Recensie van De loeiende tier - Mark Van Tongele

Er is geen grens aan het verbeelden

Mark Van Tongele
De loeiende tier
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450908
€ 21,99
56 blz.

Bezonnen en hartstochtelijk tegelijk zijn de typeringen die je te binnen schieten, als je de poëzie van Mark Van Tongele leest in zijn nieuwste bundel De loeiende tier. Wat een vitaliteit en taalkracht! Wat een taalfeest! Van Tongele is nog altijd een dichter die ten onrechte tamelijk onbekend is in Nederland. Zijn poëzie kent een dynamiek en beweeglijkheid die verrassend en verfrissend is. Ze maken dat je bij elk gedicht nieuwsgierig blijft naar het begin, de voortgang en de afloop. Het komt nog wel eens voor, zoals in het gedicht ‘Zonnecellenwonderspray’ dat Van Tongele zich overmand weet door een waaier van klanken, beelden en woorden die zich in hun onbegrepen zijn, in hun ‘wezenlijke desoriëntatie’ tot elkaar verhouden, omdat de taal op die plaatsen blijkbaar niet het middel is om de beleefde ervaring aan te raken. Het lijkt me een vorm van ‘klank- en woordstamelen’, van opperste verwondering, een vorm van dichterlijke overlevingskunst, maar de pen blijft wel op papier.  Je ziet op die plaatsen het beleven aan het beseffen voorbijgaan.
          Dikwijls weet hij uit zijn soms woeste dan weer verstilde bewegingen je een oproep, een aansporing, een levenshouding voor te houden waarmee hij je een uitweg biedt uit de ‘voortdurende verandering van de werkelijkheid’, zoals in het gedicht ‘Vannacht op het strand, doffe zeeruis’: ‘Waarom kunnen wij niet / over toekomst spreken met dezelfde / trefzekerheid als over verleden?’, of zoals in het gedicht ‘Zwaaiplaats’: ‘Puur geluk is het enige wat ons beschermt.’, of zoals in het gedicht ‘Heb je zwoerd achter je oren?’: ‘Hoe ontkomen aan kwalitatieve imperatieven? / Hoe milieu, groei en werk met elkaar verzoenen?’
          De bovengenoemde strofen tonen ons een dichter die er niet voor terugdeinst om zijn politiek-maatschappelijke betrokkenheid en de daaruit voortvloeiende moraliteit te laten zien. Het gedicht ‘Samenhangzin’ eindigt met een strofe ‘Wat kunnen wij anders dan / zo goed en kwaad als mogelijk / elkaars zwaartekracht helpen dragen.’ In deze regels klinkt voor mij het gedicht van Judith Herzberg ‘Er is nog zomer` uit de bundel Zoals (1992) mee: ‘wat zou het loodzwaar / tillen zijn wat een gezwoeg / als iedereen niet iedereen / terwille was als iedereen / niet iedereen / op handen droeg’.
          Zijn maatschappijkritiek komt in enkele gedichten direct naar voren, zoals in de gedichten: ‘This was the week when the financial markets began’, ‘Heb je zwoerd achter je oren?’ en ‘Play more’. In plaats van zich besprongen te weten door angst en onzekerheid ziet hij waarachtig de aantrekkelijkheid van catastrofen in. In de ongebreidelde vrijheid van de financiële markten bestaat de kans dat we ons overbelasten. Dan is het zaak temperamentvol, loyaal en neutraal te blijven. Ook de dichter ervaart bij de genese van zijn gedichten al vóór de bewustwording van de woorden een warmte als ‘een innerlijk geheel met je-/ zelf verbonden: een alzijdige en gelijktijdige, / wederkerige beïnvloeding van alles door alles’. Hij weet zich als dichter betrokken bij het proces, maar dient zich er ook met een zekere afzijdigheid door te laten meevoeren.
          Van Tongele rekent niet alleen op de helende krachten van de natuur, maar ook op die van de menselijke natuur, zoals uit het gedicht ‘Overlevingskunst’: ‘het meest adembenemende, / van dood gebarende paars draagt in zich // het puurste rood en het eerbaarste blauw: / ochtendgloren en een onbewolkte hemel.’ Dit soort versregels illustreert zijn levenskunstenaarschap. Hij blijft zijn poëtische zandkastelen bouwen. Hij zoekt naar de zin en de balans tussen alle lichte en duistere krachten.
          We hebben van doen met een lenig dichter. Zijn woord- en klankacrobatiek is indrukwekkend. Als een middeleeuwse ridder te paard portretteert deze dichter zichzelf als een ‘loeiende tier’ die zijn schielijke bewegingen in taal laat vloeien. Hij kan soms nauwelijks de ‘tier’, ‘de welige groei’ van de taal bijhouden. Hij weet zoals in het gedicht ‘Tegenwoordig’ soms bijna niet hoe de woorden en beelden bij hem binnenkomen en aan hem ontstaan: ‘Hoe de vlinder / aan zijn ogen komt. // Is dit de geest / van een verloren gedicht / die zijn lichaam verlaat?’ In dat ontstaansproces polijst hij zijn ‘sporen van aanraking’ en de ‘slijtage van vergelding’. Het leven laat zijn onuitwisbare sporen in hem achter. Als een verliefde Narcissus kijkt hij in zijn eigen spiegelbeeld. Hij herkent in de ‘copulerende schaters’ en de ‘klankstukken van het kuras’ de gelaatstrekken van vele voorgangers. Zijn gedicht ‘Zelfportret’ eindigt hij met de versregels: ‘Onverdroten houd ik een gedicht / met de zon voor mijn gezicht.’ In de poëzie ligt zijn hemelrijk, zijn verleden, heden en toekomst, zijn levensvreugde, zijn ‘diep verlangen naar geluk’ als ‘tegengif’ voor alle verlies en tegenspoed. Dit taalspel is nooit zonder risico’s. Hij blijft zijn lichtmythe doorvertellen. Ook al is dat in deze bundel zo nu en dan met gedichten die enkel bestaan uit een opsomming van klankrijke woorden die in samenhang ons begrip te boven gaan, maar ons wel willen laten zien dat deze dichter zijn zoektocht naar zin en licht niet wenst op te geven. Binnen deze karakteristiek past ook in de vrije toepassing van allerhande strofevormen zijn gebruik van archaïsmen, zoals ‘tier’ en neologismen, zoals ‘samenhangzin’.
          In deze nieuwe bundel heeft Van Tongele enkele gedichten gevlochten die betrekking hebben op zijn familie. De dood van zijn vader en de geboorte van zijn kleinzoon Oskar hebben poëzie bij hem losgemaakt. Dichtbij de kust op het kerkhof van Ostende tegen de valavond doet de geur van het water van de Noordzee hem herinneren aan zijn jeugd: ‘de koude schijn / doet het leven beven. […] Hoe ver van hier reikt mijn bestaan?’ In dit soort regels strekt de melancholie zich naar de oppervlakte uit. Het levenselixir van Van Tongele is divers en bruisend van samenstelling. Het gedicht aan zijn kleinzoon ‘Lang Leve Oskar’ gewijd roept bij mij reminiscenties op aan die andere grote Vlaamse taalkunstenaar Paul Van Ostaijen vanwege de taalvreugde en levensblijheid die zijn verzen uitstralen.
          Het is moeilijk kiezen waaraan ik mijn laatste voorkeur geef uit deze nieuwe bundel van Van Tongele. Ik kies uiteindelijk voor zijn gedicht over de melancholie, omdat ik daarin zijn vreugde, zijn strijd, zijn wanhoop en zijn hoop op leven tot aan het onverbiddelijke einde toe zie verwoord. Aan zijn onbedwingbare beweeglijkheid in woord, beeld en klank zal altijd die rouwrand van de melancholie blijven zitten: het oneindige spanningsveld tussen het willen en kunnen. Het helpt hem om de ‘veelvoudigheid van vergeten / in de spiegel van herinneringen’ op gang te houden. In zijn gedicht ‘Wat een mens bezielen kan!’ legt hij de bestaansgrond van zijn dichterschap neer: ‘Wat men beleeft werkt sterker dan wat men beseft. Er is geen grens / aan het verbeelden van een steeds grotere ruimte / in de geest. Een openheid, volheid, meervoudigheid. / Een royale resonantieruimte.’ Zo begint hij zijn bundel, maar hij eindigt hem met de vaststelling van ‘De onmogelijkheid van waarheid / De voortdurende verandering van de werkelijkheid.’ Daaronder beweegt zich zijn levensgevoel van de melancholie in deze vitaliserende bundel!

