeuwigdurende ‘Dorst’ in het gelijknamige cyclus, de dwaze drang de kudde uit te lopen en te pletter te slaan. Elke poging om een reeks te gaan vormen, een kind aan de familie toe te voegen, boezemt eenzaamheid in, hoewel dat noodzakelijkerwijze niet zo hoeft te zijn. Het gaat de ik uiteindelijk om de ziel ‘die exact dezelfde vorm als je lichaam heeft / in omtrek iets kleiner, zodat hij onder je huid kan schuiven / de organen in een vruchtzak bij elkaar houdt / als je hevig moet huilen’. Dit is typisch zo’n formulering van Van den Broeck waaraan haar metaforische kracht en virtuositeit zichtbaar wordt.
      De cyclus ‘Snede’ typeert de dagen van de week met een kleur en een atmosfeer. Daarin probeert de ik te zoeken naar ‘het uitzicht / dat het kijken boven het wensen uit zal tillen’. Van den Broeck weet het abstracte heel goed te vermengen met het concrete en omgekeerd. Ze verliest nooit de werkelijkheid uit het oog: ‘boven blijkt de kerk een regenscherm en heil / een plastic hesje’//. Aan het einde van deze cyclus heeft ze zich een maquette gebouwd en ‘lege gedichten en straten waarvoor ik geen terugweg moet bedenken//’. Door alles heen, zoals ze dat in ‘Roofbouw’ formuleert, draagt ze ‘de weemoed en haar pakgewicht’ met zich mee. In de cyclus ‘Wit’ eindigt ze met de woorden: ‘ik ben een plek die er niet is / een plek waar licht zich doorheen wringt//’. Aan alles valt in deze bundel af te lezen dat Van den Broeck haar ziel op tafel legt en worstelt met haar identiteit en het onvermogen om bij elkaar te horen, maar blijft proberen tot het past. Hoewel de ik in het laatste gedicht een boot zou willen bouwen, weet ze niet ‘waarheen?//’. Alles blijft open en contingent. Op diverse plaatsen in de bundel proef je de pijnlijke eenzaamheid van de ik.
      Voor mij schuilt de grootheid van deze bundel erin dat Van den Broeck de innerlijke chaos van één enkel bewustzijn zodanig blootlegt dat ze de individueel eigenaardige verwarring ervan universeel maakt.

***
Charlotte Van de Broeck (1991) is een Vlaamse dichter uit Turnhout. Na haar studie Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Gent ging ze woordkunst studeren aan het Conservatorium te Antwerpen. Door haar optredens bij De Sprekende Ezels (Antwerpen) werd ze snel opgemerkt. Ze deed in 2015 mee aan de Nacht van de Poëzie te Utrecht. Ze debuteerde bij De Arbeiderspers met haar succesvolle bundel Kameleon (2015). Ze ontving daarvoor de Herman de Coninckprijs 2016. In 2017 verscheen haar bundel Nachtroer.

Recensie van Meervoudig afwezig - Ester Naomi Perquin

De raadselachtigheid van Perquin

Ester Naomi Perquin
Meervoudig afwezig
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261631
€ 16,99
37 blz.

