Recensie van Nicola - een soort van antenne - Ruben van Gogh

Poëzie proeven, maar dan anders

Ruben van Gogh
Nicola - een soort van antenne
Uitgever: crU
2017
ISBN 9789079993161
€ 22,50
55 blz.

Een experiment. In 2012 vroeg de componist Paul Oomen aan Ruben van Gogh het libretto te schrijven voor zijn opera Nicola – a Techno  Opera  in 4D Sound, waarin een machine, de Nicola, gedachten hoorbaar maakt. Na veel wikken en wegen werd dit libretto geen verhalende tekst maar een serie van negenendertig gedichten die de gedachten vertegenwoordigen.
Bij dit muziekwerk komen klank en tekst, afhankelijk van waar men zich bevindt ten opzichte van de vele speakers op verschillende manieren op de luisteraar af. Zo ervaart ieder zijn eigen opera.
In  de bundel Nicola – een soort van antenne wordt iets soortgelijks geprobeerd door in elk exemplaar een andere volgorde van de gedichten op te nemen; elke bundel is hierdoor in zekere zin uniek. De hier besproken Nicola is nummer negentien.
(De facto heeft men met één bundel overigens alle exemplaren in handen; de volgorde van lezen is immers naar eigen keuze en bijna eindeloos).
In proza zijn vergelijkbare experimenten gerealiseerd, onder andere door Julio Cortàzar in Rayuela, een hinkelspel, waarin men de hoofdstukken in verschillende sequenties kan lezen en zo meerdere sluitende romans aantreft in één boek. Een meesterwerk.
Interessant, maar bij het beluisteren van de opera gaat het om de plek waar men zich bevindt, bij het lezen van de poëzie om de volgorde waarin men de tekst tot zich neemt. Bij proza geen probleem, de lezer houdt de lijnen van de verschillende verhalen gemakkelijk vast. Proza is doorgaans eenduidig. 
Bij de dichtkunst ligt het complexer; poëzie is vaak meerduidig, geserreerd, bevat beeldspraak en toverspreuken en vraagt derhalve om rustmomenten (de witregels) en om herlezing en contemplatie.
Toch proberen.
De bundel bestaat uit drie delen en omdat de gedichten in elk deel verwantschap tonen lees ik om een idee te krijgen zonder pauzes en in hetzelfde tempo het hele laatste deel: dertien korte gedichten.
Het blijkt geen wereldschokkende ervaring, maar de taal wordt hierdoor wel dynamischer en roept andere associaties en verbanden op dan wanneer men zich focust op de gedichten afzonderlijk – naar ik aanneem omdat een en ander je ontgaat en/of omdat je niet leest wat er staat. Daar titels en een index ontbreken en de toon in de verzen min of meer gelijkluidend is kan men, mits hardop lezend, zo’n reeks echter wel degelijk als één geheel beleven. (Wat niet wil zeggen dat dit geheel meer is dan de som der delen).
Ter illustratie zou ik een aaneenschakeling van gedichten zonder cesuur aan kunnen halen, maar dat zou teveel ruimte innemen. Ik beperk me daarom tot het aaneenrijgen van enkele strofen van verschillende gedichten zonder aan te geven welk deel bij welk gedicht hoort. Een potpourri.

er daalt sneeuw neer vanavond
en gefragmenteerde zinnen

iedere sneeuwvlok
een gedachte

elke vlaag een schreeuw
om aandacht

ik moest aan mensen denken
en ik zag ze

moleculen, ridicuul informele
informatie uit een immer

uitdijende brei van woorden

Voor zover het experimentele aan Nicola.  

