Recensie van Belgium Bordelio, volume 2 - Jan H. Mysjkin (samenstelling)

Moules belges (over parels en mosselen)

Jan H. Mysjkin (samenstelling)
Belgium Bordelio, volume 2
Uitgever: l'Arbre à paroles & PoëzieCentrum
2017
ISBN 9789056551261
€ 22,50
556 blz.

Als lezer kom je van alles tegen. Het volgende gedicht vond ik ergens, grasduinend in een bonte verzameling:

Ons

Ik zou van de bomen kunnen leren, van de katten,
van het rustige oktoberlicht, maar ik lees utopie
over mensen en machines, brood en rode vlaggen,
en het levert niets op, zoals je ziet.

Waarom beschrijf ik niet de geur van je oksels,
die mij scherp en aanwezig maakt, of de pijn
in je handen, die niet kan stoppen
omdat je wil boksen, wil slaan, telkens weer?

Dit is een rustige tijd in een rustige wereld, de zon
is schadelijk, maar dat valt niet op. De kranten
op tafel maken de koffie gezellig. Sterft een kind
om de drie of vier tellen, je hebt toch gelijk. Ons

mag niet kapot.

De eeuwige tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid. Of de schijn van de werkelijkheid, zo men wil. Het fraaist is misschien wel de derde strofe, met die ‘rustige tijd in een rustige wereld’. ‘Leugen, leugen!’ schreeuwde het in mij, toen ik dat las. Maar het staat er toch gewoon, gemoedelijk. Alsof het waar is. Zwart op wit legitimeert de leugen zich, wordt het niet ware waar. En de kranten op tafel maken de koffie gezellig, moeten we niet vergeten. Aan de oppervlakte gebeurt niets bijzonders. Inderdaad: ons mag niet kapot.
Waarom citeer ik dit gedicht? Misschien omdat het onze status quo weergeeft. Het tamelijk actuele (en Europese?) idee dat ‘alles gewoon moet doorgaan, wat er ook gebeurt’. Interessant is dan ook nog dat het een Belgisch gedicht is (geschreven door Charles Ducal). België: het land waar het beleg en het brood maar niet aan elkaar willen wennen (het is niet eens duidelijk wie wat is). Maar zo krijgt dat woordje ‘ons’ nog een extra dimensie.

Gebloemleesd in Belgium BorDeLioII, waarvan de scheppers ‘vastbesloten zijn om de grenzen tussen de gemeenschappen aan flarden te scheuren en het uit te schreeuwen dat er een wereld bestaat die werkelijker is dan de wereld, een wereld waar de wortels naar de hemel kijken en het woord redding brengt’ (einde citaat), werd dit gedicht in 2017 te midden van een ‘nieuw zootje van tweeëntwintig dichters’ uitgebracht.  
Een bloemlezing is een soort dierentuin waarin vogels van allerlei pluimage gekooid zitten. Maar dat terzijde. Ik heb eigenlijk een hekel aan bloemlezingen. Maar ook dat terzijde. Er staat altijd een heleboel troep in bloemlezingen (terzijde). Wat je wel wil lezen ontdek je pas als je een heleboel hebt gelezen wat je niet wil lezen (parels zijn zeldzaam bij mosselen):

VI

Het is een hele weg van vuuridee naar metaaldaad.
De mooiste bloemen bloeien waar schaduw verkeert in
licht.
De kaalste melodieën kukelen je kinderjaren uit, waar
de dood rijmde op zichzelf.
Het is een hele weg van de naam van het niets naar het
niets van de naam.

Dit wou ik wel lezen. Véronique Bergen schreef dit als onderdeel van een reeks, die in zijn geheel is opgenomen in de bloemlezing. Dood was alleen maar (het woordje) dood in je kinderjaren, simpel toch? De laatste zin schittert door zijn eenvoud en diepzinnigheid. En er zijn meer reeksen in deze bundel:

II

De kapitein is zich ervan bewust dat de wereld om hem
heen bestaat en dat baart hem zorgen, want die hele
wereld geeft geen moer om hem. Hij zegt bij zichzelf
dat de wereld een kwade droom is, een huiveringwek-
kend hersenspinsel want de werkelijkheid. Het stelt
hem gerust dat de wereld veraf is, zo veraf nu dat hij
hem sinds lang uit het oog is verloren. De wereld is zijn
bestaan vergeten, eet, drinkt, propt zich vol en wordt
dik. Dat is de Vooruitgang. Die wereld heeft machines,
allerlei toestellen – goede en slechte (maakt niet uit) –
hij bouwt zichzelf om tot een machine, een reusachtige
machine, zo ontwikkelt hij zich, dat is de Vooruitgang.

Een fractie van de ‘goddeloze wereld’ van Philippe Lekeuche, die het ons duidelijk maakt wat we in de toekomst kunnen verwachten nu de machines het overnemen en niemand zich een moer (meer?) voor ons interesseert. Toch blijft het leuk, volgens de samenstellers van deze bloemlezing, om ‘de toekomst recht in de ogen te kijken’. Optimist als ze zijn, gaan ze er van uit dat deze, en hun vorige bloemlezing (Belgium BorDeLioI) België zullen overleven.      