Melencolia

De wereld bekijken als een puinhoop,
bric-à-brac, als theater van tegenspoed.

Afstand doen van de werkelijkheid,
tot zelfs van zijn eigen lichaam.

Wat nu bedenken? Men kan dromen,
en schaduwen tot leven brengen.

Als een vurige roeping rusteloos.
Het begeerde gevaar van te veel passie.

Ondergaan in een onbedwingbare
hang naar het oorspronkelijkste.

De rouw om verloren illusies.
Maar niet van melancholie afraken,

dat is het ergste. Uit de catastrofe
ontstaat het paradijs. Inwijdingen.

Herhalingen. De permanente pendel
tussen mislukken en weigeren te berusten.

Het begin van het einde komt
altijd op kousenvoeten.

***
Mark Van Tongele (1956) is, als dichter, altijd een buitenstaander geweest. Hij experimenteerde met taal en dacht als een van de eersten na over digitale poëzie. Zijn bundels zijn tot nu toe altijd goed ontvangen door een select en enthousiast publiek. In 2004 kwam een verzamelde bundel onder titel Gedichten uit.

Recensie van De beloftes van glas - Michael Palmer

Het Azuur van Palmer

Michael Palmer
Vertaler: Tom Van de Voorde
De beloftes van glas
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551575
€ 24,90
118 blz.

De filosoof en dichter Maarten Doorman buigt zich in zijn essaybundel De navel van Daphne (2016) over de vraag in hoeverre de autonomie van de kunsten zich als een romantische notie laat verbinden met de politiek-maatschappelijke context waaruit ze tevoorschijn komt. Daarbij is het goed te beseffen dat de kunsten zich kenmerken door dubbelzinnigheid, de politiek-maatschappelijke werkelijkheid door ondubbelzinnigheid. Hoe zijn die twee werkelijkheden nu met elkaar te verenigen?
       Een dergelijke problematiek doet zich dus ook voor in de wereld van de poëzie.(Post)modernistische poëzie bezit veelal een autonoom karakter dat zich in principe niet wenst te onderwerpen aan politiek-maatschappelijke werkelijkheid waarin ze is geschreven. Dat brengt in uiterste zin onverstaanbaarheid, hermetisme en weinig coherente poëzie met zich mee. Het fragmentarische voert dan al gauw de boventoon. Daarbinnen heerst het associatieve zo sterk dat het voor een lezer moeilijk valt er samenhang in te ontdekken.
       Als ik de vertaalde gedichten uit de verzamelbundel De beloftes van glas (2017) van Michael Palmer (1943) lees, dan dringt deze eenzijdige autonomie zich op veel momenten aan mij op, zeker in zijn werk van voor 1990. Het lijkt wel alsof de lezer in een permanente staat van onzekerheid gebracht dient te worden. In dat verband is een woord van de Amerikaanse dichter John Ashbery op zijn plaats: ‘Poetry is about not knowing’. Dat is niet zo’n vreemde gedachte, als we weten dat Palmer bevriend is met Ashbery. Ze kennen en bewonderen elkaars werk. In de bundel Thread (2011) komt een proza-achtig gedicht ‘L’Azur’ voor dat eigenlijk de hele problematiek weergeeft waarvoor je komt te staan als je Palmer leest: ‘Ik gaf vorige week een boek terug aan John Ashbery. […] “Goh, Michael, je hebt dat boek twaalf jaar gehouden. Waarom duurde het zolang?” “Tot mijn verrassing was het ondoordringbaar,” antwoordde ik, “alsof de donkere materie van het heelal er bijna volledig in vervat zat. Ook heeft die azuurblauwe kaft me een hele poos afgeschrikt. Ik dacht dat het een symbolistisch schilderij was, iets met zwanen en ijs, en je weet dat ik een hekel heb aan zwanen, zeker sinds die keer ..” [curs. JR].’ Op dat laatste voorval gaat Palmer verder niet in, maar Ashbery zegt wel dat hij het fijn vindt dat hij het boek weer terug heeft: ‘Ik heb altijd van die vreemde titel gehouden. Wat denk jij dat hij betekent?’ Zowel Ashbery als Palmer hebben in hun (post)modernistisch geaarde poëzie een strijd te leveren tegen wat Palmer in het gedicht ‘Gu Cheng’ de onvertelbaarheid noemt: ‘Niemand wil luisteren / naar het onvertelbare verhaal. //’ Die onvertelbaarheid zet hem aan de associatieve kracht van de taal de vrije loop te laten, omdat hij daarmee schijn en wezen van de werkelijkheid wil onderscheiden. Zodoende lijkt het alsof Palmer zich van de middelen van de symbolisten bedient. Hij tuigt zijn poëzie echter niet op met verregaande metaforen die de zintuigen prikkelen, maar vooral met snelle opeenvolging van ogenschijnlijk onsamenhangende beeldenreeksen, feiten, gebeurtenissen, voorvallen en gevoelservaringen. Structureerden bij de symbolisten de metaforen een schijnwerkelijkheid, (post)modernisten als Ashbery en Palmer wensen juist met die snelle opeenvolging het niet-logische van de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid te tonen.
       In de Vancouver Poetry Conference (1963) is voor Palmer – aldus zijn vertaler en uitleider Tom Van de Voorde – het begin van zijn dichterschap gelegen. Daar volgde hij een drietal weken workshops over de grote vernieuwers van de Amerikaanse poëzie, zoals Allen Ginsburg, Charles Olson en Robert Creely. Deze dichters rekenen we deels tot de Black Mountain College-groep uit Virginia en deels tot de Beat Groups uit Californië. Het zijn ieder voor zich dichters uit de jaren zestig in de VS die het taalexperiment omhelsden. Ze verzetten zich ieder op hun eigen wijze tegen het conservatieve modernisme zoals Pound en Eliot dat vanaf het begin van de 20e eeuw hadden gepropageerd. Olson, als voorman van de Black Mountain-dichters, wilde het rationele zelfbewustzijn van de dichter uitgeschakeld zien tijdens het creatieve proces. Op die manier krijgt de poëzie een zeer onpersoonlijk karakter. Ze stemt zodoende meer overeen met de niet-logische structuur van de werkelijkheid buiten de dichter. De Beat Generation onder leiding van Alan Ginsberg probeerde in eerste instantie de poëzie tot een product van mystieke vervoering te maken, wat aan zijn poëzie een visionair karakter meegeeft. Palmer is aan beide oriëntaties in de Amerikaanse poëzie schatplichtig. Je vindt dat onpersoonlijke, niet-logische en visionaire karakter op verschillende manieren in zijn poëzie terug.
       Palmer was tot voor kort in ons taalgebied een onbekend dichter. Vanaf 1972 tot 2016 heeft hij elf bundels gepubliceerd. Van de Voorde heeft als vertaler een keuze gemaakt uit deze bundels. Het kan niet anders, maar zijn vertaalkeuze heeft de inhoudelijke samenhang van de bundels doorbroken, en dat is jammer om een goed thematisch inzicht te krijgen. De bundeltitels verraden Palmers interesse in de kunstgeschiedenis van de Oude Wereld met herinneringen aan Vitruvius, Dante, Blake, Baudelaire en Mallarmé. Zo opent het gedicht ‘Fragment naar Dante’ met de verzen: ‘En ik zag mezelf in het hiernamaals van rivieren en velden / tussen de dolende zielen en glinsterende paden.//’ Aan zijn verzen laat zich een kosmische, spirituele en mystieke inslag aflezen.
       Palmer gebruikt in verschillende gedichten de sprookjesachtige metafoor van ‘het hoofd in een doosje’, waarvan hij de sleutel heeft verloren:

