Recensie van De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2017 - Gekozen door Francine Houben

De stand van zaken

Gekozen door Francine Houben
De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2017
Uitgever: VSB Poëzieprijs / Arbeiderspers
2017
ISBN 9789029511803
€ 9,99
136 blz.

Bloemlezingen zijn belangrijk: zij weerspiegelen de literatuur, kunnen voortkomen uit nieuwe ontwikkelingen en de stand van zaken van actueel werk weergeven. Ik pleit al jaren voor een geactualiseerde ‘geautoriseerde’ bloemlezing bij de nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis, waarin de stand van zaken van het nieuwste onderzoek wordt weergegeven. Die keuze behandelt het verleden en is misschien alleen voor vakmensen, hoewel de bloemlezing van Komrij (de drie dikke delen, inclusief een redelijk actueel deel) goed verkocht is. Een bloemlezing van actuele poëzie kan een overzicht bieden van dichters en gedichten, van wat er op dit moment speelt, van stromingen en opvattingen. ‘De 100 beste gedichten’ uit de bundels ingezonden voor de VSB Poëzieprijs (‘dé prijs voor Nederlandse poëzie’, volgens de flaptekst) geven inderdaad een goed beeld van wat en hoe in Nederland en Vlaanderen geschreven wordt.

Afgezien van een selectie uit de bundels van de genomineerden (de Vlamingen zouden ‘laureaten’ zeggen, wat ik mooier vind, historischer: ik zie Dante en Jan van der Noot voor me met een lauwerkrans) – te weten Rodaan Al Galidi, Hannah van Binsbergen, Ruth Lasters, Delphine Lecompte en Nachoem M. Wijnberg – bevat deze bloemlezing ook poëzie van oudere dichters, waaronder ook onze ‘éminence grise’ Remco Campert die met één (mooi) gedicht vertegenwoordigd is, weliswaar uit 2015, maar het maakt het beeld compleet. Verder is er werk opgenomen van Eva Gerlach en Anna Enquist. De eveneens voor deze prijs genomineerde Nachoem Wijnberg sleepte reeds eerder prijzen in de wacht: de Jan Campertprijs in 2004 en een eerdere VSB Poëzieprijs in 2009. De VSB Prijs van 2017 is gewonnen door Hannah van Binsbergen voor haar bundel Kwaad gesternte , waarin ik prachtige regels las als: ‘Ik open een graf met de steek van een meimaand..’ (‘Aan de Situationistische Internationale’).

Het is een kaleidoscopisch beeld: een veelheid van stijlen en opvattingen. Ik vond het bijna een soort quiz om zonder biografische gegevens te verzamelen te proberen Nederlandse en Vlaamse dichters te herkennen. De Vlamingen hebben iets meer plezier in spelen met taal op zich, ze hebben iets barokkerigs, wat mij enorm aanspreekt. Ruth Lasters had ik als Vlaamse herkend (haar bundel Lichtmeters werd voorgedragen), bij boksende Vlaamse koningsdochter Delphine Lecompte (voorgedragen bundel: Dichter, bokser, koningsdochter ) ging ik even de mist in doordat de ‘sjoenste staad van ’t laand ’ (Tilburgs volkslied) figureerde in het gedicht: ‘De afschuwelijke mythomaan wordt weer een ijzig kind’.

In Tilburg toon ik mijn rauwheid aan een dadaïst
Hij kan ermee overweg, in een bos valt het hem op dat ik van honden hou.

Natuurlijk hou ik van honden, zoals ik van Hans Holbein,
Pistache en de Noordzee hou
Pistache en de Noordzee zijn verbonden
Hans Holbein en de honden zijn onverbonden
Of ik hier gelukkig ben? Wat een dwaze vraag, ik ben nergens gelukkig.