Inhoudelijk gaat het in sterke mate over wat een gedachte, een woord, bij de lezer of luisteraar teweeg kan brengen, namelijk het oproepen van andere woorden, die op hun beurt  weer andere woorden naar boven halen: ‘ieder beeld / leidt tot nieuwe // opgeroepen beelden, / één woord wordt al een waterval (…)’.
Voorwaarde is wel dat men zich openstelt, een ‘soort van antenne’ wil en durft te zijn. Dit laatste is waar de dichter ons meer bewust van maakt en alleen daarom is deze bundel het uitgeven al waard: hij schudt ons wakker.
Genoemde aanmoediging wordt in soepele, niet opdringerige maar wel indringende beelden overgebracht. Hoofd en hart in evenwicht. Weliswaar kan het obsessief (?) gebruik van enjambement storen, maar voor het overige is het poëzie van hoog niveau.
Tot besluit een gedichtje dat dit aantoont:

er klinkt geruis door
in de stemmen die mij

omringen, gefluister
waar ik wel naar moet
luisteren, als zijn het

sirenen die zingen

maar ergens daar
doorheen hoor ik
een hulpeloze stem

die zo persoonlijk naar mij
roept, dat ik haast denk
dat ik dat ben

***
Ruben van Gogh (Dokkum, 1967) is dichter, presentator, librettist, vertaler en bloemlezer.
Hij debuteerde in 1996 met De man van taal. Zijn vierde bundel Klein Oera Linda zorgde door een afwijkende typografie voor opschudding en ook zijn anthologie Sprong naar de sterren, de laatste generatie van de twintigste eeuw deed veel stof opwaaien. Hij vertaalde onder anderen Jacques Prévert en gaf voordrachten op talloze nationale en internationale podia.

Recensie van Liever niet - Armando

Noodsignalen

Armando
Liever niet
Uitgever: Atlas Contact
2017
ISBN 9789025450243
€ 19,99
80 blz.

Wie er in de jaren zeventig van de vorige eeuw rijp voor was, herinnert zich ongetwijfeld de legendarische televisie-uitzendingen van Herenleed, de wekelijks in de Soester Duinen opgenomen en door de VPRO uitgezonden sketches met Cherry Duyns als hooghartige heer met bolhoed, opgedraaide snor en grootspraak, Armando met ziekenhuisbrilletje als zijn serviele tegenpool, en de later toegevoegde Johnny van Doorn als delirerende vrouw, kabouter en koning. Zij vermaakten de liefhebbers van het komisch-absurde en werden verguisd door de rest van Nederland.
Zo leerde men Armando kennen als acteur.
Maar wie van zigeunermuziek hield wist dat Armando ook een virtuoos musicus was die in het orkest van Tata Mirando viool speelde. (Onlangs zong hij nog in De Rode Bioscoop te Amsterdam).
Velen zullen hem bovendien kennen als de beeldend kunstenaar die van 1998 tot 2007 een eigen museum in Amersfoort had en nadat dit in vlammen was opgegaan sinds 2014 een nieuwe kunstzaal in Bunnik heeft. Kortom: Armando is een multitalent.

Na zijn vorige bundel Gedichten 2009 waarvoor hij de VSB Poëzieprijs kreeg, hield de dichter zich publicitair stil tot 2015. Toen verscheen de bundel Waaromdie hier werd besproken door Hans Franse, en is er dan nu de bundel Liever niet en die verschilt enigszins van zijn eerdere werk.
Niet dat zijn thematiek is veranderd, die behelst als vanouds de gruwelen van de oorlog, met name die in Kamp Amersfoort tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar de verschrikkingen komen minder expliciet in beeld en ook de grimmige humor die in eerdere bundels ruimte kreeg, is verdwenen.
Als je niet beter wist, zou je bij enkele verzen zelfs kunnen denken een vrijblijvend natuurgedicht te lezen, om dan toch door een enkel woord uit de droom te worden geholpen.

Lente

‘t Is bijna lente, de knoppen zijn al weerloos,
de takken steken hun armen uit
en de groei heeft de bloei ontdekt.

Het blijft voorlopig lente,
omdat het gretig groen is.

Het was de luidruchtige lente,
die even heeft geglimlacht.

