Gedichten

door Geert Viaene (1963), Liesbeth Aerts (1970), Anne Cockaerts (1962)
En nog een selectie uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Geert Viaene (1963)

EEN ONMOGELIJK MEISJE

het kan dat ik een meisje ben
dat mijn hand weet hoe het is
vlot bh-sluitingen los te krijgen

in het halfdonker

draai ik me om met mijn rug
naar de spiegel, je leest niet
dat er staat: hoe het kan dat

ik een meisje ben

je gelooft het op dit moment
nog niet tot je mijn billen ziet
ik trek een nachtzwarte riem

van mijn jarretels

aan en ik plooi mijn knieën
op een vrouwelijke manier
ik heb het nergens geleerd

kon het al als kind

ik ben een meisje, het kan
dat ik een mannenmasker
draag, dat ik een man ben,

meisjes niet bestaan 

Liesbeth Aerts (1970)

Het meisje verkent het water, tast de oever af
en verbergt wat ze vindt onder haar trui:
glazen flesje, vergeeld stuk papier. Pas gevonden schatten
die ze voorzichtig draagt en die haar vormgeven.

Ze plaatst onderzoekend voeten als stelten in de modder,
bukt zich met een hoge knik vanuit haar lenden,
op zoek naar schittering.

Dromen onhandig onder oksels geklemd
gaat ze op pad, meet spelend ruimte,
wentelt kort weg dan weer terug, zon
als om dag en nacht ineen te knijpen
tot tijd rechtop staat.

Er huizen parels in haar mond.
Daar kunnen ze groeien.

Anne Cockaerts (1962)

wij gaven de zee weg aan de hoogste bieder
lang voor jullie hier waren, pas veel later groeiden straten
verkreukelde een fiets in de haag, slotvast

van ons was dan al lang geen sprake meer
het glas licht op bij stille verhalen
de klinkers herkenbaar afgebeten

in de polder stotteren wilgen met wat rest van onze taal
ooit komt alles goed ongemerkt komt alles goed
zei jij veel te vaak, het fietssleuteltje in je hand

Gedichten

door Geert Viaene (1963)

Mijn papa was een boom

Voor V.

Ik was zijn kleine meisje op foto’s in de truck.
We klommen samen tot de hoogste kruinen.

Met zijn blote handen bouwde hij mijn droom-
hut waar ik nu alleen zit met een scherpe bijl

waarmee ik wild in het rond hak in de takken,
door de schors, in de knobbels van de boom. 

Papa is het hoekje om, uit de bocht gegaan.
Ik draag zijn veel te grote, rode hemden nog.

omdat het moet

omdat het jou vertroebelt

omdat het jou verontrust

omdat het in de weg zit

omdat het uitzondert

omdat het nooit af is

omdat het afbreekt

omdat het wringt

omdat het ooit

omdat het stoort

omdat het los wrikt

omdat het er uit moet

omdat het in je vel snijdt

omdat het jou verscheurt

omdat het naar de keel grijpt

omdat het iets teweeg brengt

wij proberen van in het begin

aandachtig de vale kleuren
die beklijven in de nacht

na te kijken en dit heelt

weduwen, weduwnaars
iedereen die achterblijft

tussen gedempte klanken

wij tasten de tonen af
die nooit overheersen

het laatste blad dwarrelt

naar beneden, ritselt
aan de zijden draad
 
wij zetten een trage dans in

de benen aarzelen
tevergeefs strekken

de bomen hun takken

wij schuren langs de schors
de stem die overslaat vertelt

wat is geweest, vervreemdt

zich van ons eigenzinnig zelf
terwijl de vleugels open staan

vliegen wij met ons hoofd
in het zopas gerooide bos

tegen wat verwijlt in zwijgen

Gedichten

door Maria van Oorsouw (1948), Alexander Peters (1959), Geert Viaene (1963), Jacobus Bos (1943)

Maria van Oorsouw (1948)

Poëzie is de verbinding tussen mij en de buitenwereld. Inspiratie is de niet aflatende verbazing en verwondering om alles op de wereld om me heen. Daar doorheen loop ik en leef ik.

Dipsaus

Het lijkt zo eenvoudig
gewoon een rugzakje terugvinden
van lang geleden
een flesje vullen met water

met het flesje en de rugzak
fietsen naar zee
lopen door golven
als tranen zo zout
proef maar

het waren Nivea-dagen
iets liet zich zweven in de wind
je dreef op een oude binnenband

en je had van die zakjes met poeder
in flauw roze geelgroene bruinige kleuren
die je mengde met water

klaar was je dipsaus
het smaakte nergens naar.

Alexander Peters (1959)

Poëzie is mijn leven. Ik ga ermee slapen en sta ermee op. Het geeft invulling aan een anders klinisch leven waarin dan alleen mijn ziekte centraal zou staan. Daar pas ik voor.

Jas

De dag doet een jas van tranen aan
ze knippert wat met haar ogen
laat het zonlicht niet toe
kijkt uit op het nietig bestaan

zij zeult de tijd met zich mee
telt de seconden
laat de uren slaan
de dag heeft een jas van tranen aan.

Geert Viaene (1963)

Poëzie is ademen.

Zij ziet de bui hangen

In de verte zwellen de wolken.
Zij zeilen langzaam dichterbij.

Tussen de man en het meisje
in is het gras plat. De bliksem

treft zijn stem, de vogel schrikt
op van de draad, langs een lek

druppelt het licht naar binnen.
Leonard zingt slaapdronken

in zijn Midnight Choir.

Geduldig wacht het meisje af
tot hij recht staat om de stad

in te nemen, steen voor steen.
En iedereen weet dat zij graag

samen het spraakwater delen,
eindeloos walsen in de haard

van de orkaan, hoe zij wacht
tot de dominosteen wankelt.

Jacobus Bos (1943)

Poëzie is mijn leven.

Le peintre (Jean Le Gac)

Een goede schilder schildert niet.
Hij zet zijn ezel bij de bosrand neer.
De camera dicht langs de watermolen
met zijn driepoot van oud geloogd hout
op een plateautje van stenen en mos.

Stapt met zijn eigen toestel zoekend rond
tot hij zowel de camera als de ezel
in één zorgvuldig beeld heeft vastgelegd.
De foto uiteindelijk zo groezelig zwartwit
dat het de plaats van een misdaad lijkt.

Het waterrad schept met veel geklater
het water van hoog naar laag
waar het weer vrolijk verder stroomt.
Een man met een kano ondersteboven
over zijn hoofd loopt de camera omver.

Struikelt en duikelt met kano en al
in het woelige water met zijn hoofd
door de bodem om zo geleidelijk uit
uit het oog te verdwijnen terwijl de schilder
hem vloekend volgt met zijn blik.