Gedichten

Uit de gedichten die werden ingezonden voor de Meander Dichtersprijs 2017.

Rik sprenkels (1988)

Au pair

Ik draag een oneven aantal dienbladen naar buiten.
Ze druipen noodlottig
dwars door het grint.
Een regenworm boogiewoogiet
onder mijn laarzen.

Er groeien littekens in de tuin
op plaatsen waar ik ooit een steen brak,
of in het raam verdween.

Kortom, genoeg om over naar huis te schrijven.
Maar de vader vindt schrijven niks voor vrouwen.
Als ik voorbij loop, lijmt hij
enveloppen en ongepaste momenten.
Ik weet me met zijn tong geen raad.

’s Avonds verstop ik een
klavertje vier in mijn slip.
Ik wacht tot de kansen keren.

Willem Tjebbe Oostenbrink (1963)

Mama

Ik moet beter luisteren
vaak luister ik ook goed
naar een stemmetje in mijn hoofd.
Ik doe dan iets wat niet mag
dat komt omdat ik me verveel.
Knoeien is een afgeleide van verveling
dan wordt het een bende.

Papa en mama houden niet van bende
Papa houdt van grapjes.
Weet je wat het meervoud is van kan?
Kans, zegt papa.
Ik heb ook een grapje bedacht.
In Zuid-Afrika woont een mevrouw die Grapjas heet
en weet jij hoe haar voornamen zijn?
Hinke Hendrika
Ha Ha.

Mama kan andere dingen
soms maakt ze zelf zorgen
ze kan ook heel goed naaien.
Mama kan van een speld een hooiberg maken.

Mirjam van Teeseling (1964)

Interview

Wat heb ik met u te doen en
doen wij dat inderdaad?
Of zijn wij afgeleid
wat leidt ons dan en stemmen
wij daarmee in op elk
niveau van ons of is
er ergens onmin? Wie
trekt er dan (waarom wanneer)
aan het langste eind
met welke kracht, mandaat, valt dat
nog onder de vrije wil
of begint daar ontoerekeningsvatbaarheid? Bevindt
u zich in mijn blinde vlek, bent u tot mij gekomen
via mijn dode hoek en dringt u in mij door
waar ik een gebroken spiegel ben
u eindeloos weerkaatsend, kan ik mij daarom
niet van u ontdoen? Of zag ik u meteen
van aangezicht tot aangezicht maar ben ik dat daarna
weer grotendeels vergeten en raakte zo in deze
hulpeloze staat – ik weet niet wat de vragen
zijn om u te stellen
wat zou u willen
dat u wordt gevraagd?

Recensie van Die Vleugels II - Leo Vroman

Ik zie soms dat gesterf al als een lekker meewentelen

Leo Vroman
Die Vleugels II
Uitgever: Querido
2015
ISBN 9789021457949
€ 18,99
240 blz.

Bij het lezen van klassiek geworden poëzie denk ik wel eens aan de versregel ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ van Martinus Nijhoff  ( Awater, 1936). Het is een enigmatische omschrijving van het wezen van de poëzie. Wie Nijhoffs woorden ernstig neemt, vraagt zich onmiddellijk af wat een gedicht wel uitdrukt: staat er meer, staat er minder, en mag men tussen de regels lezen? De woorden doen me overigens denken aan ‘Ceci n’est pas une pipe’ van de Belgische schilder René Magritte. Als de verbeelde of afgebeelde pijp geen pijp is, wat drukt het beeld dan wel uit? Het antwoord is tegelijkertijd eenvoudig en paradoxaal: het beeld verbeeldt een pijp en is tegelijkertijd autoreferentieel. Het verwijst naar de verbeeldingsstrategie van een visueel kunstenaar en naar een voorwerp dat als pijp wordt herkend. Strikt genomen is de geschilderde pijp geen pijp, ze is niet meer dan een vorm op doek. Het is geen vrijblijvend spel, maar wel een spel, zoals gedichten een spel zijn. En als lezer moet je beseffen dat een schilder en een dichter de spelregels bepalen, zoals Wittgenstein terecht heeft opgemerkt. Wie schrijft, bepaalt altijd de taalspelregels, en er zal dus nooit staan wat er staat, en dat geldt ook voor het werk van Leo Vroman.

Ook bij het lezen van gedichten van Leo Vroman (1915-2014) vraag ik me wel eens af, of de ‘bedrieglijke eenvoud’ me niet op het verkeerde been zet. Ik denk ook altijd weer aan een gedicht uit de bundel 262 gedichten (1974) dat met het volgende kwatrijn begint:

Gedrukte letters laat ik U hier kijken, 
maar met mijn warme mond kan ik niet spreken, 
mijn hete hand uit dit papier niet steken; 
wat kan ik doen? Ik kan U niet bereiken. 