Een waakzaam leven van sterren in een cederhouten doosje

berekent het verloren gevecht, niet het mijne
op basis van het eigenlijke verlies, “niet het mijne”

 … vormde zulke gebrekkig belichaamde woorden

als lege slaap afgewogen tegen dromen
lichamen en lichaamsdelen geordend

volgens de gegeven wetten
op een veld
Wie zou de gelijkenissen niet liefhebben

       In dit citaat gaat veel schuil dat typerend is voor zijn poëzie. Het zijn woorden die hem vanuit zijn droomwereld worden ingegeven. Het levert hem vergelijkingen op tussen het fysiek en geestelijk waarneembare. In associatieve bewoordingen zet hij zijn gevecht met de taal uiteen. Op diverse plaatsen wacht de dichter op de geboorte van taal. Gedichten zijn voor hem manieren om een chaotische werkelijkheid, zoals hij dat zelf noemt, te ‘heropbouwen’.
       Palmer drukt zich dikwijls op surrealistische wijze uit door bijvoorbeeld te struikelen ‘over de stem in het porseleinen kopje’, om tot de ontdekking te komen: ‘We verzamelden de letters in volmaakte vergissing / en verleerden ze ijlings’. In zijn gebruik maken van de droom grijpt hij onder meer terug op de mythologie van het oude Egypte, waarin de kat goddelijke kwaliteiten bezit. De kat vertegenwoordigt niet het ‘alfabet / van de zichtbare ondernemingen’ maar het ‘tegenovergestelde van een alfabet’ dat ‘geometrisch en abstract / en daarom levend’  is. Op alle mogelijke manieren probeert Palmer achter de waarneembare werkelijkheid, achter de woorden, achter de taal te reiken naar wat het irrationele genoemd wordt. In het titelloze gedicht uit de Baudelaire-serie dat begint met de regel ‘Best Lexicon’, bezweert de dichter dat hij in het lexicon is gestorven, dat het verstand er eigenlijk niet is. Hij lijkt zijn geheugen te zijn verloren. Niet de ideeën zijn volgens hem iets waard maar de ruimte: ‘imiteer me zegt de olm / Geef me een azuren hemel, reusachtig en rond / Geef me iets in woorden voor de verandering / iets dat op een pagina kan / De beste schilderijen zijn op steen’. Laten we hierover nadenken, aldus Palmer. Hij acht het woord toch nog altijd sterker dan het beeld. Hij wil zoals hij dat in het proza-achtige gedicht ‘Zon’ zegt: ‘ik […] was een lyrisch dichter, jazeker, die tal van mensen naar bergtoppen heeft gelokt. Voor een kwartje zal ik uit dit doosje tevoorschijn komen. Voor een dollar zal ik tekst met je hebben en drie dagen beantwoorden //’. Palmer worstelt ermee wat nu eigenlijk ‘echt’ is: ‘Een woord is buiten zichzelf. Hier heet het gedicht ‘Wat spreken wil zeggen hoewel ik me mijn naam niet meer herinner ’. Het lijkt erop dat de dichter zichzelf kwijt is, de taal als instrument niet voldoet en de werkelijkheid die hij waarneemt een baaierd aan geluiden, bewegingen en veranderingen met zich brengt waaraan hij moeilijk sturing kan geven.
       De ‘beloftes van glas’ geven hem de ervaring dat hij spiegelgevechten met zichzelf en de wereld moet aangaan. Schijn en wezen wisselen elkaar af.  De glimlach van de sfinx laat zijn onheilspellende en verraderlijke nawerking achter op zijn leven van alledag. Droomgezichten schieten geregeld door de werkelijkheid van het ik. Niets staat vast, alles is in beweging. Palmer lijkt zich permanent in wankel evenwicht te bevinden. Zijn poëtisch universum lijkt een spiegelpaleis waarin geen houvast bestaat. Hij kan zichzelf geen houvast bieden, maar wil en kan dat ook aan zijn lezers niet bieden. Zijn gedichten balanceren dikwijls op de grens van poëzie en proza en zijn allerminst vormvast. Ook daarin is de ik voortdurend op zoek naar zichzelf. Hij zwerft als het ware in zijn eigen geest en lichaam rond.
       Al in het gedicht ‘Proza 1’ uit zijn eerste bundel Blake’s Newton (1972) wordt de ik wakker en komt hij in een volgende fase. In die fase is niets hetzelfde gebleven: ‘In één oog verloor ik de kleur en ik hoorde niet meer als tevoren. In de spiegel was niets nog hetzelfde.’ De metamorfose maakt dat hij zijn naam verandert ‘om niet herkend te worden’. De ik lijkt een ander geworden te zijn. Dat alles verandert met de nodige snelheid, maar het is voor de ik een realiteit. In welk landschap hij zich ook begeeft, is er het besef dat het landschap ‘zichzelf begint te begrijpen’. Hij lijkt niet op zijn bestemming te kunnen geraken, zoals hij al in zijn vroege gedicht ‘Het einde van de ijstijd en zijn getuigen’ verklaart. Palmer lijkt doelloos rond te trekken op zoek naar letters waarmee verstaanbare woorden zijn te vormen, op zoek naar taal, alleen ervaart hij ‘Hoe de toekomst bloed en licht verbruikt / en de afzonderlijke markeringen elke dag veranderen // tot je het einde van de bomenrij bereikt hebt / Het moet mogelijk zijn zich dat voor te stellen’. Palmer is dan wel niet de symbolist die van zwanen en ijs houdt, hij is net zoals de symbolist Mallarmé op zoek gegaan naar een werkelijkheid achter de symbolen die we taal noemen. Palmer heeft zijn eigen azuren hemel als oriëntatie en als buitengrens gecreëerd en ervaren als een bron voor levenslang streven naar klare taal voor wat niet te vertellen is. Beloftes van glas.