Leuk voor België. En voor Nederland, want wij kunnen er ook met volle teugen van meegenieten: alle gedichten (inclusief die van de dichters uit Wallonië) zijn zowel Franstalig als in het Nederlands weergegeven.
Omdat ik binnen het korte bestek van deze recensie niet van elke dichter iets kan citeren noem ik ze maar even: Annemarie Estor, Volauvent, Lucienne Stassaert, Erik Spinoy, Véronique Bergen, Gioia Kayaga, Runa Svetlikova, Charles Ducal, Els Moors, Werner Lambersy, Pascal Leclercq, L’Ami Terrien, Mark Insingel, Yves Namur, Rose-Marie François, Inge Braeckman, Jan Lauwereyns, Philippe Lekeuche, Andy Fierens, Geert van Istendael, Stéphane Lambert en Eugéne Savitzkaya hebben allemaal hun bijdrage geleverd aan deze bundel, die zo barst van de vitaliteit, dat er een stevige kaft omheen moest worden gedaan (zo stevig zelfs, dat ik er last van had tijdens het lezen: hij klapte als een mossel, als een rechtgeaarde mmmbundel telkens dicht). Ach, elke lezer kan er – parelvisser als hij is – na enig vouwwerk zijn eigen schat in vinden.  
Ik besluit met een fragment van een gedicht van Andy Fierens dat geraffineerder in elkaar zit dan misschien op het eerste gezicht lijkt (bijvoorbeeld in de vijfde strofe, waar de regels op slimme plaatsen worden afgebroken, zodat de lezer telkens op het verkeerde been wordt gezet):

het huwelijk

getrouwde mannen leven gemiddeld
zeven jaar langer
dan vrijgezellen of mannen
die samenwonen

ze zijn gezonder verdienen meer
ze ruiken beter pulken minder in hun neus

het heeft me jaren gekost
voor ik dat zelf inzag

zoals zoveel mannen wilde ik
niet trouwen maar zij wel

ik hou niet meer van haar
blondheid en rondheid
dan voor ik haar over de drempel droeg
maar het huwelijk veranderde
mijn perceptie

het werkt

het werkt
psychologisch

vrouwen willen trouwen

(ongetrouwde vrouwen horen de hele dag
het galopperen van hun eigen hart)

(ongetrouwde mannen verspillen
hun beste jaren aan dorstbestrijding)

(ongetrouwde mannen zoeken heil
bij de schijnbewegingen van de liefde)

(ongetrouwde mannen gedragen zich vaak
niet ethisch maar als je hen daarop aanspreekt
zeggen ze the eighties dat is dertig jaar geleden!)

(ongetrouwde mannen kijken naar films
met Bruce Lee en proberen dan hun vrienden
te karateriseren)

…….

Gelukkig kent het huwelijk verschillende varianten (het huwelijk dat België heet, is er één van).  Een vrolijke uitsmijter, dit gedicht, dat tevens opvalt door de (licht ironische) touch en toon die erin zit.
Ja, die toon, daar wil ik het nog even over hebben. Sinds ik begrepen heb van iemand dat heel jonge kinderen van gesproken taal het eerste de toon onthouden, let ik wat meer op de toon van gedichten. De manier waarop dingen worden uitgesproken is in elke taal anders. Kinderen blijken in de baarmoeder al klanken op te vangen en door het horen van hun moeder(s)taal in een heel vroeg stadium, die later gemakkelijker aan te kunnen leren. Ook als ze die taal niet spreken en in een ander land opgroeien. De mal van de klank is daarbij mogelijk leidend en stuurt de grammatica en de woorden (m.a.w. de klank is het bed waarnaar de taal zich als een rivier voegt). In klank kan angst zitten, boosheid, blijdschap, eigenlijk het hele scala aan gevoelens dat we willen uitdrukken. En we hebben vermoedelijk pas later geleerd er woorden bij te maken! Dit inzicht gaf me een andere kijk op het volgende gedicht van Kurt de Boodt, dat overigens niet in de bloemlezing staat:        

MOULES BELGES

Het schaap is de mal van het lam
De schelp is de mal van de mossel
De zee is de mal van het zout
Marcel is de mal van het beeld
De pijp is de mal van de rook
De kunst is de mal van de vondst
Het idee is de mal van Chistopher
Columbus is de mal van het ei
Het ei is de mal van de kip
De kip is de mal van het ei
De mal is de mal van de mal is
De mal van de mal is de mal van
La vache qui rit.

Een geniaal gedicht! Met als (malle) klap op de vuurpijl de toon van een lachende koe. Het bloemleest in zijn mal – de mal van het woord – als het ware alle gedichten en geeft wat mij betreft het beste weer hoe deze BorDeLioII in zijn geheel kan worden ervaren (tenslotte is niet alleen de dichter een koe).

Recensie van Meridianen van de doling - Serge Delaive

De spinnende schrijver (over de poëzie van Serge Delaive)

Serge Delaive
Vertaler: Katelijne De Vuyst
Meridianen van de doling
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551162
€ 23,50
104 blz.

Taal is een web en een schrijver is een spin, die vliegen probeert te vangen. Die vliegen zijn wij, de lezers, die – als het een goed web is – blijven kleven aan de woorden, die de spinnende schrijver voor ons heeft gesponnen tot een verhaal of tot een gedicht. Zijn schrijvers immuun voor hun eigen web? Het zou kunnen, maar ik denk het niet. Een schrijver kan ook blijven kleven aan zijn eigen web. Laat ik een voorbeeld geven. Een collega-recensent beweerde nog niet zo erg lang geleden in een bespreking van Tonnus Oosterhoffs nieuwste bundel het volgende:

‘Een heldere tekst, wat echter niet altijd het geval is. Neem nu: ‘Ik uitdreig verschrikvolkelijke globomspannende vloekjulienne, / geen beveiliger die me nog beveiligen wil, / ja, nee, geen hond of roofpanserdier, geen wezenheid klein of groot / niet, nee, met tallozen nog niet voor geen goud.(…)’. 
Verrukkelijke regels, al kan ik er geen touw aan vastknopen. Dat hoeft gelukkig ook niet, klank en dwaasheid kunnen soms meer raken dan betekenis en diepgang; een van de charmes van de dichtkunst.’