Vroman schreef zeer nadrukkelijk om een gesprek aan te knopen – een indirect gesprek weliswaar. In de maanden die aan zijn dood voorafgingen, heeft de hoogbejaarde dichter onophoudelijk aan zijn laatste bundel gewerkt: Die Vleugels II. In het jaar vóór zijn overlijden verscheen de bundel Die Vleugels, en de dichter stond erop de laatste gedichten als een deel van een tweeluik te presenteren. Bij het lezen van het woord vleugels denk ik altijd aan engelen en aan Icarus, en het lijkt erop dat de dichter op de steile helling naar zijn levenseinde nog een laatste keer zijn vleugels heeft opengeslagen om de val uit te stellen. Als bioloog besefte hij dat de val onvermijdelijk was, en hij verbaasde zich over zijn tegenstribbelend gevecht: ‘Iets vliegt van mij leeg / en ik weet niet waardoor / of waarvoor / ik nog beweeg.’ (74) Zelfs voor een bioloog blijft het leven in grote mate terra incognita. Maar wat is voor een dichter die zijn lezers wil bereiken, en daar naar eigen zeggen niet in slaagt, belangrijker dan het nog maar eens te wagen en eenzame lezers aan te sporen om hun eigen vleugels uit slaan en samen heel even tijd en ruimte te ervaren?

Ruimte en tijd zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, al denken veel lezers daar wellicht niet aan. Misschien terecht, want hoe moet je anders het eerste kwatrijn van het gedicht ‘Dat kan toch’ interpreteren: ‘Ruimte, wordt het geen tijd / om ons eindelijk te leren / die gerekte werkelijkheid / te begrijpen en dan te negeren?’ (75)  Iemand die bijna honderd jaar oud is, mag het terecht over een gerekte werkelijkheid hebben. Gerekt verwijst naar de tijd en werkelijkheid naar de ruimte, die samen een eenheid vormen. Begrijpen en negeren wijzen op een gespannen verhouding. Begrijpen is erkennen en herkennen, bevestigen. Negeren is ontkennen, afwijzen. Het leven is Dasein = er zijn, en de dood = er niet meer zijn of, In Vromans woorden ‘een rotgrapje.’ (75) De spanning tussen erkennen en ontkennen typeert de existentiële ervaring, die scherp wordt gesteld in de laatste levensfase. Inhoudelijk geeft Die Vleugels II gestalte aan de volgende breuk: ‘Leven = Er zijn = Spreken = Spel / Dood = Er niet (meer) zijn = Zwijgen = Spelbreker (rotgrapje).’

In deze taxonomische koppeling worden de begrippen vóór en na het breukteken elk op hun niveau van de breuk verbonden door een gelijkheidsteken (Leven = met twee tussenstappen Spel, en Dood = met twee tussenstappen Spelbreker), terwijl de individuele breuken Leven / Dood, Er zijn / Er niet (meer) zijn, Spreken / Zwijgen en Spel / Spelbreker (rotgrapje) telkens een antithetische verhouding uitdrukken. Leven is finaal spelen, en dat komt tot uiting in het aanwezig zijn van de schrijvende of sprekende dichter. Tegenover het leven staat de dood die gelijk is aan er niet (meer) zijn, het tegenstelde van er zijn. Er niet (meer) zijn is gelijk aan zwijgen (het tegengestelde van spreken) en gedwongen zwijgen is de spelbreker die het spelend spreken de mond snoert. Ook in het werk van Vroman staat meer dan er staat.

Het poëtisch spel – dat tegelijkertijd een noodzaak is – komt bijzonder goed tot uiting in het gedicht ‘Een paar getallen’:

Vroeger schreef ik 1 gedicht
zo om de 2 weken,
nu 1 om de 2 dagen
en met een oog op mij gericht
begin ik mij af te vragen,
maar iedereen heeft gebreken.

Misschien eindig ik in een gesticht.
Misschien over 1 of 2 jaar
schrijf ik maar
1 vers per 2 seconden.

Dan word ik daar
op de vloer gevonden
als een vervelende of vermoorde,
met mijn balpen nog smokende
en mijn schedel vol kokende
woorden.

En wat voor zoemend geluid
komt daar nog uit.

(76)

Hoe steiler de helling, hoe groter de behoefte aan spelen met woorden om het verval uit te stellen, maar altijd met het besef dat zich onder de breuklijn tegelijkertijd een proces voltrekt dat geen enkel woord kan stoppen. Dat autonoom proces komt duidelijk tot uiting in ‘Alles gebeurt’, een gedicht dat met een aanspreking wordt aangeheven: ‘Liefste, / ik wil mij best vergissen / maar zo is het vandaag voor mij: / wij zijn maar twee gebeurtenissen, / en die gaan steeds voorbij.’ (112) Het leven als een gebeurtenis, als een zichzelf herhalende cirkelbeweging, zoals in het gedicht ‘Alweer maart’, dat met het volgende kwatrijn begint: ‘Wie deze winter niet mochten blijven / kunnen er niets aan doen: / maart, en uit hun rotte lijven / barst het eerste frisse groen.’ Het gedicht wordt afgerond met de terzine: ‘bloei voort vanaf vandaag / de lente door, verdor en draag/ de vrucht van je verval.’ (120) Opstandigheid heeft geen zin, het leven is een wormwiel. De cirkelbeweging kan worden verzacht door het spel, zoals in ‘Trage snelheid’: ‘Kon ik zo snel schrijven / als ik dacht, dan ben ik bang / voor de gevolgen, want / dan vloog bij het schrijven / door dat haastig wrijven / van mijn pen het papier in brand / en kon ik zelf nooit lezen / wat ik had gevoeld / of bedoeld.’ (136) Het spel vertraagt de onzalige gedachten en remt ook enigszins het voortsnellende leven af – het roept alleszins het gevoel op dat het leven zich slechts met ‘trage snelheid’ van het Dasein ontdoet.