Is de dichter met de jaren milder geworden? Ik denk het niet, wel subtieler en universeler. Het gaat weliswaar altijd over een steeds verder achter ons liggende oorlog, maar het is of daardoor, en door het ingetogen woordgebruik én omdat wij in een steeds onbestendiger tijd leven, de dreiging van een komende catastrofe intenser wordt.
Hoewel getypeerd als de dichter die de locaties waar verschrikkingen hebben plaatsgevonden verbindt met het kwaad, is Armando geen moralist; hij beschrijft en duidt, oordeelt niet.
Ook in deze bundel komt men deze projecties tegen: (…) ‘Uit de jachtige nevels / doemt het schrikbewind der bomen op: / de wens naar een volmaakte vraag. ( Uit: ‘Wens’ ).
Het volgende gedicht is wat dit betreft exemplarisch.

Overleven

De wolken mopperen en de
Sterren schelden:
Een oproep tot lawaai.

Brekende gevels scheurende muren,
Het waaien van de hardvochtige storm,
Geen ochtend en geen dag meer,
Schokken uit de kreunende aarde,
Gillende nachten staan ’s nachts onder water.

Moet er alsnog overleefd worden?

De gedichten in Liever niet zijn kort maar het openingsgedicht ‘Namen’ is daar een uitzondering op; dat omvat maar liefst zeven pagina’s, zij het dat de stiltes erin, het wit tussen de strofen, meer ruimte innemen dan het geschrevene. Het doet qua structuur sterk denken aan ‘Awater’ van Martinus Nijhoff hoewel dat een doorlopend gedicht is. Maar in beide wordt iemand voorgesteld, waarna de dichter deze figuur volgt en hij de lezer deelgenoot maakt van zijn heimelijke bevindingen door hem te bestoken met aansporingen om goed op te letten.
Bij Armando zijn deze aansporingen noodsignalen.
Voor mij is ‘Namen’ het hoogtepunt van de bundel maar het gedicht is helaas te lang om het hier in z’n geheel aan te halen, terwijl eruit citeren het tekort zou doen. Toch enkele regels om een idee te geven.

Namen

U hebt hem gezien,
hij liep gewoon op straat, hij
ging misschien naar huis, u
hebt hem mogen zien.

(…)

Hij draagt een zware mantel, hij 

heeft een trotse lijst met namen en
op z’n hoofd een hoed.

Hij heeft de lijst met namen, hij
draagt de dood op handen.

(…)

Hij denkt dat u een dagtaak had en een geboortejaar,
Dat u een wankele wraak bezat,

(…)

Hij neemt de maat en vindt een pasklaar antwoord,
verkondigt een lange loopbaan
en teistert de bestrating.

(…)

Weldra heeft hij u ontmoet,
Sindsdien zijn er geen namen meer.

(…)

Er staan ook minder geslaagde gedichten in deze bundel, enkele malen is er zelfs sprake van mooischrijverij (‘Met het oog op ogenblikkelijke stilte’, ‘mateloze einders’, ‘een jachtig jagen naar gevaar’) maar dat is van ondergeschikt belang, omdat het bij Armando vooral om de boodschap gaat. Deze is zo indringend dat zijn poëzie voor docenten een bruikbaar handvat zou zijn om leerlingen bewust te maken van de geschiedenis die leert dat wij voortdurend strijd moeten leveren om de vrede en dat niets wat is bereikt als vanzelfsprekend van blijvende aard is.

Recensie van Ja Nee - Tonnus Oosterhoff

De capriolen van het ondermaanse

Tonnus Oosterhoff
Ja Nee
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023454861
€ 17,99
54 blz.