***
Michael Palmer (1943) is een Amerikaans dichter die in de jaren zestig zijn eerste inspiratie opdeed. Hij schrijft (post)modernistische poëzie die langzaam maar zeker een meer anekdotische inslag heeft gekregen. Hij is een generatiegenoot van de éminence grise van de Amerikaanse poëzie: John Ashbery. Zij kennen en bewonderen elkaars werk. Hij kent in de wereld al vele bewonderaars. De beloftes van glas is een ruimere keuze uit Palmers werk in het Nederlands dan voorheen.

Recensie van Verzamelde gedichten - Wim Brands

Sporenonderzoek van een buitenstaander

Wim Brands
Verzamelde gedichten
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261921
€ 27,50
522 blz.

Vanuit een diepe genegenheid zijn de Verzamelde gedichten van Wim Brands (1959) door zijn echtgenote Monique Edelschaap en zijn vriend en redacteur Thomas Verbogt bijeengebracht. Na zijn plotseling overlijden in 2016 ontstond er al direct bij hen de behoefte om zijn poëzie te bundelen. Hoewel Brands zichzelf en zijn poëzie sterk relativeerde, zou hij waarschijnlijk niets liever hebben gewild dan zijn visie op dit ‘raadselachtig leven’ uitgedragen te zien worden in een verzamelbundel: ‘Der Mensch ist das Tier, dem man die Lage erklären muss (Peter Sloterdijk).’ Dat deze bundeling kort na zijn dramatisch verscheiden is samengesteld, laat zich goed begrijpen. Of Brands, zoals Verbogt dat in zijn nawoord oprecht verwoordt, tot de ‘top’ van de Nederlandse en Vlaamse dichters behoort, zal zich in de loop der tijden moeten bewijzen.
     Als we met overgave het verzameld werk doorlezen, valt al direct in de eerste bundel Inslag (1985) op, hoezeer de gedichten een afspiegeling van zijn dichterschap en zijn persoonlijke geschiedenis zijn. Brands schetst ons het rivierenlandschap waarin hij is opgegroeid met een gevoel: ‘Daar liep ik nergens / toe verplicht’. Een troebele rivier in een zonovergoten landschap. Daar doorleeft hij zijn ‘natuurlijke historie’, en misschien had het daarbij maar moeten blijven. Hij ontdekt echter: ‘mijn jeugd is een kruik / op een winterse dag gevonden / in een boshut’. Brands moet veel gedacht hebben: ‘Was ik maar weer zo: / een jongen tevreden dat niemand / wat hij maakt zal zien of horen’. Maar dat was helaas niet zoals hij in elkaar stak. Hij trok de wereld in om gehoord en gezien te worden. In die tegenstrevende houding zit zijn kracht en zijn zwakte als mens en dichter. Hij kleurde niet binnen de lijntjes. Hij moet zich dikwijls een dolende in het leven hebben gevoeld: ‘je komt er niet meer / uit’, zoals helaas uiteindelijk is gebleken.
     In het titelgedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel laat hij heel mooi zien op welke manier hij werkte en is blijven werken. De rudimentaire anekdotiek is zijn poëtisch handelsmerk geworden. De herinnering aan een inslag van een bommenwerper in een zompig weiland dicht bij de rivier vormt de aanleiding voor dit gedicht: ‘Diep het gat van de klap- / rozen rood // De bomen zijn oud / en kromgetrokken // Ze buigen naar de piloot’. De roos als symbool van de liefde, het treffende enjambement op klap-roos, de verstreken tijd zoals zichtbaar aan de bomen en het respect voor de gevallen piloot weet Brands in deze afgemeten versregels beeldend samen te brengen. Ondanks deze voortreffelijke regels blijft het levensgevoel van de dichter in wankel evenwicht, zoals hij in een regel uit het gedicht ‘Triëst naderend’ verwoordt. Het blijft niet anders dan: ‘Liefde: happen in een gouden / vraagteken’. Hij blijft vanuit zijn achtergrond en familiegeschiedenis doordrongen van scepsis en wantrouwen. In zijn bundel Hoger dan de dakgoot (1993) zegt hij het in het gedicht ‘Recept’ in een treffende paradox: ‘Voor geluk is nodig: een ochtend / in oktober met de geur van zomer / en de dreiging van regen.’
     In de bundel Koningen, de gehavende (1990) komen zijn ouders en grootouders in beeld, ook later blijven die veelvuldig zijn poëtische werkelijkheid bevolken. Brands leidt ons zijn boerenland beeldrijk binnen. Als het over een ‘Daggelder’ gaat, flitst een beeld à la Gerrit Benner voorbij: ‘Hij kijkt naar de lucht en ziet hoe een wolk / zich vergrijpt aan de zon.’ Verder komen reiservaringen in beeld waaruit de liefde en verliefdheid spreekt op ‘wat zo mooi tussen begerige / blikken in restaurants wankelt.’ Het zijn echter beelden die niet beklijven. Ze onderstrepen een overheersend levensgevoel dat Brands uitstraalt: ‘We zijn vliegen / in een web, verlaten door de spin.’ Wie heeft ons hiermee naartoe gebracht? Hij klampt zich vast aan het beeld van die visser aan de kant van het water. Hij voelt zich echter met hem toch niet eenzaam, want ‘Er loopt een lijn / van hem naar de bodem van / een wereld.’ Hebben we dan toch nog grond onder de voeten?
     Aan de bundel Hoger dan de dakgoot (1993) voegt Brands een motto van de wereldvreemde Amerikaanse dichter Weldon Kees toe, waarin exact zijn zelfgegeven levensopdracht is verwoord: ‘To build a quiet city in his mind’. De enige manier om dit te bereiken is het omzetten van al de opgedane beelden in woorden. Brands geloofde daarin. Hij wist dat de meeste mensen daarin niet geloven. Hij beloofde zichzelf alsmaar: ‘Ik maak / mezelf nooit van kant zo lang dit geloof / kan blijven duren’.
     Er vliegen nogal wat kraaien rond boven het poëtisch oeuvre van Brands, zoals de ‘kraai uit de Hallse kerktoren’ van zijn grootvader uit De Krengenput (1997). Vrienden, familieleden, opnieuw de vader, en de buurvrouw, willekeurige voorbijgangers spelen een voorname rol in zijn werk, zoals de heer Bonekamp die ‘zoals wordt beweerd, bijna / elke dag in andermans verleden // kampeert.’ Die interesse in andermans vreemde levens en zijn identificatie daarmee zette hem aan tot poëzie. Ze vormden in zijn dagdromen een levendig decor. Hij was begaan met deze eenzelvige mensen en hoe zij in het leven stonden. Aan deze levens ontleende Brands zijn levensvisie, zoals in het gedicht ‘In memoriam’ over de vraag waarom we er zijn: ‘Opeens wist ik hoe wij gaan: / zwaluwen die jaarlijks van // dezelfde dakgoot in Europa naar / dezelfde tak in Afrika trekken, // Routineus maar rusteloos / want stel je voor dat.’ Altijd weer die open vraag aan het einde.
     Vanaf zijn bundel Zwemmen in de nacht (1995) zien we Brands met meer uitgewerkte herinneringen, ervaringen en gedroomde situaties komen. De gedichten lopen inhoudelijk iets voller en zijn minder bedacht dan eerder het geval is terwijl ze, zoals Verbogt het aangeeft, juist niet vol, direct, helder en licht dienen te zijn. Het was van Brands bekend dat hij altijd gehaast was. Zijn gedicht over het vermoeden dat hij ‘een zee van tijd’ zou hebben is dan ook heel tekenend, vooral de passage waarin hij hoopte op ‘een trage tram – zoveel koffertjes / al overstuur – die achteruit reed.’ Bij die gedachte aan stilstand en rust zonder daarover bezorgd te hoeven zijn sluit aan bij zijn besef dat hij verwoordt in het gedicht ‘Stof’, waarin op het opdwarrelen van stof uit het westelijke havengebied voor hem aanleiding is gelegen dat te verbinden met een vrouw die ‘oud en dartel [is] / als het stof dat komt aangewaaid // uit de westelijke haven.’ Ze lijkt op een dag uit datzelfde ruim ‘als oud stof, op een kerkhof’, als een overlijdensbericht in een brievenbus te zijn terechtgekomen: stof zijt gij tot stof zult gij wederkeren. Die vergankelijkheid zat tezamen met de raadselachtigheid van dit leven hem voortdurend op de hielen.
     Zijn zoeken naar overgave en innerlijke rust spreekt uit het gedicht ‘Tuin’: ‘Er was een dag waarop hij meer dan een uur / in een weiland lag. En luisterde naar / kreten van wie hem zochten. // Officieel één oog toe in de rimboe, / in het jargon dat zweeg over de zon’. In dit soort gedichten over de zon, het hemellichaam dat de aarde omstraalt en de suggestie schenkt dat we omgeven worden door een scheppende kracht die ons begrip overstijgt, springt de gedachte naar voren dat Brands misschien wel het symbolisch dichterschap wilde bezitten dat hij de Amerikaanse dichter en beeldend kunstenaar Joseph Cornell toedichtte. Ook Brands sloot in zijn gedichten de herinneringen, gewaarwordingen en ervaringen op om ze voor altijd bij zich te hebben. Het zijn fluisteringen in de nacht, gesprekken met zichzelf in de spiegel: ‘Zacht. / Ik hoor nog net het zwemmen / in de nacht.’
     In de bundel In de metro (1997) speelt een overspelige verliefdheid. Alleen op plaatsen waar barsten zich voordoen, ontstaan open plekken waar licht naar binnen valt. Als beeldend intermezzo bevat de bundel een pornografische strip die zijn aanleiding vindt in een uitdagende billboardfoto in de metro die de zintuigen van de ik dagelijks prikkelt waardoor zijn verbeelding haar onbekommerde gang kan gaan. De storyboxes van de Engelse kunstenaar Len Shelley inspireren Brands eveneens tot het schrijven van een reeks rudimentaire anekdotes. In de latere bundels staan ook nogal wat bewerkingen van gedichten van verwante dichters, zoals dat van Wolf Wondratschek, ‘Vloer’: ‘Ik hou van vrouwen die niemand / meer wel hebben, die oud / en getrouwd zijn’. Zijn werk staat vol met bizarre associaties, dagdroominvallen en schurende gevoelens, zoals die vrouw die hoopt ‘op het schuren / van ijs tegen hout.’ Toch is de humor ook altijd niet ver weg, zoals in het proza-achtige gedicht uit de bundel Neem me mee, zei de hond (2010) over de beschermengel op de schouder van een oude man. Ze mogen elkaar, terwijl de ik dat ongelovig ondergaat en zijn schouders erover ophaalt, zonder het te begrijpen. Dit soort bizarre uitspraken en verlangens is niet vreemd aan Brands levensgevoel. Het gedicht ‘De Poolse klusser’ is daarvan wel een heel mooi voorbeeld. Daarmee zijn we weer terug bij het gedicht ‘Inslag’ uit de eerste bundel:

Als ik ’s ochtends naar de lucht kijk
en op mistige dagen de omgeleide
vliegtuigen hoor denk ik aan

de dag dat

de paarden rondjes renden rond
een vers wrak in het weiland
van mijn ouders.

Mooi was dat om te zien –
een dampend wrak en
de paarden daar

omheen als vrolijke kleuters
op een schoolplein.

     Heden en verleden worden hier verenigd in een vredig maar ook dreigend natuurlijk decor dat om zin vraagt. Voor mij heeft Brands in zijn laatste publicatie De verharde weg (2015) overduidelijk zijn diepste levensgevoel neergelegd, toen hij een keer in de huiskamer wilde gaan lezen en hem op de trap de zinsnede van de filosoof Heidegger te binnen schoot: ‘Auf dem Holzweg’. Het gaf hem een gevoel van rust, van Gelassenheit. Deze mystieke gelatenheid roept herinneringen op aan zijn jeugd. Hij onderkent dat hij zijn leven lang bezig is geweest sporen van leven en dood te onderzoeken. Zo herinnert hij zich dat hij het verval van een ree in een sloot observeerde en volgde. Vanaf dat moment beschouwde hij zich in die natuurlijke context als een insider. Zijn dialectisch accent op de middelbare school deed hem voorgoed beseffen een outsider te zijn: ‘Ik lag eruit. Het verlangen is altijd blijven bestaan, het verlangen bij de wereld te horen zoals ik dat kon toen ik door dat bos van mij dwaalde.’ Misschien gaan de gedichten van Brands ten diepste over: ‘Ik wil juist ergens bijhoren’. Ik meen met Brands dat uiteindelijk ‘niemand uit de nacht kan vallen.’ Het is goed dat de Verzamelde gedichten er zijn. Zijn naarstig zoeken naar de zin van dit bestaan verdient het om gelezen te worden.

Recensie van De boom valt op mij - Ilse Starkenburg

De boom valt niet op mij

Ilse Starkenburg
De boom valt op mij
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 978029511780
€ 17,99
56 blz.