Maakt de ervaring van het dansen op een steile helling de speler mistroostig? De dichter is vrij gerust. Het afscheid is een ‘Voorstelling’: ‘Ik zie soms dat gesterf al / als een lekker meewentelen / in een geweldige waterval, / en aan het einde van de / voorstelling zacht landen / in schuim en wegdrentelen, // maar niet zonder al van tevoren / het donderend applaus te horen / van handen.’ (146) De dood, die een spelbreker is, wordt hier toch gekoppeld aan een zachte landing, die zowaar op applaus wordt onthaald. Het spel maakt de dichter niet blind: ‘Nu ik heerlijk bang / met mijzelf ontwaak / denk ik hoe vaak / nog en hoe lang.’ (181) Angst is nooit ver weg, maar mistroostigheid is niet aan Vroman besteed, en bijna geheel onthecht noteert hij: ‘Het menselijke einde, / verbeeld ik mij, is / geen al te verfijnde / gebeurtenis.’ (182) Het lijkt wel of de bioloog die veel tijd in laboratoria heeft doorgebracht aan het woord is. Ook wetenschap is een spel.

Niets is wat het lijkt, en de op het eerste gezicht naïeve eindrijmen behoren tot Vromans taalspelregels: ze leiden de dichter en de wakkere lezer naar onverwachte inzichten, ze structureren het spreken van de man die afscheid neemt, zoals ze dat zijn hele leven hebben gedaan, ook in de tijd dat het afscheid nog ver af was. Het laatste gedicht heet heel toepasselijk ‘Einde’. Je moet het zelf lezen en traag herlezen. Vroman vat in die twee kwatrijnen zijn hele poëtische nalatenschap samen. 

Recensie van Alle gedichten - Hans Verhagen

Nevengeschikte tegendelen. De kern van Verhagens poëzie

Hans Verhagen
Alle gedichten
Uitgever: Nijgh & Van Ditmar
2017
ISBN 9789038801827
€ 45,00
752 blz.

In juli verschenen Alle gedichten van Hans Verhagen. De bundel bevat meer dan 700 pagina’s en lang niet alle gedichten geven zich snel prijs, ze hebben veel tijd van de lezer nodig. Hoe doe je Verhagen recht? Ik zou een literair-historisch overzicht kunnen geven: zijn betrokkenheid bij Gard Sivik en De Nieuwe Stijl  in de eerste helft van de jaren zestig, samen met Armando, Hans Sleutelaar en Cor Vaandrager; de herleving van de Romantiek in de tweede helft van de jaren zestig en zijn rol daarin; de waardering van zijn poëzie door de jaren heen, et cetera. Maar is dat handig? Erik Brus heeft al een mooi overzicht gegeven van zijn leven en werk tot en met zijn laatste bundel Zwarte gaten (2008) en ik ga dat niet dunnetjes overdoen, want al schreef Brus zijn artikel na de ontvangst van de P.C. Hooftprijs in 2009, het is nog actueel. Na de uitreiking van de prijs schreef Verhagen alleen nog de cyclus Implosie, ook uit 2009. Zijn vertalingen zijn ook opgenomen: Whitman/Verhagen – De slapers. Die stammen uit 2005.
Ik kies ervoor Verhagens volledige werk te karakteriseren aan de hand van ‘Ik ben de maker’, het eerste gedicht van de bundel Autoriteit van de emotie (1992). Hiermee kan ik de constanten laten zien. Op de ontwikkeling van zijn werk ga ik later in.

Het is een programmatisch gedicht: het gaat vooraf aan het motto – waarover later – en acht cycli:

Ik ben de maker

Ik ben de maker niet van het gedicht,
maar zo ontvankelijk mogelijk
d.w.z. van elke tedere connectie ontdaan sta ik
totaal ter beschikking van wat zich tot mij richt –
als een snaar doortrillende dit tijdsgewricht
registreer ik de akkoorden.
ik ben de verwoorder.

Ik ben de behoeder niet
van angst, pijn, verlangen –
wel ben ik de ontvanger.
Verliefd zijn is voor mij ambtshalve bezigheid,
een dichter zelf kan niet van iemand houden;
bespaar me dus uw te persoonlijke aanhankelijkheid –
een dichter heeft geen tijd voor poëzie.
Bovendien, ik ben je moeder niet.

ik ben de hoogste autoriteit van de emotie,
maar mijn eigen hart kent het verlangen niet.
Verwar het niet met angst en beven als ik tril –
ik transformeer alleen het huilen van de wolven
tot een lied. Ik ben de vertolker van het leven,
maar zelf leven doe ik liever niet.