In de nieuwe bundel van Ester Naomi Perquin Meervoudig afwezig (2017) trekt de dichter ons op intelligente wijze herkenbare levenservaringen binnen en laat ons er met nieuwe ogen naar kijken. Ze vraagt daarbij veel van onze voorstellingsvermogen vanwege haar verrassende wendingen van het concrete naar het abstracte en omgekeerd, haar omkering van voorstellingen, zienswijzen en gedragingen, zoals bijvoorbeeld het meebrengen naar een feest van ‘een kleine gedachte, mooi ingepakt//’ of de gedachte van ‘leegte’ als associatie met ‘oppervlaktewater’. Het paradoxale, het tegenstrijdige en het onoplosbare dat in veel situaties schuilgaat, is in deze bundel haar handelsmerk. Evenals Leonard Nolens beschouwt ze de stijlfiguur van de paradox als de enige hygiënische manier van denken. We moeten het ja niet scheiden van het nee, zoals Paul Celan haar leerde. Daarin gaat de raadselachtigheid van het leven schuil. Perquin neemt haar scherp waar, heeft niet zozeer de neiging daar een oplossing aan te verbinden, maar wil je de ingewikkeldheid van het leven laten zien. Het maakt voor een groot deel de spanning en de charme van de menselijke conditie uit. Genot is in dit geval misschien wat te veel gezegd, maar enig mild moralistisch realiteitsbesef weet Perquin ons wel voor te houden. Ze laat ons goed zien in hoeverre in de delen het totale zich het best laat zien, en in het totale de schoonheid en de waarheid van de delen zich kan aftekenen. Haar toon in deze bundel ligt dicht bij haar persoonlijke ervaring.
     Het motto van deze bundel ‘Er schuilt ongeloof in ieder uur’ is haar ingegeven door Fernando Pessoa, de dichter die voortdurend twijfelde aan zijn eigen identiteit, en niet voor waar wenste te houden wat anderen hem voorhielden en/of voordeden. Identiteit was voor hem drijfzand en aan een voortdurende verandering onderworpen. Wat is dat eigenlijk: er zijn, aan- en afwezig zijn? Perquin vraagt zich terecht af of we van onszelf wel weten wie we zijn en waarom we de dingen doen zoals we ze doen, laat staan dat we dat van anderen zouden kunnen weten. Ze begint met een mysterieus introductiegedicht. Daarin spreekt een professor zijn studenten toe:

De aard van de afwezigheid, dames en heren,
is zodanig afhankelijk van ons verdwijnen
dat zij niet valt waar te nemen.

Ook wat blijft, valt lang niet altijd goed waar te nemen, neem bijvoorbeeld de ‘maan’. ‘U zult de grootheid niet in het totale vinden.’ […] ‘Maar het totale in de delen!’ De professor die deze uitspraken doet, besluit in laatste strofe met het voorbeeld van een olifant om daarmee zijn theorie te illustreren:

Een olifant (…) lijkt pas de olifant die hij
daadwerkelijk is wanneer u
wegens kijken door een sleutelgat
een groot deel van hem mist.

Met onze verbeelding voltooien wij het beeld van onze werkelijkheid. Wat er onder oppervlakte aanwezig is, zien we vaak over het hoofd; wat in de werkelijkheid afwezig is, krijgt in onze verbeelding zijn entourage.
     Het eerste deel van deze bundel heet ‘De delen’. Hierin staan onder meer enkele gedichten die refereren aan een relatie, scheiding en kinderen, over wat zoek raakt, verdwijnt en pijn doet, zoals het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’, ‘Berekening’ en ‘Therapie’. Wat er leek te zijn, was er niet. Wat er niet was, bleek er wel te zijn. Schijn bedriegt: ‘slaap niet in vertrouwde armen / als andere aanlokkelijk ontbreken’ zegt de ik in het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’. Zij hebben een ander beeld van de relatie dan de ik zelf. De ervaring van een scheiding doet de ik mismoedig en ironisch oproepen:

…………………………..Zoek naar de aarzeling
en ongemak. De raadselachtigheid. Ik zou nu graag
een lelijke die mij weer aan het lachen maakt
en die mij prachtig vindt. Prachtig.