We kunnen verder prachtige poëzie van Eva Gerlach lezen, drie mooie gedichten van Anna Enquist, en wat mij goed deed: ook fragmenten uit een door mij in Meander gerecenseerde bundel van Marc Boogs Rotonde , een poëzienovelle gebaseerd op de Faustlegende. Deze drie fragmenten doen niet geheel recht aan de kwaliteiten van de bundel. Ook Marc Boog won eerder de VSB Poëzieprijs.

Ik had veel verwacht van de inleiding van Francine Houben, de voorzitter van de jury, veel bekroond architect en eredoctor in Utrecht. Ik ken haar als een buitengewoon intelligent architect, directeur/oprichter van haar efficiënt ingerichte bureau Mecanoo (ook daarvoor kreeg ze een prijs). Haar nieuwbouw getuigt van een eigenzinnige creativiteit (station Delft, veel culturele gebouwen, onder andere een bibliotheek en een theater in Birmingham). Bij verbouwingen betreft het vaak gebouwen met een lange geschiedenis: verbouwing vraagt een andere bezinning op inhoud en de vorm. Die bezinning levert vaak resultaten getuigend van een diep inzicht en grote intelligentie. Ik had een beschouwing over vorm en inhoud verwacht, waarbij zij als ontwerper en vormgever van daken boven en omhullingen van culturele ontmoetingsplekken zou kijken naar de poëzie als dak boven en omhulling van de taal. Juist omdat ze zelf opmerkt dat haar werk, de architectuur, alle zintuigen moet beroeren, had ik op iets van de verklaring van die ontroering gehoopt, mede gerelateerd aan inhoud en vorm, misschien geredeneerd vanuit de basis van elk bouwwerk: het programma van eisen. Helaas is dit niet het geval: het is een fraai geschreven wat vrijblijvend stukje, meer als een voorzitter van een stichting die op een congres de tekst van de directeur opleest dan een eigen bezinning.

Voor al diegenen die op de hoogte willen blijven van de ontwikkelingen in de Nederlandstalige poëzie, kan ik slechts de zin op het achterplat herhalen die eerder in Meander verscheen: ‘Ik benijd de poëzielezers die vanaf het begin ieder jaar de bundel hebben aangeschaft. Een beter overzicht van ruim twintig jaar Nederlandse poëzie kun je niet in de kast hebben staan’.

Gedichten

Konstantínos Petros Kaváfis (1863-1933)
Vertaling: Hero Hokwerda

Τrojanen

Ons pogen is, van wie voor rampspoed is geboren;
ons pogen is zoals van de Trojanen.
Iets krijgen wij wel voor elkaar, iets komen
wij er wel bovenop, en voelen dan
hoe er begin van moed en goede hoop is.

Maar altijd duikt er wel iets op en stopt ons af.
Achilles bij de gracht verschijnt voor onze
ogen en jaagt ons met zijn luide kreten angst aan.–

Ons pogen is zoals van de Trojanen.
Wij menen dat we, moedig, vastbesloten,
de neergang nog wel zullen keren van ons lot,
en staan daarbuiten pal en gaan de strijd aan.

Maar als de grote crisis eenmaal daar is,
gaan onze moed en vastbeslotenheid teloor;
en overstuur raakt onze ziel, verlamt dan,
en rondomheen de muren rennen wij

om zo ons leven nog te redden door de vlucht.

Maar, onze val staat vast. Boven is, op de muren,
begonnen reeds de jammerklacht. Van onze
dagen herinneringen en gevoelens wenen er.
Bitter om ons weent Priamos met Hekabe.