De nieuwe bundel De boom valt op mij van Ilse Starkenburg bevat veel herinneringen aan de jonge jaren, de studententijd, het familieleven, en in het bijzonder aan de vader. Genegenheden tussen geliefden en jeugdervaringen vormen onder meer de ingang naar dieper liggende gevoelens en inzichten. De bundel staat vol minimaal uitgewerkte ‘gedachteoefeningen’, zoals ‘gewone dagen’ die vroeger bijzondere dagen waren door een bepaalde activiteit. Ze hebben sindsdien hun bijzonderheid verloren, omdat een bepaalde activiteit niet meer op die dagen plaatsvindt. Geuren als dragers van herinneringen zijn onder meer daarbij werkzaam. Bij Starkenburg lopen werkelijkheid en droomwereld dikwijls scherp opeenvolgend door elkaar heen, zoals de ‘ik’ die de rotsen bij Santorini bekijkt. De ‘ik’ lijkt er pas bij betrokken te raken als ze zich voorstelt als ware de ‘ik’ een buitenstaander voor wie de natuur ‘een decor op een toneel’ is.
      Ik denk dat de uitspraak van Ludwig Wittgenstein ‘Das Ich, das Ich das tief Geheimnisvolle!’ een belangrijke kern aanduidt van wat Starkenburg ons in deze bundel wil zeggen. In dat spoor staat een aantal gedichten waarin ze de zoektocht naar het eigen subject tracht te volgen, zoals in het gedicht ‘Wens’:

ik wil je zien
als je alleen bent
maar dat kan niet
want dan ben je niet meer alleen

ik zou willen dat je mij zag
als ik alleen ben
maar dat kan niet
want dan ben ik niet meer alleen

      Er zijn verschillende momenten waarop het verlangen naar de ander, naar zichzelf, naar erkenning haar gedichten binnenkruipt. In het gedicht ‘Nu’ wil Starkenburg tot uitdrukking brengen dat haar ‘ik’ en zijn ‘alter ego’ het niet altijd even goed met elkaar kunnen vinden. Daarop volgen twee korte strofen: ‘terwijl vandaag zichzelf / nog bij elkaar probeert te rapen // bedelt morgen al / doe iets goeds voor mij’. Die overstap van ‘ik’ op de gepersonifieerde abstracties van ‘vandaag’ en ‘morgen’ is een nogal schielijke overgang die vaker voorkomt in deze bundel. Daarop volgt ten slotte een nieuwe en grote overstap op naar een nog grotere kosmische eenheid als ‘planeet’ en ‘zon’ die de eerdere ervaring van de innerlijke tegenstelling van de ‘ik’ daarmee zo weinig invoelbaar maakt: ‘alleen planeten, planeten alleen / verlangen niets van ons // we gaan naar de zon’. Grote stappen, snel thuis.
      Het gedicht ‘Ierse tweeling’ is een voorbeeld van een zoektocht waarin ‘mijn broer en ik’ zich voor de zoveelste keer met weer een andere camera op de foto laten zetten. Ze willen in elkaar opgaan. Hoewel ze na elkaar ter wereld zijn gekomen lijken ze op de foto als die Ierse tweeling die aan elkaar vastzaten bij de geboorte, en daarna voor een leven lang. Wat die tweeling ‘van nature’ gewoon is, namelijk om om als tweeling op de foto te komen, is deze broer en ‘ik’ niet gewoon. Ze zullen ‘het proberen: poseren’. De achterliggende gedachte lijkt te zijn: de verbondenheid die voor de Ierse tweeling ongewild gewoon is, is wat de broer en ‘ik’ zich wensen. In deze gedichten probeert Starkenburg in woorden te vangen hoezeer we niet in staat zijn onszelf en elkaar te kennen.
      Misschien heeft de blik van Starkenburg op het leven hier en daar wel wat clowneske trekken. De speelse wijze waarop ze in het gedicht ‘Clownesk’ ‘een foto van Charlie Chaplin met een meisje’ beschouwt wijst in die richting. De taal van het meisje is ‘zo kaal / als het hoofd van haar vader’. Hij verdwijnt op het laatst ‘met haar met / haar’, evenals de taal die hij sprak in zijn stomme films. De (lach)bewegingen zijn bewaard gebleven, maar de taal is verdwenen. In het gedicht ‘Money, money, money’ zingen ‘mijn zus en ik’ een lied van ABBA. Ze herkennen de betekenis niet van wat het viertal zingt. Daarom schrijft de ‘ik’ de tekst fonetisch voor haar zus uit. Nu weten ze ‘waarover / het niet zou moeten gaan’. De onbegrepen woorden geven inzicht in wat niet van belang is in het leven. De vergankelijkheid maakt niet alleen mensen en voorvallen zoek, maar ook de taal die uitgesproken wordt.
      Het op verschillende plekken in het vliegtuig gaan zitten in het gedicht ‘Samen naar New York’ is weer zo’n voorbeeld van een licht absurdistische voorstelling van zaken over het wel of niet met elkaar willen reizen en bij elkaar willen komen maar toch niet samen kunnen vallen. Dat geldt ook voor een gedicht over ‘een eenzame uitvaart’ voor een overledene die geen familie en vrienden heeft. Het betreft een aap die ‘nog nooit gestorven’  en ‘nooit geboren’ is. Het ‘weggeven van de aap’ aan degene die gestorven is, is een mooi gebaar van aandacht geven, maar krijgt in dit gedicht zo weinig zeggingskracht mee dat het geen poëzie wordt die tot de verbeelding spreekt.
      Over de bundel hangt in de zoektocht naar de ander en de ‘ik’ de nevel van de eenzaamheid. De eenzame mens, al dan niet met psychische problemen, in park, in binnenstad en café, waart rond in deze bundel, zoals in het aandoenlijke gedicht

Roos is de vrouw
die elke ochtend bij
alle buren aanbelt

ze is haar hoofd
verloren  de zachte
blaadjes dwarrelen

alle kanten op
met de wind mee en
zij is toch zo’n mooi

meisje en op haar
was toch geen boom
terecht gekomen

de wijkagent noemt het geen
noodgeval , de GOD eist eerst
een rechterlijke machtiging