In het gedicht ‘Therapie’ vraagt de ik – die zichzelf als een stad beschouwt – zich af hoe ze zich van de angst kan bevrijden: ‘We vragen ons af wie de ander/ beter leest. Wie wint. Waarom we eenzaam zijn/’. Wie heeft het beste zicht op de ‘klont in [het] brein’? De cliënt of de therapeut? In het laten zien van wat aanwezig is maar afwezig lijkt te zijn, bedient Perquin zich van verdwijntrucs die thuishoren in sprookjes, zoals in het gedicht ‘Wegens logistieke problemen’. De ik mocht de doos die gearriveerd was, niet openen. Uiteindelijk stapt ze er toch binnen, opdat ze daarmee voor even zou vergeten wat haar te wachten staat. Blijkbaar werd het openen van de doos belemmerd door een angstgedachte dat er iets in de doos zat wat gevaarlijk was. Wat niet zichtbaar was, was aanwezig in al zijn afwezigheid. Tweemaal afwezig: de angst en het verdwijnen in de doos.
     In het gedicht ‘Een troost’ ontleent Perquin troost aan de roekeloze en waar te nemen groei die de natuur in al zijn facetten kenmerkt: ‘Wat groeit, groeit roekeloos.//’ Wij mensen bestaan massaal niet, we zijn ‘feilloos in het niet-bestaan.//’ Ze gaat daarna verder met:

We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

( … )
Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

Onze af- en toekomst rust in de onbegrijpelijke afwezigheid van een schepper die in ons zijn aanwezigheid tot uitdrukking heeft gebracht. In het gedicht ‘Ondersteunende troepen’ zijn daar de angstige vaders die vrees hebben voor de oorlogshandelingen. Ze hebben angstvisioenen die niet bewaarheid worden, maar weten zich gesteund en getroost door de vooruitzichten die hun kinderen hen bieden voor na de oorlog. In beide gevallen berusten die vooronderstellingen op wat er niet is. Ook hier is er sprake van tweemaal afwezigheid. Zo zie je maar weer hoezeer mensen gedreven worden door wat zich in hun verbeelding vormt en vastzet, en niet op de feiten is gebaseerd. Door de vreesaanjagende deelaspecten wordt het verlossend geheel vaak niet zichtbaar meer.
     Het tweede deel heet ‘Het totale’ begint met een reeks nabeelden, zoals ‘Zelfs in de koppen van gevangen apen, las ik,/ treft bij de sectie vaak nog/ hele stukken oerwoud aan.//’. De conversatie met de snurkende, vaag geurende God is vermakelijk en hilarisch te noemen. “Je hebt veel dingen nooit gedacht,” zegt God ineens./’ tegen de ik. De ik repliceert: ‘U bent er niet.’ God houdt zijn ogen dicht en gaat verliggen. ‘Gratis dicteer ik / dit gedicht’, zegt hij. “Probeer het zelf / maar te verpesten.”//’. Het maken van het gedicht ligt wel en niet in onze handen, of God er nu wel of niet bij aanwezig is. Het scheppingsproces blijft een oneindig raadsel. Perquin laat haar lyrisch subject in dit tweede deel worstelen met de oorsprongs- en bestaansreden. Ook al kunnen we tegenwoordig heel ver het heelal inkijken, uiteindelijk keren we terug ‘bij het noodgedwongen wezen / van de mens: ons vermoeden. //’ In onze handelingen, hoe aarzelend en klein dan ook, ligt de bestaans(on)zekerheid. Het gedicht ‘Handelingen’ legt die existentiële vraag op tafel. Het lyrisch subject van Perquin cirkelt voornamelijk in deze bundel rond de vraag wat de vaste grond van dit bestaan is. Ze is er al lang achter dat die grond niet in de materie en de mens alleen te vinden is. Ze accepteert dat ook en bepleit enerzijds de permanente modus van de onzekerheid, maar blijft anderzijds naar een vermoedelijke aanwezigheid van een bestaansgrond zoeken: ‘Vermoeden omlijnt ons bestaan, een silhouet van onze krijt, / de dunne omtrek van een lijk; wij zijn wat niet meer / verder komt, voorgoed is vastgesteld. //’. In het gedicht ‘Had het hierbij maar gelaten’ blijft die finale vraag opspelen:

Je neemt een been (een lang, bruin been dat iemand over heeft)
een meeuw of twee en het uitzicht op zee.

Gelukkig zijn is gemakkelijk wanneer iemand anders steeds
je drankje brengt en diepe gesprekken kunnen vrij eenvoudig zijn:
je begint met de herkomst van het been en voor je het weet ben je
toe aan het hart, het eerste verlies, de innemende lach
en als je dood gaat, wat je dan denkt
dat men vermoedt dat je dacht.