Het eerste wat opvalt  in dit gedicht zijn de tegenstellingen. Ik ga op de eerste in: de titel ‘Ik ben de maker’ tegenover ‘ik ben de maker niet’ in de eerste regel. Hij is zichtbaar de maker: als je het gedicht zorgvuldig leest, zie je dat er een ambachtsman aan heeft gewerkt – kijk alleen naar het logische verloop van de precisering des dichters identiteit. Aan de andere kant staat hij ‘totaal ter beschikking van wat zich tot [hem] richt’: het gedicht lijkt  zichzelf te schrijven. Hij voegt zich daarmee in een Romantische traditie: de grote Bilderdijk (1756 – 1831) beweerde bijvoorbeeld dat zijn verzen hem rechtsreeks door de Allerhoogste werden gedicteerd; hij hoefde alleen maar klaar te zitten met zijn kroontjespen, net als Verhagen ‘zo ontvankelijk mogelijk’. Hij verhulde daarmee dat ook hij wel degelijk een maker was: bevoorrechte fans waren hevig teleurgesteld toen zij tot de ontdekking kwamen dat zijn handschriften vol doorhalingen zaten. Het irrationele wordt bij beiden in toom gehouden door de ratio.
Soms moet je dat registreren letterlijk nemen. Net als andere neo-realisten in de jaren zestig schreef hij ready-mades – niet veel, trouwens. Bekend zijn de drie cycli ‘Kanker’, ‘Cancer’ en ‘Krebs’ uit Sterren Cirkels Bellen (1968). Je zou zeggen dat de maker hier afwezig is, maar dat is niet zo. In dit geval is hij een arrangeur: door een paar zinnen uit een voorlichtingsfolder over kanker te isoleren en te presenteren als een gedicht, krijg je een luguber neveneffect, waarvan de schrijvers van de tekst zich ongetwijfeld niet bewust zijn geweest:

Door het rituele voorschrift
van de besnijdenis bleven
in de loop van duizenden jaren
ontelbare joden gespaard
van een vreselijk lijden.

Tegenstellingen zie je op allerlei niveaus in Verhagens werk. Ze vormen zo’n belangrijk onderdeel van zijn poëzie, dat ze zelfs in enkele titels voorkomen: Rozen & motoren (1963), Echoput & luchtkasteel (1995). Sterker nog: ze vormen de kern van zijn poëzie. Essentieel is dat de tegendelen altijd gelijktijdig aanwezig zijn. In zijn eerste bundel gaat de romantiek, ironisch getypeerd met het cliché ‘rozen’, hand in hand met het snelle, moderne no-nonsense leven dat de dichters van Gard Sivik willen weergeven. In zijn interview uit 2003 met Ischa Meijer zegt hij daarover: “Die wrijving tussen twee polen, dat is waar alles uit voortkomt. Mensen zijn geneigd in één richting te denken. Ze geloven in de opbouw, maar het verval willen ze elimineren, maar gelijk met de opbouw vindt er de afbraak plaats. In feite zie ik het als één beweging, het gebeurt allemaal op één moment. In m’n gedichten wordt die synchroniciteit opgewekt door die verwisselingen: ‘Ik die bouwen zou, zal ontbonden worden.’ De ene regel ontleent de andere. […] Het is een weergave van het proces van het leven.”

Terug naar het gedicht. Je ziet zulke nevengeschikte tegendelen nog op een andere manier. De dichter noemt zich de hoogste autoriteit van de emotie, maar zegt zelf niet emotioneel te zijn. Een dichter heeft wel wat anders te  doen; hij moet emoties vertolken, voelbaar maken voor de lezer: ‘ik transformeer alleen het huilen van de wolven / tot een lied.’
Maar op dit gedicht volgt een motto, dat hij opdraagt ‘aan Conny (1941 – 1986)’. Het is een citaat uit zijn gedicht ‘Zo simpel is het …’ uit Duizenden zonsondergangen (1971):

‘Jij bent de waarheid
waar ik ben
de tijd staat stil
de klok verstrijkt
en wij zijn altijd samen’.

Conny Tavenier was zijn jeugdvriendin en eerste vrouw. Op een gegeven moment kon hij met haar niet meer samenleven en zonder haar kon hij ook niet – de tegenstellingen in zijn poëzie komen niet voort uit maakwerk, dat blijkt ook hier weer uit. In 1986 pleegde zij zelfmoord na een lange lijdensweg van psychoses.
In de laatste regels van het gedicht zegt hij: ‘Ik ben de vertolker van het leven, / maar zelf leven doe ik liever niet.’ Is het leven te pijnlijk? Zegt hij daarom ‘liever niet’? Is hij een huilende wolf die zijn particuliere emoties transformeert tot die waarin lezers zich herkennen? Op die manier is hij zowel vertolker van zijn leven als van ieders leven. In zijn meeste bundels is dat zo, al overheerst het biografische soms teveel, waardoor gedichten onbegrijpelijk worden.

Ook humor is een essentieel onderdeel van zijn werk. In de regel ‘Bovendien, ik ben je moeder niet’ relativeert hij datgene wat hij zegt. Hij maakt het minder zwaar; enkelen zullen zeggen: hij zet alles op losse schroeven. Dat kan zijn, maar het hoeft niet: ik zou zeggen dat hij hier zowel het lichte en serieuze laat klinken.
Het aardige bij Verhagen is dat je, net als bijvoorbeeld bij Reve, humoristische regels afzonderlijk onthoudt, los van de context. In de volgende twee hoor ik mannen die aanspoelen in de kroeg en al snel weer uit zicht raken: ‘je raakt je zaad aan de straatstenen niet kwijt’ (p. 522) en  ‘Mensen met een zinvol leven – zou je ze geen rotschop geven?’ (p. 658)