Geen touw aan vastknopen? Dwaasheid? Dat ben ik niet helemaal met mijn collega eens. Met dat ‘uitdreig’ (wat een soort anglicisme is, vgl. ‘outrun’ ) en ‘geen beveiliger die me nog beveiligen wil’ is er wel degelijk een touw aan deze regels vast te knopen. Ze hebben een vrij hoog (anti) Geert Wilders gehalte.
Maar wat ik zeggen wilde: Tonnus Oosterhoff lijkt mij bij uitstek een schrijver die aanleg heeft om in zijn eigen web te blijven hangen. Zijn ongewone taalgebruik is persoonlijk en zeer herkenbaar, maar loopt door de opvallendheid ervan ook sneller gevaar vervelend en irritant te worden. Brood heeft niet zo’n sterke smaak: het is iets gewoons, we eten het elke dag. Maar we kunnen het op den duur beter verdragen dan iets wat een sterke smaak heeft, zoals kaviaar. Werkt het ook niet zo met taal? Een woord als ‘globomspannende’ associeert met ‘globalisering’ en ‘bom’, maar doet intussen ook al denken aan eerdere versprekingen (verspellingen) die de dichter met zijn ‘hersenmutor’ maakte. En omkeringen als: ‘We zitten aan ons steeltje vast, we zitten vast aan ons steeltje’ (uit WARE GROOTTE) en bijvoorbeeld die in het gedicht ‘Transport’ (uit LEEGTE LACHT) geven mij als lezer een gevoel van herhaling. Alsof er een soort taaltrukendoos bestaat, waarvan de dichter gebruik maakt wanneer hem dit zo uitkomt.
Niet dat ik wil zeggen dat Tonnus Oosterhoff niet goed schrijft. Dáárover gaat dit niet. Maar hij is een voorganger van een trend waarin taalgebruik dreigt door te schieten van kunst naar gekunsteldheid. Het omgekeerde van wat Martinus Nijhoff in zijn tijd voorstond, die een meer natuurlijk taalgebruik nastreefde. Nijhoff wordt nog steeds gelezen. Hoe zal dat met Tonnus Oosterhoff over 100 jaar zijn? Nog steeds 14 lezers? Toegegeven: het lijkt vandaag de dag moeilijk om origineel te zijn zonder de ‘gewone’ taal geweld aan te doen. Helder schrijven over moeilijke onderwerpen is een beetje ‘uit’, en moeilijk schrijven over alledaagse onderwerpen ‘in’. Maar dat kan natuurlijk niet zonder consequenties blijven. Wanneer we er als lezer na een tijd puzzelen eindelijk achter zijn wat er zou kunnen staan (niemand behalve – waarschijnlijk – de schrijver zelf weet wat er wordt bedoeld) valt dat qua betekenis niet zelden tegen. En om nou na elke ‘aha-erlebnis’ de oneliner ‘is that all there is?’ weer van stal te moeten halen… Nou ja, gelukkig valt het ook weleens mee.

Waar wil ik naartoe? Misschien naar een nieuwe tweedeling. En nu eens niet tussen ‘modern en ouderwets’, of ‘vorm en vent’ en zelfs niet tussen ‘goed en slecht’, maar tussen dichters met een korte golflengte, en dichters met een lange. Tonnus Oosterhoff reken ik tot de dichters met een korte golflengte. De dichter wiens bundel ik in deze recensie (is het nog wel een recensie?) wil bespreken reken ik tot de dichters met een lange golflengte: Serge Delaive.
Serge Delaive is, zoals de achterflap van zijn nieuwe bundel Meridianen van de doling vermeldt, een Luiks dichter, romancier en fotograaf. Hij publiceerde tot op heden meer dan twintig werken in alle literaire genres, waaronder 4 romans en 13 dichtbundels. Zijn nieuwe roman Nocéan, poëtisch mozaïek van een onmogelijke liefde, verscheen in 2016 bij de Brusselse uitgeverij Maelström.
Normaal gesproken sla ik de info op de achterflap van een bundel liefst zo snel mogelijk over (ik wil me door die verkooppraatjes niks laten wijsmaken). De geïnteresseerde lezer kan het trouwens zelf allemaal terugvinden: ook in deze bundel, die ‘een onbestendige cartografie, een neerslag van een jaar uit een dichterleven’ wil zijn, zoals de achterflap verder vertelt. Maar nu maak ik een uitzondering omdat eruit blijkt dat Delaive ook (en misschien zelfs in de eerste plaats) een romancier is, en dus niet alleen ervaring heeft met poëzie. Aha, hoor ik iemand denken: dus die tweedeling van een korte en een lange golflengte is op niets anders gebaseerd dan de oude controverse tussen poëzie en proza!
Ja, zou kunnen. Maar toch niet helemaal. Ik kom hier later op terug. Eerst een voorbeeld van een gedicht van Delaive:

Onze schaduw

De lage zon zweeft op onze schouders
aan het eind van een leeg strand zeg je ‘kom’
en neem je mijn hand tussen je vingers
we zien onze lange schaduw snellen en
zweten hij holt voor het volle licht uit
wanneer we buiten adem neerstorten
in de rollende neergestorte golven
in het tegenlicht strooit je gebalde vuist het zand uit
de korrels stromen tussen je zandlopervingers
je zegt ‘haast je weldra is de tijd
over onze gestorven schaduw gerold
en vergat je alweer van mijn ontwrichte
in profiel gelegde lijf te genieten’
terwijl je praat blinken mijn ogen
ik luister en trek aan de draad die leidt
naar je zo ongehoorzame vliegerende lijf.