Vraag als de zon zakt nog even of God het zo bedoelde en je zult zien
dat ook Hij, als Hij met ons klaar zal zijn,
de schepping uit de knoop haalt, leeg laat lopen,
de boel inpakt (zorgvuldig droogwrijft) en opbreekt,
nog één keer omkijkt en verdwijnt – je zult zien dat ook Hij
graag kijkt naar betere omstandigheden.

Naar één zuiver idee als dit. Een huis
met een trap naar de zee.

Perquin heeft met deze nieuwe bundel een zeer leesbare, verrassend knappe bundel geschreven die voor mij een aards-metafysische inslag heeft, zonder dat hij humor en directheid mist. In haar pogingen het afwezige in het aanwezige te laten zien vanuit het deel of het geheel, maakt zij deze bundel tot een existentiële ervaring met een spirituele kwaliteit.

Recensie van Krabbengang. Bloemlezing uit eigen werk - Stefaan van den Bremt

Te lezen voor wie graaft

Stefaan van den Bremt
Krabbengang. Bloemlezing uit eigen werk
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339195
€ 20
192 blz.

De recent verschenen bloemlezing Krabbengang (2016) van de Vlaamse dichter en vertaler Stefaan Van den Bremt biedt de lezer een overzicht van gedichten die zijn voorkeur verdienen. Uit 17 van de 20 verschenen bundels heeft hij een keuze gemaakt. Hij is niet de enige dichter die om de zoveel tijd zich geroepen voelt streng en kritisch zijn verzen te wikken en te wegen. Andere dichters zijn daarin soms wat minder streng te werk gegaan, zoals Stefan Hertmans en Leonard Nolens. Met dit selectieproces zal hij de bedoeling hebben gehad die verzen in zijn bloemlezing een plaats te geven die het sterkst zijn identiteit als dichter bepalen.
     Aan het gedicht ‘Plattegrond’ uit de bundel Voegwerk (2008) voegt hij een motto van de Spaanse dichter Antonio Machado (1875-1939) toe: ‘ga maar er is geen weg / hij wordt pas gaande weg’. Met dat adagium moet Van den Bremt indertijd als dichter op pad zijn gegaan. Daarin staat halverwege een versregel die een essentiële beweegreden voor zijn dichterschap onderstreept: ‘We jagen wie wij worden na’. Die jacht roept veel melancholie op, omdat er altijd een verschil tussen kunnen en willen zal blijven bestaan.
     Onder titel ‘Afspraak met de geschiedenis’ tekent Dirk De Geest voorafgaand aan de bundeling een vloeiend portret van deze dichter en zijn ontwikkeling. Hij prijst hem om zijn uitmuntende staalkaart en schetst hem als een scherp waarnemer met oog voor de complexe realiteit waarin wij leven. Daarbij slaat Van den Bremt het oog op wat zich in zijn directe leefomgeving aan hem voordoet, maar ook op wat er op zijn reizen door Europa en daarbuiten in zijn vizier is gekomen. Hij onderkent zijn eigen individualiteit in een onmisbaar sociaal verband. Hij zoekt de ander in zijn ontmoeting met de kunsten, de liefde, de natuur en de taal.
     Van den Bremt is niet zozeer een vernieuwer te noemen, hoewel hij in zijn Labris-periode zijn taalexperimenten heeft gekend. Na verloop van tijd zocht hij in zijn poëzie meer naar wat voor hem in de meest objectieve zin de werkelijkheid is. Het is ook de periode waarin hij zijn politiek-maatschappelijk engagement uitdraagt, zoals in het gedicht ‘Lyriek en politiek’ uit de bundel Andere gedichten (1980): ‘Het land dat u bestuurt, heren, / heeft meer emotie nodig! // Goede lyriek deed nooit onder / voor de politiek: beide / vullen een tekort met woorden.’ De heren politici bestrijden nog altijd niet de honger in Afrika, terwijl daar nog altijd ‘eetlust zonder eten’ bestaat. In dit tekort treffen politici en dichters elkaar.