De bundel Alle gedichten weerspiegelt Verhagens (innerlijke) leven in veranderende tijden – ‘als een snaar doortrillende [ieder] tijdsgewricht’. Ook hiermee staat hij in de traditie van de Romantiek. Je leest achtereenvolgens mee met de Zeeuwse jongen, de schijnbaar koele observator, de spirituele hippie, de worstelaar met de liefde (‘Geen geneesheer, hoe gepeperd ook van declaratie, / zal mijn ziekte weten te genezen: / omdat mijn ziekte tevens mijn geliefde is – / en mijn geliefde laat zich niet verdrijven’ – p. 296), de verslagene en de man die zijn vitaliteit terugvindt. En voortdurend stelt hij zich de vraag wat het leven is, hoe hij in het leven staat, of hem dat bevalt en, vooral in zijn latere werk, wat hij anderen heeft te vertellen. Zijn engagement komt dan meer op de voorgrond te staan. In een bundel als Draak (2006) lijkt hij lezers sterker dan voorheen te willen doordringen van misstanden. Het tweede gedicht uit de afdeling ‘Citadel’ is verbazingwekkend actueel:

2
Stralende vlag. Iedereen ging,
van de vrijheid om tekeer te gaan ten volle profiterend,
tekeer tegen de verkeerde.

In tegenstelling tot de inhoud zie je in de vorm weinig veranderingen. De cycli vormen in alle bundels het structurerende principe; zijn gedichten blijven strofisch.

Er valt veel meer te zeggen over Alle gedichten. Aan de afzonderlijke bundels heb ik geen recht gedaan; ik verwijs daarom nogmaals graag naar het artikel van Erik Brus. Campert noemt Verhagen samen met Lucebert ‘de grootste moderne Nederlandse dichter.’ Ik vind dat een beetje te sterk, maar dat hij groot is, staat voor mij vast.

Recensie van Belgium Bordelio, volume 2 - Jan H. Mysjkin (samenstelling)

Moules belges (over parels en mosselen)

Jan H. Mysjkin (samenstelling)
Belgium Bordelio, volume 2
Uitgever: l'Arbre à paroles & PoëzieCentrum
2017
ISBN 9789056551261
€ 22,50
556 blz.

Als lezer kom je van alles tegen. Het volgende gedicht vond ik ergens, grasduinend in een bonte verzameling:

Ons

Ik zou van de bomen kunnen leren, van de katten,
van het rustige oktoberlicht, maar ik lees utopie
over mensen en machines, brood en rode vlaggen,
en het levert niets op, zoals je ziet.

Waarom beschrijf ik niet de geur van je oksels,
die mij scherp en aanwezig maakt, of de pijn
in je handen, die niet kan stoppen
omdat je wil boksen, wil slaan, telkens weer?

Dit is een rustige tijd in een rustige wereld, de zon
is schadelijk, maar dat valt niet op. De kranten
op tafel maken de koffie gezellig. Sterft een kind
om de drie of vier tellen, je hebt toch gelijk. Ons

mag niet kapot.

De eeuwige tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid. Of de schijn van de werkelijkheid, zo men wil. Het fraaist is misschien wel de derde strofe, met die ‘rustige tijd in een rustige wereld’. ‘Leugen, leugen!’ schreeuwde het in mij, toen ik dat las. Maar het staat er toch gewoon, gemoedelijk. Alsof het waar is. Zwart op wit legitimeert de leugen zich, wordt het niet ware waar. En de kranten op tafel maken de koffie gezellig, moeten we niet vergeten. Aan de oppervlakte gebeurt niets bijzonders. Inderdaad: ons mag niet kapot.
Waarom citeer ik dit gedicht? Misschien omdat het onze status quo weergeeft. Het tamelijk actuele (en Europese?) idee dat ‘alles gewoon moet doorgaan, wat er ook gebeurt’. Interessant is dan ook nog dat het een Belgisch gedicht is (geschreven door Charles Ducal). België: het land waar het beleg en het brood maar niet aan elkaar willen wennen (het is niet eens duidelijk wie wat is). Maar zo krijgt dat woordje ‘ons’ nog een extra dimensie.

Gebloemleesd in Belgium BorDeLioII, waarvan de scheppers ‘vastbesloten zijn om de grenzen tussen de gemeenschappen aan flarden te scheuren en het uit te schreeuwen dat er een wereld bestaat die werkelijker is dan de wereld, een wereld waar de wortels naar de hemel kijken en het woord redding brengt’ (einde citaat), werd dit gedicht in 2017 te midden van een ‘nieuw zootje van tweeëntwintig dichters’ uitgebracht.  
Een bloemlezing is een soort dierentuin waarin vogels van allerlei pluimage gekooid zitten. Maar dat terzijde. Ik heb eigenlijk een hekel aan bloemlezingen. Maar ook dat terzijde. Er staat altijd een heleboel troep in bloemlezingen (terzijde). Wat je wel wil lezen ontdek je pas als je een heleboel hebt gelezen wat je niet wil lezen (parels zijn zeldzaam bij mosselen):

VI

Het is een hele weg van vuuridee naar metaaldaad.
De mooiste bloemen bloeien waar schaduw verkeert in
licht.
De kaalste melodieën kukelen je kinderjaren uit, waar
de dood rijmde op zichzelf.
Het is een hele weg van de naam van het niets naar het
niets van de naam.