Antonius door de god verlaten

Als plotseling, om middernacht, de echo klinkt
van een onzichtbaar langstrekkende stoet
met heerlijke muziek en met gezang –
ga dan je lot dat je begeeft, je levenswerk
dat is mislukt, de plannen voor je leven
waarvan niet één geen dwaling bleek, niet nutteloos bewenen.
Groet dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,
ten afscheid haar, de stad Alexandrië die daar heengaat.
Maak bovenal jezelf niets wijs, zeg niet: het zal wel
een droom geweest zijn, of: mijn oren hebben mij bedrogen –
verlaag je niet tot dat soort vruchteloze hoop.
Stap dan, als voorbereid sinds lang en als manmoedig,
zoals betaamt aan wie een dergelijke stad vergund was,
met vaste schreden nader tot het vensterraam,
en luister — met ontroering wel, maar niet
met het gesoebat en gejammer der lafhartigen –
in nog een laatst genieten naar de klanken,
naar ‘t heerlijk instrumentenspel van de mystieke stoet,
en groet haar dan, de stad Alexandrië die je kwijtraakt.

Ver weg

Graag had ik die herinnering verteld…
Maar zo vervaagd is zij allengs… haast niets is ervan over –
want ver weg, in mijn vroegste jongenstijd is zij gelegen.

Een huid die wel gemaakt leek van jasmijn…
In die augustusmaand — was het augustus? — op een avond…
Amper weet ik de ogen nog; waren ze niet diepblauw…?
Ach ja: diepblauw, als een saffier zo blauw.

Kikí Dimoulá (1931)
Vertaling: Hero Hokwerda

OF JE GEKOZEN HEBT

Vrijdag is het vandaag ik ga naar de straatmarkt
om een wandeling te maken in de onthoofde tuinen
om de geur van de oregano te zien
geknecht in bosjes.

Ik ga tegen de middag wanneer de prijzen van de eisen zakken
je vindt het groen maar gemakkelijk
van boontjes courgettes kaasjeskruid en lelietjes.
Ik hoor daar hoe vrijmoedig de bomen zich uiten
met de afgesneden tong van de vruchten
stapels redenaars de sinaasappels en appels
en er begint een beetje herstel te blozen
op de vaalgele wangen
van een inwendige stomheid.

Zelden koop ik iets. Want daar zeggen ze kies maar.
Is dat gemak of een probleem? Je kiest, en dan
hoe til je dat op, het loodzwaar gewicht
van je keuze.
Terwijl dat het kwam zo uit, net een veertje. In het begin.
Want later bezwijk je onder de consequenties.
Al even loodzwaar.
In feite is het of je gekozen hebt.

Hoogstens koop ik wat aarde. Niet voor bloemen.
Om vertrouwd te raken.
Daar is er geen kies maar. Daar met de ogen dicht.

FOTO 1948

Ik houd een bloem in de hand lijkt het.
Vreemd.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit tuin geweest.

In de andere hand
houd ik een steen.
Charmant en hooghartig.
Zonder enig vermoeden
dat ik gewaarschuwd word voor bederf,
afweermechanismen voorproef.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit onwetendheid geweest.

Ik glimlach.
De curve van de glimlach,
de holte van deze stemming,
lijkt op een goed gespannen boog,
in gereedheid.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit doelwit geweest.
En gepredisponeerdheid voor overwinning.

De blik verzonken
in de erfzonde,
de verboden vrucht
smakend van de verwachting.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit geloof geweest.

Mijn schaduw, speelgoed alleen van de zon.
Met een uniform van aarzeling aan.
Nog niet eraan toegekomen
mijn kameraad te zijn of verklikker.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit toereikendheid geweest.

Jij bent niet te zien.
Maar dat er afgrond in het landschap is,
dat ik aan de rand ervan ben gaan staan
met een bloem in de hand
en glimlach om de lippen,
wil zeggen dat je elk ogenblik komen kunt.
Blijkbaar is er in mijn leven
ooit leven geweest.

Als een saffier zo blauw

 

Op 20 april aanstaande vindt er in Podium Mozaïek Theater te Amsterdam een toneelvoorstelling plaats van gedichten van Kafávis, met als titel Wateren van Cyprus, Syrië en Egypte.
Sander de Vaan spr@k met vertaler Hero Hokwerda over Kafávis én als toetje over Kikí Dimoulá, alom beschouwd als de grootste, nog levende Griekse dichter.