     Zoals vele generatiegenoten ontdekt Van den Bremt dat we alleen door middel van de taal ons een beeld van de werkelijkheid kunnen scheppen. Hij schroomt niet om gaandeweg steeds meer zijn lyrische stem te laten klinken en de grenzen van de liefde te verkennen, zoals in het titelloze gedicht uit de bundel Het onpare paar (1981): ‘Zin op liefde, muze. / Dit zijn de woorden. // Zing van de liefde, de dichter, / zing verzin opnieuw / de oudste deun.’ Het is de enige manier om onze innerlijke leegte te verdrijven. Daarin speelt de taal voor Van den Bremt een hoofdrol. Daarbij geeft zijn melancholieke ondertoon een zekere vergeefsheid mee aan zijn verzen, zoals in het vers ‘De weg naar Saint-Cirque-Lapopie’ uit de bundel Een vlieg met gouden vleugels (1997): ‘Poëzie, zoals de liefde, is de ellende / van de lijfelijke gelukzaligheid. Ook // zij eindigt met de treurnis / van elk dier na de coïtus’.
     Aan zijn poëzie valt in vorm en inhoud de verbondenheid met de traditie af te lezen. In het bijzonder hebben de Franse en Spaanse poëzie zijn interesse. Zijn poëzie is bepaald niet eenvormig en gelijkluidend te noemen. Zijn verzen zijn wisselend van lengte, net zoals dat met de versregellengte en de typografie het geval is. Van den Bremt is van meet af aan een bouwer van grote en kleine cycli geweest, zoals de cyclus ‘Nachtmuziek over Ter Kameren” uit de bundel Een vlieg met gouden vleugels (1997), in navolging van een vergelijkbare cyclus van Octavio Paz. Als een wandeling door de herinnering opgetekend daalt het lyrisch subject bij wijze van spreken af naar wat er aan voornemens achter hem ligt: de waarheid te vinden, een nieuwe wereld te maken en het juiste woord te vinden. In dergelijke omvangrijke verzen kan hij meer spelen met sferen, klankkleuren en ritmes.
     Stijlfiguren als herhaling, parallellisme, imperatief, tegenstelling, paradox en retorische vraag komen veelvuldig voor en onderstrepen zijn ambivalente levensgevoel. In het gedicht ‘Drempeldicht’ uit de bundel Verbeelde boedel (1995) brengt hij dat heel precies onder woorden. Hij wenst maker van ‘dubbelzinnige gedichten’ te blijven. De ‘kunst der wankele evenwichten’ hoopt hij meester te worden. Hij onderkent de leugenachtigheid van onze waarneming, en zeker als wat wij hebben waargenomen is gefotografeerd, zoals in het gedicht ‘De duivel als fotograaf’ uit de bundel Verbeelde boedel (1995): ‘Herinner je. Eén ogenblik mag je / weer meisje zijn. Het is geen vrouw gegund / zo mooi te blijven dan als souvenir.’ De vaststelling van een fotomoment is een hoogtepunt, maar is tevens een moment van herinneringsverfraaiing.
     Iets van de poète maudit leeft in deze dichter. Hij beschouwt zich als de kleinst mogelijke cirkel met een omtrek en middelpunt. Hij worstelt met het zoeken naar een krachtige eigen stem. Was hij eerder de dichter die met een retorische vraag zich afvroeg of hij wel de aangewezen persoon was om over het menselijk tekort te spreken, gaandeweg heeft hij die positie veroverd en het zelfvertrouwen zich eigen gemaakt. Hij formuleert dat treffend in het gedicht ‘Waakvlam’ uit de bundel Met ogen vol vergetelheid (1989) als volgt: ‘Alleen waar vuur heerst, heilig vuur, ontwaakt / de ware schrijfaandrift. Dat vuur volmaakt / het handwerk van het schrijven, een gedreven / aaneenrijgen van letters die gaan leven’.