(51°51’39’’N, 4°03’25”E)

Onder elk gedicht in de bundel staan de coördinaten waar het tot stand kwam (in dit geval dus ergens in Engeland). Maar dit is geen absoluut gegeven (verzekert ons het voorwoord), want er worden ook plaatsen beschreven waar Delaive alleen in zijn verbeelding is geweest (niets bijzonders bij een doling, denk ik).

Het gedicht zelf behoeft niet veel uitleg. Een eigenschap van dichters die met een lange golflengte dichten: je denkt vaak dat je ze bij eerste lezing al begrijpt. Maar dit terzijde. Ik haal dit gedicht (in de vertaling van Katelijne De Vuyst, zoals alle gedichten van de bundel) niet alleen aan als een voorbeeld van de stijl van Delaive, maar ook om de term ‘zandlopervingers’. Net als ‘verschrikvolkelijke’ of ‘globomspannende’ ook een onbestaand woord. Maar wat een verschil! Men zou er haast overheen lezen, zo natuurlijk als dit woord komt aanwaaien. De oorzaak is – meer dan waarschijnlijk – te danken aan het feit dat het ‘onbestaande’ woord van Delaive (of zijn vertaler) simpelweg is samengesteld uit twee al bestaande woorden, terwijl bij Tonnus Oosterhoff de ‘onbestaande’ woorden een ingewikkelder indruk maken. Oosterhoff gebruikt een ander soort taal, die om meer aandacht vraagt. Een taal die we langzamer en preciezer moeten lezen dan we normaliter gewend zijn. Alsof de contouren van zijn poëzie, die zich zeer scherp aftekenen, vooral bepaald worden door kleine details (op letterniveau).
Hoe anders is dat bij Serge Delaive! Romanschrijver van nature, kunnen zijn contouren nooit haarscherp zijn. Zijn poëzie moet stromen: ‘bewegen om stil te staan’, zoals hij het zelf zegt. Geheel in lijn daarmee gebruikt hij ook zo weinig mogelijk leestekens. Die zouden de lezer immers alleen maar ophouden. Ja, zijn lezers mogen eigenlijk nooit stilstaan, want dat zou hetzelfde effect opleveren als het stilzetten van een film: een onscherp beeld; een beeld dat minder nauwkeurig, en met een grovere golflengte tot stand lijkt gekomen.
Een tamelijk paradoxaal plaatje, wat deze vergelijking oplevert: Delaive, die naast zijn literaire bezigheden ook nog actief is als fotograaf, lijkt in zijn taalgebruik op een filmmaker; en Tonnus Oosterhoff, die op het computerscherm ‘woorden liet bewegen’, blijkt in zijn poëzie toch meer overeenkomst te vertonen met een fotograaf…

Nogmaals: het gaat hier niet om een waardeoordeel. Enkel om een verschil met consequenties voor de inhoud van een tekst, die er nog altijd óók moet zijn (al willen enkele lieden dat ontkennen). Sommige zaken laten zich nu eenmaal beter afbakenen dan andere. Ik citeer nog één gedicht van Delaive om e.e.a. toe te lichten:

Episch

De blinde Homerus had alles gezien
de bard dichtte in een taal
allegorische bron van de gulden
keten die geen einde kent
wat miljarden mensen als Odysseus
moeten verdragen tijdens hun arme
en verheven schier dagelijkse epen
initiële maar al met al niet zo
romaneske avonturen van ons leren
wij die onze penelope’s moe zijn
gebruiken de uitvlucht van de zee
en zeilen op haar omschrijvend schuim
om zeven jaar bij kalypso’s te schuilen
bij kirke’s rijk aan toverlisten
bij nausikaä’s ontzet door onze wanstaltigheid
of sirenen die onze zinnenlust kastijden
voor we beduusd in de spinnenarmen belanden
op het eiland van een gestage weefster
die ons vergeeft en opneemt
in de stugge stof van haar weefsel
tenzij een onderschepte sms of mail
ons wegstuurt eenzaam en verlaten
smachtend naar ongewisse afrodite’s
op amper mythologische kusten.

(36°44’57”N, 24°25’13”E)

Dit is het gedicht van een doler. Delaive identificeert zich met Odysseus, die andere doler, die zo lang van huis zich door geen enkel ding liet tegenhouden om toch weer thuis te komen. En dit brengt me op de lange en korte golven terug: van lange golven is bekend dat ze zich niet door obstakels laten tegenhouden. Ze buigen overal omheen. Een goed voorbeeld zijn geluidsgolven die achter een gebouw of muur toch nog te horen zijn. Geluidsgolven zijn veel langer dan lichtgolven. Een muur maakt een duidelijke schaduw en houdt licht tegen, maar geluid meestal niet. En zo is het ook met de dichter-doler Delaive: obstakels houden hem niet tegen. Precies waarom hij ook altijd een doler zal zijn! Zijn vele vrouwen kunnen hem niet blijvend vasthouden, want het zit in zijn natuur, en in die van zijn gedichten, om te bewegen, te reizen.
Vanzelfsprekend zijn mensen geen golven, maar er is iets in hun manier van benaderen van dingen, in de manier waarop hun aandacht werkt, dat golfeigenschappen lijkt te hebben.
En met diezelfde aandacht worden gedichten geschreven, die met een korte golf-, of met een lange golf-aandacht geconcipieerd lijken te zijn. Niet zo zwart-wit natuurlijk, maar met de klemtoon op één van beide. En in dit verband durf ik te beweren dat Tonnus Oosterhoff van nature géén doler of reiziger is. Wat toevallig door zijn poëzie bevestigd wordt, want hij blijft al schrijvend vaak ‘dichter’ bij zichzelf (zijn huis, zijn lichaam).