nu doe ik maar of het
god is die mij attent
elke ochtend wakker belt

      Deze Roos dwaalt rond in haar eigen leven. Op haar is ‘geen boom terecht gekomen’. Letterlijk en/of figuurlijk? Is dit haar redding of haar noodlot? Haar privacy wordt geduld tot er vanwege aanhoudende klachten uit haar leefomgeving een rechterlijke machtiging afkomt. Zo ontsteelt deze vrouw zoals een ieder aan het leven een dag. Ook die echtparen die na een uurtje zwemmen elkaar vluchtig kussen en daarna elk ‘een eigen leven in gaan’ uit het gedicht ‘De beste van alle voordeuren’ dragen die eenzaamheid in zich. Eenzaamheid, vergankelijkheid en het zichzelf en elkaar niet kennen keren telkens weer in samenhang met elkaar terug.
      Het titelgedicht ‘De boom valt op mij’ geeft een goede indruk van hoe Starkenburg veelal te werk gaat. Harde opeenvolging van het concrete en het abstracte. De ‘ik’ lijkt op een groene boom, omdat zij zich hult in een groene jurk als ware zij een ‘wandelende tak’. Of op het einde de kreet ‘van de gevallen kruin’ voorkomt uit het feit dat aan alle bladeren de kleur is ontnomen door het wit makende blauwsel, of dat er sprake is van een zachte kreet van ‘groen’ protest tegen de ontbossing vanwege de fabricage van kleurstoffen, het gedicht mist de scherpte van een treffende metaforiek en laat ons op het laatst in het duister ronddolen. Het gedicht blijft hangen in een alledaagse observatie uit de jeugd, zonder dat het naar een verder strekkende gelaagdheid leidt die haar vervolg vindt in de bundel.
      Starkenburg bedient zich nauwelijks van gelaagdheden die meerdere betekenissen tegelijk aanduiden. Een dergelijke gelaagdheid maakt ons ervan bewust dat een dichter zich niet zomaar opzettelijk in moeilijk verstaanbare bewoordingen uitspreekt. Het is hem nu eenmaal eigen te stuiten op observaties en ervaringen die zich moeilijk in woorden laten uitdrukken. De dichter heeft metaforen nodig om zich daartegen te verweren.
      Bij herhaalde lezing miste ik die gelaagdheid. Starkenburg schrijft in parlando, wat er in haar geval niet bepaald toe bijdraagt dat haar poëzie de nodige spanning meekrijgt. Poëzie kan in haar eenvoud opzienbarend zijn, maar de hare is eerder nogal bleek en flets te noemen: -Ben jij weleens bang ’s nachts? / – Nee, niet speciaal ’s nachts’. Aan het einde van haar gedichten voorziet ze die dikwijls van een omkering of een open einde, maar het merendeel van de gedichten geeft de indruk van een nog niet voldoende doordachte afhechting van het gedachte-experiment. De notatie zonder leestekens is daaraan misschien ook enigszins debet.
      Al met al is de lezing van deze nieuwe bundel voor mij niet een inspirerende kennismaking geweest met het werk van Ilse Starkenburg. Zoals een schilder niet de meest treffende kleurnuances op het doek weet te brengen, zo mis ik bij haar het pakkend arrangement van woorden en beelden. Wat ze aan thematiek wil overbrengen is wel interessant, maar ze weet daarvoor niet voor mij de meest aansprekende weg in de taal te vinden. Daarom valt deze keer de boom niet op mij.

***
Ilse Starkenburg (1963) is dichter en schrijver. Ze debuteerde in 1987 met vier gedichten in het tijdschrift Maatstaf. Sindsdien verschenen bij De Arbeiderspers vijf bundels en een verhalenboek. Haar werk is in talrijke bloemlezingen opgenomen waaronder in de De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten van Ilja Leonard Pfeijffer.

Recensie van Nachtroer - Charlotte Van den Broeck

Blijven proberen tot het past

Charlotte Van den Broeck
Nachtroer
Uitgever: De Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029510219
€ 18,99
81 blz.