Dit wou ik wel lezen. Véronique Bergen schreef dit als onderdeel van een reeks, die in zijn geheel is opgenomen in de bloemlezing. Dood was alleen maar (het woordje) dood in je kinderjaren, simpel toch? De laatste zin schittert door zijn eenvoud en diepzinnigheid. En er zijn meer reeksen in deze bundel:

II

De kapitein is zich ervan bewust dat de wereld om hem
heen bestaat en dat baart hem zorgen, want die hele
wereld geeft geen moer om hem. Hij zegt bij zichzelf
dat de wereld een kwade droom is, een huiveringwek-
kend hersenspinsel want de werkelijkheid. Het stelt
hem gerust dat de wereld veraf is, zo veraf nu dat hij
hem sinds lang uit het oog is verloren. De wereld is zijn
bestaan vergeten, eet, drinkt, propt zich vol en wordt
dik. Dat is de Vooruitgang. Die wereld heeft machines,
allerlei toestellen – goede en slechte (maakt niet uit) –
hij bouwt zichzelf om tot een machine, een reusachtige
machine, zo ontwikkelt hij zich, dat is de Vooruitgang.

Een fractie van de ‘goddeloze wereld’ van Philippe Lekeuche, die het ons duidelijk maakt wat we in de toekomst kunnen verwachten nu de machines het overnemen en niemand zich een moer (meer?) voor ons interesseert. Toch blijft het leuk, volgens de samenstellers van deze bloemlezing, om ‘de toekomst recht in de ogen te kijken’. Optimist als ze zijn, gaan ze er van uit dat deze, en hun vorige bloemlezing (Belgium BorDeLioI) België zullen overleven.      

Leuk voor België. En voor Nederland, want wij kunnen er ook met volle teugen van meegenieten: alle gedichten (inclusief die van de dichters uit Wallonië) zijn zowel Franstalig als in het Nederlands weergegeven.
Omdat ik binnen het korte bestek van deze recensie niet van elke dichter iets kan citeren noem ik ze maar even: Annemarie Estor, Volauvent, Lucienne Stassaert, Erik Spinoy, Véronique Bergen, Gioia Kayaga, Runa Svetlikova, Charles Ducal, Els Moors, Werner Lambersy, Pascal Leclercq, L’Ami Terrien, Mark Insingel, Yves Namur, Rose-Marie François, Inge Braeckman, Jan Lauwereyns, Philippe Lekeuche, Andy Fierens, Geert van Istendael, Stéphane Lambert en Eugéne Savitzkaya hebben allemaal hun bijdrage geleverd aan deze bundel, die zo barst van de vitaliteit, dat er een stevige kaft omheen moest worden gedaan (zo stevig zelfs, dat ik er last van had tijdens het lezen: hij klapte als een mossel, als een rechtgeaarde mmmbundel telkens dicht). Ach, elke lezer kan er – parelvisser als hij is – na enig vouwwerk zijn eigen schat in vinden.  
Ik besluit met een fragment van een gedicht van Andy Fierens dat geraffineerder in elkaar zit dan misschien op het eerste gezicht lijkt (bijvoorbeeld in de vijfde strofe, waar de regels op slimme plaatsen worden afgebroken, zodat de lezer telkens op het verkeerde been wordt gezet):

het huwelijk

getrouwde mannen leven gemiddeld
zeven jaar langer
dan vrijgezellen of mannen
die samenwonen

ze zijn gezonder verdienen meer
ze ruiken beter pulken minder in hun neus

het heeft me jaren gekost
voor ik dat zelf inzag

zoals zoveel mannen wilde ik
niet trouwen maar zij wel

ik hou niet meer van haar
blondheid en rondheid
dan voor ik haar over de drempel droeg
maar het huwelijk veranderde
mijn perceptie

het werkt

het werkt
psychologisch

vrouwen willen trouwen

(ongetrouwde vrouwen horen de hele dag
het galopperen van hun eigen hart)

(ongetrouwde mannen verspillen
hun beste jaren aan dorstbestrijding)

(ongetrouwde mannen zoeken heil
bij de schijnbewegingen van de liefde)

(ongetrouwde mannen gedragen zich vaak
niet ethisch maar als je hen daarop aanspreekt
zeggen ze the eighties dat is dertig jaar geleden!)

(ongetrouwde mannen kijken naar films
met Bruce Lee en proberen dan hun vrienden
te karateriseren)

…….

Gelukkig kent het huwelijk verschillende varianten (het huwelijk dat België heet, is er één van).  Een vrolijke uitsmijter, dit gedicht, dat tevens opvalt door de (licht ironische) touch en toon die erin zit.
Ja, die toon, daar wil ik het nog even over hebben. Sinds ik begrepen heb van iemand dat heel jonge kinderen van gesproken taal het eerste de toon onthouden, let ik wat meer op de toon van gedichten. De manier waarop dingen worden uitgesproken is in elke taal anders. Kinderen blijken in de baarmoeder al klanken op te vangen en door het horen van hun moeder(s)taal in een heel vroeg stadium, die later gemakkelijker aan te kunnen leren. Ook als ze die taal niet spreken en in een ander land opgroeien. De mal van de klank is daarbij mogelijk leidend en stuurt de grammatica en de woorden (m.a.w. de klank is het bed waarnaar de taal zich als een rivier voegt). In klank kan angst zitten, boosheid, blijdschap, eigenlijk het hele scala aan gevoelens dat we willen uitdrukken. En we hebben vermoedelijk pas later geleerd er woorden bij te maken! Dit inzicht gaf me een andere kijk op het volgende gedicht van Kurt de Boodt, dat overigens niet in de bloemlezing staat:        

MOULES BELGES

Het schaap is de mal van het lam
De schelp is de mal van de mossel
De zee is de mal van het zout
Marcel is de mal van het beeld
De pijp is de mal van de rook
De kunst is de mal van de vondst
Het idee is de mal van Chistopher
Columbus is de mal van het ei
Het ei is de mal van de kip
De kip is de mal van het ei
De mal is de mal van de mal is
De mal van de mal is de mal van
La vache qui rit.