Blijft over het geheim van Penelope. De enige vrouw die de doler Odysseus echt aan de haak heeft weten te slaan (en die dus in zekere zin als een onneembaar obstakel is op te vatten). Delaive heeft het in zijn gedicht over ‘de stugge stof van haar weefsel’ (karakteristiek voor hem: dolers waarderen het niet als de stof te stug is, waarin ze worden opgenomen). Stugge weefsels zijn niet soepel, ze hebben iets weerbarstigs. Net als weerbarstige taal. Taal, zoals die wordt geschreven door Tonnus Oosterhoff en enkele andere (spinnende) dichters, die een ‘dolende lezer’ willen vasthouden. Maar er moet een evenwicht zijn. Een goed gedicht is geen glijbaan, en ook geen puzzel (want anders is er zelfs geen sms of mail meer nodig om onze aandacht weg te sturen). Kunst: was dat niet iets wat onze dolende aandacht vasthoudt?

Ik kijk naar de foto op het omslag van Meridianen van de doling. Een foto die door Serge Delaive zelf gemaakt is. Hij is erop te zien, of liever: zijn schaduw is erop te zien, vermoedelijk terwijl hij een camera vasthoudt. Maar het beeld is niet helemaal scherp. Wazige contouren laten het nodige te wensen over en doen vermoeden, vermoeden wat zijn poëzie me ook vermoeden deed: dat er een hand is die dit deed, dit maakte, en me mee laat tasten in het schemerduister dat geen obstakel kent.

Recensie van Vanwaar kom je beeld - Dimitri Casteleyn

Pan’s paradox

Dimitri Casteleyn
Vanwaar kom je beeld
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056550769
€ 19,90
64 blz.

In de Griekse mythologie verdragen diepzinnigheid en erotiek elkaar goed. De Belgische dichter Dimitri Casteleyn bevestigt dit maar weer eens in zijn bundel Vanwaar kom je beeld. Ik citeer hier het eerste gedicht uit een reeks met de naam Hooghout:

Pan

Zo onbereikbaar als jij bent voor mij,
als ik ben voor jou, zo onbereikbaar
is de lieve nimf Syrinx voor Sater Pan,
de lelijke Sater Pan.

Vluchten kan niet meer, en toch,
onkuisheid trouw veranderen water-
zusters haar in moedig moerasriet
verander jij in jezelf, ik in mezelf.

Het klagen was voor daarna, in het lenig
wuivende riet, riet dat dient om een fluit
van te maken. Niet zomaar een fluit van niets,
maar een rietfluit klagelijk zacht, met licht
frivole wijsjes op Pans fluit.

Zolang we iemand niet goed kennen kunnen we de meest fantastische ideeën over die persoon koesteren. We maken als het ware een gedroomde versie van die persoon. Maar door onze ervaring worden we genoodzaakt die droom bij te stellen. Onherroepelijk neemt wat we ‘realiteit’ noemen het over. Een realiteit die doet beseffen dat Syrinx altijd al moerasriet is geweest? Ja, misschien was Syrinx wel een droom van Pan, die uiteindelijk letterlijk naar zijn liefde kan fluiten! Pikant is dan nog dat het mannelijk geslachtsorgaan ook wel een fluit wordt genoemd en frivole wijsjes bijna als frivole meisjes klinkt.
‘Onkuisheid trouw’ is een leuke en paradoxale woordcombinatie, die een sleutelpositie inneemt in dit gedicht. Ervaring (onkuisheid) maakt ons wijzer, maar ondermijnt het droombeeld dat we hadden. De ‘gedroomde ander’ blijkt onbereikbaar en maakt plaats voor een meer ‘realistische ander’, waarvan we dus in zekere zin kunnen zeggen dat die ’in zichzelf verandert’.
Daarna is het klagen. Klagen omdat het allemaal niet is zoals we dachten. Klagen met een Panfluit, die de herinnering aan Syrinx – die vluchtige droom – levend houdt.

Is dit een plausibele interpretatie van het gedicht? Misschien. Opmerkelijk is in elk geval dat de onbereikbaarheid waarvan in de eerste regel gesproken wordt iets onvermijdelijks en definitiefs heeft. Een effect dat door de melancholieke laatste strofe nog wordt versterkt. Syrinx is zowel vóór als ná de verandering onbereikbaar voor Pan. Ervóór omdat een droombeeld nooit goed aansluit bij de werkelijkheid, erná omdat iemand, door geheel zichzelf te worden, zichzelf in feite incompatible maakt.

Dat laatste moet ik uitleggen. Contact bestaat bij de gratie van gemeenplaatsen, van iets dat we met anderen delen. Maar daarvoor betalen we een prijs. De gemeenplaats die (bijvoorbeeld) het woord is, heeft nooit betrekking op één ding en stuurt ons het bos in (één bepaalde berk staat altijd onvindbaar in een berkenbos). Ons voorstellingsvermogen geeft ons wel het gevoel dat we weten om welke boom het gaat, maar dat is bedrog (en dus een kwestie van dromen). Bij iemand die in zichzelf is veranderd hoeven we helemaal niet (meer) te dromen. Die is herkenbaar en zelfs uniek in al de facetten van zijn herkenbaarheid. Maar ook daar betalen we een prijs voor: de compleet ‘andere’ ander sluit op geen enkele manier meer bij ons aan en is daardoor al net zo onbereikbaar als zijn gedroomde counterpart! Om bij elkaar te passen en te kunnen samenleven moeten we schipperen. Contact lijkt een kwestie van balans, van een optimum zoeken in een labiele situatie.