Hero, hoe zou je Wateren van Cyprus, Syrië en Egypte beschrijven?
Het is een toneelmatige voorstelling, met spel, voordracht, zang en koor, van de 32 meest ‘toneelmatige’ gedichten van Kaváfis.

Is dit een primeur voor Nederland?
Wat de Kaváfis-voorstelling betreft wel, maar najaar 2008 heeft Thepak (Theaterwerkplaats van de Universiteit van Cyprus) al een keer in Amsterdam opgetreden (in Crea toen) met de Erotókritos, een toneelbewerking (ook weer door Michalis Piërís) van het befaamde Kretenzische liefdesepos uit de tijd rond 1600.

Voor de leken onder ons: wat maakt Kafávis zo’n bijzondere dichter?
Kaváfis kan voor verschillende mensen een bijzondere dichter zijn om verschillende redenen: om zijn moderne levenshouding (vanuit een ironisch, heroïsch-pessimistisch levensgevoel) vooral in zijn ‘historische’ en ‘filosofische’ gedichten, en/of om zijn liefdesgedichten over de (in zijn geval homoseksuele) lichamelijke begeerte, waar hij gaandeweg steeds openlijker voor uitkomt, ook trouwens in zijn ‘historische’ gedichten (de verschillende categorieën, door de dichter zelf al onderscheiden, zijn lang niet altijd zo duidelijk van elkaar gescheiden).

Zou je hier een aantal van je favoriete verzen van hem willen citeren?
Je moet me maar vergeven dat ik de voorkeur aan mijn eigen vertalingen geef… Ik kies voor deze gelegenheid de volgende gedichten: Trojanen, Antonius door de god verlaten en Ver weg.

Zie de gedichten bij dit interview.

Je hebt zelf de vertaling van deze gedichten bezorgd. Hoe moeilijk is het vertalen van Kafavis’ poëzie?
Voor de duidelijkheid: bij de voorstelling gebruiken we grotendeels vertalingen van Blanken en Warren/Molegraaf, en een paar van mijzelf.
Kaváfis’ poëzie is aan de ene kant ‘gemakkelijk’, wat het eerste begrip betreft (geen lyrische vervoering, geen metaforenvloed, geen associatieve overgangen), en dat heeft wel tot de constatering geleid dat de stem van Kaváfis in welke vertaling dan ook altijd wel tot op zekere hoogte herkenbaar blijft.
Aan de andere kant is ze moeilijk te vertalen omdat het subtiele spel met de taal en de ironische lading een goed begrip van zijn taal en zijn taalspel vereisen om de stem van Kaváfis in haar werkelijke rijkdom (van nuances dus, en niet van overdaad) over te brengen. En bij dat taalspel hoort in elk geval ook zijn subtiele spel met aan de ene kant gedragen en hoog verheven taal en aan de andere kant idiomatische spreektaal, die een diepe én brede kennis van het Grieks vereisen.

Zijn er nog meer Griekstalige dichters die je de lezers van Meander kunt aanbevelen?
Op dit ogenblik ben ik (met een vertraging van jaren) bezig met de afronding van de vertaling van gedichten van Kikí Dimoulá, die algemeen geldt als de grootste nog levende Griekse dichter: een keuze van circa 80 gedichten uit haar vijftien bundels. In De Tweede Ronde 4, winter 1999 ([4e] Grieks nummer) hebben al een keer zes gedichten van haar gestaan in mijn vertaling; in meer of minder bewerkte vorm komen die vertalingen ook in de nieuwe uitgave te staan.

Zie de gedichten bij dit interview.

Wateren van Cyprus, Syrië en Egypte.
Datum/tijd: donderdagavond 20 april, om 20.00 uur (zaal open 19.00 uur).
Plaats: Podium Mozaïek Theater, Bos en Lommerweg 191, Amsterdam
Entree: € 15,00 (studenten/cjp/stadspas/65+: € 10,00)
Kaartverkoop: http://bit.do/kavafis-podiummozaiek

Recensie van Stad van liefde - Jabik Veenbaas

Een tijdelijke onsterfelijkheid

Jabik Veenbaas
Stad van liefde
Uitgever: Nieuw Amsterdam
2017
ISBN 9789046821879
€ 19,99
56 blz.