Een geniaal gedicht! Met als (malle) klap op de vuurpijl de toon van een lachende koe. Het bloemleest in zijn mal – de mal van het woord – als het ware alle gedichten en geeft wat mij betreft het beste weer hoe deze BorDeLioII in zijn geheel kan worden ervaren (tenslotte is niet alleen de dichter een koe).

Recensie van Ooghoek - Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse

Kijken met de ogen van twee dichters

Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse
Ooghoek
Uitgever: Poëziecentrum
2017
ISBN 9789056551674
€ 19,95
53 blz.

In het onlangs verfilmde boek De Cirkel van Dave Eggers wordt beschreven, dat mensen steeds meer live gaan door een camera op hun borst te dragen. Op een gegeven moment maakt de hoofdpersoon een kanotochtje in een schilderachtige, van mensen verlaten baai. Wanneer zij hierover aan haar begeleider in het allesomvattende bedrijf dat de Cirkel geworden is vertelt, reageert deze ontstemd dat ze dit niet live gedeeld heeft: ‘Privacy is diefstal’. Alles moet zichtbaar zijn, want alleen op die manier kan iedereen alles meemaken en kunnen ook mensen met een handicap deelnemen aan ervaringen die anders buiten hun bereik blijven. Ik moest sterk aan deze passage denken toen ik de bundel Ooghoek van Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse in handen kreeg. Deze door het Vlaamse Poëziecentrum uitgegeven bundel is de literaire neerslag van een bijzonder project. Dankzij Ooghoek kunnen we hier op afstand aan deelnemen.
‘In de zomer en nazomer van 2017 is het poëzieproject met gedichten van Charlotte Van den Broeck en Lies Van Gasse een beletterde wandeling en een literaire verpozing. Aan de bomen van de Kooldreef in Beernem hangen 17 gedichten die je gadeslaan of toespreken vanuit hun kastjes. (…) De passant, die vanuit zijn ooghoek de bedrijvigheid van de huizen rondom waarneemt, wordt uitgenodigd stil te staan bij wat hij ziet en voelt.’ (Over Ooghoek, de installatie – p.50). Of zoals Jooris van Hulle in zijn voorwoord, dat zich als een volwaardige recensie lezen laat, schrijft: ‘Twee dichters kleuren letterlijk en figuurlijk het project waarmee Vzw Màrmelade de Kooldreef in Sint-Joris, deeLvGemeente van Beernem, ruim drie maanden lang tot poëtisch universum ombuigt. Van wandeldreef –uniek door zijn ligging in het dorp, enig door de aantrekkingskracht die ervan uitgaat door de manier waarop de blik van de passant naar de verte van het achterliggende kasteel wordt getrokken– wordt de Kooldreef woord-dreef, beeld-dreef en klank-dreef’.

Hoewel beide dichters vanuit dezelfde opdracht werkten, is er verder weinig verwantschap tussen hun werk. De bundel bevat twee afzonderlijke afdelingen: ‘Geleider’ van Charlotte Van den Broeck en ‘Die stiekeme blik’ van Lies Van Gasse. De selectie is met 25 gedichten iets ruimer dan de installatie op De Kooldreef, waarbij beide afdelingen verluchtigd zijn met illustraties van de hand van LvG.
De gedichten van CvdB lijken meer geënt op de omgeving van de Beernemse Kooldreef dan het werk van LvG. De meeste titels van de gedichten van CvdB verwijzen direct naar een locatie in Beernem. Alleen haar laatste gedicht heet ‘Cornea’, en vormt daarmee een bruggetje naar de gedichten van LvG, die met hun titel allemaal naar een lichaamsdeel verwijzen.

WOKPALEIS

Twee leeuwen, loom in marmer gelegen
sperren aan de poort de mond open in een geeuw

binnen staat de Chinese matrone uit blok gehouwen
ze zegt ‘welcome’ met het nodige wantrouwen
voor meisjes die alleen buffet komen eten

ik kies de lange tafel aan het raam en de formule met teppanyaki
drieëntwintig euro negentig en daarbij de dwangsom
van blikken die me verplichten naast honger ook een verhaal te hebben

en ja, onder de lampionnen wiegt de weemoed in mij, ik zat hier eerder
op zwijgzame familiefeesten in een andere streek, klem
tussen wat gezegd moest en wat van de mond werd geveegd