Een parallel van dit probleem bestaat in de kwantummechanica. Daar vertellen ons de onzekerheidsrelaties dat wanneer de snelheid van een deeltje bekend is, we de plaats niet weten; dat wanneer de plaats bekend is, we de snelheid niet weten (beide uitslagen even onbevredigend). Pan lost het probleem op door van het plaatsgebonden riet een rietfluit te maken die opnieuw vluchtig doet dromen met licht frivole wijsjes.

Er lijkt overigens niets aan te doen dat iemand langzaam ‘in zichzelf verandert’, zoals de dichter dat zo cryptisch zegt. Iemand wordt noodzakelijkerwijs steeds meer zichzelf doordat hij wordt ervaren (door zichzelf en anderen) en doordat de gedroomde tijd die we de toekomst noemen steeds korter wordt. We zijn voorbestemd onszelf te worden, of we willen of niet! Een vooruitzicht dat door oude mensen beaamd lijkt te worden. Ouderen zijn immers vaak erg zichzelf (en óp zichzelf).

Terug naar Dimitri Casteleyn. Leunend op de mythen boeit hij, maar vormtechnisch vind ik het geciteerde gedicht niet zo sterk. Vorm is m.i. meer dan het afbakenen van een alinea met lege regels. Casteleyn doet wat zoveel dichters vandaag de dag doen: gewoon de regels afbreken waar het hem uitkomt. Misschien is het in dit verband aardig om eens te vertellen hoe een vriend van mij gedichten leest. Hij plakt alle regels achter elkaar tot ze de volle breedte van een pagina vullen als een prozatekst en begint dan pas met lezen. Heel veel neppoëzie valt zo door de mand (zegt hij). Heeft hij een punt? Ik moet erbij zeggen dat diezelfde vriend ook regelmatig tv kijkt en dan het geluid uit zet.

Op zoek naar nieuwe invalshoeken is dit gedicht uit de reeks Dozijn wellicht informatief:

11

De maanden zijn donker, de zeden zacht
buiten zegt de natuur koud

nat, drassig, kaal
vallen, sterven, plaats maken

onze blikken ontmoeten mekaar
in de cocon van ons gezin

jij licht op, veert op, verzet je,
bent op zoek naar wie je bent
meer dan naar wie je wordt

De dichter houdt er blijkbaar van om in reeksen te schrijven. Mij spreekt dat niet zo aan. Ik bekijk ieder gedicht liever op zichzelf. Apart aan deze reeks van twaalf is dan weer wel dat de reeks met gedicht nummer 9 begint en met gedicht nummer 8 ophoudt (om het cyclische van ons bestaan te benadrukken?). Wat me in dit gedicht vooral intrigeert is de laatste strofe, die misschien het credo van deze hele bundel weergeeft. Na wat regels die het pessimisme van het eerder geciteerde gedicht Pan weer oppakken door het overduidelijk te maken dat wie je wordt ook niet alles is (met dat ‘vallen, sterven, plaats maken’), lijkt het zeker niet onzinnig om méér op zoek te zijn naar wie je bent dan naar wie je wordt. Maar levert deze logica geen schijnvoordeel op? Ik bedoel: kan je erachter komen wie je bent zonder te veranderen in iemand anders (iemand anders die dan natuurlijk is wie je wordt)? Uit de kwantummechanica is bekend dat de waarneming van iets dat iets beïnvloedt. Beïnvloedt de waarneming van onszelf ons ook? Het lijkt erop. We weten pas wie we zijn als we het niet meer zijn en iemand anders zijn geworden! Men zou zelfs staande kunnen houden dat ‘leven’ precies dát is: erachter komen wie je bent (letterlijk: in de tijd áchter wie je bent komen).

Die klemtoon op wie je bent (op je zichtbare, aanwezige ‘zijn’) komt vaker voor in deze bundel. Een voorbeeld is de laatste strofe van het gedicht Bevrijding (ook eentje uit een reeks):

De taoïste moet opgemerkt hebben
dat het me zichtbaar plezier deed
en lachte naar mij.

Ik had, terwijl ik dit las, de neiging om ‘zichtbaar’ te schrappen. De taoïste kan toch niet iets opmerken dat niet zichtbaar is, dus waarom dat nog extra zeggen? Het plezier, dat hier ‘twee keer’ benadrukt wordt, geeft me (vanuit een esthetisch oogpunt) geen dubbel plezier. Maar bij nader inzien twijfel ik toch. De klemtoon op het bewuste ogenblik wordt er wel door versterkt. Met andere woorden: Casteleyn benadrukt weer het ‘zijn’. Leuk is dan ook nog dat van de grootste taoïst van allemaal, Lao Tse, de volgende spreuk bekend is: zij die weten spreken niet; en zij die spreken weten niet (wat een analogie is van de onzekerheidsrelaties).
In één gedicht weet Casteleyn de balans tussen zijn en worden (bijna) perfect te vangen. Ik vind dit gedicht het mooiste van de bundel en het staat niet eens in een reeks:

Zondags trio

Een zondagse fietser,
een kind spelend met een rups
en de man van één straat verder.

De fietser blijft fietsen,
het kind spelen met de vlinder
de man de man.
Maar altijd verder weg
altijd minder zondag.

De zondagse fietser blijft een fietser, maar steeds minder zondags. Het kind speelt met een rups die ook een vlinder is. We blijven onszelf en tegelijk ook niet onszelf: de grote paradox van ons bestaan.

***
Dimitri Casteleyn (1966) is schrijver, dichter, televisiemaker en theaterdirecteur. Zijn eerste bundel, Omgekeerd, verscheen in 2005. Daarnaast schreef hij twee romans en een verhalenbundel.