In Stad van liefde toont Jabik Veenbaas zich opnieuw een meester in het oproepen van spanning tussen het heden en een voorgoed voorbij verleden. Als hij dat combineert met het hoofdmotief in deze bundel – de liefde – levert dan meteen de beste gedichten op. Neem bijvoorbeeld ‘nog een liefdeslied’, waarin de dichter schrijft over het onherroepelijke verlies dat met liefde gepaard gaat, ook als zij blijvend is: het waarmaken van het verlangen naar een liefde is immers het einde van het dromen daarover. Veenbaas heeft een huidige liefde, gelukkige herinneringen en weemoed over wat niet herhaalbaar is op een mooie manier gemengd:

of ben je een heimwee die ik oproep als
het avond is, in mijn lamplichte kamer
heimwee naar het tikken van je hakjes
op de harde koude straat toen je daarnet
de deur uit ging naar die eerste keer
dat we zoenden in mijn lage bed aan
het eind van een nacht van hete lome
lichamen mocht toch die nacht opnieuw
beginnen ik sprak je aan en wist nog niet
dat je met me mee zou gaan

Net als in Mijn vader bad probeert de dichter de tijd te dwingen. Onmogelijk natuurlijk, maar poëzie kan je voor even die illusie geven. Datzelfde geldt voor de liefde, zeker als je erover dicht. De laatste drie regels van de bundel (uit ‘gedicht voor je vijftigste’) zijn prachtig: ‘daarom blijf ik bij je / ook al is iedere onsterfelijkheid tijdelijk / die met jou duurt het langst.’
Helaas zijn de gedichten minder goed als het balanceren met de tijd in de liefdesgedichten ontbreekt, in ‘overleven’ bijvoorbeeld, over de liefde als remedie tegen een onherbergzame buitenwereld. De dichter is op bezoek geweest bij een gefrustreerde vriend, ‘vol boosheid over zijn verwoeste huwelijk’, in de trein naar huis zit hij tussen weinig vrolijk stemmende mensen, naar buiten kijken helpt ook niet (‘uit het kanaal stegen gifdampen op’), maar als hij diep in de nacht thuiskomt wordt hij nietsvermoedend begroet door zijn geliefde: ‘en in je verbaasde ogen las ik / waarachtig, ik leefde nog.’ Een aardig gedicht over een rotdag met een happy end, maar meer is het niet – de zelfspot, opgeroepen door hyperbolische titel , doet daar niets aan af.
Ook met verbeelding kun je de wereld naar je hand zetten. In ‘Credo’ vraagt de dichter zich retorisch af wat hij met de waarheid moet. Het gezever daarover moeten we maar aan betweters overlaten. De laatste strofe:

‘( … ) ik geloof in spoken
in muziek en poëzie, dat is de troost
van ijle waanzin
ik geloof in het ruisen van de populier in mijn achtertuin
ik geloof in de ziel die niet bestaat
en in de redeloze onmachtige liefde

Veenbaas doet meer in deze bundel. Vrijwel alle gedichten gaan over de liefde en dat kan ook de liefde voor een stad zijn. Het sfeervolle gedicht ‘zeedijk amsterdam, ‘s ochtend vroeg’ , waarin ‘alles begint bij zon en stilte’ eindigt met een volmaakte avond in ‘de onooglijke kroeg, genoemd / naar het elfde gebod: leven zul je / nooit genoeg’. Mooi zijn de personificaties, zoals een bunker als metafoor voor een onverzettelijke, rondloerende rouwdouwer die heimelijk verlangt naar moederliefde. Het mooist is ‘marilyn monroe, breakfast in bed’. Dat ontbijt in bed verwijst waarschijnlijk naar de titel van de hit uit de jaren zestig met de regel die Dusty Springfield onvergetelijk maakte: ‘You Don’t Have To Say You Love Me’. Monroe wordt voorgesteld als de verpersoonlijking van het archetype van de Verenigde Staten:

zij pelde een ei op haar kussen kwam
van kust tot kust het land in beroering
er werden slipjes aangetroffen in herenkoffers
presidenten vulden hun agenda’s stotterend
met haar borsten

want iedereen wist op haar machtige dijen
waren wolkenkrabbers verrezen
en mayflowers sloegen sinds lang te pletter
op haar weelderige heup

als ze geeuwde jankte een prairiehond
en een kalme bizon graasde
in de deuropening van een blokhut
verscheen een echtpaar in vodden

hoog daarboven cirkelde een arend
en viel op zijn prooi

Presidenten die niet gewoon hun agenda vullen met haar borsten, nee, ze doen het stotterend van opwinding. Zelden las ik een mooier beeld van de onweerstaanbare Marilyn die zelfs van de machtigste mannen ter wereld weerloze pubers maakte.

***
Jabik Veenbaas (1959) is dichter, filosoof en vertaler. Hij debuteerde in 2001 met de Friestalige bundel Metropolis. Drie van zijn vier Friese bundels vertaalde hij in het Nederlands. Zijn laatste oorspronkelijk Nederlandstalige bundel was Mijn vader bad (2015).

Recensie van Meervoudig afwezig - Ester Naomi Perquin

De raadselachtigheid van Perquin

Ester Naomi Perquin
Meervoudig afwezig
Uitgever: Van Oorschot
2017
ISBN 9789028261631
€ 16,99
37 blz.

In de nieuwe bundel van Ester Naomi Perquin Meervoudig afwezig (2017) trekt de dichter ons op intelligente wijze herkenbare levenservaringen binnen en laat ons er met nieuwe ogen naar kijken. Ze vraagt daarbij veel van onze voorstellingsvermogen vanwege haar verrassende wendingen van het concrete naar het abstracte en omgekeerd, haar omkering van voorstellingen, zienswijzen en gedragingen, zoals bijvoorbeeld het meebrengen naar een feest van ‘een kleine gedachte, mooi ingepakt//’ of de gedachte van ‘leegte’ als associatie met ‘oppervlaktewater’. Het paradoxale, het tegenstrijdige en het onoplosbare dat in veel situaties schuilgaat, is in deze bundel haar handelsmerk. Evenals Leonard Nolens beschouwt ze de stijlfiguur van de paradox als de enige hygiënische manier van denken. We moeten het ja niet scheiden van het nee, zoals Paul Celan haar leerde. Daarin gaat de raadselachtigheid van het leven schuil. Perquin neemt haar scherp waar, heeft niet zozeer de neiging daar een oplossing aan te verbinden, maar wil je de ingewikkeldheid van het leven laten zien. Het maakt voor een groot deel de spanning en de charme van de menselijke conditie uit. Genot is in dit geval misschien wat te veel gezegd, maar enig mild moralistisch realiteitsbesef weet Perquin ons wel voor te houden. Ze laat ons goed zien in hoeverre in de delen het totale zich het best laat zien, en in het totale de schoonheid en de waarheid van de delen zich kan aftekenen. Haar toon in deze bundel ligt dicht bij haar persoonlijke ervaring.
     Het motto van deze bundel ‘Er schuilt ongeloof in ieder uur’ is haar ingegeven door Fernando Pessoa, de dichter die voortdurend twijfelde aan zijn eigen identiteit, en niet voor waar wenste te houden wat anderen hem voorhielden en/of voordeden. Identiteit was voor hem drijfzand en aan een voortdurende verandering onderworpen. Wat is dat eigenlijk: er zijn, aan- en afwezig zijn? Perquin vraagt zich terecht af of we van onszelf wel weten wie we zijn en waarom we de dingen doen zoals we ze doen, laat staan dat we dat van anderen zouden kunnen weten. Ze begint met een mysterieus introductiegedicht. Daarin spreekt een professor zijn studenten toe:

De aard van de afwezigheid, dames en heren,
is zodanig afhankelijk van ons verdwijnen
dat zij niet valt waar te nemen.