ook nu kan ik niets bedenken
wat luidop te zeggen valt

De gedichten van Charlotte Van den Broeck geven de lezer sterk het gevoel mee te kunnen wandelen langs schilderachtige en soms ook minder schilderachtige plekken in Beernem. Natuurlijk langs de Kooldreef zelf: ‘Vanaf hier lopen de eiken in lijnen in een doorgang de diepte in / verdwijnpunt is bestemming, dat huis in de verte, met buigzame ogen, kijk / dwars door steen en hek, achter het uitzicht waakt de binnenkant’. In ‘Sint-Amandus’ (een psychiatrisch centrum) lezen we ‘tegenover het hotel waar ik logeer, bewaren ze mensen in breukgetal / een schreeuw op sterk water, een doffe blik die niet door het raam geraakt’. ‘Miseriebocht’ beschrijft de ligging van het dorp: ‘Het kanaal plooit een arm om de fietstoeristen / op de ellenboog balanceert het dorp, weggestoken / achter gestekelde brem, doorn en eikenbos’. Maar in haar beschouwingen resoneren ook herinneringen aan andere plaatsen, andere gebeurtenissen, die zich mengen met de fantasie over hoe het is om hier te leven. We stellen ons bij bovenstaand gedicht voor hoe CvdB daar zit, in haar eentje, in die licht vijandige omgeving van het kleurrijke Wokpaleis. We krijgen zelfs te horen wat het menu kost, maar ondertussen dwalen de gedachten af naar vergelijkbare plaatsen ‘in een andere streek’, omdat de waarneming immers altijd gekleurd wordt door eerdere ervaringen.

DIE STIEKEME BLIK

Eens per week maak ik een tocht
naar het leven dat ik eerder heb geleid,

naar het vlekkerige schilderij
vol mist, tuinen en loofbomen,

naar grijze en baksteenrode blokken
met het keukenraam boven de garagepoort,
de lavendeltuin naast de nieuwe auto,

naar het ei van waaruit ik

sidderend ontstond,
om me heen keek,
op weg ging,

het ei van waaruit alles ooit begon.

Onze wereld is zo klein
dat ze bijna in een hand past.

Eens per week maak ik een tocht
naar een leven dat ik vroeger heb geleid.

Onze wereld is zo klein.

Tussen de takken, achter glas,
kijk ik naar wat geschilderd staat daarbinnen.

In haar gedichten hanteert Lies Van Gasse vaak de stijlfiguur van de herhaling. In dit gedicht zien we de eerste strofe met een subtiele variatie aan het eind van het gedicht terugkeren. Maar ook ‘het ei van waaruit’ en ‘Onze wereld is zo klein’ worden herhaald. Deze manier van terughalen van elementen versterkt de samenhang van haar gedichten. Maar LvG gaat een stap verder: bij herlezing van haar gedichtencyclus valt op, dat ook elementen uit andere gedichten herhaald worden, waardoor de cyclus steeds meer als één geheel ervaren wordt. ‘Tussen de takken, achter glas’ is de openingsregel van het gedicht ‘Binnenoor’. Het ‘vlekkerige schilderij’ vindt een echo in ‘een vlekkentapijt van zon aan de kamerrand’ uit het gedicht ‘Linkerhand’. En de woorden ‘in een hand past’ staan bijna letterlijk in het ‘Voorarm’, dat aan ‘De stiekeme blik’ vooraf gaat: ‘het kind onder mijn huid, / een hoofd dat zelfs bewegend / net in mijn handpalm past’. Mogelijk wordt dit effect van herhaling en herkenning nog versterkt wanneer men deze gedichten in het project deze (na)zomer in de Kooldreef ter plekke beluistert.
De thematiek van het gedicht doet vermoeden, dat de dichter zelf in het dorp gewoond heeft, en hier regelmatig naar terugkeert. Dit sluit echter niet aan bij de biografische informatie: zij is geboren in St. Niklaas, 70 km ten oosten van Beernem. In andere gedichten lezen we ‘Nu is het zomer in Beernem’, en ‘Op de tweede dag / – maar laat ons eerlijk zijn, het had ook de derde, / of de zesde kunnen zijn – fietsen we van Brugge naar Beernem’. Mogelijk roept de landelijke omgeving van Beernem – dat zij ongetwijfeld voor dit project bezocht heeft – herinneringen aan haar eigen jeugd op.
Moederschap is een ander thema dat sterk in de gedichtencyclus van LVG aanwezig is. In het openingsgedicht ‘Schaambeen’, wordt een soort omgekeerde geboorte geschetst. In het daaropvoLvGende ‘Elleboog’ lezen we: ‘Verschillende keren zijn wij jong: / eerst in de moeder, dan in onszelf / en tenslotte in het kind dat zwelt als meel, / gekneed door onze gewoonten.’ Daarbij legt ze vaak de relatie tussen haar moederschap en haar eigen kind-zijn, zoals in de opening van het eerder aangehaalde ‘Voorarm’: ‘Het is beter op mijn natte arm dan in het bed / dat ik nochtans zacht voor je heb gedekt // waarin ik een kruik vol warmte wilde, / waarin ik over mijn verleden jouw toekomst heb gelegd’.

Beernem ligt op een steenworp (of zoals we hierboven konden lezen op een uurtje fietsen) van Brugge. De installatie is nog tot 8 oktober a.s. te ervaren. Mogelijk inspireert deze recensie of de bundel lezers tot een poëtisch uitstapje. In dat geval houd ik me aanbevolen voor foto’s en verhalen – ik vermoed dat het ervaren van de installatie ter plaatse de hier besproken gedichten nog meer tot hun recht laat komen.