Recensie van Eistijden - Geert Viaene

Het geheim van de witregels

Geert Viaene
Eistijden
Uitgever: Uitgeverij P
2016
ISBN 9789492339201
€ 18
96 blz.

Geert Viaene (1963) won in 2015 met zijn gedicht ‘En dan is alles anders’ de tweede plaats in de bekende Turingwedstrijd. In 2016 kwam zijn bundel Eistijden uit, waarin beslist meer gedichten staan die de moeite waard zijn dan dat ene, aan de hand waarvan ik meende zijn – niet per se Vlaams aandoende – poëzie te kunnen bespreken. Maar ik vrees dat het mislukt is. Hoe kon ik ook denken dat één gedicht als een fractal de hele handtekening van een schrijver kan bevatten! Stom natuurlijk. Niettemin: het kwaad was al geschied. Mijn eerste indruk was gevormd; en die laat zich geen twee keer vormen. Ik moet u verwijzen naar de bundel om meer te lezen. Mijn poging tot een recensie wil ik u echter niet onthouden. Die ging als volgt (voorafgegaan door een ietwat Kuifje-achtige titel):

HET GEHEIM VAN DE WITREGELS

Geert Viaene is een prettige dichter. Je denkt als lezer meestal dat je hem begrijpt en dat geeft zelfvertrouwen. Maar dan lees je nog eens en dan wordt het lastig. Er is iets weerbarstigs, dat zich weigert over te geven aan de gemakzucht van een vanzelfsprekende interpretatie. Something rotten in our state of mind? Misschien… Moeilijk te zeggen, maar gelukkig zijn daar nog de witregels om naartoe te vluchten:

IN DE WITREGELS

is er eerder iets dan niets. Daarom
zwijgen wij er op los. Ik onderbreek

jou nu niet meer, mama, spreek op.
Doe gewoon alsof je ergens anders

bent en dat je mij vergeet, dat je mij
vergat begrijp ik, want jij denkt dat ik

nog steeds jouw kleine jongen ben.
Jij bent even oud als toen de aarde

onder mij verdween. Ik wist, jij blijft
niet in die houten kist. Kwinkslagen

in jouw woordenschat heb jij in mij
geweven. Jij krikt mij op. Jij zweeg.

Zoals er leven vóór de dood is, zo is er ook in de witregels eerder iets dan niets. Een fraaie logica waarmee het mogelijk blijkt – in dit gedicht althans – de doden te laten spreken. Maar dat is niet meteen duidelijk. Aanvankelijk kan een lezer nog denken dat het om een levende moeder gaat. De dichter houdt de spanning erin. Pas bij de zin ‘Jij bent even oud als toen de aarde onder mij verdween’, wordt het menens. En de zin daarna laat er ook geen misverstand over bestaan. Of toch? Ik kom op deze kwestie nog terug.

‘Ik onderbreek jou nu niet meer, mama, spreek op’, schrijft de dichter. Dat lijkt even een heel gewone zin, maar blijkt na het lezen van de rest van het gedicht paradoxaal. Want hoe kan een dode onderbroken worden? Door hem tot leven te wekken misschien? Inderdaad gebeurt dat bijna. ‘Spreek op’ klinkt in zijn aanmoedigende toon haast als een gebiedend ‘sta op’. Een uitspraak die aan het verhaal van Lazarus doet denken.
De ik-persoon maant zijn moeder verder ‘gewoon te doen alsof ze ergens anders is’. Ergens anders ook in de betekenis van ‘anders zijn’ en ‘niet nergens’ zijn. Het grappige van deze zin is dat hij zowel waar als onwaar is. Overdrachtelijk gesproken hoeft de moeder niet eens te doen alsof ze ergens anders is, want dat is ze al (nl. in het fictieve land van de doden). Maar letterlijk bestaat ze niet meer: is ze feitelijk nergens. Dat maakt deze schijnbaar eenvoudige taal verwarrend. Heden en verleden, en bijna alles in dit gedicht loopt door elkaar en de dichter – zoals altijd – speelt zijn kostelijk spel met woorden ten koste van de oriëntatie van de lezer.
Ook de regel die het ‘dood-zijn’ van de moeder ‘onomstotelijk’ zou bevestigen (omdat op het moment dat de aarde onder de voeten van de ik-figuur verdwijnt haar leeftijd voor altijd wordt vastgelegd) blijkt uiteindelijk ambivalent. De aarde verdwijnt ook onder ons als we in een opstijgend vliegtuig zitten en daar zit (meestal gelukkig) helemaal niets dramatisch in. Hoe hoger iemand komt hoe meer de aarde onder hem verdwijnt. Misschien bereidt de dichter met deze beschrijving van een soort ‘hemelvaart’ de laatste regel voor, waarin de ik-persoon wordt ‘opgekrikt’ (omdat zij zweeg).
Om te begrijpen hoe zwijgen iemand kan opkrikken moeten we bedenken dat hoog en laag relatieve begrippen zijn, net als groot en klein. Wie zwijgt maakt zichzelf in zekere zin kleiner (lager), minder belangrijk, en geeft een ander daarmee de kans belangrijker (hoger), groter te lijken. En dat is ook wat witregels doen: ze staan de lezer toe in het nederige ‘niets’ van hun leegte ‘iets’ te lezen; iets misschien wel van hemzelf! En wat is bevredigender dan dat? Een lezer die een beetje het gevoel krijgt zelf aan het woord te mogen komen voelt zich uiteindelijk meer serieus genomen, toch? Zo zwijgt een dichter wat doodgezwegen in ons leeft eruit! Alle geschreven en ongeschreven wereldliteratuur! Nu ja, terug naar het gedicht. Wanneer de dichter het over de kwinkslagen in de woordenschat van zijn moeder heeft weet hij dat hij ze (alleen al door dat te zeggen) in zijn poëzie weeft. Eén van de mooiste bewaarde hij voor het eind: ‘Jij zweeg.’ Een geweldige vondst! De moeder liet haar zoon ooit uitspreken: ze zweeg; ze zweeg ook op het moment dat ze stierf; maar nu, door de verleden tijd van een woord, zwijgt ze in dit gedicht niet meer. 

