Gedichten

door Gert Vanlerberghe (1986)

Dichter Gert Vanlerberghe (1986) staat al vijf jaar lang op menig podium in de Lage Landen. Bij de muzikale projecten Hersencellen, Veelvraat en Koala gaan poëzie en muziek hand in hand. Naast zijn romans, zoals Nachtprater (2017), schreef hij ook het theaterstuk Gifkind voor Studio Bernadette. Gert organiseert het Antwerpse podium Ballonnenvrees, en presenteerde de Poëziebus 2017. In januari 2018 staat hij in de halve finale van het NK poetry slam.

 

Hades

Gradaties van verveling
lopen lukraak over straat.
Hoe lang nog voor
een eerste blijk van leven
in comateuze ogen.
Hoe lang nog dolen
in deze krimpende biotoop.
Het water dient ververst,
de groeven gladgestreken.
Een simulatie van een simulatie,
het dagelijkse decor
waar onze passies beteugeld,
                      onze lusten genormaliseerd,
                                onze fetisjen gedemoniseerd.

Ze ziet een grote witte hengst in de gang,
en hij spookt als een demon achter het behang.
Een uil woont in zijn romp,
zijn ribbenkast een kooi.
Weefsel houdt hem op zijn plaats,
onderhuids zeewier in plaats van veren.
Hou hem tegen. Hij haalt het bloed
en de clous onder onze nagels vandaan.
Hij huilt naar een kazige maan
en verloochent elk bestaan
dat leugenaars bijeen hebben geschraapt.
Maakt dat hem zuiver op de graat?
We moeten wandelen met dinosaurussen
en zwemmen met de leviathan.
We zijn strijders zonder maagden,
we spijzen zonder magen,
vergrijzen in een kamer
waar de tijd ons vastgenageld.
Leven op de pof,
beven met de knieën in het stof,
streven naar een alomvattend
schema als een kader voor de regels
bij elkaar gefantaseerd
door een fantast die beweert
dat hij het leven heeft verbeterd.

Maar wij, wij vliegen in de drank,
de toog staat ermee blank.
We zwelgen in de nacht
tot onze lever het begeeft.
En elke morgen landt
een arend op onze vensterbank,
plukverse lever in de snavel.
Wij zijn een omgekeerde Prometheus.
Elke ochtend hees van de beloften
die we prevelen tegen ons spiegelbeeld.
We keilen rotsen naar beneden,
geraken van onze wijn niet af.
Een keelgat als een metrotunnel,
dát is onze straf.
En het vat is nooit af.

Stille kreten

Hier houdt zelfs de angst haar adem in.
De straten geplaveid met hun eigen sterftecijfers.
De stad schaamt zich een vooroorlogs gehucht.
Geen levende ziel hier tussen muren die krimpen.
Niemand lijkt thuis, ook niet op straat.
Een afwezigheid met de geldingsdrang van een bonzend hart,
de contouren van waar net nog een lijk lag.
Pendeldienst naar het kerkhof, waar kraaien
krijtlijntjes in onze ziel krassen. Adem stokt empathisch,
solidair met het magnetisch veld van afgesneden
praatjes onder onze voeten. Al die open eindes,
daar waar het leven zich er rap vanaf heeft gemaakt.
Half afgewerkte verhalen liggen hier voor het opgraven.
Propjes van levens die nooit nog gladgestreken
maar prominent een plek in de prullenmand innemen.
Ronde stenen van betekenis die langzaam eroderen.
Zolang wij ze vergeten zal dit fenomeen enkel toenemen.
Gekiste stille kreten.

Berichtgeving

Sommige waarheden komen van zo
diep dat je ze enkel kunt hoesten.
Ver vanuit de bast, de holle put betraliest
door ribben die bij de minste trilling breken.
Dit is geen hart dat gelucht, dit is de ziel uitkotsen,
dossiers en blauwdrukken, levenslopen verbonden
door aders en draden, convergerende verhalen.

Geef me een lepel en ik schraap de nuance van het
achterste van mijn tong, daar waar smaak zich niet waagt,
en katapulteer het in uw verbijsterde gezichten.
Zit er nog iets tussen mijn tanden?
Heb ik iets van u aan of heb ik mezelf
zonet zomaar even averechts gebraakt?
Zit mijn façade nu diep in mij verscholen, en kan enkel
een zielenknijper tot bij mijn uiterlijke schijn?

Een flinke hoestbui en alweer wat betekenis gelekt.
Als klokkenluider reis ik naar het middelpunt
van de waarheid, tot aan de nek in de lava,
een strijd tegen draken, met de hoop om af te varen
in de bloedsomloop, flarden op pad naar het brein,
van een taal die verdwijnt, een schimmenspel
van visies en kanten en water en wijn.

De dronken dans relativeert zichzelf te pletter
in het aanzien van twijfels die knagen en vreten en bijten,
een waarheid met diplomatie besmet, te beleefd en te bedeesd
om de straten met kraters te slaan, een wereld die beeft
op haar grondvesten, ontdaan van verklaringen, onwetend,
in de war, met gewiste hersenlagen, als na een coma.

Nee, niets daarvan. De diepgewortelde leugen
heeft zich goed ingedekt, tot in het beenmerg verzekerd
tegen doofpotten die overkoken, rook waar ook vuur is,
complotten die ontpoppen tot feiten. Zot zijn doet geen zeer.
Maar nog zo’n hoestbui en je wordt gehospitaliseerd.
Dingen zien die er niet zijn, daar hebben ze pilletjes tegen.