Een intrigerend voorplat: JA ondersteboven en daaronder in even grote koeienletters NEE. Een breinbreker om met Marten Toonder te spreken, maar wat hiermee ook gezegd wil worden, de auteur ervan is niet moeilijk te raden: wie anders dan Tonnus Oosterhoff.
Geboren in Leiden (1953), maar noorderling in hart en nieren. Hij studeerde taal- en letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen en woont in een gehucht in Oost-Groningen, waar hij jarenlang het bij hem passende beroep van brugwachter bekleedde: open- en dichtdoen, doorlaten en tegenhouden, contrasten die zijn werk kenmerken. (Zie de titel!)
Zijn eerste gedichten werden opgenomen in het literaire tijdschrift Raster, dat een voorkeur had voor afwijkende literatuur met themanummers als ‘Gestoorde teksten’ en ‘Meneer m/v’ .
Naast meerdere dichtbundels schreef Oosterhoff verhalen, essays, romans (Op de rok van het universum is een aanrader), hoorspelen en een toneelstuk. En wat het vallen in de prijzen betreft won hij, naast vele andere, in 1990 met de bundel Boerentijger de C Buddingh’- prijs en in 2012 voor zijn oeuvre tot dan toe de P.C. Hooft-prijs.
Een erkend en gelauwerd auteur dus, maar zuinig gevierd en met een beperkte lezerskring.
Dat laatste is jammer, want of je nu graag ernstig ontregeld wilt worden, van humor houdt of geniet van het stoeien met taal, je komt bij deze dichter hoe dan ook aan je trekken. Open de website en je bent verloren.

Nu de bundel. Het openingsgedicht:

kijk uit de schelp naar de krab uit het gras naar de koe
uit het nieuws naar de krant uit de bal naar de stok
uit de koe naar de man met het mes en de bloedgeur
kijk uit het stof naar de nacht uit het hol
dat niet hol is het vol dat niet vol is de regen

Vijf regels slechts, maar ze ontregelen inderdaad, zijn niet gespeend van humor en bieden een interessant alternatief de wereld te bekijken.
Dit is, op die regen na misschien, een heldere tekst, wat echter niet altijd het geval is. Neem nu: ‘Ik uitdreig verschrikvolkelijke globomspannende vloekjulienne, / geen beveiliger die me nog beveiligen wil, / ja, nee, geen hond of roofpanserdier, geen wezenheid klein of groot / niet, nee, met tallozen nog niet voor geen goud.(…)’.
Verrukkelijke regels, al kan ik er geen touw aan vast knopen. Dat hoeft gelukkig ook niet, klank en dwaasheid kunnen soms meer raken dan betekenis en diepgang; een van de charmes van de dichtkunst.
Waarschijnlijk ten faveure van de samenhang komen bepaalde zinnetjes meermalen in verschillende gedichten terug: ‘Staar heeft de kijker, de denker loopt over.’, ‘Weet ik waar de lichtknop zit!’, ‘Voor mijn keel ligt mijn tong’.
En nu ik toch met het regelmatig voorkomende bezig ben, onthoofdingen en andere gruwelen vallen daar ook onder, maar zonder moraal; het gaat zoals het gaat: ecce homo. ‘Zekere bendes naaien het hoofd op een voetbal; /andere juist een voetbal op de schouders; / dit zijn cultuurverschillen.’

Er staat een gedicht van twee pagina’s in de bundel dat bestaat uit een eindeloze aaneenschakeling van woorden zonder een enkel leesteken. Het doet denken aan de tekst van een computer die spontaan op hol is geslagen: ‘lijm op stekels lijm op stekels lijm op stekels lijm op stekels lijm op stekels’ en dan nog drie regels ‘lijm op stekels’ voor er tussen de ‘lijm op stekels’ zo nu en dan associërende variaties verschijnen als: ‘ik denk lijm op stekels’, ‘dit brein is lijm op stekels’, ‘verstekeling’, ‘lijm op stelten’, ‘ogen op steeltjes’.
Na de bovenste halve pagina stopt de reeks abrupt, om op de onderste midden in het wit te melden: ‘kool omarmt zich met eigen blad’.
Hierna een verontrustende halve pagina vaalgrijs gedrukte woorden die niet of nauwelijks verband met elkaar hebben als ‘olipodrigo, vreugdesprong, en bungelknuffels’, waartussen nogmaals het nu vetgedrukte zinnetje: ‘kool omarmt zich met eigen blad’.
Bij het lezen van de vierde en laatste halve pagina slaakt men een zucht van verlichting; de tekst is nagenoeg hetzelfde als die op de eerste halve pagina en weer leesbaar gedrukt.
Het resetten is gelukt, de computer is niet gecrasht!