Ook wat blijft, valt lang niet altijd goed waar te nemen, neem bijvoorbeeld de ‘maan’. ‘U zult de grootheid niet in het totale vinden.’ […] ‘Maar het totale in de delen!’ De professor die deze uitspraken doet, besluit in laatste strofe met het voorbeeld van een olifant om daarmee zijn theorie te illustreren:

Een olifant (…) lijkt pas de olifant die hij
daadwerkelijk is wanneer u
wegens kijken door een sleutelgat
een groot deel van hem mist.

Met onze verbeelding voltooien wij het beeld van onze werkelijkheid. Wat er onder oppervlakte aanwezig is, zien we vaak over het hoofd; wat in de werkelijkheid afwezig is, krijgt in onze verbeelding zijn entourage.
     Het eerste deel van deze bundel heet ‘De delen’. Hierin staan onder meer enkele gedichten die refereren aan een relatie, scheiding en kinderen, over wat zoek raakt, verdwijnt en pijn doet, zoals het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’, ‘Berekening’ en ‘Therapie’. Wat er leek te zijn, was er niet. Wat er niet was, bleek er wel te zijn. Schijn bedriegt: ‘slaap niet in vertrouwde armen / als andere aanlokkelijk ontbreken’ zegt de ik in het gedicht ‘Het ongeloof bij buren’. Zij hebben een ander beeld van de relatie dan de ik zelf. De ervaring van een scheiding doet de ik mismoedig en ironisch oproepen:

…………………………..Zoek naar de aarzeling
en ongemak. De raadselachtigheid. Ik zou nu graag
een lelijke die mij weer aan het lachen maakt
en die mij prachtig vindt. Prachtig.

In het gedicht ‘Therapie’ vraagt de ik – die zichzelf als een stad beschouwt – zich af hoe ze zich van de angst kan bevrijden: ‘We vragen ons af wie de ander/ beter leest. Wie wint. Waarom we eenzaam zijn/’. Wie heeft het beste zicht op de ‘klont in [het] brein’? De cliënt of de therapeut? In het laten zien van wat aanwezig is maar afwezig lijkt te zijn, bedient Perquin zich van verdwijntrucs die thuishoren in sprookjes, zoals in het gedicht ‘Wegens logistieke problemen’. De ik mocht de doos die gearriveerd was, niet openen. Uiteindelijk stapt ze er toch binnen, opdat ze daarmee voor even zou vergeten wat haar te wachten staat. Blijkbaar werd het openen van de doos belemmerd door een angstgedachte dat er iets in de doos zat wat gevaarlijk was. Wat niet zichtbaar was, was aanwezig in al zijn afwezigheid. Tweemaal afwezig: de angst en het verdwijnen in de doos.
     In het gedicht ‘Een troost’ ontleent Perquin troost aan de roekeloze en waar te nemen groei die de natuur in al zijn facetten kenmerkt: ‘Wat groeit, groeit roekeloos.//’ Wij mensen bestaan massaal niet, we zijn ‘feilloos in het niet-bestaan.//’ Ze gaat daarna verder met:

We leven tussen de bepaling van een plaats
en een gedachte.

( … )
Wij kennen de plaats noch de gedachte, zijn
het mooiste godsbewijs: in onze ogen
zie je de lengte van dagen,
in onze kamers de afwezigheid.