Recensie van Radeloos en betoverd - Pat Donnez

Licht en ontnuchterend

Pat Donnez
Radeloos en betoverd
Uitgever: Vrijdag
2016
ISBN 9789460014994
€ 22,50
96 blz.

Sommige poëzie behoeft geen introductie en zelfs geen verklarende noten. Radeloos en betoverd van Pat Donnez bijvoorbeeld:

Marx had gelijk

Een geschiedenis voltrekt zich altijd in twee fases:
eerst als tragedie vervolgens als farce
Herinner je je nog hoe je me dumpte?
Alleen de hoogste brug in het dorp
vond ik hoog genoeg om vanaf te springen
Een kwarteeuw later glijdt een bootje
waarin wij zitten onder diezelfde brug door
Ze blijkt zo laag dat we ons godverdomme moeten bukken

En om nog maar een greep te doen uit deze lichtvoetige, misschien wat vooropgezette en geregisseerde verzameling:

Wonden

Vergeet nooit hoe
opwindend je het
vond die keer dat ik
nagenoeg je hele mond
aan stukken beet

Nu noem je het al wreed
als ik nog maar naar je lippen
durf te neigen

De tijd heelt helaas alle monden

Raadselachtig wordt het pas als we het omslag bekijken en achterop het volgende commentaar van Yves T’Sjoen lezen: ‘Radeloos en betoverd is poëzie die naar de keel grijpt. Een taalfeest vol geestige kwinkslagen en diep doordringende ironie, onderhoudend en grappig, onthutsend en terneerdrukkend tegelijkertijd. En het sterkst van al: de gedichten horen onmiskenbaar samen.’

Yves T’Sjoen, hoogleraar moderne Nederlandse literatuur, mag zich verheugen in een hoge status als autoriteit op poëziegebied (hij droeg ook bij aan De Volksverheffing, een bekende poëziebloemlezing), maar of deze uitspraken hem eer aandoen waag ik te betwijfelen. Het is natuurlijk een verschijnsel dat wel vaker is op te merken bij nieuwe uitgaven. En ik begrijp dat men een bundel van een vriend(?) of gewaardeerde collega in de kunst niet wil afkraken, maar toch… Het zou de geloofwaardigheid en de inzichtelijkheid van de kwaliteit van de poëzie ten goede komen als men een beetje zou opletten met wat men beweert. Poëzie die naar de keel grijpt? Onthutsend? Terneerdrukkend? De laatste keer dat ik iets onder ogen kreeg dat aan al die kwalificaties voldoet was jaren geleden toen ik dit las (in de vertaling van Theo Hermans):

Ik zal sterven in Parijs bij striemende regen,
op een dag die ik me nu al herinner.
Ik zal sterven in Parijs – en ik heb geen haast –,
wellicht een donderdag, zoals vandaag, in de herfst.

Een donderdag omdat vandaag, donderdag, terwijl ik
deze regels opschrijf, mijn vingers weerspanniger zijn
dan ooit en ik vandaag, zoals nog nooit voordien,
omkijk en mijzelf met heel mijn weg alleen vind.

(…)

Een fragment uit het gedicht Zwarte steen op een witte steen van César Vallejo dat wat mij betreft afrekent met alle kletskoek op de achterflap van ‘Radeloos en betoverd’.
Wat zijn dan wél kwalificaties die opgaan voor de poëzie van Pat Donnez? Hij noemt zelf o.a. J.C. Bloem, Walt Whitman en Dylan Thomas als ‘collega’s’, en hoewel ik het hem gun om met hen vergeleken te kunnen worden denk ik dat ook die dichters (om verschillende redenen) tot een iets andere sfeer behoren. Nee, dan komt in mijn hoofd eerder nog de naam van Toon Hermans op. Misschien op poëziegebied niet zó een coryfee, maar qua ‘onthutsendheid’, toch dichter (dichter!) tegen deze parmantige epistels aanschurend dan genoemde ‘collega’s’. De teksten van Pat Donnez hebben een zekere ‘lichtheid van Toon’, al beweegt deze gedeeltelijk sterk aan de actualiteit gelinkte poëzie zich inhoudelijk wel op een ander vlak dan die van de oudere radio- en tv-clown:

Ik wil geen woorden worden

Ik wil geen woorden worden
aangerand door calculerende terriërs
om hun stakeholders naar de
holderdebolderbeurs te praten

Ik wil geen woorden worden
onder een met sterren bezaaid
hemelbed of gereciteerd in een minaret

Ik wil geen woorden worden
om te wantrouwen

Ik wil
een deuntje zijn
dat herhaaldelijk kwinkelerend
verdwijnt

Ik wil mij wegtoveren in taal

Een deuntje dat herhaaldelijk kwinkelerend verdwijnt? Dat doet denken aan een echo. Een echo die wegsterft zodra de waan van de dag – de actualiteit – waaraan ze is gelieerd in de annalen is bijgezet. De geest van Toon Hermans is wel helemaal uit de fles in:

Poly-amoureus

De mooie zeemeermin
wou zo graag meerminnen
maar hoe meer ze minde
hoe minder het haar zinde
zonde

Met de groeten aan Yves T’Sjoen natuurlijk.