Het analyseren van het werk van Oosterhoff is geen sinecure omdat het zo grillig is en blijft verrassen, het gaat om wonderen en waanzin, om eten en gegeten worden, om spot en zelfspot. En de talrijke, vaak alledaagse bronnen van de afleidingsmanoeuvres erin (DWDD, televisiesoaps, versleten grappen) maken het er niet eenvoudiger op.
Enkele zinsneden uit het gedicht ‘Een handoplegging voor moeder. Een kus voor haar’:

(…)
Internet slaapt niet, de tumor slaapt niet, dan ik ook niet
Langzaam groeien is goed, minder beroerd wordt het bouwplan
Ik hang niet depressief boven geen afgrond
(…)
Iemand doet betekenisvolle dingen, verstijft en zegt niets meer
Een lichaam wil omvallen maar het ligt al
Bestaat er een beter, een slechter?
(…)
Het vinden van een naam voor de kat is een lastig karweitje
Vos? Hyena? Je blijft er toch over denken
Dit grijze weer moesten ze eigenlijk doodslaan
(…)

Tot slot terug naar de omslag want die is al even uitzonderlijk als de inhoud van de bundel: slechts de titel, de naam van de auteur en die van de uitgeverij op het voorplat en op de rug. Meer niet, ook niet aan de binnenzijden; een verademing.

Recensie van Koor - Peter Verhelst

Bezieling, beheksing en een beetje flauwekul

Peter Verhelst
Koor
Uitgever: De Bezige Bij
2017
ISBN 9789023454670
€ 21,99
144 blz.

Voor ik de inhoud van dit verzamelwerk ga bespreken moet me iets van het hart.
De omslag van een poëziebundel – het visitekaartje ervan – gaat wat het achterblad betreft steeds meer lijken op een reclamefolder voor inferieure spullen: enige ter zake doende informatie, dat nog wel, maar bovenal ronkende oneliners die het ergste doen vermoeden. (Meestal van bekende dichters nota bene).
Ook hier is dat het geval en het stoort; deze van het papier afspattende loftuitingen wekken achterdocht en, naar ik aanneem, niet alleen bij kritische recensenten. Goede wijn behoeft immers geen krans. (Slechte wel!).
Als de uitgever verwacht met deze gratuite promotie de belangstelling en verkoop van poëzie te bevorderen vergist hij zich mijns inziens.
Waarom niet een representatief gedicht of een strofe daarvan van de dichter zelf op het achterblad, dat geeft een reëel beeld en is waarschijnlijk effectiever.

Over Peter Verhulst (Brugge, 1962) valt veel te zeggen. Hij is dichter, prozaschrijver voor zowel volwassenen als voor de jeugd en sinds 2006 is hij als regisseur verbonden aan het theaterhuis NT Gent. Daarnaast geeft hij les in Nederlands en Engels.
Zijn bekroningen vormen een waslijst.
Een kleine greep: de Paul Snoekprijs voor zijn poëziedebuut Obsidiaan (1990), de Jan Campertprijs voor de bundel Nieuwe Sterrenbeelden (2008), viermaal de Herman de Coninckprijs voor vier verschillende bundels, de Ida Gerhardtprijs voor Wij, totale vlam, de Gouden Uil Jeugdliteratuurprijs en een Gouden Griffel voor Het Geheim van de Keel van de Nachtegaal (2009).