     Van den Bremt formuleert voorzichtig, detailleert subtiel en heeft oog voor wat veelal over het hoofd wordt gezien, zoals in het ‘Een landslied’ uit de bundel Taalgetijden (1999) : ‘Nog liever is het me waar licht op weg is / naar een plooi die met geen windvlaag glad / te wrijven is’. Hij personifieert graag zijn natuurlijke objecten, zoals de ‘zingende bomen’. Zijn poëzie laat zich in eerste instantie gemakkelijk lezen, maar bezit bij nader inzien een gelaagdheid die mede haar aantrekkelijkheid uitmaakt. Soms verrast hij ons met een archaïsme, dan weer gebruikt hij een woord van alledag. Meestal is zijn woordkeuze terughoudend en behoedzaam. Hij wil toch vooral een dichter van weinig welgekozen woorden zijn. Soms neigt hij naar het aforistische, dan weer waagt hij zich aan een breed uitgesponnen cyclus. Het blijft spannend om zijn poëtische krabbengang te volgen.
     In de bundel Valkuil in de wolken (1971) staat het gedicht ‘Bodemonderzoek’. Daarin verwoordt Van den Bremt wat hij als dichter voorstaat: ‘Geologie is allerminst lichtzinnig. / eerst na maandenlange terreinprospectie en dito stalen- / onderzoek duidt men op de kaart die punten aan / die voor diepere boring in aanmerking zullen komen, / waarna nog blijkt dat één succes noodzakelijkerwijze / opweegt tegen tientallen mislukkingen.’ Het is deze behoedzame werkwijze die hem eigen is. Hij gaat niet over een nacht ijs, en zeker niet op aanraden van anderen. Hij vaart zijn eigen koers. Hij is zijn eigen projectontwikkelaar in het gelijknamige gedicht uit de bundel Lente in Vorst (1976): ‘ Eén voor één wik ik / mijn woorden, omzichtig, / en maak ze even doorzichtig / als vensterglas.’ En toch blijft het vinden van de juiste woorden iets hebben van het zoeken naar sluipwegen en het gaan door onaardse gangen om de Montségur te bestijgen: ‘Het arendsnest blijft onneembaar. / De volmaakten zijn niet van deze / wereld, / en waar is de andere?’ Hoe graag had hij niet de ‘volmaakte’ dichter willen zijn? Het is als het ervaren van de nabijheid van de verte ‘in een niet uit te roeien taal / van ketterse visioenen in azuren / tonen ver boven de hoogste trans’. In deze regels spannen de transcenderende bewegingen in het dichterschap van Van den Bremt samen met de dichter die in veel van wat hij waarneemt en ervaart, de opwindende lokroep hoort van sirenen die hem naar de woorden zullen leiden die hem door de dag en de droom zullen voeren die leven heet. Het eedverbond der woorden is edel, ‘maar al wat edel lijkt / is [nu eenmaal] ijdel’.
     Hoezeer Van den Bremt de behoefte voelt zichzelf op te tekenen blijkt onder meer uit het gedicht ‘Lijflied’ uit de bundel In een mum van taal (2002). In de verte klinkt Nijhoff mee. Van den Bremts poëzie is te lezen voor wie bereid is te graven in zichzelf. Van den Bremt helpt je erbij de eerste spade in de eigen grond te steken:

Lijflied

Het is van mijn leven nog niet geschreven,
nog nooit van m’n leven.
Het staat om de dood nog niet te boek,
om de dooie dood niet.

Het voelt nog zo iel aan,
of het mijn tong nog niet kan roeren;
ik voel me beroerd. Hoor hoe
het zou willen schreien.

Ik wil het ooit nog eens op
kunnen schrijven, al is het te weinig
om van te leven, het is om dood te gaan
te veel.

Een wijs is het, een onbepaalde
ruimte die nog niet weet van tijd.
Een mond waarin bestorven ligt
wat nog geboren moet worden.

Van den Bremt heeft ons met deze bloemlezing een interessante inkijk gegeven in zijn dichterlijk universum.