Onze af- en toekomst rust in de onbegrijpelijke afwezigheid van een schepper die in ons zijn aanwezigheid tot uitdrukking heeft gebracht. In het gedicht ‘Ondersteunende troepen’ zijn daar de angstige vaders die vrees hebben voor de oorlogshandelingen. Ze hebben angstvisioenen die niet bewaarheid worden, maar weten zich gesteund en getroost door de vooruitzichten die hun kinderen hen bieden voor na de oorlog. In beide gevallen berusten die vooronderstellingen op wat er niet is. Ook hier is er sprake van tweemaal afwezigheid. Zo zie je maar weer hoezeer mensen gedreven worden door wat zich in hun verbeelding vormt en vastzet, en niet op de feiten is gebaseerd. Door de vreesaanjagende deelaspecten wordt het verlossend geheel vaak niet zichtbaar meer.
     Het tweede deel heet ‘Het totale’ begint met een reeks nabeelden, zoals ‘Zelfs in de koppen van gevangen apen, las ik,/ treft bij de sectie vaak nog/ hele stukken oerwoud aan.//’. De conversatie met de snurkende, vaag geurende God is vermakelijk en hilarisch te noemen. “Je hebt veel dingen nooit gedacht,” zegt God ineens./’ tegen de ik. De ik repliceert: ‘U bent er niet.’ God houdt zijn ogen dicht en gaat verliggen. ‘Gratis dicteer ik / dit gedicht’, zegt hij. “Probeer het zelf / maar te verpesten.”//’. Het maken van het gedicht ligt wel en niet in onze handen, of God er nu wel of niet bij aanwezig is. Het scheppingsproces blijft een oneindig raadsel. Perquin laat haar lyrisch subject in dit tweede deel worstelen met de oorsprongs- en bestaansreden. Ook al kunnen we tegenwoordig heel ver het heelal inkijken, uiteindelijk keren we terug ‘bij het noodgedwongen wezen / van de mens: ons vermoeden. //’ In onze handelingen, hoe aarzelend en klein dan ook, ligt de bestaans(on)zekerheid. Het gedicht ‘Handelingen’ legt die existentiële vraag op tafel. Het lyrisch subject van Perquin cirkelt voornamelijk in deze bundel rond de vraag wat de vaste grond van dit bestaan is. Ze is er al lang achter dat die grond niet in de materie en de mens alleen te vinden is. Ze accepteert dat ook en bepleit enerzijds de permanente modus van de onzekerheid, maar blijft anderzijds naar een vermoedelijke aanwezigheid van een bestaansgrond zoeken: ‘Vermoeden omlijnt ons bestaan, een silhouet van onze krijt, / de dunne omtrek van een lijk; wij zijn wat niet meer / verder komt, voorgoed is vastgesteld. //’. In het gedicht ‘Had het hierbij maar gelaten’ blijft die finale vraag opspelen:

Je neemt een been (een lang, bruin been dat iemand over heeft)
een meeuw of twee en het uitzicht op zee.

Gelukkig zijn is gemakkelijk wanneer iemand anders steeds
je drankje brengt en diepe gesprekken kunnen vrij eenvoudig zijn:
je begint met de herkomst van het been en voor je het weet ben je
toe aan het hart, het eerste verlies, de innemende lach
en als je dood gaat, wat je dan denkt
dat men vermoedt dat je dacht.

Vraag als de zon zakt nog even of God het zo bedoelde en je zult zien
dat ook Hij, als Hij met ons klaar zal zijn,
de schepping uit de knoop haalt, leeg laat lopen,
de boel inpakt (zorgvuldig droogwrijft) en opbreekt,
nog één keer omkijkt en verdwijnt – je zult zien dat ook Hij
graag kijkt naar betere omstandigheden.

Naar één zuiver idee als dit. Een huis
met een trap naar de zee.

Perquin heeft met deze nieuwe bundel een zeer leesbare, verrassend knappe bundel geschreven die voor mij een aards-metafysische inslag heeft, zonder dat hij humor en directheid mist. In haar pogingen het afwezige in het aanwezige te laten zien vanuit het deel of het geheel, maakt zij deze bundel tot een existentiële ervaring met een spirituele kwaliteit.