Koor is een door Verhelst zelf samengestelde bloemlezing uit eerder werk.
Het eerst gedicht, ‘Voor het vergeten’, zet meteen de toon, die van een rebel, een durfal en ik moest bij het lezen ervan even grinniken, omdat het een doorzichtige pendant is van ‘Tegen het vergeten’ van Hans Faverey.

Voor het vergeten

Zolang we niet vergeten, gaat niets verloren.

Laten we dus vergeten, maar alleen
zoals we door te praten iets uiterst traag kunnen laten verdwijnen – daar,
zie je het, zie je het nog, nauwelijks, tegen de zon in?

(…)

(De bundel bevat overigens ook een gedicht met de titel ‘Tegen het vergeten’, dat wel de geest van Faverey ademt).

In meerdere gedichten speelt Verhelst met regels van anderen: ‘een totaal witte kamer’ van Kouwenaar wordt ‘een volmaakt gesloten kamer’ en één van de meest voorgelezen gedichten van Remco Campert, ‘Lamento’, weet Verhelst ook wel in zijn ‘Lamento’ te verwerken.
Deze reflecties hebben misschien iets met idolatrie van doen maar van epigonisme is geen sprake, wel van ironie, een zekere spot. Hoewel ze je een ogenblik doen denken aan die min of meer geciteerde dichters, zijn ze zowel qua vorm als inhoud er niet mee te vergelijken.

Verhelst houdt niet van het verhaal met een begin en eind en ook de zinnen, vaak willekeurig afgebroken, hebben dat niet. Al poneert hij hier en daar een volzin aan het slot, de gedichten zijn meestal een vlakke aaneenrijging van herinneringen en flarden van gedachten.

Het beleven van de liefde, de lijfelijke vooral, het hunkeren daarnaar en ook de schoonheid ervan komen expliciet aan de orde: ‘(…) ademend; een tepel uit de borst, een borst / uit een jurk, een hoofd uit een hemd, / het hoofd uit de nek // zo graag had ik me / aan haar mond totaal / opengesneden’. (Uit: ‘Als een tafelblad glanzend’).
De welhaast extatische bezieling die uit deze gedichten spreekt is ultiem in de volgende fragment uit het gedicht ‘Malaria’:
‘(…) De toortsen die we zijn. Het zachte, weke van een ander lichaam. Het hete, natte, wat achter de tong en achter het bonken van het hart en de bezwete bovenlip en de binnenkant van de mond en de keel en nog dieper. Voorbij de taal van vel en slijmvlies en voorbij de taal van lippen en keel, dieper, die mond die zich om ons heen sluit en die benen, om ons heen geklemd, en wat zich tegen ons aan drukt en wrijft en zich tegen ons aan en over ons uit blijft wrijven, dat geoliede, hijgende, zich in elkaar klikkende, likkende, lispelende, happende, zich vastbijtende.(…)’.

Gelukkig is er meer, want deze hallucinerende onstuimigheid gaat weliswaar niet vervelen maar is op den duur wel vermoeiend.
Verhelst schrijft ook over verdriet en gemis en hij doet dat op een meer kalme en tedere toon: ‘(…) hoe je mond zich open droomde nog een keer voorzichtig / om je niet te wekken urenlang roerloos leunend op een hand / lig je te kijken lieve onbestaande / kus die loopt van de mond die er had kunnen zijn in het gezicht dat al uit het kussen weg begint te trekken (…)’. (Uit: ‘Kus’).