Charlotte Van den Broeck debuteerde met de bundel Kameleon (2015). Ze oogstte er veel lof mee. Haar terloopse maar opmerkelijke manier van dichten leverde bezielde poëzie op. Aan de toepassing van stijlkenmerken als parallellisme, herhaling, suggestie van innerlijk dialogeren, betekenisvolle enjambementen, binnenrijm, alliteratie en assonantie valt af te lezen dat deze poëzie zich heel goed leent voor het podium. Soms schemeren anekdotische elementen door haar teksten heen, zoals het legendarische jongetje na de aanslagen in Parijs. Zij vertegenwoordigen de verhelderende stapstenen in dit universum van nachtelijke duisternis. De cyclische structuur onderstreept de gesloten wereld waarbinnen dit poëtische gedachte-experiment zich afspeelt.
      Van den Broeck werkt in haar nieuwe bundel Nachtroer met omvangrijke cycli en bouwt structuren om haar fragiele gedachte- en gevoelsbouwwerk te ondersteunen. Daarbij kenmerkt zich haar poëzie door een breed uitwaaierend karakter. Ze blijft zoeken naar wat haar lyrisch subject drijft, richting biedt en inzicht geeft. Ze doolt rond in een duistere ruimte waarvan ze afmetingen niet kan inschatten en bepalen. Ze tracht haar verwarring met verrassende metaforen te verhelderen. Daarmee kwalificeert ze haar identiteit als dichter. Ondanks de snelle opvolging van wisselende beelden weet Van den Broeck je daarin mee te slepen. Haar taalvirtuositeit is indrukwekkend.
      Er hangt een waas van geheimzinnigheid om haar gedichten. Ze vragen eenzelfde overgave als waarmee ze tot stand zijn gekomen. Gelukkig geeft het motto van Levinas ons enige toegang tot deze intrigerende poëzie. Het gaat om een diep doorvoeld innerlijk leven waarin een lyrisch subject houvast zoekt maar het niet kan vinden. Alles is aan ambivalentie onderworpen: ‘Het kennende subject is geen deel van een geheel, het grenst nergens aan.’ Dat impliceert een zwevend ik dat zich in een oneindig heelal van gevoels- en gedachtewerelden rondwentelt. In deze poëzie zal de lezer niet direct vaste grond vinden. De filosofische inslag met snelle focuswisselingen ontneemt de lezer heldere doorzichten. Gaandeweg ontdek je dat dat nu juist is wat wordt beoogd door Van den Broeck. Ze betwist een vooringenomen helderheid van herinnering, van weten en denken: ‘de werkelijkheid / die in zoveel opzichten op de warmte van slapen lijkt / dat we bij de droom kunnen’. De scheidslijn tussen slapen, droom en werkelijkheid, tussen vaste grond onder de voeten en zweven in een oneindige ruimte van de geest is niet te trekken. De titels van gedichten en cycli wijzen ook op de onmogelijkheid greep te krijgen op de werkelijkheid, om bij elkaar te horen. De duisternis van de nacht (‘Nachtroer’), het opgaan in de vergetelheid, de herinnering verliezen (‘Lethe’) en de onmogelijke plaatsbepaling (‘Topos’) wijzen allemaal op de onbeheersbaarheid van wat wij (nacht)leven noemen. Ook een begrip als anomalie duidt op innerlijke tegenstrijdigheden waarmee de ik voortdurend zich weet geconfronteerd. Ze tracht telkens weer het abstracte concreet te maken, wat bij uitstek tot de taak van een dichter behoort. Poëzie is immers een vermoeden dat in taal aangezicht krijgt.
      In een interview dat Van den Broeck tijdens haar residentiebezoek aan Parijs aflegde, gaf ze aan dat de beelden als dia’s door haar hoofd flitsen. Hoewel ze van zichzelf vindt dat ze een perfectionist is, laat ze ons moedwillig en onoverkomelijk zien dat ze haar focus moeilijk gericht kan houden. Alles vervluchtigt onder haar handen. Niets houdt stand. Alles is bovenal contingent. Ze lijdt daaronder. De dichteres staat op verschillende foto’s als een Pierrot afgebeeld. Het is heel goed voorstelbaar dat zij in het schilderij Gillis van Jean Antoine Watteau zichzelf herkent. In haar schuilt een wezensvreemd kind, dat o zo graag te horen zou krijgen hoe de dingen nu echt in elkaar steken, want dat zegt de perfectionist in haar. Ze weet zich als een kind van deze tijd overweldigd door de overprikkeling van indrukken die langs allerlei wegen tot haar komen. In haar eindeloze stapeling en omcirkeling van ervaringen, gedachten en gevoelens doet de poëzie van Van den Broeck (1991) me denken aan de poëzie van de Amerikaanse dichter John Ashbery. Ook hij weet zich overmand door een associatieve aaneenschakeling van gedachten en ideeën die niet leiden naar een eensluidende helderheid.
      De bundel bestaat uit twee afdelingen. De eerste cyclus ‘Acht (VIII-I)’ bestaat uit acht gedichten die in terugblik, van achteren naar voren, een tragische liefdesgeschiedenis in beeld brengen. Deze cyclus werpt zijn schaduw op de tweede afdeling ‘Nachtroer’ die het grootste deel van de bundel uitmaakt.
      In het eerste gedicht van de afdeling ‘Acht’ staat de poëzie ‘juist nu hardnekkig […] te zwijgen’. De rouw na het vaststellen van het persoonlijk falen voelt heel fysiek aan: ‘om nieuwe aanrakingen vooraf al te verdoven’. In dit vers is een dichter aan het woord die ‘de teleurgang tussen schouderbladen’ voelt. Geen enkel woord is meer in staat de wond te helen: ‘zelfs het schrijven is bezig te versterven’. Mijn handschrift ‘sleept / naar links, sleept me rugwaarts terug de jaren in / in je oksel bres voor bedenktijd’. Wat ooit was, is niet meer: ‘de overgave, het blinde licht in de middag en later daarover de gedichten/’.
      Deze ervaring neemt het lyrisch subject mee de tweede afdeling, ‘Nachtroer’, in. Het nachtelijk ronddolen in de duisternis van het eigen universum levert tal van inzichten op die niet stollen, maar in de kortste keren een andere gedaante in de herinnering aannemen. Het titelgedicht ‘Nachtroer’ is niet alleen een verwijzing naar een nachtwinkel in Antwerpen, maar ook naar de beroering, de ontroering en de oproer die zich openbaart aan en in de ik. In de nadering van de ander bestaat de mogelijkheid ‘om mezelf ertegen op te drukken’. Alles wat door de geest van de ik schiet, doet denken aan ‘het kleurenspectrum in een regenplas even / is het waar geweest’. Reminiscenties aan een intieme relatie blijft zijn sporen afgeven in het gedicht ‘Hematoom’: ‘dat je hier was en dat ik het ooit moet hebben geweten’. In het nachtelijk rondspoken van gedachten vliegen de feiten door het hoofd om ‘s ochtends weer in structuren van het dagelijks leven te worden gevangen. Nacht aan nacht wordt ondernomen ‘om wat voorbij is te redeneren tot een verschijnsel/’. De ander dient uit die afgesloten denkwereld bevrijd te worden door de ik. Er vindt een woekering van gedachten plaats rond ‘wat zich moeilijk zeggen laat/’. Er moet ‘naar een beter woord voor blauw gezocht’ worden. Uiteindelijk centreert zich dat in het gedicht ‘Blauw’ tot: ‘het nulpunt / stilliggen’.
      Op hoogst virtuoze wijze verbeeldt Van den Broeck in haar gedicht ‘Lethe’ de onweerstaanbare drang in onze tijd om via de computer een minnaar te lokaliseren: ‘om van een rivier te drinken en te vergeten / het lijkt zo simpel opeens, ingetogen / de dorst naar niets, hoog het glas’. In de nachtwinkel van ‘Algemene voeding fris drank sterk drank & tabac’ smelten voornemens snel ‘onder de broedlampen van de straatverlichting’. De ik voelt zich in dit gedicht een reiziger die nooit een bestemming vindt en met een ‘geeuw […] de wereld verslindt’. De ‘Age of Aquarius’ mag dan wel duiden op grote veranderingen, maar uiteindelijk gaat het om de veranderingen in het individuele leven. De ik is de mens die zich afvraagt ‘waarom ik steeds aan scherven denk’. Hij hoopt steeds op ‘nevenschikking en dat het niet te laat is / voor vergelijkingen’. Er blijft de eeuwigdurende ‘Dorst’ in het gelijknamige cyclus, de dwaze drang de kudde uit te lopen en te pletter te slaan. Elke poging om een reeks te gaan vormen, een kind aan de familie toe te voegen, boezemt eenzaamheid in, hoewel dat noodzakelijkerwijze niet zo hoeft te zijn. Het gaat de ik uiteindelijk om de ziel ‘die exact dezelfde vorm als je lichaam heeft / in omtrek iets kleiner, zodat hij onder je huid kan schuiven / de organen in een vruchtzak bij elkaar houdt / als je hevig moet huilen’. Dit is typisch zo’n formulering van Van den Broeck waaraan haar metaforische kracht en virtuositeit zichtbaar wordt.
      De cyclus ‘Snede’ typeert de dagen van de week met een kleur en een atmosfeer. Daarin probeert de ik te zoeken naar ‘het uitzicht / dat het kijken boven het wensen uit zal tillen’. Van den Broeck weet het abstracte heel goed te vermengen met het concrete en omgekeerd. Ze verliest nooit de werkelijkheid uit het oog: ‘boven blijkt de kerk een regenscherm en heil / een plastic hesje’//. Aan het einde van deze cyclus heeft ze zich een maquette gebouwd en ‘lege gedichten en straten waarvoor ik geen terugweg moet bedenken//’. Door alles heen, zoals ze dat in ‘Roofbouw’ formuleert, draagt ze ‘de weemoed en haar pakgewicht’ met zich mee. In de cyclus ‘Wit’ eindigt ze met de woorden: ‘ik ben een plek die er niet is / een plek waar licht zich doorheen wringt//’. Aan alles valt in deze bundel af te lezen dat Van den Broeck haar ziel op tafel legt en worstelt met haar identiteit en het onvermogen om bij elkaar te horen, maar blijft proberen tot het past. Hoewel de ik in het laatste gedicht een boot zou willen bouwen, weet ze niet ‘waarheen?//’. Alles blijft open en contingent. Op diverse plaatsen in de bundel proef je de pijnlijke eenzaamheid van de ik.
      Voor mij schuilt de grootheid van deze bundel erin dat Van den Broeck de innerlijke chaos van één enkel bewustzijn zodanig blootlegt dat ze de individueel eigenaardige verwarring ervan universeel maakt.

***
Charlotte Van de Broeck (1991) is een Vlaamse dichter uit Turnhout. Na haar studie Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Gent ging ze woordkunst studeren aan het Conservatorium te Antwerpen. Door haar optredens bij De Sprekende Ezels (Antwerpen) werd ze snel opgemerkt. Ze deed in 2015 mee aan de Nacht van de Poëzie te Utrecht. Ze debuteerde bij De Arbeiderspers met haar succesvolle bundel Kameleon (2015). Ze ontving daarvoor de Herman de Coninckprijs 2016. In 2017 verscheen haar bundel Nachtroer.