Er staan meerdere cycli in de bundel. De liefdescyclus ‘Black hole sun’ verrast door de vorm: vier voldragen sonnetten. (Een vreemde eend in de bijt, maar een mooie!).
Hier het tweede:

We waren nutteloos, juwelen, luxe en verspilling,
Onze liefde heeft zichzelf als vuur verteerd,
We gaven en we namen mateloos, onthouding
Was ons vreemd, we hebben elkaar nooit geleerd

Nooit te zeggen, waarom zouden we, we waren minnaars
Van de overvloed, twee jongens die van vlees en spieren
Goud wisten te maken. Flakkerende vlammen van een kaars
Die aan twee kanten brandt. Iets tussen dier en

God in. Twee trotse koningsslangen
In een paringsdans die eeuwig leek, maar niets
Is eeuwig, liefste, eeuwigheid is dodelijk voor het verlangen

En dat wisten we, dat wilden we vanaf de eerste dag.
Liever uitgeput door ons dan uitgeblust. Alles of niets.
Jij bent mijn alles. Neem mij. Van glimlach tot geslacht.

Fascinerend allemaal, er moeten echter ook enkele minpunten worden genoemd.
Ten eerste de hang om verwrongen en complex te formuleren: ‘(…) Glimlachend, / Nooit eerder / reden we zo traag van ons weg’. (Uit: ‘Zonsverduistering’). En in het gedicht ‘Zwijg’: ‘(…) opduwend zwijg je me op je af. (…)’.
Het slotgedicht ‘Envoi’: ‘Als jij het bent die ik zal missen, / laat mij dan blijven / de herinnering aan wat nooit zal zijn’.

Dat moet eenvoudiger kunnen.

Ten tweede een gebrek aan zelfkritiek bij het samenstellen. Het merendeel van de gedichten is van een hoog gehalte, maar er staan ook enkele in die zo zwak zijn dat je je afvraagt wat Verhelst in hemelsnaam heeft bewogen deze in de bundel op te nemen.

Lullaby

Ik herinner me niets
En zelfs dat niet
Zoals ik de wereld niets meer te zeggen heb
Heeft de wereld mij niets meer te zeggen
En toch blijven woorden uit me stromen
Even nutteloos en belachelijk
Vergeet die woorden nu
Ik wil door niemand herinnerd worden

Stefan Hertmans schreef een doorwrocht en verhelderend nawoord voor dit dichtwerk, dat zonder meer buitengewoon is, iets minder buitengewoon goed.

Recensie van Om en nabij - Hans Tentije

Vorm nee, vent ja

Hans Tentije
Om en nabij
Uitgever: De Harmonie
2016
ISBN 9789463360029
€ 15,90
56 blz.

De schrijver en dichter Hans Tentije werd in 1944 te Beverwijk geboren.
In 1979 won hij met ‘Wat ze zei en andere gedichten’ zowel de Van der Hoogtprijs als de Herman Gorterprijs en in 2005 de Guido Gezelleprijs van de stad Brugge voor Deze oogopslag.

Als er iets onontbeerlijk is bij het werken aan een gedicht, dan is het wel het weglaten: het schrappen en schaven. ‘In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’, onderwees Goethe tweehonderd jaar geleden, een adagium dat wereldwijd nog altijd ter harte wordt genomen.
Zo niet door Hans Tentije.
Niettemin kan ik het niet laten Tentije te volgen. Zijn werk intrigeert in positieve zin door zijn aandachtige kijk op de dingen, de sfeer die hij oproept – hier met name in de cyclus over Cesare Pavese – en zijn diepgang, maar de vorm waarin hij zijn taal giet maakt me kriegel: die aaneenrijging van adjectieven, de grote woorden, het dikwijls ongelukkig afbreken van de regels en het vaak niet passend archaïsch woordgebruik, ze storen en bieden weinig ruimte voor de verbeelding van de lezer.
Waren de gedichten een stromende lyrische reeks van woorden geweest, zoals bijvoorbeeld bij Herman Gorter, ik zou er geen moeite mee hebben, maar lyriek onderga ik niet of nauwelijks bij Tentije.
Nieuw werk van hem lezend hoop ik altijd weer dat ‘Less is more’ de dichter heeft bereikt, maar ook bij het openslaan van Om en nabij werd ik in eerste instantie teleurgesteld door overtolligheid. (Wat de titel van de bundel overigens niet doet vermoeden).
Een voorbeeld:

Bij benadering

(uit vers 3)

( … )
         elke vooruitgang wordt aldus belemmerd, maar het ergste is
nog dat het mij de boodschap ontzegt
                      die het behelst, een waarschuwing, een bericht
                              misschien van levensbelang –

        door een bodemloze slaap overmand, die schemerzone
grenzend aan dood en verdwijnen, in het verlengde
                      waarvan het keelsnoerende, hartbrekende zich afspeelt
( … )

Sorry.

Laten we overgaan tot de inhoud, want die is interessant.
Direct in het openingsgedicht ‘Al met al’ wordt duidelijk waar het bij Tentije om gaat: het verglijden van de tijd en het zich met weemoed (kunnen) herinneren van wat voorbij is; en dat laatste niet alleen door mens en dier maar ook door de dingen!
‘( … ) en de straten, de portalen, hebben zij soms / ondertussen de echo’s van onze voetstappen bewaard / als ze niet weten konden /waarheen die moesten leiden? ( … )’

Het vermenselijken van de dingen is niet uitzonderlijk – Armando spreekt van het schuldig landschap bij Kamp Amersfoort en Irene van Lippe-Biesterfeld die de harmonie zoekt tussen mens en natuur omhelst bomen – maar Tentije doet dit toch op een eigen manier. ‘( … ) ook hier is geen plaats genoeg om het vele te bewaren en zoekt / stuifzand vergeefs achter de stoepranden / beschutting, terwijl rook van loof dat verstookt wordt / komt overgewaaid van de landjes / en er rond een lantaarnpaal heelhuids / een sleetse fietsband ligt – // hoeveel moeite getroosten zich de dingen niet’ (Uit: ‘Hieromtrent’).
Een andere kwaliteit van Tentije is zijn inlevingsvermogen, hier in dat van een vrouw: ‘( … ) en terwijl ze daar vol ongeduld wachtte, verbeeldde ze zich / de vrouw te zijn in de film waar ze samen / naartoe waren geweest en voerde, kleumend, hele / gesprekken met hem, had binnenpret / om allerlei ietwat gedurfde zinspelingen over en weer ( … )’ (Uit: ‘Op de afgesproken plaats’).

Wat deze bundel ontbeert, ik noemde het al, is relativering, een beetje hoop en humor, maar in het laatste deel van de bundel wordt de toon lichter en het gedicht ‘Dat alleen’ trof me:

Dat alleen

Langs de vloedlijn slenteren acht, negen, misschien
tien nonnen in wit habijt, de ochtendzon
is juist vanachter de eerste duinenrij te voorschijn gekomen
en zusterlijk zweven hun schaduwen
boven het water, afwezig speelt de zeewind
met hun smetteloze sluiers

na een poosje krijgen ze zelfs iets dartels
over zich en helemaal als een onverwacht verre uitloper
bijna iemands voeten spoelt – wie
durft het aan met enigszins opgeschort gewaad
te gaan pootjebaden?

eenmaal terug in het sanatorium brengen ze
weer maaltijden en medicijnen rond, rijden de ledikanten
van enkele patiënten naar de balkons
die uitzien op het dorp en het duingebied, dat geleidelijk aan
in waziger geestgronden, in tuinderijen
en onland verandert –

wanneer een van hen zich dan ’s avonds laat
voor de nacht gereed maakt, vermijdt ze het angstvallig
zichzelf ook maar even te bekijken
omdat de aanblik van het eigen onbedekte
lichaam zondig is

en in de plooien van haar pas nog verschoonde
beddegoed zullen vast nog wel zandkorrels achterblijven –
wat droomschilfers bovendien

Een lief en teer gedicht en er staan nog enkele van dit niveau in de bundel, maar om het werk volmondig te durven aanbevelen, zouden het er toch meer moeten zijn.